Elohim Bijbel

Deuteronomium 25

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334

Slagen, zwagerhuwelijk, eerlijke maten en Amalek

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De geselslag

1Als twee mannen een geschil hebben en zij naar het recht gaan en men over hen recht spreekt, dan moet men de rechtvaardige vrijspreken. En men moet de goddeloze schuldig verklaren.
כִּֽי
(ki)
als
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
er is
רִיב֙
(riv)
geschil
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
אֲנָשִׁ֔ים
(anashim)
mannen
וְנִגְּשׁ֥וּ
(venigeshu)
en zij komen naderbij
אֶל
(el)
tot
הַמִּשְׁפָּ֖ט
(hamishpat)
het recht
וּשְׁפָט֑וּם
(ushefatum)
en men oordeelt over hen
וְהִצְדִּ֨יקוּ֙
(vehitsdiqu)
en zij spreken vrij
אֶת
(et)
(obj.)
הַצַּדִּ֔יק
(hatsadiq)
de rechtvaardige
וְהִרְשִׁ֖יעוּ
(vehirshiu)
en zij verklaren schuldig
אֶת
(et)
(obj.)
הָרָשָֽׁע
(harasha)
de goddeloze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִצְדִּיק (hitsdiq), ‘vrijspreken’: iemand rechtvaardig verklaren.

הִרְשִׁיעַ (hirshia), ‘schuldig verklaren’: iemand goddeloos verklaren.

Het zijn twee woorden van dezelfde familie als ‘rechtvaardige’ (צַדִּיק, tsaddiq) en ‘goddeloze’ (רָשָׁע, rasha).

2Als de goddeloze slaag verdient, moet de rechter hem laten neerliggen en hem in zijn bijzijn laten slaan, volgens zijn goddeloosheid, naar een vast aantal.
וְהָיָ֛ה
(vehaya)
en het zal zijn
אִם
(im)
als
בִּ֥ן
(bin)
zoon van
הַכּ֖וֹת
(hakot)
slaan
הָרָשָׁ֑ע
(harasha)
de goddeloze
וְהִפִּיל֤וֹ
(vehipilo)
en laat neervallen hem
הַשֹּׁפֵט֙
(hashofet)
de rechter
וְהִכָּ֣הוּ
(vehikahu)
en laat slaan hem
לְפָנָ֔יו
(lefanav)
voor zijn aangezicht
כְּדֵ֥י
(kedei)
volgens
רִשְׁעָת֖וֹ
(rishato)
zijn goddeloosheid
בְּמִסְפָּֽר
(bemispar)
naar een aantal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִפִּיל (hippil), letterlijk ‘laten vallen’: de veroordeelde wordt op de grond gelegd om de slagen te ontvangen.

3Veertig slagen mag hij hem geven, niet meer. Anders gaat hij door en slaat hij hem met nog veel meer slagen, en wordt je broer onteerd in je ogen.
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
veertig
יַכֶּ֖נּוּ
(yakenu)
hij zal hem slaan
לֹ֣א
(lo)
niet
יֹסִ֑יף
(yosif)
hij zal doorgaan
פֶּן
(pen)
opdat niet
יֹסִ֨יף
(yosif)
hij doorgaat
לְהַכֹּת֤וֹ
(lehakoto)
om hem te slaan
עַל
(al)
boven
אֵ֨לֶּה֙
(ele)
deze
מַכָּ֣ה
(maka)
slag
רַבָּ֔ה
(raba)
groot
וְנִקְלָ֥ה
(veniqla)
en onteerd wordt
אָחִ֖יךָ
(achikha)
je broer
לְעֵינֶֽיךָ
(leeineikha)
voor je ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Veertig is het hoogste aantal slagen.

De straf mag niet zo ver gaan dat de mens als een dier wordt behandeld: hij blijft ‘je broer’.

De dorsende stier

4Je mag een stier niet muilbanden als hij aan het dorsen is.
לֹא
(lo)
niet
תַחְסֹ֥ם
(tachsom)
zul je muilbanden
שׁ֖וֹר
(shor)
stier
בְּדִישֽׁוֹ
(bedisho)
bij zijn dorsen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een stier die graan dorst, mag tijdens het werk van het graan eten.

