Hulp aan je broer, verboden mengingen en seksuele wetten
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Verdwaalde en verloren dieren
1Je mag de stier of het schaap van je broer niet zien dwalen en je er dan aan onttrekken. Je moet ze zeker bij je broer terugbrengen.
לֹֽא
(lo)
niet
תִרְאֶה֩
(tire)
zul je zien
אֶת
(et)
(obj.)
שׁ֨וֹר
(shor)
stier van
אָחִ֜יךָ
(achikha)
je broer
א֤וֹ
(o)
of
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׂיוֹ֙
(seio)
zijn schaap
נִדָּחִ֔ים
(nidachim)
verdwaald
וְהִתְעַלַּמְתָּ֖
(vehitalamta)
en je onttrekt je
מֵהֶ֑ם
(mehem)
aan hen
הָשֵׁ֥ב
(hashev)
terugbrengen
תְּשִׁיבֵ֖ם
(teshivem)
zul je hen terugbrengen
לְאָחִֽיךָ
(leachikha)
aan je broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vergelijk Exod. 23:4–5.
הִתְעַלֵּם (hit’allem), ‘zich onttrekken’: je ogen sluiten voor wat je ziet.
Het gaat om dieren en bezittingen van je ‘broer’, een volksgenoot.
2Als je broer niet dicht bij je woont en je hem niet kent, dan moet je het dier in je huis opnemen. Het blijft bij je totdat je broer ernaar zoekt. Dan geef je het hem terug.
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֨א
(lo)
niet
קָר֥וֹב
(qarov)
dichtbij
אָחִ֛יךָ
(achikha)
je broer
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
bij jou
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יְדַעְתּ֑וֹ
(yedato)
je kent hem
וַאֲסַפְתּוֹ֙
(vaasafto)
dan neem je het op
אֶל
(el)
in
תּ֣וֹךְ
(tokh)
het midden van
בֵּיתֶ֔ךָ
(beitekha)
je huis
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
עִמְּךָ֗
(imekha)
bij jou
עַ֣ד
(ad)
totdat
דְּרֹ֤שׁ
(derosh)
zoekt
אָחִ֨יךָ֙
(achikha)
je broer
אֹת֔וֹ
(oto)
het
וַהֲשֵׁבֹת֖וֹ
(vahashevoto)
en je geeft het terug
לֽוֹ
(lo)
aan hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Zo moet je doen met zijn ezel, zo met zijn kleed en zo met elk verloren voorwerp van je broer. Hij raakt het kwijt en jij vindt het. Je kunt je er niet aan onttrekken.
וְכֵ֧ן
(vekhen)
en zo
תַּעֲשֶׂ֣ה
(taase)
zul je doen
לַחֲמֹר֗וֹ
(lachamoro)
met zijn ezel
וְכֵ֣ן
(vekhen)
en zo
תַּעֲשֶׂה֮
(taase)
zul je doen
לְשִׂמְלָתוֹ֒
(lesimlato)
met zijn kleed
וְכֵ֣ן
(vekhen)
en zo
תַּעֲשֶׂ֜ה
(taase)
zul je doen
לְכָל
(lekhal)
met elk
אֲבֵדַ֥ת
(avedat)
verloren voorwerp van
אָחִ֛יךָ
(achikha)
je broer
אֲשֶׁר
(asher)
dat
תֹּאבַ֥ד
(tovad)
verloren raakt
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
van hem
וּמְצָאתָ֑הּ
(umetsatah)
en je vindt het
לֹ֥א
(lo)
niet
תוּכַ֖ל
(tukhal)
kun je
לְהִתְעַלֵּֽם
(lehitalem)
je onttrekken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Je mag de ezel of de stier van je broer niet op de weg zien vallen en je er dan aan onttrekken. Je moet hen zeker laten opstaan, samen met hem.
לֹא
(lo)
niet
תִרְאֶה֩
(tire)
zul je zien
אֶת
(et)
(obj.)
