Kwijtschelding in het zevende jaar, vrijlating van slaven, eerstgeborenen
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De kwijtschelding in het zevende jaar
1Aan het einde van zeven jaar moet je een kwijtschelding houden.
מִקֵּ֥ץ
(miqets)
aan het einde van
שֶֽׁבַע
(sheva)
zeven
שָׁנִ֖ים
(shanim)
jaren
תַּעֲשֶׂ֥ה
(taase)
je zult doen
שְׁמִטָּֽה
(shemita)
kwijtschelding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Dit is de regel van de kwijtschelding: iedere schuldeiser moet de lening kwijtschelden die hij zijn naaste heeft gegeven. Hij mag het niet opeisen van zijn naaste en van zijn broer, want er is een kwijtschelding voor Yahweh uitgeroepen.
וְזֶה֮
(veze)
en dit is
דְּבַ֣ר
(devar)
het woord van
הַשְּׁמִטָּה֒
(hashemita)
de kwijtschelding
שָׁמ֗וֹט
(shamot)
kwijtschelden
כָּל
(kal)
elke
בַּ֨עַל֙
(baal)
meester van
מַשֵּׁ֣ה
(mashe)
lening van
יָד֔וֹ
(yado)
zijn hand
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יַשֶּׁ֖ה
(yashe)
hij heeft geleend
בְּרֵעֵ֑הוּ
(bereehu)
aan zijn naaste
לֹֽא
(lo)
niet
יִגֹּ֤שׂ
(yigos)
hij zal opeisen
אֶת
(et)
(obj.)
רֵעֵ֨הוּ֙
(reehu)
zijn naaste
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אָחִ֔יו
(achiv)
zijn broer
כִּֽי
(ki)
want
קָרָ֥א
(qara)
is uitgeroepen
שְׁמִטָּ֖ה
(shemita)
kwijtschelding
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בַּעַל מַשֵּׁה יָדוֹ (ba’al masheh yado), letterlijk ‘meester van de lening van zijn hand’: de schuldeiser.
Het verbod betreft het opeisen van de schuld in dit jaar; wij vertalen ‘kwijtschelden’.
4Er zal echter geen arme onder jou zijn. Want Yahweh zal je zeker zegenen in het land dat Yahweh, je Elohim, je als erfdeel geeft om het in bezit te nemen.
אֶ֕פֶס
(efes)
tenzij
כִּ֛י
(ki)
dat
לֹ֥א
(lo)
niet
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
בְּךָ֖
(bekha)
onder jou
אֶבְי֑וֹן
(evyon)
arme
כִּֽי
(ki)
want
בָרֵ֤ךְ
(barekh)
zegenend
יְבָֽרֶכְךָ֙
(yevarekhkha)
Hij zal je zegenen
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּאָ֕רֶץ
(baarets)
in het land
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
נֹֽתֵן
(noten)
geeft
לְךָ֥
(lekha)
aan jou
נַחֲלָ֖ה
(nachala)
als erfdeel
לְרִשְׁתָּֽהּ
(lerishtah)
om het in bezit te nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶפֶס כִּי (efes ki) kan ‘echter’ betekenen.
Wij lezen het zo: er hoort geen arme te zijn, want Yahweh zegent.
Dat het in vers 11 toch zo is dat er altijd armen zijn, hoort bij de menselijke ongehoorzaamheid van vers 5.
6Want Yahweh, je Elohim, heeft je gezegend, zoals Hij tot je gesproken heeft. Je zult aan veel volken lenen, maar zelf niet lenen. Je zult over veel volken heersen, maar over jou zullen zij niet heersen.
כִּֽי
(ki)
want
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je Elohim
בֵּֽרַכְךָ֔
(berakhkha)
heeft je gezegend
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּר
(diber)
Hij sprak
לָ֑ךְ
(lakh)
tot jou
וְהַֽעֲבַטְתָּ֞
(vehaavatta)
en je zult lenen geven
גּוֹיִ֣ם
(goyim)
volken
רַבִּ֗ים
(rabim)
vele
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
לֹ֣א
(lo)
niet
תַעֲבֹ֔ט
(taavot)
zul lenen
וּמָֽשַׁלְתָּ֙
(umashalta)
en je zult heersen
בְּגוֹיִ֣ם
(begoyim)
over volken
רַבִּ֔ים
(rabim)
vele
וּבְךָ֖
(uvekha)
en over jou
לֹ֥א
(lo)
niet
יִמְשֹֽׁלוּ
(yimsholu)
zullen zij heersen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Wanneer er onder jou een arme is, een van je broers, binnen een van je poorten, in het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft. Dan mag je je hart niet hard maken. Je mag je hand niet sluiten voor je broer, de arme.
