Elohim Bijbel

Leviticus 19

123456789101112131415161718192021222324252627

Het heiligheidsgebod

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Heilig zijn, want Yahweh is heilig

1Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Spreek tot de hele gemeenschap van de zonen van Israël en zeg tegen hen: Heilig moeten jullie zijn, want Ik, Yahweh, jullie Elohim, ben heilig.
דַּבֵּ֞ר
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
de hele
עֲדַ֧ת
(adat)
gemeenschap van
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
וְאָמַרְתָּ֥
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵהֶ֖ם
(alehem)
tegen hen
קְדֹשִׁ֣ים
(qedoshim)
heilig
תִּהְי֑וּ
(tihyu)
jullie moeten zijn
כִּ֣י
(ki)
want
קָד֔וֹשׁ
(qadosh)
heilig
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָדוֹשׁ (qadosh), ‘heilig’: afgezonderd voor Yahweh.

Het volk moet heilig zijn, omdat Yahweh heilig is.

Zie ook Lev. 11:44–45, Lev. 20:7 en 1 Petr. 1:16.

3Ieder van jullie moet ontzag hebben voor zijn moeder en zijn vader. Mijn sabbatten moeten jullie bewaren. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אִמּ֤וֹ
(imo)
zijn moeder
וְאָבִיו֙
(veaviv)
en zijn vader
תִּירָ֔אוּ
(tirau)
jullie moeten ontzag hebben voor
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שַׁבְּתֹתַ֖י
(shabetotay)
Mijn sabbatten
תִּשְׁמֹ֑רוּ
(tishmoru)
jullie moeten bewaren
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּירָאוּ (tira’u), ‘ontzag hebben voor’: eerbied en ontzag.

Hetzelfde werkwoord staat in vers 14 en 32 bij ‘ontzag hebben voor je Elohim’.

Zie ook Exod. 20:12 en, voor de sabbat, Exod. 20:8–11.

Aanvullend

Jubileeën 7:20 noemt ook het eren van vader en moeder.

4Wend jullie niet tot de nietige goden en maak geen gegoten goden voor jezelf. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.
אַל
(al)
niet
תִּפְנוּ֙
(tifnu)
jullie mogen je wenden
אֶל
(el)
tot
הָ֣אֱלִילִ֔ים
(haelilim)
de nietige goden
וֵֽאלֹהֵי֙
(velohei)
en goden van
מַסֵּכָ֔ה
(masekha)
gegoten
לֹ֥א
(lo)
niet
תַעֲשׂ֖וּ
(taasu)
jullie mogen maken
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jezelf
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלִילִים (elilim), ‘nietige goden’: letterlijk ‘nietigheden’.

Zie ook Lev. 26:1 en Exod. 34:17 voor ‘gegoten goden’.

Het vredeoffer

5Wanneer jullie een vredeoffer voor Yahweh slachten, moeten jullie het zo slachten dat jullie aanvaard worden.
וְכִ֧י
(vekhi)
en wanneer
תִזְבְּח֛וּ
(tizbechu)
jullie slachten
זֶ֥בַח
(zevach)
een slachtoffer van
שְׁלָמִ֖ים
(shelamim)
vredeoffers
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
לִֽרְצֹנְכֶ֖ם
(lirtsonekhem)
zodat jullie aanvaard worden
תִּזְבָּחֻֽהוּ
(tizbachuhu)
jullie moeten het slachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

לִרְצֹנְכֶם (lirtsonkhem) kan ‘zodat jullie aanvaard worden’ of ‘uit eigen vrije wil’ betekenen.

Wij kiezen ‘aanvaard’, zoals in Lev. 1:3–4.

Zie ook Lev. 7:15–18.