חֲמ֨וֹר
(chamor)
ezel van
אָחִ֜יךָ
(achikha)
je broer
א֤וֹ
(o)
of
שׁוֹרוֹ֙
(shoro)
zijn stier
נֹפְלִ֣ים
(nofelim)
vallend
בַּדֶּ֔רֶךְ
(baderekh)
op de weg
וְהִתְעַלַּמְתָּ֖
(vehitalamta)
en je onttrekt je
מֵהֶ֑ם
(mehem)
aan hen
הָקֵ֥ם
(haqem)
doen opstaan
תָּקִ֖ים
(taqim)
zul je laten opstaan
עִמּֽוֹ
(imo)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָקֵם תָּקִים (haqem taqim), ‘je moet zeker laten opstaan’: je helpt het dier overeind samen met zijn eigenaar (‘met hem’).
5Een voorwerp van een man mag niet op een vrouw zijn, en een man mag geen kleed van een vrouw dragen. Want ieder die dit doet, is een gruwel voor Yahweh, je Elohim.
לֹא
(lo)
niet
יִהְיֶ֤ה
(yihye)
zal zijn
כְלִי
(keli)
voorwerp van
גֶ֨בֶר֙
(gever)
een man
עַל
(al)
op
אִשָּׁ֔ה
(isha)
een vrouw
וְלֹא
(velo)
en niet
יִלְבַּ֥שׁ
(yilbash)
zal dragen
גֶּ֖בֶר
(gever)
een man
שִׂמְלַ֣ת
(simlat)
kleed van
אִשָּׁ֑ה
(isha)
een vrouw
כִּ֧י
(ki)
want
תוֹעֲבַ֛ת
(toavat)
gruwel voor
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
כָּל
(kal)
ieder
עֹ֥שֵׂה
(ose)
die doet
אֵֽלֶּה
(ele)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כְּלִי (keli), ‘voorwerp’: kleding, gereedschap of wapen.
6Wanneer je onderweg een vogelnest voor je vindt, in een of andere boom of op de grond, met jongen of eieren. De moeder zit op de jongen of op de eieren. Dan mag je de moeder niet samen met de jongen nemen.
כִּ֣י
(ki)
wanneer
יִקָּרֵ֣א
(yiqare)
zich voordoet
קַן
(qan)
nest van
צִפּ֣וֹר
(tsipor)
een vogel
לְפָנֶ֡יךָ
(lefaneikha)
voor je
בַּדֶּ֜רֶךְ
(baderekh)
op de weg
בְּכָל
(bekhal)
in elke
עֵ֣ץ
(ets)
boom
א֣וֹ
(o)
of
עַל
(al)
op
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
de aarde
אֶפְרֹחִים֙
(efrochim)
jongen
א֣וֹ
(o)
of
בֵיצִ֔ים
(beitsim)
eieren
וְהָאֵ֤ם
(vehaem)
en de moeder
רֹבֶ֨צֶת֙
(rovetset)
zittend
עַל
(al)
op
הָֽאֶפְרֹחִ֔ים
(haefrochim)
de jongen
א֖וֹ
(o)
of
עַל
(al)
op
הַבֵּיצִ֑ים
(habeitsim)
de eieren
לֹא
(lo)
niet
תִקַּ֥ח
(tiqach)
zul je nemen
הָאֵ֖ם
(haem)
de moeder
עַל
(al)
met
הַבָּנִֽים
(habanim)
de jongen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14en hij legt haar beschuldigingen ten laste, brengt een slechte naam over haar en zegt: „Deze vrouw heb ik genomen. Maar toen ik bij haar kwam, vond ik bij haar geen maagdelijkheid.”
