De heerser uit Betlehem en de overgeblevenen van Jakob
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Uit Betlehem komt een heerser
1„En jij, Betlehem Efrata, klein om onder de geslachten van Juda te zijn: uit jou zal voor Mij voortkomen wie heerser zal zijn over Israël. Zijn oorsprong is uit de oertijd, uit de dagen van de eeuwigheid.”
וְאַתָּ֞ה
(veata)
en jij
בֵּֽית
(beit)
huis van
לֶ֣חֶם
(lechem)
brood
אֶפְרָ֗תָה
(efrata)
Efrata
צָעִיר֙
(tsair)
klein
לִֽהְיוֹת֙
(lihyot)
om te zijn
בְּאַלְפֵ֣י
(bealfei)
onder de geslachten van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
מִמְּךָ֙
(mimekha)
uit jou
לִ֣י
(li)
voor Mij
יֵצֵ֔א
(yetse)
zal voortkomen
לִֽהְי֥וֹת
(lihyot)
om te zijn
מוֹשֵׁ֖ל
(moshel)
heerser
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
over Israël
וּמוֹצָאֹתָ֥יו
(umotsaotav)
en zijn oorsprong
מִקֶּ֖דֶם
(miqedem)
uit de oertijd
מִימֵ֥י
(mimei)
uit de dagen van
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.
Uitleg
In de Nederlandse telling is dit vers 5:2.
Hebr. 5:1–14 is NL 5:2–15.
בֵּית־לֶחֶם אֶפְרָתָה (Bet-Lechem Efrata), ‘Betlehem Efrata’: Efrata is een andere naam voor Betlehem (Gen. 35:19; 48:7). Het was een klein stadje in Juda.
אֲלָפִים (alafim), ‘duizenden’: het woord is ook de naam van een onderdeel van een stam, een ‘geslacht’ of ‘familie’ (zie Richt. 6:15, ‘mijn familie’). Wij vertalen hier ‘geslachten’.
מוֹשֵׁל (moshel), ‘heerser’: een leider met gezag. מוֹצָאֹת (motsa’ot), ‘oorsprong’: letterlijk ‘uitgangen’. Het gaat om een afkomst van lang geleden. Het Hebreeuws zegt niet wie bedoeld wordt. Zie ook Matt. 2:6.
3Hij zal optreden en weiden in de kracht van Yahweh, in de majesteit van de naam van Yahweh, zijn Elohim. Zij zullen wonen, want nu zal hij groot zijn tot de einden van de aarde.
וְעָמַ֗ד
(veamad)
en hij zal staan
וְרָעָה֙
(veraa)
en weiden
בְּעֹ֣ז
(beoz)
in de kracht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּגְא֕וֹן
(bigon)
in de majesteit van
שֵׁ֖ם
(shem)
de naam van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֑יו
(elohav)
zijn Elohim
וְיָשָׁ֕בוּ
(veyashavu)
en zij zullen wonen
כִּֽי
(ki)
want
עַתָּ֥ה
(ata)
nu
יִגְדַּ֖ל
(yigdal)
zal hij groot zijn
עַד
(ad)
tot
אַפְסֵי
(afsei)
de einden van
אָֽרֶץ
(arets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְרָעָה (vera’ah), ‘en hij zal weiden’: de heerser is een herder voor zijn volk.
Hetzelfde werkwoord staat in vers 5.
Wij schrijven ‘hij’ en ‘zijn’ met een kleine letter voor deze heerser.
וְיָשָׁבוּ (veyashavu), ‘en zij zullen wonen’: het werkwoord kan ook ‘blijven wonen’ betekenen.
4Deze zal vrede zijn. Wanneer Assyrië ons land binnenkomt en wanneer het onze paleizen betreedt, stellen wij zeven herders tegen hem op, en acht vorsten van de mensen.
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en zal zijn
זֶ֖ה
(ze)
deze
שָׁל֑וֹם
(shalom)
vrede
אַשּׁ֣וּר
(ashur)
Assyrië
כִּֽי
(ki)
wanneer
יָב֣וֹא
(yavo)
het komt
בְאַרְצֵ֗נוּ
(beartsenu)
in ons land
וְכִ֤י
(vekhi)
en wanneer
יִדְרֹךְ֙
(yidrokh)
het betreedt
בְּאַרְמְנֹתֵ֔ינוּ
(bearmenoteinu)
onze paleizen
וַהֲקֵמֹ֤נוּ
(vahaqemonu)
dan stellen wij op
עָלָיו֙
(alav)
tegen hem
שִׁבְעָ֣ה
(shiva)
zeven
רֹעִ֔ים
(roim)
herders
וּשְׁמֹנָ֖ה
(ushemona)
en acht
נְסִיכֵ֥י
(nesikhei)
vorsten van
אָדָֽם
(adam)
mensen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
זֶה שָׁלוֹם (zeh shalom), ‘deze zal vrede zijn’: de heerser zelf is de vrede.