6Het moet gegeten worden op de dag dat jullie het slachten en ook de dag erna. Wat overblijft tot de derde dag, moet met vuur worden verbrand.
בְּי֧וֹם
(beyom)
op de dag van
זִבְחֲכֶ֛ם
(zivchakhem)
jullie slachting
יֵאָכֵ֖ל
(yeakhel)
het moet worden gegeten
וּמִֽמָּחֳרָ֑ת
(umimachorat)
en de dag erna
וְהַנּוֹתָר֙
(vehanotar)
en wat overblijft
עַד
(ad)
tot
י֣וֹם
(yom)
de dag
הַשְּׁלִישִׁ֔י
(hashelishi)
de derde
בָּאֵ֖שׁ
(baesh)
met vuur
יִשָּׂרֵֽף
(yisaref)
het moet worden verbrand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Als het toch op de derde dag gegeten wordt, is het verwerpelijk; het wordt niet aanvaard.
וְאִ֛ם
(veim)
en als
הֵאָכֹ֥ל
(heakhol)
te eten
יֵאָכֵ֖ל
(yeakhel)
het wordt gegeten
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁלִישִׁ֑י
(hashelishi)
de derde
פִּגּ֥וּל
(pigul)
verwerpelijk
ה֖וּא
(hu)
het is
לֹ֥א
(lo)
niet
יֵרָצֶֽה
(yeratse)
het wordt aanvaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פִּגּוּל (piggul), ‘verwerpelijk’: een offer dat niet aanvaard wordt en niet gegeten mag worden.

Hetzelfde woord staat in Lev. 7:18.

8Wie ervan eet, moet zijn schuld dragen, want hij heeft het heilige van Yahweh ontheiligd. Die persoon moet uit zijn volk worden afgesneden.
וְאֹֽכְלָיו֙
(veokhelav)
en wie ervan eet
עֲוֺנ֣וֹ
(avono)
zijn schuld
יִשָּׂ֔א
(yisa)
hij zal dragen
כִּֽי
(ki)
want
אֶת
(et)
(obj.)
קֹ֥דֶשׁ
(qodesh)
het heilige van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
חִלֵּ֑ל
(chilel)
hij heeft ontheiligd
וְנִכְרְתָ֛ה
(venikhreta)
en zal worden afgesneden
הַנֶּ֥פֶשׁ
(hanefesh)
de persoon
הַהִ֖וא
(hahi)
die
מֵעַמֶּֽיהָ
(meameiha)
uit haar volksgenoten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָשָׂא עָוֺן (nasa avon), ‘zijn schuld dragen’: hij draagt de gevolgen van zijn schuld; zie ook Lev. 17:16.

Omgaan met de arme en de vreemdeling

9Wanneer jullie de oogst van jullie land maaien, mag je de rand van je veld niet volledig afmaaien. De nalezing van je oogst mag je niet oprapen.
וּֽבְקֻצְרְכֶם֙
(uvequtsrekhem)
en bij jullie maaien
אֶת
(et)
(obj.)
קְצִ֣יר
(qetsir)
de oogst van
אַרְצְכֶ֔ם
(artsekhem)
jullie land
לֹ֧א
(lo)
niet
תְכַלֶּ֛ה
(tekhale)
je mag voltooien
פְּאַ֥ת
(peat)
de rand van
שָׂדְךָ֖
(sadekha)
je veld
לִקְצֹ֑ר
(liqtsor)
om te maaien
וְלֶ֥קֶט
(veleqet)
en de nalezing van
קְצִֽירְךָ֖
(qetsirekha)
je oogst
לֹ֥א
(lo)
niet
תְלַקֵּֽט
(telaqet)
je mag oprapen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֵּאָה (pe’ah), ‘rand’: de buitenrand van het veld, die niet wordt afgemaaid.

Zie ook Lev. 23:22, Deut. 24:19 en Ruth 2:2–3.

10Je mag je wijngaard niet nalezen en de afgevallen druiven van je wijngaard niet oprapen. Voor de arme en de vreemdeling moet je ze laten liggen. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.
וְכַרְמְךָ֙
(vekharmekha)
en je wijngaard
לֹ֣א
(lo)
niet
תְעוֹלֵ֔ל
(teolel)
je mag nalezen
וּפֶ֥רֶט
(uferet)
en de afgevallen druiven van
כַּרְמְךָ֖
(karmekha)
je wijngaard
לֹ֣א
(lo)
niet
תְלַקֵּ֑ט
(telaqet)
je mag oprapen
לֶֽעָנִ֤י
(leani)
voor de arme
וְלַגֵּר֙
(velager)
en voor de vreemdeling
תַּעֲזֹ֣ב
(taazov)
je moet laten liggen
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֶּרֶט (peret), ‘afgevallen druiven’: de betekenis is niet helemaal zeker; het woord staat maar hier.

