Elohim Bijbel

Genesis 25

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Abrahams dood, Ismaël en de tweeling

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Abraham en Ketura

1Abraham nam nog een vrouw; haar naam was Ketura.
וַיֹּ֧סֶף
(vayosef)
en hij voegde toe
אַבְרָהָ֛ם
(avraham)
Abraham
וַיִּקַּ֥ח
(vayiqach)
en hij nam
אִשָּׁ֖ה
(isha)
vrouw
וּשְׁמָ֥הּ
(ushemah)
en haar naam
קְטוּרָֽה
(qetura)
Ketura
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קטורה (Qeturah), ‘Ketura’: de naam hangt samen met qetoret, ‘wierook’ (zie Ex. 30:7).

In 1 Kronieken 1:32 heet zij Abrahams bijvrouw (zie vers 6).

Aanvullend

Jubileeën 19:11 zegt dat zij uit de huisgeborenen van zijn huis kwam.

Jasher 25:1 noemt haar een vrouw uit het land Kanaän.

2Zij baarde hem Zimran, Joksjan, Medan, Midian, Jisjbak en Sjuach.
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
ל֗וֹ
(lo)
aan hem
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
זִמְרָן֙
(zimran)
Zimran
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
יָקְשָׁ֔ן
(yaqeshan)
Joksjan
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
מְדָ֖ן
(medan)
Medan
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
מִדְיָ֑ן
(midyan)
Midian
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
יִשְׁבָּ֖ק
(yishbaq)
Jisjbak
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
שֽׁוּחַ
(shuach)
Sjuach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מדין (Midyan), ‘Midian’: de stamvader van de Midianieten, een volk in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba (zie 37:28; Ex. 2:15).

Aanvullend

Jubileeën 19:12 noemt dezelfde zes zonen.

Jasher 25:9 zegt dat de zonen van Midian naar het oosten van het land Kush trokken en daar een stad bouwden.

3Joksjan werd de vader van Sjeba en Dedan. De zonen van Dedan waren de Asjurim, de Letusjim en de Leümmim.
וְיָקְשָׁ֣ן
(veyaqeshan)
en Joksjan
יָלַ֔ד
(yalad)
hij verwekte
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁבָ֖א
(sheva)
Sjeba
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
דְּדָ֑ן
(dedan)
Dedan
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
דְדָ֔ן
(dedan)
Dedan
הָי֛וּ
(hayu)
waren
אַשּׁוּרִ֥ם
(ashurim)
Asjurim
וּלְטוּשִׁ֖ים
(uletushim)
en Letusjim
וּלְאֻמִּֽים
(uleumim)
en Leümmim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁבא (Shva), ‘Sjeba’: Sjeba en Dedan komen ook voor als nakomelingen van Raäma (zie 10:7); dezelfde naam kan dus meer dan één volk aanduiden.

אשׁורם ולטושׁים ולאמים (Ashurim uLetushim uLe’ummim), ‘Asjurim, Letusjim en Leümmim’: namen van stammen die van Dedan afstammen; verder zijn ze niet bekend.

4De zonen van Midian waren Efa, Efer, Chanoch, Abida en Eldaä. Al deze mensen waren zonen van Ketura.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
מִדְיָ֗ן
(midyan)
Midian
עֵיפָ֤ה
(eifa)
Efa
וָעֵ֨פֶר֙
(vaefer)
en Efer
וַחֲנֹ֔ךְ
(vachanokh)
en Chanoch
וַאֲבִידָ֖ע
(vaavida)
en Abida
וְאֶלְדָּעָ֑ה
(veeldaa)
en Eldaä
כָּל
(kal)
alle
אֵ֖לֶּה
(ele)
deze
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
קְטוּרָֽה
(qetura)
Ketura
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJes 60:6
5Abraham gaf alles wat hij had aan Isaak.
וַיִּתֵּ֧ן
(vayiten)
en hij gaf
אַבְרָהָ֛ם
(avraham)
Abraham
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
ל֖וֹ
(lo)
van hem
לְיִצְחָֽק
(leyitschaq)
aan Isaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Aan de zonen van de bijvrouwen van Abraham gaf Abraham geschenken. Terwijl hij nog leefde, stuurde hij hen weg van zijn zoon Isaak, oostwaarts, naar het land van het oosten.
וְלִבְנֵ֤י
(velivnei)
en aan de zonen van
הַפִּֽילַגְשִׁים֙
(hapilagshim)
de bijvrouwen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לְאַבְרָהָ֔ם
(leavraham)
van Abraham
נָתַ֥ן
(natan)
gaf
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
מַתָּנֹ֑ת
(matanot)
geschenken
וַֽיְשַׁלְּחֵ֞ם
(vayshalechem)
en hij zond hen weg
מֵעַ֨ל
(meal)
van naast
יִצְחָ֤ק
(yitschaq)
Isaak
בְּנוֹ֙
(beno)
zijn zoon
בְּעוֹדֶ֣נּוּ
(beodenu)
terwijl hij nog
חַ֔י
(chay)
levend
קֵ֖דְמָה
(qedema)
oostwaarts
אֶל
(el)
naar
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
קֶֽדֶם
(qedem)
het oosten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הפילגשׁים (hapilagshim), ‘de bijvrouwen’: het meervoud verwijst naar Ketura, die in 1 Kronieken 1:32 een bijvrouw heet, en mogelijk naar Hagar.