Paulus past deze wet toe op het loon van wie werkt: 1 Kor. 9:9 en 1 Tim. 5:18.

Het zwagerhuwelijk

5Als broers samen wonen en één van hen sterft en hij heeft geen zoon. Dan mag de vrouw van de gestorvene niet buiten de familie de vrouw van een vreemde man worden. Haar zwager moet naar haar toe gaan, haar tot vrouw nemen en zijn plicht als zwager aan haar vervullen.
כִּֽי
(ki)
als
יֵשְׁב֨וּ
(yeshevu)
wonen
אַחִ֜ים
(achim)
broers
יַחְדָּ֗ו
(yachdav)
samen
וּמֵ֨ת
(umet)
en sterft
אַחַ֤ד
(achad)
één
מֵהֶם֙
(mehem)
van hen
וּבֵ֣ן
(uven)
en zoon
אֵֽין
(ein)
niet is
ל֔וֹ
(lo)
voor hem
לֹֽא
(lo)
niet
תִהְיֶ֧ה
(tihye)
zal zijn
אֵֽשֶׁת
(eshet)
vrouw van
הַמֵּ֛ת
(hamet)
de gestorvene
הַח֖וּצָה
(hachutsa)
naar buiten
לְאִ֣ישׁ
(leish)
aan een man
זָ֑ר
(zar)
vreemd
יְבָמָהּ֙
(yevamah)
haar zwager
יָבֹ֣א
(yavo)
zal ingaan
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
tot haar
וּלְקָחָ֥הּ
(uleqachah)
en zal haar nemen
ל֛וֹ
(lo)
voor zich
לְאִשָּׁ֖ה
(leisha)
tot vrouw
וְיִבְּמָֽהּ
(veyibemah)
en zal de zwagerplicht vervullen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָבָם (yavam), ‘zwager’: de broer van de gestorven man.

יִבֵּם (yibbem), ‘de plicht van een zwager vervullen’: het woord komt alleen in deze wet voor.

Het gaat om het zwagerhuwelijk, ook in Gen. 38:8 en Ruth 4:5–10.

בֵּן (ben), ‘zoon’: het woord kan ook ‘kind’ betekenen. Wij vertalen ‘zoon’; zo gaat het ook om de opvolging van de naam.

6De eerstgeborene die zij baart, zal de naam van zijn gestorven broer dragen. Zo wordt zijn naam niet uitgewist uit Israël.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
הַבְּכוֹר֙
(habekhor)
de eerstgeborene
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תֵּלֵ֔ד
(teled)
zij baart
יָק֕וּם
(yaqum)
zal opstaan
עַל
(al)
op
שֵׁ֥ם
(shem)
naam van
אָחִ֖יו
(achiv)
zijn broer
הַמֵּ֑ת
(hamet)
de gestorvene
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִמָּחֶ֥ה
(yimache)
zal uitgewist worden
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
מִיִּשְׂרָאֵֽל
(miyisrael)
uit Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָקוּם עַל שֵׁם (yaqum al shem), letterlijk ‘zal opstaan op de naam’: hij komt in de plaats van de gestorven broer en zet diens naam voort.

Wij vertalen ‘de naam dragen’.

7Als de man zijn schoonzus niet wil nemen, dan moet zijn schoonzus naar de poort gaan, naar de oudsten. Zij moet zeggen: „Mijn zwager weigert een naam in Israël te laten voortbestaan voor zijn broer. Hij wil de plicht van een zwager aan mij niet vervullen.”
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֤א
(lo)
niet
יַחְפֹּץ֙
(yachpots)
hij wil
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
לָקַ֖חַת
(laqachat)
om te nemen
אֶת
(et)
(obj.)
יְבִמְתּ֑וֹ
(yevimto)
zijn schoonzus
וְעָלְתָה֩
(vealeta)
en gaat op
יְבִמְתּ֨וֹ
(yevimto)
zijn schoonzus
הַשַּׁ֜עְרָה
(hashara)
naar de poort
אֶל
(el)
tot
הַזְּקֵנִ֗ים
(hazeqenim)
de oudsten
וְאָֽמְרָה֙
(veamera)
en zegt
מֵאֵ֨ין
(meein)
weigert
יְבָמִ֜י
(yevami)
mijn zwager
לְהָקִ֨ים
(lehaqim)
om op te richten
לְאָחִ֥יו
(leachiv)
voor zijn broer
שֵׁם֙
(shem)
naam
בְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
in Israël
לֹ֥א
(lo)
niet
אָבָ֖ה
(ava)
wil
יַבְּמִֽי
(yabemi)
mijn zwagerplicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁעַר (sha’ar), ‘poort’: bij de stadspoort zaten de oudsten en spraken recht.

