Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Abraham en Ketura
1Abraham nam nog een vrouw; haar naam was Ketura.
וַיֹּ֧סֶף
(vayosef)
en hij voegde toe
אַבְרָהָ֛ם
(avraham)
Abraham
וַיִּקַּ֥ח
(vayiqach)
en hij nam
אִשָּׁ֖ה
(isha)
vrouw
וּשְׁמָ֥הּ
(ushemah)
en haar naam
קְטוּרָֽה
(qetura)
Ketura
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קטורה (Qeturah), ‘Ketura’: de naam hangt samen met qetoret, ‘wierook’ (zie Ex. 30:7).
In 1 Kronieken 1:32 heet zij Abrahams bijvrouw (zie vers 6).
Aanvullend
Jubileeën 19:11 zegt dat zij uit de huisgeborenen van zijn huis kwam.
Jasher 25:1 noemt haar een vrouw uit het land Kanaän.
2Zij baarde hem Zimran, Joksjan, Medan, Midian, Jisjbak en Sjuach.
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
ל֗וֹ
(lo)
aan hem
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
זִמְרָן֙
(zimran)
Zimran
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
יָקְשָׁ֔ן
(yaqeshan)
Joksjan
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
מְדָ֖ן
(medan)
Medan
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
מִדְיָ֑ן
(midyan)
Midian
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
יִשְׁבָּ֖ק
(yishbaq)
Jisjbak
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
שֽׁוּחַ
(shuach)
Sjuach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מדין (Midyan), ‘Midian’: de stamvader van de Midianieten, een volk in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba (zie 37:28; Ex. 2:15).
Aanvullend
Jubileeën 19:12 noemt dezelfde zes zonen.
Jasher 25:9 zegt dat de zonen van Midian naar het oosten van het land Kush trokken en daar een stad bouwden.
3Joksjan werd de vader van Sjeba en Dedan. De zonen van Dedan waren de Asjurim, de Letusjim en de Leümmim.
וְיָקְשָׁ֣ן
(veyaqeshan)
en Joksjan
יָלַ֔ד
(yalad)
hij verwekte
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁבָ֖א
(sheva)
Sjeba
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
דְּדָ֑ן
(dedan)
Dedan
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
דְדָ֔ן
(dedan)
Dedan
הָי֛וּ
(hayu)
waren
אַשּׁוּרִ֥ם
(ashurim)
Asjurim
וּלְטוּשִׁ֖ים
(uletushim)
en Letusjim
וּלְאֻמִּֽים
(uleumim)
en Leümmim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁבא (Shva), ‘Sjeba’: Sjeba en Dedan komen ook voor als nakomelingen van Raäma (zie 10:7); dezelfde naam kan dus meer dan één volk aanduiden.
אשׁורם ולטושׁים ולאמים (Ashurim uLetushim uLe’ummim), ‘Asjurim, Letusjim en Leümmim’: namen van stammen die van Dedan afstammen; verder zijn ze niet bekend.
6Aan de zonen van de bijvrouwen van Abraham gaf Abraham geschenken. Terwijl hij nog leefde, stuurde hij hen weg van zijn zoon Isaak, oostwaarts, naar het land van het oosten.
וְלִבְנֵ֤י
(velivnei)
en aan de zonen van
הַפִּֽילַגְשִׁים֙
(hapilagshim)
de bijvrouwen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לְאַבְרָהָ֔ם
(leavraham)
van Abraham
נָתַ֥ן
(natan)
gaf
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
מַתָּנֹ֑ת
(matanot)
geschenken
וַֽיְשַׁלְּחֵ֞ם
(vayshalechem)
en hij zond hen weg
מֵעַ֨ל
(meal)
van naast
יִצְחָ֤ק
(yitschaq)
Isaak
בְּנוֹ֙
(beno)
zijn zoon
בְּעוֹדֶ֣נּוּ
(beodenu)
terwijl hij nog
חַ֔י
(chay)
levend
קֵ֖דְמָה
(qedema)
oostwaarts
אֶל
(el)
naar
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
קֶֽדֶם
(qedem)
het oosten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הפילגשׁים (hapilagshim), ‘de bijvrouwen’: het meervoud verwijst naar Ketura, die in 1 Kronieken 1:32 een bijvrouw heet, en mogelijk naar Hagar.
קדמה אל ארץ קדם (qedmah el eretz qedem), ‘oostwaarts, naar het land van het oosten’: het gebied ten oosten van Kanaän, voorbij de Syrisch-Arabische woestijn (zie 29:1).
Aanvullend
Jubileeën 20:11 zegt dat Abraham de zonen van Ismaël en Ketura met geschenken van Isaak wegzond.
Jasher 25:6–7 zegt dat zij naar het gebergte in het oosten gingen en zes steden bouwden.
8Abraham gaf de geest en stierf, in een goede ouderdom, oud en verzadigd. Hij werd verzameld bij zijn volk.