קדמה אל ארץ קדם (qedmah el eretz qedem), ‘oostwaarts, naar het land van het oosten’: het gebied ten oosten van Kanaän, voorbij de Syrisch-Arabische woestijn (zie 29:1).

Aanvullend

Jubileeën 20:11 zegt dat Abraham de zonen van Ismaël en Ketura met geschenken van Isaak wegzond.

Jasher 25:6–7 zegt dat zij naar het gebergte in het oosten gingen en zes steden bouwden.

Abrahams dood

7Dit zijn de levensjaren van Abraham: 175 jaar.
וְאֵ֗לֶּה
(veele)
en dit
יְמֵ֛י
(yemei)
dagen van
שְׁנֵֽי
(shenei)
jaren van
חַיֵּ֥י
(chayei)
leven van
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
אֲשֶׁר
(asher)
die
חָ֑י
(chay)
hij leefde
מְאַ֥ת
(meat)
honderd
שָׁנָ֛ה
(shana)
jaar
וְשִׁבְעִ֥ים
(veshivim)
en zeventig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
וְחָמֵ֥שׁ
(vechamesh)
en vijf
שָׁנִֽים
(shanim)
jaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מאת שׁנה ושׁבעים שׁנה וחמשׁ שׁנים (me’at shanah veshiv’im shanah vechamesh shanim), ‘honderd jaar en zeventig jaar en vijf jaar’: samen 175.

Abraham was 100 bij Isaaks geboorte (zie 21:5), dus Isaak was nu 75, en de tweeling was 15 (zie vers 26).

Aanvullend

Jubileeën 23:8 geeft dezelfde leeftijd.

Jasher 26:29 zegt dat Abraham stierf in het vijftiende jaar van Jakob en Ezau.

8Abraham gaf de geest en stierf, in een goede ouderdom, oud en verzadigd. Hij werd verzameld bij zijn volk.
וַיִּגְוַ֨ע
(vayigva)
en hij gaf de geest
וַיָּ֧מָת
(vayamat)
en hij stierf
אַבְרָהָ֛ם
(avraham)
Abraham
בְּשֵׂיבָ֥ה
(beseiva)
in grijsheid
טוֹבָ֖ה
(tova)
goede
זָקֵ֣ן
(zaqen)
oud
וְשָׂבֵ֑עַ
(vesavea)
en verzadigd
וַיֵּאָ֖סֶף
(vayeasef)
en hij werd verzameld
אֶל
(el)
bij
עַמָּֽיו
(amav)
zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויגוע (vayigva), ‘hij gaf de geest’: letterlijk ‘hij ademde uit’, een woord voor sterven (zie 6:17).

בשׂיבה טובה (beseivah tovah), ‘in een goede ouderdom’: zie 15:15.

ויאסף אל עמיו (vayye’asef el ammav), ‘hij werd verzameld bij zijn volk’: een vaste uitdrukking voor sterven, los van het begraven (zie 25:17; 35:29; 49:33).

9Zijn zonen Isaak en Ismaël begroeven hem in de grot van Machpela, op het veld van Efron, de zoon van Sochar, de Hetiet, tegenover Mamre,
וַיִּקְבְּר֨וּ
(vayiqberu)
en ze begroeven
אֹת֜וֹ
(oto)
hem
יִצְחָ֤ק
(yitschaq)
Isaak
וְיִשְׁמָעֵאל֙
(veyishmael)
en Ismaël
בָּנָ֔יו
(banav)
zijn zonen
אֶל
(el)
in
מְעָרַ֖ת
(mearat)
grot van
הַמַּכְפֵּלָ֑ה
(hamakhpela)
de Machpela
אֶל
(el)
in
שְׂדֵ֞ה
(sede)
veld van
עֶפְרֹ֤ן
(efron)
Efron
בֶּן
(ben)
zoon van
צֹ֨חַר֙
(tsochar)
Sochar
הַֽחִתִּ֔י
(hachiti)
de Hetiet
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
עַל
(al)
tegenover
פְּנֵ֥י
(penei)
aangezicht van
מַמְרֵֽא
(mamre)
Mamre
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda.