Zie ook Deut. 21:19 en Ruth 4:1–2.

8De oudsten van zijn stad moeten hem roepen en met hem spreken. Als hij blijft staan en zegt: „Ik wil haar niet nemen,”
וְקָֽרְאוּ
(veqareu)
en zij roepen
ל֥וֹ
(lo)
hem
זִקְנֵי
(ziqnei)
oudsten van
עִיר֖וֹ
(iro)
zijn stad
וְדִבְּר֣וּ
(vediberu)
en spreken
אֵלָ֑יו
(elav)
tot hem
וְעָמַ֣ד
(veamad)
en hij blijft staan
וְאָמַ֔ר
(veamar)
en zegt
לֹ֥א
(lo)
niet
חָפַ֖צְתִּי
(chafatsti)
ik wil
לְקַחְתָּֽהּ
(leqachtah)
haar te nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookRuth 4:6
9dan moet zijn schoonzus voor de ogen van de oudsten naar hem toe komen. Zij moet zijn sandaal van zijn voet trekken en in zijn gezicht spugen. Zij moet antwoorden en zeggen: „Zo moet gedaan worden met de man die het huis van zijn broer niet bouwt.”
וְנִגְּשָׁ֨ה
(venigesha)
en komt naderbij
יְבִמְתּ֣וֹ
(yevimto)
zijn schoonzus
אֵלָיו֮
(elav)
tot hem
לְעֵינֵ֣י
(leeinei)
voor de ogen van
הַזְּקֵנִים֒
(hazeqenim)
de oudsten
וְחָלְצָ֤ה
(vechaletsa)
en trekt uit
נַעֲלוֹ֙
(naalo)
zijn sandaal
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
רַגְל֔וֹ
(raglo)
zijn voet
וְיָרְקָ֖ה
(veyareqa)
en spuugt
בְּפָנָ֑יו
(befanav)
in zijn gezicht
וְעָֽנְתָה֙
(veaneta)
en antwoordt
וְאָ֣מְרָ֔ה
(veamera)
en zegt
כָּ֚כָה
(kakha)
zo
יֵעָשֶׂ֣ה
(yease)
zal gedaan worden
לָאִ֔ישׁ
(laish)
aan de man
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
יִבְנֶ֖ה
(yivne)
bouwt
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
אָחִֽיו
(achiv)
zijn broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het uittrekken van de sandaal en het spugen zijn tekens van schande.

Het uittrekken van de sandaal was ook een teken bij de overdracht van recht (Ruth 4:7–8).

10Zijn naam zal in Israël genoemd worden: Huis van de uitgetrokken sandaal.
וְנִקְרָ֥א
(veniqra)
en zal genoemd worden
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
in Israël
בֵּ֖ית
(beit)
huis van
חֲל֥וּץ
(chaluts)
de uitgetrokkene
הַנָּֽעַל
(hanaal)
de sandaal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲלוּץ הַנָּעַל (chalutz hanna’al), letterlijk ‘de uitgetrokkene van de sandaal’: het huis van de man van wie de sandaal is uitgetrokken.

Het is een naam van schande.