וַיִּגְוַ֨ע
(vayigva)
en hij gaf de geest
וַיָּ֧מָת
(vayamat)
en hij stierf
אַבְרָהָ֛ם
(avraham)
Abraham
בְּשֵׂיבָ֥ה
(beseiva)
in grijsheid
טוֹבָ֖ה
(tova)
goede
זָקֵ֣ן
(zaqen)
oud
וְשָׂבֵ֑עַ
(vesavea)
en verzadigd
וַיֵּאָ֖סֶף
(vayeasef)
en hij werd verzameld
אֶל
(el)
bij
עַמָּֽיו
(amav)
zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ויגוע (vayigva), ‘hij gaf de geest’: letterlijk ‘hij ademde uit’, een woord voor sterven (zie 6:17).
בשׂיבה טובה (beseivah tovah), ‘in een goede ouderdom’: zie 15:15.
ויאסף אל עמיו (vayye’asef el ammav), ‘hij werd verzameld bij zijn volk’: een vaste uitdrukking voor sterven, los van het begraven (zie 25:17; 35:29; 49:33).
Kedar woonde in de woestijn ten oosten van Kanaän (zie Jes. 21:16–17; Ps. 120:5).
Nebajot wordt in Jes. 60:7 samen met Kedar genoemd.
Aanvullend
Jasher 25:15–18 zegt dat Ismaël eerst trouwde met Riba uit Egypte, die hem Nebajot, Kedar, Adbeël, Mibsam en een dochter baarde, en daarna met Malkit uit Kanaän, die de overige zonen baarde.
16Dit zijn de zonen van Ismaël, en dit zijn hun namen, naar hun dorpen en hun kampen: twaalf vorsten voor hun stammen.
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
הֵ֞ם
(hem)
zij
בְּנֵ֤י
(benei)
zonen van
יִשְׁמָעֵאל֙
(yishmael)
Ismaël
וְאֵ֣לֶּה
(veele)
en dit
שְׁמֹתָ֔ם
(shemotam)
hun namen
בְּחַצְרֵיהֶ֖ם
(bechatsreihem)
in hun dorpen
וּבְטִֽירֹתָ֑ם
(uvetirotam)
en in hun kampen
שְׁנֵים
(sheneim)
twee
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
נְשִׂיאִ֖ם
(nesiim)
vorsten
לְאֻמֹּתָֽם
(leumotam)
voor hun stammen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בחצריהם ובטירתם (bechatsereihem uvetirotam), ‘in hun dorpen en in hun kampen’: een chatser is een open nederzetting zonder muur, een tirah een kamp of tentenkring (zie Num. 31:10).
נשׂיאם (nesi’im), ‘vorsten’: stamhoofden, zoals beloofd in 17:20.
18Zij woonden van Havila tot Sur, dat tegenover Egypte ligt, in de richting van Assur. Hij vestigde zich tegenover al zijn broers.
וַיִּשְׁכְּנ֨וּ
(vayishkenu)
en ze woonden
מֵֽחֲוִילָ֜ה
(mechavila)
van Havila
עַד
(ad)
tot
שׁ֗וּר
(shur)
Sur
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
עַל
(al)
voor
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
בֹּאֲכָ֖ה
(boakha)
naar
אַשּׁ֑וּרָה
(ashura)
Assur
עַל
(al)
voor
פְּנֵ֥י
(penei)
het aangezicht van
כָל
(kal)
alle
אֶחָ֖יו
(echav)
zijn broers
נָפָֽל
(nafal)
hij is neergestreken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
מחוילה עד שׁור (mechavilah ad Shur), ‘van Havila tot Sur’: een lijn van het ene uiteinde naar het andere.
Sur lag ten oosten van Egypte (zie 16:7; 20:1).
De nakomelingen van Ismaël wonen ten oosten van die lijn, in de woestijn, in de richting van Assur (zie 16:12).
Uitleg
Havila: zie 2:11; de ligging is onzeker.
אשׁורה (ashurah), ‘naar Assur’: Assur is hier waarschijnlijk Assyrië, het land aan de Tigris (zie 10:11).
נפל (nafal), ‘hij vestigde zich’: letterlijk ‘hij is gevallen’, dus ‘hij liet zich neer’.
Bij 16:12 staat bij dezelfde woorden ‘tegenover al zijn broers’ het werkwoord yishkon, ‘hij zal wonen’; dit vers laat zien dat die woorden zijn uitgekomen.
Aanvullend
Jubileeën 20:12 zegt dat de zonen van Ismaël en Ketura samen woonden van Paran tot de ingang van Babylon, in het land dat naar het oosten ligt, tegenover de woestijn.
Jasher 25:20 zegt dat zij woonden van Havila tot Sur, dat voor Egypte ligt als je naar Assyrië gaat.