Uitleg

מערת המכפלה (me’arat hammakhpelah), ‘de grot van Machpela’: zie 23:9; 23:17–20.

Ismaël wordt hier genoemd als broer van Isaak, hoewel hij was weggestuurd (zie 21:14).

Aanvullend

Jubileeën 23:7 zegt dat zijn zonen Isaak en Ismaël hem begroeven.

Jasher 26:29–31 vertelt dat ook de inwoners van Kanaän en Charan en de zonen van de bijvrouwen kwamen.

10het veld dat Abraham van de zonen van Het gekocht had. Daar werden Abraham en zijn vrouw Sarah begraven.
הַשָּׂדֶ֛ה
(hasade)
het veld
אֲשֶׁר
(asher)
dat
קָנָ֥ה
(qana)
hij kocht
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
בְּנֵי
(benei)
zonen van
חֵ֑ת
(chet)
Het
שָׁ֛מָּה
(shama)
daar
קֻבַּ֥ר
(qubar)
werd begraven
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
וְשָׂרָ֥ה
(vesara)
en Sarah
אִשְׁתּֽוֹ
(ishto)
zijn vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Na de dood van Abraham zegende Elohim zijn zoon Isaak. Isaak woonde bij Beër-Lachai-Roï.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
אַחֲרֵי֙
(acharei)
na
מ֣וֹת
(mot)
dood van
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
וַיְבָ֥רֶךְ
(vayvarekh)
en Hij zegende
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יִצְחָ֣ק
(yitschaq)
Isaak
בְּנ֑וֹ
(beno)
zijn zoon
וַיֵּ֣שֶׁב
(vayeshev)
en hij woonde
יִצְחָ֔ק
(yitschaq)
Isaak
עִם
(im)
bij
בְּאֵ֥ר
(beer)
bron van
לַחַ֖י
(lachay)
Lachai
רֹאִֽי
(roi)
Roï
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

באר לחי ראי (be’er lachay ro’i), ‘Beër-Lachai-Roï’: zie 16:14; 24:62.

Na Abrahams dood zet Elohim de zegen voort bij Isaak (zie 12:2; 26:3).

Aanvullend

Jubileeën 24:1 zegt dat Isaak na Abrahams dood van Hebron naar de Put van het Zien trok.

Ismaëls nakomelingen

12Dit is de geschiedenis van Ismaël, de zoon van Abraham, die Hagar, de Egyptische, de dienares van Sarah, aan Abraham baarde.
וְאֵ֛לֶּה
(veele)
en dit
תֹּלְדֹ֥ת
(toledot)
geschiedenis van
יִשְׁמָעֵ֖אל
(yishmael)
Ismaël
בֶּן
(ben)
zoon van
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יָלְדָ֜ה
(yaleda)
ze baarde
הָגָ֧ר
(hagar)
Hagar
הַמִּצְרִ֛ית
(hamitsrit)
de Egyptische
שִׁפְחַ֥ת
(shifchat)
dienares van
שָׂרָ֖ה
(sara)
Sarah
לְאַבְרָהָֽם
(leavraham)
aan Abraham
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תלדת (toledot), ‘geschiedenis’: zie 2:4; 6:9; 10:1.

הגר המצרית (Hagar hamitsrit), ‘Hagar, de Egyptische’: zie 16:1; 21:9.

Ismaëls twaalf zonen vervullen de belofte uit 17:20.

13Dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, in de volgorde van hun geboorte: Nebajot, de oudste van Ismaël, dan Kedar, Adbeël, Mibsam,
וְאֵ֗לֶּה
(veele)
en dit
שְׁמוֹת֙
(shemot)
namen van
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׁמָעֵ֔אל
(yishmael)
Ismaël
בִּשְׁמֹתָ֖ם
(bishmotam)
met hun namen
לְתוֹלְדֹתָ֑ם
(letoledotam)
naar hun geslachten
בְּכֹ֤ר
(bekhor)
eerstgeborene van
יִשְׁמָעֵאל֙
(yishmael)
Ismaël
נְבָיֹ֔ת
(nevayot)
Nebajot
וְקֵדָ֥ר
(veqedar)
en Kedar
וְאַדְבְּאֵ֖ל
(veadbeel)
en Adbeël
וּמִבְשָֽׂם
(umivsam)
en Mibsam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נבית וקדר ואדבאל ומבשׂם (Nevayot, Qedar, Adbe’el, Mivsam), ‘Nebajot, Kedar, Adbeël, Mibsam’: stamvaders van Arabische stammen.

Kedar woonde in de woestijn ten oosten van Kanaän (zie Jes. 21:16–17; Ps. 120:5).