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִהְיֶה֩
(yihye)
zal zijn
בְךָ֨
(bekha)
onder jou
אֶבְי֜וֹן
(evyon)
arme
מֵאַחַ֤ד
(meachad)
van een
אַחֶ֨יךָ֙
(acheikha)
van je broers
בְּאַחַ֣ד
(beachad)
binnen een van
שְׁעָרֶ֔יךָ
(sheareikha)
je poorten
בְּאַ֨רְצְךָ֔
(beartsekha)
in je land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
נֹתֵ֣ן
(noten)
geeft
לָ֑ךְ
(lakh)
aan jou
לֹ֧א
(lo)
niet
תְאַמֵּ֣ץ
(teamets)
je zult hard maken
אֶת
(et)
(obj.)
לְבָבְךָ֗
(levavekha)
je hart
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
תִקְפֹּץ֙
(tiqpots)
je zult sluiten
אֶת
(et)
(obj.)
יָ֣דְךָ֔
(yadekha)
je hand
מֵאָחִ֖יךָ
(meachikha)
voor je broer
הָאֶבְיֽוֹן
(haevyon)
de arme
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶבְיוֹן (evyon), ‘arme’: wie echt gebrek heeft.
Wij gebruiken ‘arme’ voor evyon; עָנִי (ani) in vers 11 vertalen wij met ‘behoeftige’, zodat de twee woorden te onderscheiden blijven.
In Exod. 22:24 staat ani en in Exod. 23:6 evyon, beide vertaald met ‘arme’.
9Pas op dat er in je hart geen gedachte van Belial opkomt: „Het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, is nabij.” Pas op dat je oog niet kwaad kijkt naar je broer, de arme, en dat je hem niets geeft. Dan roept hij over jou tot Yahweh en wordt het zonde voor je.
הִשָּׁ֣מֶר
(hishamer)
neem je in acht
לְךָ֡
(lekha)
voor jou
פֶּן
(pen)
dat niet
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
er zal zijn
דָבָר֩
(davar)
een woord
עִם
(im)
in
לְבָבְךָ֨
(levavekha)
je hart
בְלִיַּ֜עַל
(beliyaal)
Belial
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
קָֽרְבָ֣ה
(qareva)
is nabij
שְׁנַֽת
(shenat)
het jaar van
הַשֶּׁבַע֮
(hasheva)
de zeven
שְׁנַ֣ת
(shenat)
het jaar van
הַשְּׁמִטָּה֒
(hashemita)
de kwijtschelding
וְרָעָ֣ה
(veraa)
en kwaad is
עֵֽינְךָ֗
(einekha)
je oog
בְּאָחִ֨יךָ֙
(beachikha)
tegen je broer
הָֽאֶבְי֔וֹן
(haevyon)
de arme
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִתֵּ֖ן
(titen)
je zult geven
ל֑וֹ
(lo)
aan hem
וְקָרָ֤א
(veqara)
en hij roept
עָלֶ֨יךָ֙
(aleikha)
over jou
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en het zal zijn
בְךָ֖
(bekha)
bij jou
חֵֽטְא
(chete)
zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּלִיַּעַל (beliyya’al), ‘Belial’: letterlijk ‘waardeloosheid’, zoals in Deut. 13:14.
‘Een gedachte van Belial’ is een snode, nietswaardige gedachte.
10Je moet hem zeker geven, en je hart mag er niet kwaad over zijn als je hem geeft. Want vanwege dit woord zal Yahweh, je Elohim, je zegenen in al je werk en in alles wat je hand onderneemt.
נָת֤וֹן
(naton)
geven
תִּתֵּן֙
(titen)
je zult geven
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
וְלֹא
(velo)
en niet
יֵרַ֥ע
(yera)
het zal kwaad zijn
לְבָבְךָ֖
(levavekha)
je hart
בְּתִתְּךָ֣
(betitekha)
als je geeft
ל֑וֹ
(lo)
aan hem
כִּ֞י
(ki)
want
בִּגְלַ֣ל
(biglal)
vanwege
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֗ה
(haze)
dit
יְבָרֶכְךָ֙
(yevarekhkha)
Hij zal je zegenen
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
בְּכָֽל
(bekhal)
in al
מַעֲשֶׂ֔ךָ
(maasekha)
je werk
וּבְכֹ֖ל
(uvekhol)
en in alles
מִשְׁלַ֥ח
(mishlach)
het uitstrekken van
יָדֶֽךָ
(yadekha)
je hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Want de arme zal nooit verdwijnen uit het midden van het land. Daarom gebied ik je: Je moet je hand zeker openen voor je broer, voor je behoeftige en voor je arme in je land.
כִּ֛י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
יֶחְדַּ֥ל
(yechdal)
zal ophouden
אֶבְי֖וֹן
(evyon)
arme
מִקֶּ֣רֶב
(miqerev)
uit het midden van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
עַל
(al)
op
כֵּ֞ן
(ken)
zo
אָנֹכִ֤י
(anokhi)
ik
מְצַוְּךָ֙
(metsavekha)
gebied jou
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
פָּ֠תֹחַ
(patoach)
openen
תִּפְתַּ֨ח
(tiftach)
je zult openen
אֶת
(et)
(obj.)