וְשָׂ֥ם
(vesam)
en legt
לָהּ֙
(lah)
haar
עֲלִילֹ֣ת
(alilot)
beschuldigingen van
דְּבָרִ֔ים
(devarim)
dingen
וְהוֹצִ֥יא
(vehotsi)
en brengt
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
over haar
שֵׁ֣ם
(shem)
een naam
רָ֑ע
(ra)
slechte
וְאָמַ֗ר
(veamar)
en zegt
אֶת
(et)
(obj.)
הָאִשָּׁ֤ה
(haisha)
de vrouw
הַזֹּאת֙
(hazot)
deze
לָקַ֔חְתִּי
(laqachti)
ik nam
וָאֶקְרַ֣ב
(vaeqrav)
en ik kwam dicht
אֵלֶ֔יהָ
(eleiha)
bij haar
וְלֹא
(velo)
en niet
מָצָ֥אתִי
(matsati)
vond ik
לָ֖הּ
(lah)
bij haar
בְּתוּלִֽים
(betulim)
maagdelijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲלִילֹת דְּבָרִים (alilot devarim), ‘beschuldigingen’: letterlijk ‘daden van woorden’.
15dan moeten de vader en de moeder van het meisje de bewijzen van haar maagdelijkheid nemen. Zij moeten ze naar de oudsten van de stad brengen, naar de poort.
וְלָקַ֛ח
(velaqach)
en zullen nemen
אֲבִ֥י
(avi)
vader van
הַֽנַּעֲרָ֖ה
(hanaara)
het meisje
וְאִמָּ֑הּ
(veimah)
en haar moeder
וְהוֹצִ֜יאוּ
(vehotsiu)
en brengen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּתוּלֵ֧י
(betulei)
bewijzen van maagdelijkheid van
הַֽנַּעֲרָ֛ה
(hanaara)
het meisje
אֶל
(el)
naar
זִקְנֵ֥י
(ziqnei)
oudsten van
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
הַשָּֽׁעְרָה
(hashaera)
naar de poort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16De vader van het meisje moet tegen de oudsten zeggen: „Ik heb mijn dochter aan deze man gegeven als vrouw, maar hij haat haar.
וְאָמַ֛ר
(veamar)
en zegt
אֲבִ֥י
(avi)
vader van
הַֽנַּעַרָ֖ה
(hanaara)
het meisje
אֶל
(el)
tot
הַזְּקֵנִ֑ים
(hazeqenim)
de oudsten
אֶת
(et)
(obj.)
בִּתִּ֗י
(biti)
mijn dochter
נָתַ֜תִּי
(natati)
ik gaf
לָאִ֥ישׁ
(laish)
aan de man
הַזֶּ֛ה
(haze)
deze
לְאִשָּׁ֖ה
(leisha)
tot vrouw
וַיִּשְׂנָאֶֽהָ
(vayisnaeha)
en hij haat haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17En zie, hij legt haar beschuldigingen ten laste en zegt: ‘Ik heb bij je dochter geen maagdelijkheid gevonden.’ Maar dit zijn de bewijzen van de maagdelijkheid van mijn dochter.” Dan spreiden zij het kleed uit voor de oudsten van de stad.
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
ה֡וּא
(hu)
hij
שָׂם֩
(sam)
legt
עֲלִילֹ֨ת
(alilot)
beschuldigingen van
דְּבָרִ֜ים
(devarim)
dingen
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
לֹֽא
(lo)
niet
מָצָ֤אתִי
(matsati)
vond ik
לְבִתְּךָ֙
(levitekha)
bij je dochter
בְּתוּלִ֔ים
(betulim)
maagdelijkheid
וְאֵ֖לֶּה
(veele)
maar dit
בְּתוּלֵ֣י
(betulei)
bewijzen van maagdelijkheid van
בִתִּ֑י
(biti)
mijn dochter
וּפָֽרְשׂוּ֙
(ufaresu)
en zij spreiden
הַשִּׂמְלָ֔ה
(hasimla)
het kleed
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
זִקְנֵ֥י
(ziqnei)
oudsten van
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De ouders van het meisje bewaarden een bewijs van haar maagdelijkheid, hier ‘het kleed’.