Nebajot wordt in Jes. 60:7 samen met Kedar genoemd.

Aanvullend

Jasher 25:15–18 zegt dat Ismaël eerst trouwde met Riba uit Egypte, die hem Nebajot, Kedar, Adbeël, Mibsam en een dochter baarde, en daarna met Malkit uit Kanaän, die de overige zonen baarde.

14Misjma, Duma, Massa,
וּמִשְׁמָ֥ע
(umishma)
en Misjma
וְדוּמָ֖ה
(veduma)
en Duma
וּמַשָּֽׂא
(umasa)
en Massa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Chadad, Tema, Jetur, Nafisj en Kedma.
חֲדַ֣ד
(chadad)
Chadad
וְתֵימָ֔א
(veteima)
en Tema
יְט֥וּר
(yetur)
Jetur
נָפִ֖ישׁ
(nafish)
Nafisj
וָקֵֽדְמָה
(vaqedema)
en Kedma
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Dit zijn de zonen van Ismaël, en dit zijn hun namen, naar hun dorpen en hun kampen: twaalf vorsten voor hun stammen.
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
הֵ֞ם
(hem)
zij
בְּנֵ֤י
(benei)
zonen van
יִשְׁמָעֵאל֙
(yishmael)
Ismaël
וְאֵ֣לֶּה
(veele)
en dit
שְׁמֹתָ֔ם
(shemotam)
hun namen
בְּחַצְרֵיהֶ֖ם
(bechatsreihem)
in hun dorpen
וּבְטִֽירֹתָ֑ם
(uvetirotam)
en in hun kampen
שְׁנֵים
(sheneim)
twee
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
נְשִׂיאִ֖ם
(nesiim)
vorsten
לְאֻמֹּתָֽם
(leumotam)
voor hun stammen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בחצריהם ובטירתם (bechatsereihem uvetirotam), ‘in hun dorpen en in hun kampen’: een chatser is een open nederzetting zonder muur, een tirah een kamp of tentenkring (zie Num. 31:10).

נשׂיאם (nesi’im), ‘vorsten’: stamhoofden, zoals beloofd in 17:20.

17Dit zijn de levensjaren van Ismaël: 137 jaar. Hij gaf de geest, stierf en werd verzameld bij zijn volk.
וְאֵ֗לֶּה
(veele)
en dit
שְׁנֵי֙
(shenei)
jaren van
חַיֵּ֣י
(chayei)
leven van
יִשְׁמָעֵ֔אל
(yishmael)
Ismaël
מְאַ֥ת
(meat)
honderd
שָׁנָ֛ה
(shana)
jaar
וּשְׁלֹשִׁ֥ים
(usheloshim)
en dertig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
וְשֶׁ֣בַע
(vesheva)
en zeven
שָׁנִ֑ים
(shanim)
jaren
וַיִּגְוַ֣ע
(vayigva)
en hij gaf de geest
וַיָּ֔מָת
(vayamat)
en hij stierf
וַיֵּאָ֖סֶף
(vayeasef)
en hij werd verzameld
אֶל
(el)
bij
עַמָּֽיו
(amav)
zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מאת שׁנה ושׁלשׁים שׁנה ושׁבע שׁנים (me’at shanah veshloshim shanah veshev shanim), ‘honderd jaar en dertig jaar en zeven jaar’: samen 137.

Voor ‘verzameld bij zijn volk’ zie vers 8.

18Zij woonden van Havila tot Sur, dat tegenover Egypte ligt, in de richting van Assur. Hij vestigde zich tegenover al zijn broers.
וַיִּשְׁכְּנ֨וּ
(vayishkenu)
en ze woonden
מֵֽחֲוִילָ֜ה
(mechavila)
van Havila
עַד
(ad)
tot
שׁ֗וּר
(shur)
Sur
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
עַל
(al)
voor
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
בֹּאֲכָ֖ה
(boakha)
naar
אַשּׁ֑וּרָה
(ashura)
Assur
עַל
(al)
voor
פְּנֵ֥י
(penei)
het aangezicht van
כָל
(kal)
alle
אֶחָ֖יו
(echav)
zijn broers
נָפָֽל
(nafal)
hij is neergestreken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

מחוילה עד שׁור (mechavilah ad Shur), ‘van Havila tot Sur’: een lijn van het ene uiteinde naar het andere.

Sur lag ten oosten van Egypte (zie 16:7; 20:1).

De nakomelingen van Ismaël wonen ten oosten van die lijn, in de woestijn, in de richting van Assur (zie 16:12).

Uitleg

Havila: zie 2:11; de ligging is onzeker.