Een vrouw die ingrijpt in een gevecht

11Als mannen met elkaar vechten, een man en zijn broer. En de vrouw van de een komt dichterbij om haar man te redden uit de hand van wie hem slaat. En zij steekt haar hand uit en grijpt hem bij zijn schaamdelen,
כִּֽי
(ki)
als
יִנָּצ֨וּ
(yinatsu)
vechten
אֲנָשִׁ֤ים
(anashim)
mannen
יַחְדָּו֙
(yachdav)
samen
אִ֣ישׁ
(ish)
man
וְאָחִ֔יו
(veachiv)
en zijn broer
וְקָֽרְבָה֙
(veqareva)
en komt dichterbij
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
הָֽאֶחָ֔ד
(haechad)
de ene
לְהַצִּ֥יל
(lehatsil)
om te redden
אֶת
(et)
(obj.)
אִישָׁ֖הּ
(ishah)
haar man
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
מַכֵּ֑הוּ
(makehu)
wie hem slaat
וְשָׁלְחָ֣ה
(veshalecha)
en steekt uit
יָדָ֔הּ
(yadah)
haar hand
וְהֶחֱזִ֖יקָה
(vehecheziqa)
en grijpt
בִּמְבֻשָֽׁיו
(bimvushav)
bij zijn schaamdelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְבוּשִׁים (mevushim), ‘schaamdelen’: letterlijk ‘wat schaamte oproept’.

12Dan moet je haar hand afhakken. Je oog mag geen medelijden hebben.
וְקַצֹּתָ֖ה
(veqatsota)
en je zult afhakken
אֶת
(et)
(obj.)
כַּפָּ֑הּ
(kapah)
haar hand
לֹ֥א
(lo)
niet
תָח֖וֹס
(tachos)
zal medelijden hebben
עֵינֶֽךָ
(einekha)
je oog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָצַץ (qatsats), ‘afhakken’.

Het is een van de weinige wetten waar een lichaamsdeel wordt afgenomen.

Het Hebreeuws zegt ‘je oog mag geen medelijden hebben’; wij houden dat beeld.

Eerlijke gewichten en maten

13In je buidel mag je geen twee gewichten hebben, een groot en een klein.
לֹֽא
(lo)
niet
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
לְךָ֛
(lekha)
voor je
בְּכִֽיסְךָ֖
(bekhisekha)
in je buidel
אֶ֣בֶן
(even)
steen
וָאָ֑בֶן
(vaaven)
en steen
גְּדוֹלָ֖ה
(gedola)
groot
וּקְטַנָּֽה
(uqetana)
en klein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14In je huis mag je geen twee efa’s hebben, een grote en een kleine.
לֹא
(lo)
niet
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
לְךָ֛
(lekha)
voor je
בְּבֵיתְךָ֖
(beveitekha)
in je huis
אֵיפָ֣ה
(eifa)
efa
וְאֵיפָ֑ה
(veeifa)
en efa
גְּדוֹלָ֖ה
(gedola)
groot
וּקְטַנָּֽה
(uqetana)
en klein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵיפָה (efa), ‘ongeveer 22 liter’: de maat voor droge waren zoals graan.

In vers 13 staat ‘steen’ (אֶבֶן, even): een gewicht in de vorm van een steen, dat op een weegschaal werd gebruikt.

Zie ook Lev. 19:35–36.

15Een vol en rechtvaardig gewicht moet je hebben. Een volle en rechtvaardige efa moet je hebben, zodat je dagen lang worden op de grond die Yahweh, je Elohim, je geeft.
אֶ֣בֶן
(even)
steen
שְׁלֵמָ֤ה
(shelema)
vol
וָצֶ֨דֶק֙
(vatsedeq)
en rechtvaardig
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לָּ֔ךְ
(lakh)
voor je
אֵיפָ֧ה
(eifa)
efa
שְׁלֵמָ֛ה
(shelema)
vol
וָצֶ֖דֶק
(vatsedeq)
en rechtvaardig
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לָּ֑ךְ
(lakh)
voor je
לְמַ֨עַן֙
(lemaan)
opdat
יַאֲרִ֣יכוּ
(yaarikhu)
lang worden
יָמֶ֔יךָ
(yameikha)
je dagen
עַ֚ל
(al)
op
הָֽאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁר
(asher)
die
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
נֹתֵ֥ן
(noten)
geeft
לָֽךְ
(lakh)
aan je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁלֵמָה (shelemah), ‘vol’: volledig, zonder iets weg te laten.

צֶדֶק (tsedeq), ‘rechtvaardig’: eerlijk.

‘Zodat je dagen lang worden’ staat ook in Exod. 20:12 en Deut. 5:16.