Wat dat bewijs precies was, zegt de tekst niet.
18De oudsten van die stad moeten de man nemen en hem tuchtigen.
וְלָֽקְח֛וּ
(velaqechu)
en zullen nemen
זִקְנֵ֥י
(ziqnei)
oudsten van
הָֽעִיר
(hair)
de stad
הַהִ֖וא
(hahi)
die
אֶת
(et)
(obj.)
הָאִ֑ישׁ
(haish)
de man
וְיִסְּר֖וּ
(veyiseru)
en tuchtigen
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Zij moeten hem honderd sikkels zilver als boete opleggen en dat aan de vader van het meisje geven. Want hij een slechte naam heeft gebracht over een maagd van Israël. Zij blijft zijn vrouw. Hij mag haar al zijn dagen niet wegsturen.
וְעָנְשׁ֨וּ
(veaneshu)
en zullen straffen
אֹת֜וֹ
(oto)
hem
מֵ֣אָה
(mea)
honderd
כֶ֗סֶף
(kesef)
zilver
וְנָתְנוּ֙
(venatenu)
en geven
לַאֲבִ֣י
(laavi)
aan de vader van
הַֽנַּעֲרָ֔ה
(hanaara)
het meisje
כִּ֤י
(ki)
omdat
הוֹצִיא֙
(hotsi)
hij bracht
שֵׁ֣ם
(shem)
een naam
רָ֔ע
(ra)
slechte
עַ֖ל
(al)
over
בְּתוּלַ֣ת
(betulat)
een maagd van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְלֽוֹ
(velo)
en bij hem
תִהְיֶ֣ה
(tihye)
zal zijn
לְאִשָּׁ֔ה
(leisha)
tot vrouw
לֹא
(lo)
niet
יוּכַ֥ל
(yukhal)
mag hij
לְשַּׁלְּחָ֖הּ
(leshalechah)
haar wegsturen
כָּל
(kal)
al
יָמָֽיו
(yamav)
zijn dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De tekst heeft alleen ‘honderd zilver’.
Wij vullen ‘sikkels’ aan, zoals in Deut. 22:29.
Een sikkel is ongeveer 11,4 gram, dus honderd sikkels is ongeveer 1,14 kilo.
20Maar als dit woord waar is en er bij het meisje geen maagdelijkheid is gevonden,
וְאִם
(veim)
en als
אֱמֶ֣ת
(emet)
waarheid
הָיָ֔ה
(haya)
was
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
לֹא
(lo)
niet
נִמְצְא֥וּ
(nimtseu)
gevonden werd
בְתוּלִ֖ים
(betulim)
maagdelijkheid
לַֽנַּעֲרָֽה
(lanaara)
bij het meisje
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21dan moeten ze het meisje naar de ingang van het huis van haar vader brengen. De mannen van haar stad moeten haar met stenen stenigen, zodat ze sterft. Want ze heeft een schanddaad in Israël begaan door te hoereren in het huis van haar vader. Zo doe je het kwaad uit je midden weg.
וְהוֹצִ֨יאוּ
(vehotsiu)
en zullen brengen
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽנַּעֲרָ֜ה
(hanaara)
het meisje
אֶל
(el)
naar
פֶּ֣תַח
(petach)
ingang van
בֵּית
(beit)
huis van
אָבִ֗יהָ
(aviha)
haar vader
וּסְקָלוּהָ֩
(useqaluha)
en zullen stenigen haar
אַנְשֵׁ֨י
(anshei)
mannen van
עִירָ֤הּ
(irah)
haar stad
בָּאֲבָנִים֙
(baavanim)
met stenen
וָמֵ֔תָה
(vameta)
en ze sterft
כִּֽי
(ki)
omdat
עָשְׂתָ֤ה
(aseta)
ze deed
נְבָלָה֙
(nevala)
schanddaad
בְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
in Israël
לִזְנ֖וֹת
(liznot)
door te hoereren
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
אָבִ֑יהָ
(aviha)
haar vader
וּבִֽעַרְתָּ֥
(uviarta)
en je zult wegdoen
הָרָ֖ע
(hara)
het kwaad
מִקִּרְבֶּֽךָ
(miqirbekha)
uit je midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְבָלָה (nevalah), ‘schanddaad’: zoals in Gen. 34:7.