אשׁורה (ashurah), ‘naar Assur’: Assur is hier waarschijnlijk Assyrië, het land aan de Tigris (zie 10:11).

נפל (nafal), ‘hij vestigde zich’: letterlijk ‘hij is gevallen’, dus ‘hij liet zich neer’.

Bij 16:12 staat bij dezelfde woorden ‘tegenover al zijn broers’ het werkwoord yishkon, ‘hij zal wonen’; dit vers laat zien dat die woorden zijn uitgekomen.

Aanvullend

Jubileeën 20:12 zegt dat de zonen van Ismaël en Ketura samen woonden van Paran tot de ingang van Babylon, in het land dat naar het oosten ligt, tegenover de woestijn.

Jasher 25:20 zegt dat zij woonden van Havila tot Sur, dat voor Egypte ligt als je naar Assyrië gaat.

De geboorte van Ezau en Jakob

19Dit is de geschiedenis van Isaak, de zoon van Abraham: Abraham werd de vader van Isaak.
וְאֵ֛לֶּה
(veele)
en dit
תּוֹלְדֹ֥ת
(toledot)
geschiedenis van
יִצְחָ֖ק
(yitschaq)
Isaak
בֶּן
(ben)
zoon van
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
הוֹלִ֥יד
(holid)
verwekte
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יִצְחָֽק
(yitschaq)
Isaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תולדת (toledot), ‘geschiedenis’: zie vers 12.

Hier begint het verhaal van Isaaks zonen.

20Isaak was 40 jaar oud toen hij Rebekka tot vrouw nam, de dochter van Betuël, de Arameeër uit Paddan-Aram, de zus van Laban, de Arameeër.
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
יִצְחָק֙
(yitschaq)
Isaak
בֶּן
(ben)
zoon van
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
בְּקַחְתּ֣וֹ
(beqachto)
bij zijn nemen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רִבְקָ֗ה
(rivqa)
Rebekka
בַּת
(bat)
dochter van
בְּתוּאֵל֙
(betuel)
Betuël
הָֽאֲרַמִּ֔י
(haarami)
de Arameeër
מִפַּדַּ֖ן
(mipadan)
uit Paddan
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
אֲח֛וֹת
(achot)
zus van
לָבָ֥ן
(lavan)
Laban
הָאֲרַמִּ֖י
(haarami)
de Arameeër
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan.

Uitleg

ארבעים שׁנה (arba’im shanah), ‘40 jaar’: Isaak was 37 toen Sarah stierf (zie 23:1; 24:67).

מפדן ארם (miPadan Aram), ‘uit Paddan-Aram’: paddan betekent ‘vlakte’ of ‘weg’.

Paddan-Aram is het gebied rond Charan, ook genoemd Aram-Naharaim (zie 24:10; 28:2).

Aanvullend

Jasher 24:45 zegt ook dat Isaak 40 was toen hij Rebekka nam.

21Isaak bad tot Yahweh voor zijn vrouw, want zij was onvruchtbaar. Yahweh liet Zich door hem verbidden, en zijn vrouw Rebekka werd zwanger.
וַיֶּעְתַּ֨ר
(vayetar)
en hij bad
יִצְחָ֤ק
(yitschaq)
Isaak
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
tot Yahweh
לְנֹ֣כַח
(lenokhach)
tegenover
אִשְׁתּ֔וֹ
(ishto)
zijn vrouw
כִּ֥י
(ki)
want
עֲקָרָ֖ה
(aqara)
onvruchtbaar
הִ֑וא
(hi)
zij
וַיֵּעָ֤תֶר
(vayeater)
en Hij liet Zich verbidden
לוֹ֙
(lo)
door hem
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתַּ֖הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
רִבְקָ֥ה
(rivqa)
Rebekka
אִשְׁתּֽוֹ
(ishto)
zijn vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויעתר (vaye’tar), ‘hij bad’: dringend bidden, smeken; hetzelfde werkwoord staat bij Yahweh in ‘Hij liet Zich verbidden’.

Rebekka was twintig jaar onvruchtbaar: Isaak was 40 bij zijn huwelijk (vers 20) en 60 bij de geboorte van de tweeling (vers 26).

Aanvullend

Jasher 26:5–8 vertelt dat Isaak en Rebekka naar Moria gingen om te bidden, en dat Yahweh het gebed van Isaak verhoorde.