20Isaak was 40 jaar oud toen hij Rebekka tot vrouw nam, de dochter van Betuël, de Arameeër uit Paddan-Aram, de zus van Laban, de Arameeër.
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
יִצְחָק֙
(yitschaq)
Isaak
בֶּן
(ben)
zoon van
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
בְּקַחְתּ֣וֹ
(beqachto)
bij zijn nemen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רִבְקָ֗ה
(rivqa)
Rebekka
בַּת
(bat)
dochter van
בְּתוּאֵל֙
(betuel)
Betuël
הָֽאֲרַמִּ֔י
(haarami)
de Arameeër
מִפַּדַּ֖ן
(mipadan)
uit Paddan
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
אֲח֛וֹת
(achot)
zus van
לָבָ֥ן
(lavan)
Laban
הָאֲרַמִּ֖י
(haarami)
de Arameeër
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan.
Uitleg
ארבעים שׁנה (arba’im shanah), ‘40 jaar’: Isaak was 37 toen Sarah stierf (zie 23:1; 24:67).
23Yahweh zei tegen haar: „Twee volken zijn in je buik, en twee stammen zullen uit je schoot gescheiden worden. De ene stam zal sterker zijn dan de andere, en de oudste zal de jongste dienen.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
לָ֗הּ
(lah)
tot haar
שְׁנֵ֤י
(shenei)
twee
גיים
(gyym)
volken (geschreven)
גוֹיִם֙
(goyim)
volken (gelezen)
בְּבִטְנֵ֔ךְ
(bevitnekh)
in je buik
וּשְׁנֵ֣י
(ushenei)
en twee
לְאֻמִּ֔ים
(leumim)
stammen
מִמֵּעַ֖יִךְ
(mimeayikh)
uit je ingewanden
יִפָּרֵ֑דוּ
(yiparedu)
zullen gescheiden worden
וּלְאֹם֙
(uleom)
en een stam
מִלְאֹ֣ם
(milom)
dan een stam
יֶֽאֱמָ֔ץ
(yeemats)
zal sterker zijn
וְרַ֖ב
(verav)
en de oudste
יַעֲבֹ֥ד
(yaavod)
zal dienen
צָעִֽיר
(tsair)
de jongste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גיים גוים (gayim goyim), ‘volken’: geschreven staat gayim, gelezen wordt goyim; beide betekenen ‘volken’.
ורב יעבד צעיר (verav ya’avod tsa’ir), ‘de oudste zal de jongste dienen’: een omkering van de gewone volgorde; rav is ‘groot, talrijk, oud’ en tsa’ir is ‘klein, jong’.
Paulus haalt dit aan in Rom. 9:12.
Edom werd later onderworpen (zie 27:40; 2 Sam. 8:14).
26Daarna kwam zijn broer eruit, met zijn hand vast aan de hiel van Ezau. Hij noemde hem Jakob. Isaak was 60 jaar oud toen zij hen baarde.
וְאַֽחֲרֵי
(veacharei)
en daarna
כֵ֞ן
(ken)
zo
יָצָ֣א
(yatsa)
kwam uit
אָחִ֗יו
(achiv)
zijn broer
וְיָד֤וֹ
(veyado)
en zijn hand
אֹחֶ֨זֶת֙
(ochezet)
vasthoudend
בַּעֲקֵ֣ב
(baaqev)
aan hiel van
עֵשָׂ֔ו
(esav)
Ezau
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en hij noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
וְיִצְחָ֛ק
(veyitschaq)
en Isaak
בֶּן
(ben)
zoon van
שִׁשִּׁ֥ים
(shishim)
zestig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
בְּלֶ֥דֶת
(beledet)
bij haar baren
אֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וידו אחזת בעקב עשׂו (veyado ochezet ba’aqev Esav), ‘zijn hand hield de hiel van Ezau vast’: aqev is ‘hiel’; Jakob (Ya’aqov) betekent daarom ‘hij houdt de hiel’, en ook ‘hij bedriegt’ (zie 27:36).
ויצחק בן שׁשׁים שׁנה (veYitschaq ben shishim shanah), ‘Isaak was 60 jaar’: zie vers 20.
Aanvullend
Jasher 26:15–16 zegt dat zij hem daarom Jakob noemden.
31Jakob zei: „Verkoop mij nu meteen je eerstgeboorterecht.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
מִכְרָ֥ה
(mikhra)
verkoop
כַיּ֛וֹם
(kayom)
als op deze dag
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּכֹֽרָתְךָ֖
(bekhoratekha)
je eerstgeboorterecht
לִֽי
(li)
aan mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כיום (kayom), ‘nu meteen’: letterlijk ‘als op deze dag’, dus op staande voet.
בכרתך (bekhoratkha), ‘je eerstgeboorterecht’: het recht van de oudste zoon op een dubbel erfdeel en op het leiderschap van de familie (zie Deut. 21:17).