22Wanneer een man gevonden wordt die slaapt met een getrouwde vrouw, dan moeten ze allebei sterven. Dit geldt dan voor de man die met de vrouw sliep en voor de vrouw. Zo doe je het kwaad uit Israël weg.
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִמָּצֵ֨א
(yimatse)
gevonden wordt
אִ֜ישׁ
(ish)
een man
שֹׁכֵ֣ב
(shokhev)
liggend
עִם
(im)
met
אִשָּׁ֣ה
(isha)
een vrouw
בְעֻֽלַת
(beulat)
bezeten door
בַּ֗עַל
(baal)
een man
וּמֵ֨תוּ֙
(umetu)
en zullen sterven
גַּם
(gam)
ook
שְׁנֵיהֶ֔ם
(sheneihem)
beiden
הָאִ֛ישׁ
(haish)
de man
הַשֹּׁכֵ֥ב
(hashokhev)
die ligt
עִם
(im)
met
הָאִשָּׁ֖ה
(haisha)
de vrouw
וְהָאִשָּׁ֑ה
(vehaisha)
en de vrouw
וּבִֽעַרְתָּ֥
(uviarta)
en je zult wegdoen
הָרָ֖ע
(hara)
het kwaad
מִיִּשְׂרָאֵֽל
(miyisrael)
uit Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּעֻלַת בַּעַל (be’ulat ba’al), letterlijk ‘in het bezit van een heer’: een getrouwde vrouw.
24Dan moet je hen allebei naar de poort van die stad brengen. Je moet hen met stenen stenigen, zodat ze sterven: het meisje, omdat ze in de stad niet om hulp heeft geroepen. En de man, omdat hij de vrouw van zijn naaste heeft vernederd. Zo doe je het kwaad uit je midden weg.
וְהוֹצֵאתֶ֨ם
(vehotsetem)
en jullie zullen brengen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁנֵיהֶ֜ם
(sheneihem)
beiden
אֶל
(el)
naar
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort van
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַהִ֗וא
(hahi)
die
וּסְקַלְתֶּ֨ם
(useqaltem)
en jullie zullen stenigen
אֹתָ֥ם
(otam)
hen
בָּאֲבָנִים֮
(baavanim)
met stenen
וָמֵתוּ֒
(vametu)
en ze sterven
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽנַּעֲרָ֗ה
(hanaara)
het meisje
עַל
(al)
om
דְּבַר֙
(devar)
woord
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
צָעֲקָ֣ה
(tsaaqa)
ze riep
בָעִ֔יר
(bair)
in de stad
וְאֶ֨ת
(veet)
en (obj.)
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
עַל
(al)
om
דְּבַ֥ר
(devar)
woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עִנָּ֖ה
(ina)
hij vernederde
אֶת
(et)
(obj.)
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
רֵעֵ֑הוּ
(reehu)
zijn naaste
וּבִֽעַרְתָּ֥
(uviarta)
en je zult wegdoen
הָרָ֖ע
(hara)
het kwaad
מִקִּרְבֶּֽךָ
(miqirbekha)
uit je midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws spreekt hier de rechters aan (meervoud); wij schrijven ‘je’, zoals in de verzen eromheen.
עִנָּה (innah), ‘vernederen’: zoals in Deut. 21:14.
Vers 23–24 gaan over een verloofd meisje: de verloving geldt al als een huwelijk.