22De kinderen stootten elkaar in haar. Ze zei: „Als het zo gaat, waarom overkomt mij dit dan?” Ze ging Yahweh raadplegen.
וַיִּתְרֹֽצֲצ֤וּ
(vayitrotsatsu)
en ze stootten elkaar
הַבָּנִים֙
(habanim)
de zonen
בְּקִרְבָּ֔הּ
(beqirbah)
in haar binnenste
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
אִם
(im)
als
כֵּ֔ן
(ken)
zo
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
זֶּ֖ה
(ze)
dit
אָנֹ֑כִי
(anokhi)
ik
וַתֵּ֖לֶךְ
(vatelekh)
en ze ging
לִדְרֹ֥שׁ
(lidrosh)
om te raadplegen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויתרצצו (vayitrotsatsu), ‘ze stootten elkaar’: van ratsats, ‘breken, verpletteren’; hier: ze drukten en stootten tegen elkaar.

אם כן למה זה אנכי (im ken lamah ze anokhi), ‘als het zo gaat, waarom ben ik dan dit?’: de zin is kort en afgebroken.

Er zijn meer lezingen: ‘waarom overkomt mij dit’, ‘waarom leef ik nog’ of ‘waarom ben ik zwanger geworden’.

לדרשׁ את יהוה (lidrosh et YHWH), ‘Yahweh raadplegen’: Yahweh om een antwoord vragen.

Lezing

Lezing: hier gelezen als ‘waarom overkomt mij dit dan?’.

Aanvullend

Jasher 26:10–12 zegt dat zij naar Moria ging, naar Sem en Eber, en ook Abraham vroeg Yahweh te raadplegen, en dat zij haar het antwoord brachten.

23Yahweh zei tegen haar: „Twee volken zijn in je buik, en twee stammen zullen uit je schoot gescheiden worden. De ene stam zal sterker zijn dan de andere, en de oudste zal de jongste dienen.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
לָ֗הּ
(lah)
tot haar
שְׁנֵ֤י
(shenei)
twee
גיים
(gyym)
volken (geschreven)
גוֹיִם֙
(goyim)
volken (gelezen)
בְּבִטְנֵ֔ךְ
(bevitnekh)
in je buik
וּשְׁנֵ֣י
(ushenei)
en twee
לְאֻמִּ֔ים
(leumim)
stammen
מִמֵּעַ֖יִךְ
(mimeayikh)
uit je ingewanden
יִפָּרֵ֑דוּ
(yiparedu)
zullen gescheiden worden
וּלְאֹם֙
(uleom)
en een stam
מִלְאֹ֣ם
(milom)
dan een stam
יֶֽאֱמָ֔ץ
(yeemats)
zal sterker zijn
וְרַ֖ב
(verav)
en de oudste
יַעֲבֹ֥ד
(yaavod)
zal dienen
צָעִֽיר
(tsair)
de jongste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גיים גוים (gayim goyim), ‘volken’: geschreven staat gayim, gelezen wordt goyim; beide betekenen ‘volken’.

ורב יעבד צעיר (verav ya’avod tsa’ir), ‘de oudste zal de jongste dienen’: een omkering van de gewone volgorde; rav is ‘groot, talrijk, oud’ en tsa’ir is ‘klein, jong’.

Paulus haalt dit aan in Rom. 9:12.

Edom werd later onderworpen (zie 27:40; 2 Sam. 8:14).

24Toen haar dagen om waren om te baren, zie, er waren tweelingen in haar buik.
וַיִּמְלְא֥וּ
(vayimleu)
en ze werden vol
יָמֶ֖יהָ
(yameiha)
haar dagen
לָלֶ֑דֶת
(laledet)
om te baren
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
תוֹמִ֖ם
(tomim)
tweelingen
בְּבִטְנָֽהּ
(bevitnah)
in haar buik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25De eerste kwam eruit, roodachtig, helemaal als een mantel van haar. Ze noemden hem Ezau.
וַיֵּצֵ֤א
(vayetse)
en hij kwam uit
הָרִאשׁוֹן֙
(harishon)
de eerste
אַדְמוֹנִ֔י
(admoni)
roodachtig
כֻּלּ֖וֹ
(kulo)
geheel
כְּאַדֶּ֣רֶת
(keaderet)
als mantel van
שֵׂעָ֑ר
(sear)
haar
וַיִּקְרְא֥וּ
(vayiqreu)
en ze noemden
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
עֵשָֽׂו
(esav)
Ezau
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אדמוני (admoni), ‘roodachtig’: van adom, ‘rood’; zie Edom in vers 30.

כאדרת שׂער (ke’aderet se’ar), ‘als een mantel van haar’: se’ar, ‘haar’, klinkt als Seïr, het gebied van Edom (zie 32:3; 36:8).

Aanvullend

Jasher 26:14 zegt dat de mensen hem Ezau noemden omdat hij ‘volledig gemaakt’ uit de moederschoot kwam.