יָדְךָ֜
(yadekha)
je hand
לְאָחִ֧יךָ
(leachikha)
voor je broer
לַעֲנִיֶּ֛ךָ
(laaniyekha)
voor je behoeftige
וּלְאֶבְיֹנְךָ֖
(uleevyonekha)
en voor je arme
בְּאַרְצֶֽךָ
(beartsekha)
in je land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers lijkt vers 4 tegen te spreken.
Vers 4 zegt wat Yahweh wil: geen armen in het land.
Vers 11 zegt wat er zal gebeuren zolang het volk zich niet aan het gebod houdt.
12Wanneer je broer, een Hebreeër of een Hebreeuwse, aan jou verkocht wordt, dan moet hij je zes jaar dienen. In het zevende jaar moet je hem vrij van je laten gaan.
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִמָּכֵ֨ר
(yimakher)
hij wordt verkocht
לְךָ֜
(lekha)
aan jou
אָחִ֣יךָ
(achikha)
je broer
הָֽעִבְרִ֗י
(haivri)
de Hebreeër
א֚וֹ
(o)
of
הָֽעִבְרִיָּ֔ה
(haivriya)
de Hebreeuwse
וַעֲבָֽדְךָ֖
(vaavadekha)
en hij zal je dienen
שֵׁ֣שׁ
(shesh)
zes
שָׁנִ֑ים
(shanim)
jaren
וּבַשָּׁנָה֙
(uvashana)
en in het jaar
הַשְּׁבִיעִ֔ת
(hasheviit)
het zevende
תְּשַׁלְּחֶ֥נּוּ
(teshalechenu)
je zult hem wegsturen
חָפְשִׁ֖י
(chafeshi)
vrij
מֵעִמָּֽךְ
(meimakh)
van bij jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עִבְרִי (ivri), ‘Hebreeër’, zoals in Exod. 21:2; het is een volksgenoot die zich als slaaf heeft laten verkopen.
Wij houden ‘slaaf’ aan zoals in Exod. 21:2; in Lev. 25:39–42 staat een soortgelijke regel, waar wij ‘dienaar’ lezen.
18Het mag je niet zwaar vallen als je hem vrij van je laat gaan. Want hij heeft je zes jaar gediend voor het dubbele loon van een loonarbeider. Dan zal Yahweh, je Elohim, je zegenen in alles wat je doet.
לֹא
(lo)
niet
יִקְשֶׁ֣ה
(yiqshe)
het zal hard zijn
בְעֵינֶ֗ךָ
(beeinekha)
in je oog
בְּשַׁלֵּֽחֲךָ֙
(beshalechakha)
als je wegstuurt
אֹת֤וֹ
(oto)
hem
חָפְשִׁי֙
(chafeshi)
vrij
מֵֽעִמָּ֔ךְ
(meimakh)
van bij jou
כִּ֗י
(ki)
want
מִשְׁנֶה֙
(mishne)
dubbel
שְׂכַ֣ר
(sekhar)
het loon van
שָׂכִ֔יר
(sakhir)
een loonarbeider
עֲבָֽדְךָ֖
(avadekha)
heeft hij je gediend
שֵׁ֣שׁ
(shesh)
zes
שָׁנִ֑ים
(shanim)
jaren
וּבֵֽרַכְךָ֙
(uverakhkha)
en Hij zal je zegenen
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
in alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
תַּעֲשֶֽׂה
(taase)
je doet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִשְׁנֶה שְׂכַר שָׂכִיר (mishneh sekhar sakhir), ‘het dubbele loon van een loonarbeider’: de zes jaar dienst waren evenveel waard als twaalf jaar loon, of: hij heeft meer voor je gedaan dan een loonarbeider.
19Elk mannelijk eerstgeborene dat onder je runderen en je kleinvee geboren wordt, moet je aan Yahweh, je Elohim, heiligen. Je mag het eerstgeborene van je rund niet voor werk gebruiken en het eerstgeborene van je kleinvee niet scheren.
כָּֽל
(kal)
elk
הַבְּכ֡וֹר
(habekhor)
eerstgeborene
אֲשֶׁר֩
(asher)
dat
יִוָּלֵ֨ד
(yivaled)
geboren wordt
בִּבְקָרְךָ֤
(bivqarekha)
onder je runderen
וּבְצֹֽאנְךָ֙
(uvetsonkha)
en onder je kleinvee
הַזָּכָ֔ר
(hazakhar)
het mannelijke
תַּקְדִּ֖ישׁ
(taqdish)
je zult heiligen
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לֹ֤א
(lo)
niet
תַעֲבֹד֙
(taavod)
je zult laten werken
בִּבְכֹ֣ר
(bivkhor)
met de eerstgeborene van
שׁוֹרֶ֔ךָ
(shorekha)
je rund
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תָגֹ֖ז
(tagoz)
je zult scheren
בְּכ֥וֹר
(bekhor)
de eerstgeborene van
צֹאנֶֽךָ
(tsonekha)
je kleinvee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)