25Maar als de man het verloofde meisje in het veld vindt, haar vastgrijpt en met haar slaapt, dan moet alleen de man sterven. Dat is de man die met haar geslapen heeft.
וְֽאִם
(veim)
en als
בַּשָּׂדֶ֞ה
(basade)
in het veld
יִמְצָ֣א
(yimtsa)
vindt
הָאִ֗ישׁ
(haish)
de man
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽנַּעֲרָה֙
(hanaara)
het meisje
הַמְאֹ֣רָשָׂ֔ה
(hamorasa)
het verloofde
וְהֶחֱזִֽיק
(vehecheziq)
en grijpt vast
בָּ֥הּ
(bah)
haar
הָאִ֖ישׁ
(haish)
de man
וְשָׁכַ֣ב
(veshakhav)
en ligt
עִמָּ֑הּ
(imah)
met haar
וּמֵ֗ת
(umet)
en sterft
הָאִ֛ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׁכַ֥ב
(shakhav)
lag
עִמָּ֖הּ
(imah)
met haar
לְבַדּֽוֹ
(levado)
alleen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Het meisje mag je niets aandoen. Het meisje heeft geen zonde waarop de dood staat. Want het is met deze zaak als wanneer iemand tegen zijn naaste opstaat en hem doodslaat.
וְלַֽנַּעֲרָה֙
(velanaara)
en aan het meisje
לֹא
(lo)
niet
תַעֲשֶׂ֣ה
(taase)
zul je doen
דָבָ֔ר
(davar)
iets
אֵ֥ין
(ein)
is niet
לַֽנַּעֲרָ֖ה
(lanaara)
bij het meisje
חֵ֣טְא
(chete)
zonde van
מָ֑וֶת
(mavet)
de dood
כִּ֡י
(ki)
want
כַּאֲשֶׁר֩
(kaasher)
zoals
יָק֨וּם
(yaqum)
opstaat
אִ֤ישׁ
(ish)
een man
עַל
(al)
tegen
רֵעֵ֨הוּ֙
(reehu)
zijn naaste
וּרְצָח֣וֹ
(uretsacho)
en hem doodslaat
נֶ֔פֶשׁ
(nefesh)
het leven
כֵּ֖ן
(ken)
zo
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רָצַח (ratsach), ‘doodslaan’: zie de voetnoot bij Deut. 19:4.
De vergelijking maakt duidelijk dat het meisje het slachtoffer is.
29dan moet de man die met haar geslapen heeft, vijftig sikkels zilver aan de vader van het meisje geven. Zij wordt zijn vrouw, omdat hij haar vernederd heeft. Hij mag haar al zijn dagen niet wegsturen.
וְ֠נָתַן
(venatan)
en geeft
הָאִ֨ישׁ
(haish)
de man
הַשֹּׁכֵ֥ב
(hashokhev)
die ligt
עִמָּ֛הּ
(imah)
met haar
לַאֲבִ֥י
(laavi)
aan de vader van
הַֽנַּעֲרָ֖ה
(hanaara)
het meisje
חֲמִשִּׁ֣ים
(chamishim)
vijftig
כָּ֑סֶף
(kasef)
zilver
וְלֽוֹ
(velo)
en bij hem
תִהְיֶ֣ה
(tihye)
zal zij zijn
לְאִשָּׁ֗ה
(leisha)
tot vrouw
תַּ֚חַת
(tachat)
omdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עִנָּ֔הּ
(inah)
hij haar vernederde
לֹא
(lo)
niet
יוּכַ֥ל
(yukhal)
mag hij
שַׁלְּחָ֖ה
(shalecha)
haar wegsturen
כָּל
(kal)
al
יָמָֽיו
(yamav)
zijn dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vijftig sikkels is ongeveer 570 gram zilver.
Vergelijk Exod. 22:15–16, waar de man de bruidsprijs betaalt.