26Daarna kwam zijn broer eruit, met zijn hand vast aan de hiel van Ezau. Hij noemde hem Jakob. Isaak was 60 jaar oud toen zij hen baarde.
וְאַֽחֲרֵי
(veacharei)
en daarna
כֵ֞ן
(ken)
zo
יָצָ֣א
(yatsa)
kwam uit
אָחִ֗יו
(achiv)
zijn broer
וְיָד֤וֹ
(veyado)
en zijn hand
אֹחֶ֨זֶת֙
(ochezet)
vasthoudend
בַּעֲקֵ֣ב
(baaqev)
aan hiel van
עֵשָׂ֔ו
(esav)
Ezau
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en hij noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
וְיִצְחָ֛ק
(veyitschaq)
en Isaak
בֶּן
(ben)
zoon van
שִׁשִּׁ֥ים
(shishim)
zestig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
בְּלֶ֥דֶת
(beledet)
bij haar baren
אֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וידו אחזת בעקב עשׂו (veyado ochezet ba’aqev Esav), ‘zijn hand hield de hiel van Ezau vast’: aqev is ‘hiel’; Jakob (Ya’aqov) betekent daarom ‘hij houdt de hiel’, en ook ‘hij bedriegt’ (zie 27:36).

ויצחק בן שׁשׁים שׁנה (veYitschaq ben shishim shanah), ‘Isaak was 60 jaar’: zie vers 20.

Aanvullend

Jasher 26:15–16 zegt dat zij hem daarom Jakob noemden.

27De jongens groeiden op. Ezau werd een man die het jagen verstond, een man van het veld. Jakob was een onberispelijke man, die in tenten woonde.
וַֽיִּגְדְּלוּ֙
(vayigdelu)
en ze werden groot
הַנְּעָרִ֔ים
(hanearim)
de jongens
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
עֵשָׂ֗ו
(esav)
Ezau
אִ֛ישׁ
(ish)
man
יֹדֵ֥עַ
(yodea)
kenner van
צַ֖יִד
(tsayid)
jacht
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
שָׂדֶ֑ה
(sade)
veld
וְיַעֲקֹב֙
(veyaaqov)
en Jakob
אִ֣ישׁ
(ish)
man
תָּ֔ם
(tam)
onberispelijk
יֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
wonend
אֹהָלִֽים
(ohalim)
tenten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אישׁ תם (ish tam), ‘een onberispelijke man’: tam is ‘volledig, oprecht’, hetzelfde woord als tamim (zie 6:9; 17:1).

ישׁב אהלים (yoshev ohalim), ‘wonend in tenten’: het leven van een herder, anders dan Ezau in het veld (zie 4:20).

Lezing

Lezing: hier gelezen als ‘onberispelijk’, naast ‘rustig’ of ‘eenvoudig’.

Aanvullend

Jubileeën 19:13–14 zegt dat Jakob leerde schrijven en Ezau niet.

Jasher 26:17 zegt dat Jakob ‘onberispelijk en wijs’ was en de leringen van Yahweh leerde.

28Isaak had Ezau lief, omdat hij graag van zijn wild at. Rebekka had Jakob lief.
וַיֶּאֱהַ֥ב
(vayeehav)
en hij hield van
יִצְחָ֛ק
(yitschaq)
Isaak
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֵשָׂ֖ו
(esav)
Ezau
כִּי
(ki)
want
צַ֣יִד
(tsayid)
wild
בְּפִ֑יו
(befiv)
in zijn mond
וְרִבְקָ֖ה
(verivqa)
en Rebekka
אֹהֶ֥בֶת
(ohevet)
liefhebbend
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
יַעֲקֹֽב
(yaaqov)
Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ציד בפיו (tsayid befiv), ‘wild in zijn mond’: Isaak hield van het wild dat Ezau bracht.

Aanvullend

Jubileeën 19:15 zegt dat Abraham Jakob liefhad en Isaak Ezau.

Ezau verkoopt zijn eerstgeboorterecht

29Jakob kookte eens een gerecht. Ezau kwam uit het veld, en hij was uitgeput.
וַיָּ֥זֶד
(vayazed)
en hij kookte
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
נָזִ֑יד
(nazid)
een gerecht
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en hij kwam
עֵשָׂ֛ו
(esav)
Ezau
מִן
(min)
van
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
עָיֵֽף
(ayef)
uitgeput
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נזיד (nazid), ‘gerecht’: een gekookt gerecht, hier van linzen (vers 34).

Aanvullend

Jubileeën 24:3 zegt dat Jakob linzen kookte en Ezau hongerig uit het veld kwam.

Jasher 27:1–12 zegt dat Ezau uitgeput was nadat hij Nimrod had gedood.