16Want een gruwel voor Yahweh, je Elohim, is ieder die dit doet, ieder die onrecht doet.
כִּ֧י
(ki)
want
תוֹעֲבַ֛ת
(toavat)
gruwel van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
כָּל
(kal)
ieder
עֹ֣שֵׂה
(ose)
die doet
אֵ֑לֶּה
(ele)
deze dingen
כֹּ֖ל
(kol)
ieder
עֹ֥שֵׂה
(ose)
die doet
עָֽוֶל
(avel)
onrecht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Gedenk wat Amalek deed

17Gedenk wat Amalek je heeft aangedaan onderweg, toen je uit Egypte trok:
זָכ֕וֹר
(zakhor)
gedenk
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשָׂ֥ה
(asa)
deed
לְךָ֖
(lekha)
aan je
עֲמָלֵ֑ק
(amaleq)
Amalek
בַּדֶּ֖רֶךְ
(baderekh)
onderweg
בְּצֵאתְכֶ֥ם
(betsetkhem)
bij jullie uittocht
מִמִּצְרָֽיִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Refidim lag op de weg van Egypte naar de Sinaï; de ligging is niet zeker.

Uitleg

עֲמָלֵק (Amalek) is het volk dat Israël aanviel bij Refidim: Exod. 17:8–16.

Daar zei Yahweh dat Hij de herinnering aan Amalek zou uitwissen (Exod. 17:14).

Zie ook 1 Sam. 15:2–3.

18hoe hij je onderweg tegenkwam en achter je aan alle zwakken aanviel, terwijl jij moe en uitgeput was. Hij vreesde Elohim niet.
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
קָֽרְךָ֜
(qarekha)
hij trof je
בַּדֶּ֗רֶךְ
(baderekh)
onderweg
וַיְזַנֵּ֤ב
(vayzanev)
en viel aan
בְּךָ֙
(bekha)
bij je
כָּל
(kal)
alle
הַנֶּחֱשָׁלִ֣ים
(hanecheshalim)
de achterblijvers
אַֽחַרֶ֔יךָ
(achareikha)
achter je
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
עָיֵ֣ף
(ayef)
moe
וְיָגֵ֑עַ
(veyagea)
en uitgeput
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָרֵ֖א
(yare)
vreesde
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זָנַב (zanav), ‘aanvallen’: letterlijk ‘de staart afsnijden’; hier worden de achterblijvers aan het eind van de stoet aangevallen.

נֶחֱשָׁלִים (nechshalim), ‘zwakken’: zij die zwak zijn en achterblijven.

19Wanneer Yahweh, je Elohim, je rust geeft van al je vijanden rondom. Dat gebeurt in het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft als erfdeel om het in bezit te nemen. Dan moet je de herinnering aan Amalek uitwissen van onder de hemel. Vergeet het niet.
וְהָיָ֡ה
(vehaya)
en het zal zijn
בְּהָנִ֣יחַ
(behaniach)
bij geven van rust
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֣יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לְ֠ךָ
(lekha)
aan je
מִכָּל
(mikal)
van al
אֹ֨יְבֶ֜יךָ
(oyeveikha)
je vijanden
מִסָּבִ֗יב
(misaviv)
rondom
בָּאָ֨רֶץ֙
(baarets)
in het land
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
אֱ֠לֹהֶיךָ
(eloheikha)
je Elohim
נֹתֵ֨ן
(noten)
geeft
לְךָ֤
(lekha)
aan je
נַחֲלָה֙
(nachala)
erfdeel
לְרִשְׁתָּ֔הּ
(lerishtah)
om het in bezit te nemen
תִּמְחֶה֙
(timche)
zul je uitwissen
אֶת
(et)
(obj.)
זֵ֣כֶר
(zekher)
herinnering aan
עֲמָלֵ֔ק
(amaleq)
Amalek
מִתַּ֖חַת
(mitachat)
van onder
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
לֹ֖א
(lo)
niet
תִּשְׁכָּֽח
(tishkach)
zul je vergeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’.

תִּמְחֶה (timcheh), ‘uitwissen’: hetzelfde werkwoord als in Exod. 17:14.

‘Vergeet het niet’ sluit aan op ‘gedenk’ in vers 17: Israël moet onthouden wat Amalek deed.