Assyrië is de grote macht van de tijd van Micha. ‘Zeven … acht’ is een beeld voor ‘meer dan genoeg’, zoals ‘drie … vier’ in Amos 1:3.
נְסִיכֵי אָדָם (nesikhe adam), ‘vorsten van de mensen’: leiders uit het volk.
5Zij zullen het land Assyrië weiden met het zwaard, en het land van Nimrod bij zijn poorten. Hij zal ons bevrijden van Assyrië, wanneer het ons land binnenkomt en wanneer het onze grenzen betreedt.
וְרָע֞וּ
(verau)
en zij zullen weiden
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֤רֶץ
(erets)
het land
אַשּׁוּר֙
(ashur)
Assyrië
בַּחֶ֔רֶב
(bacherev)
met het zwaard
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
נִמְרֹ֖ד
(nimrod)
Nimrod
בִּפְתָחֶ֑יהָ
(biftacheiha)
bij zijn poorten
וְהִצִּיל֙
(vehitsil)
en hij zal bevrijden
מֵֽאַשּׁ֔וּר
(meashur)
van Assyrië
כִּֽי
(ki)
wanneer
יָב֣וֹא
(yavo)
het komt
בְאַרְצֵ֔נוּ
(beartsenu)
in ons land
וְכִ֥י
(vekhi)
en wanneer
יִדְרֹ֖ךְ
(yidrokh)
het betreedt
בִּגְבוּלֵֽנוּ
(bigvulenu)
onze grenzen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
אֶרֶץ נִמְרֹד (erets Nimrod), ‘het land van Nimrod’: de streek die Nimrod beheerste, Babel en Assur (Gen. 10:8–12).
Hier is het een naam voor Assyrië.
בִּפְתָחֶיהָ (bifticheha), ‘bij zijn poorten’: de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘met getrokken zwaard’ zijn.
6De overgeblevenen van Jakob zullen te midden van vele volken zijn als dauw van Yahweh, als regenbuien op het gras. Die wachten niet op een man en hopen niet op de mensenkinderen.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en zal zijn
שְׁאֵרִ֣ית
(sheerit)
de overgeblevenen van
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
בְּקֶ֨רֶב֙
(beqerev)
te midden van
עַמִּ֣ים
(amim)
volken
רַבִּ֔ים
(rabim)
vele
כְּטַל֙
(ketal)
als dauw
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּרְבִיבִ֖ים
(kirvivim)
als regenbuien
עֲלֵי
(alei)
op
עֵ֑שֶׂב
(esev)
gras
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יְקַוֶּה֙
(yeqave)
wacht
לְאִ֔ישׁ
(leish)
op een man
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יְיַחֵ֖ל
(yeyachel)
hoopt
לִבְנֵ֥י
(livnei)
op de zonen van
אָדָֽם
(adam)
mensen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁאֵרִית יַעֲקֹב (she’erit Ya’aqov), ‘de overgeblevenen van Jakob’: wie van het volk na het oordeel overblijft.
De dauw en de regen hangen niet van mensen af: zo komt de zegen alleen van Yahweh.
7De overgeblevenen van Jakob zullen onder de volken zijn, te midden van vele volken. Zij zullen zijn als een leeuw onder de dieren van het woud, als een jonge leeuw tussen de kudden schapen. Wanneer hij erdoor trekt, vertrapt hij en verscheurt hij, en niemand bevrijdt.
וְהָיָה֩
(vehaya)
en zal zijn
שְׁאֵרִ֨ית
(sheerit)
de overgeblevenen van
יַעֲקֹ֜ב
(yaaqov)
Jakob
בַּגּוֹיִ֗ם
(bagoyim)
onder de volken
בְּקֶ֨רֶב֙
(beqerev)
te midden van
עַמִּ֣ים
(amim)
volken
רַבִּ֔ים
(rabim)
vele
כְּאַרְיֵה֙
(kearye)
als een leeuw
בְּבַהֲמ֣וֹת
(bevahamot)
onder de dieren van
יַ֔עַר
(yaar)
het woud
כִּכְפִ֖יר
(kikhfir)
als een jonge leeuw
בְּעֶדְרֵי
(beedrei)
tussen de kudden van
צֹ֑אן
(tson)
schapen
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
אִם
(im)
als
עָבַ֛ר
(avar)
hij trekt erdoor
וְרָמַ֥ס
(veramas)
en vertrapt
וְטָרַ֖ף
(vetaraf)
en verscheurt
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
מַצִּֽיל
(matsil)
die bevrijdt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כְּפִיר (kefir), ‘jonge leeuw’: een sterk dier.
De overgeblevenen zijn een gevaar voor de volken; in vers 6 zijn zij een zegen.