30Ezau zei tegen Jakob: „Laat mij toch slokken van dat rode, dat rode daar, want ik ben uitgeput.” Daarom noemde men zijn naam Edom.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
עֵשָׂ֜ו
(esav)
Ezau
אֶֽל
(el)
tot
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
הַלְעִיטֵ֤נִי
(haliteni)
laat mij slokken
נָא֙
(na)
toch
מִן
(min)
van
הָאָדֹ֤ם
(haadom)
het rode
הָאָדֹם֙
(haadom)
het rode
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
כִּ֥י
(ki)
want
עָיֵ֖ף
(ayef)
uitgeput
אָנֹ֑כִי
(anokhi)
ik
עַל
(al)
op
כֵּ֥ן
(ken)
zo
קָרָֽא
(qara)
men noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
אֱדֽוֹם
(edom)
Edom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הלעיטני (hal’iteni), ‘laat mij slokken’: een woord dat alleen hier voorkomt; het betekent ‘laat mij gulzig eten’.

האדם האדם הזה (ha’adom ha’adom hazeh), ‘van dat rode, dat rode daar’: Ezau noemt het gerecht niet bij zijn naam.

אדום (Edom), ‘Edom’: ‘rood’, de naam van Ezau's nakomelingen en hun land (zie 36:1; 36:8).

Aanvullend

Jubileeën 24:6 verklaart de naam Edom ook uit de rode linzen.

31Jakob zei: „Verkoop mij nu meteen je eerstgeboorterecht.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
מִכְרָ֥ה
(mikhra)
verkoop
כַיּ֛וֹם
(kayom)
als op deze dag
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּכֹֽרָתְךָ֖
(bekhoratekha)
je eerstgeboorterecht
לִֽי
(li)
aan mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כיום (kayom), ‘nu meteen’: letterlijk ‘als op deze dag’, dus op staande voet.

בכרתך (bekhoratkha), ‘je eerstgeboorterecht’: het recht van de oudste zoon op een dubbel erfdeel en op het leiderschap van de familie (zie Deut. 21:17).

32Ezau zei: „Zie, ik ga sterven. Wat heb ik aan een eerstgeboorterecht?”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
עֵשָׂ֔ו
(esav)
Ezau
הִנֵּ֛ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
ik
הוֹלֵ֖ךְ
(holekh)
gaande
לָמ֑וּת
(lamut)
om te sterven
וְלָמָּה
(velama)
en waarom
זֶּ֥ה
(ze)
dit
לִ֖י
(li)
voor mij
בְּכֹרָֽה
(bekhora)
eerstgeboorterecht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Jakob zei: „Zweer het mij nu meteen.” Hij zwoer het hem en verkocht zijn eerstgeboorterecht aan Jakob.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
הִשָּׁ֤בְעָה
(hishavea)
zweer
לִּי֙
(li)
aan mij
כַּיּ֔וֹם
(kayom)
als op deze dag
וַיִּשָּׁבַ֖ע
(vayishava)
en hij zwoer
ל֑וֹ
(lo)
aan hem
וַיִּמְכֹּ֥ר
(vayimkor)
en hij verkocht
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּכֹרָת֖וֹ
(bekhorato)
zijn eerstgeboorterecht
לְיַעֲקֹֽב
(leyaaqov)
aan Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

השׁבעה (hishava), ‘zweer’: een eed maakt de verkoop bindend.

Aanvullend

Jubileeën 24:5 zegt dat Jakob hem liet zweren.

Jasher 27:12–14 zegt dat Ezau ook zijn deel in de grot van Machpela aan Jakob verkocht, en dat Jakob dit opschreef en door getuigen liet bevestigen.

34Jakob gaf Ezau brood en linzengerecht. Hij at en dronk, stond op en ging weg. Zo minachtte Ezau het eerstgeboorterecht.
וְיַעֲקֹ֞ב
(veyaaqov)
en Jakob
נָתַ֣ן
(natan)
gaf
לְעֵשָׂ֗ו
(leesav)
aan Ezau
לֶ֚חֶם
(lechem)
brood
וּנְזִ֣יד
(unezid)
en gerecht van
עֲדָשִׁ֔ים
(adashim)
linzen
וַיֹּ֣אכַל
(vayokhal)
en hij at
וַיֵּ֔שְׁתְּ
(vayesht)
en hij dronk
וַיָּ֖קָם
(vayaqam)
en hij stond op
וַיֵּלַ֑ךְ
(vayelakh)
en hij ging
וַיִּ֥בֶז
(vayivez)
en hij minachtte
עֵשָׂ֖ו
(esav)
Ezau
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַבְּכֹרָֽה
(habekhora)
het eerstgeboorterecht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויבז (vayivez), ‘hij minachtte’: Ezau nam het eerstgeboorterecht niet serieus.

Hebr. 12:16 noemt hem daarom ‘onheilig’.