Zie ook Deut. 24:21.

Eerlijkheid en recht

11Jullie mogen niet stelen, niet liegen en niet bedriegen, niemand van jullie tegenover zijn volksgenoot.
לֹ֖א
(lo)
niet
תִּגְנֹ֑בוּ
(tignovu)
jullie mogen stelen
וְלֹא
(velo)
en niet
תְכַחֲשׁ֥וּ
(tekhachashu)
jullie mogen liegen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תְשַׁקְּר֖וּ
(teshaqeru)
jullie mogen bedriegen
אִ֥ישׁ
(ish)
man
בַּעֲמִיתֽוֹ
(baamito)
tegenover zijn volksgenoot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּחֵשׁ (kichesh), ‘liegen’, en שִׁקֵּר (shikker), ‘bedriegen’: twee verschillende woorden voor onwaarheid.

Zie ook Exod. 20:15–16.

12Jullie mogen niet vals zweren bij Mijn naam. Dan ontheilig je de naam van je Elohim. Ik ben Yahweh.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תִשָּׁבְע֥וּ
(tishaveu)
jullie mogen zweren
בִשְׁמִ֖י
(bishmi)
bij Mijn naam
לַשָּׁ֑קֶר
(lashaqer)
vals
וְחִלַּלְתָּ֛
(vechilalta)
en je zou ontheiligen
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֥ם
(shem)
de naam van
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie ook Exod. 20:7.

13Je mag je naaste niet uitbuiten en niet beroven. Het loon van een loonarbeider mag niet tot de morgen bij jou blijven.
לֹֽא
(lo)
niet
תַעֲשֹׁ֥ק
(taashoq)
je mag uitbuiten
אֶת
(et)
(obj.)
רֵֽעֲךָ֖
(reakha)
je naaste
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תִגְזֹ֑ל
(tigzol)
je mag beroven
לֹֽא
(lo)
niet
תָלִ֞ין
(talin)
zal blijven overnachten
פְּעֻלַּ֥ת
(peulat)
het loon van
שָׂכִ֛יר
(sakhir)
een loonarbeider
אִתְּךָ֖
(itekha)
bij jou
עַד
(ad)
tot
בֹּֽקֶר
(boqer)
de morgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie ook Deut. 24:14–15: het loon van een arme arbeider moet dezelfde dag worden betaald.

14Je mag een dove niet vervloeken en voor een blinde geen struikelblok leggen. Je moet ontzag hebben voor je Elohim. Ik ben Yahweh.
לֹא
(lo)
niet
תְקַלֵּ֣ל
(teqalel)
je mag vervloeken
חֵרֵ֔שׁ
(cheresh)
een dove
וְלִפְנֵ֣י
(velifnei)
en voor
עִוֵּ֔ר
(iver)
een blinde
לֹ֥א
(lo)
niet
תִתֵּ֖ן
(titen)
je mag leggen
מִכְשֹׁ֑ל
(mikhshol)
een struikelblok
וְיָרֵ֥אתָ
(veyareta)
en je moet ontzag hebben
מֵּאֱלֹהֶ֖יךָ
(meeloheikha)
voor je Elohim
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie ook Deut. 27:18.

15Jullie mogen geen onrecht doen in het recht. Je mag de arme niet voortrekken en de grote geen eer bewijzen. Je moet je volksgenoot rechtvaardig oordelen.
לֹא
(lo)
niet
תַעֲשׂ֥וּ
(taasu)
jullie mogen doen
עָ֨וֶל֙
(avel)
onrecht
בַּמִּשְׁפָּ֔ט
(bamishpat)
in het recht
לֹא
(lo)
niet
תִשָּׂ֣א
(tisa)
je mag opheffen
פְנֵי
(penei)
het gezicht van
דָ֔ל
(dal)
een arme
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תֶהְדַּ֖ר
(tehdar)
je mag eer bewijzen
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
גָד֑וֹל
(gadol)
een grote
בְּצֶ֖דֶק
(betsedeq)
rechtvaardig
תִּשְׁפֹּ֥ט
(tishpot)
je moet oordelen
עֲמִיתֶֽךָ
(amitekha)
je volksgenoot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּמִּשְׁפָּט (bammishpat), ‘in het recht’: bij het spreken van recht.

הָדַר (hadar), ‘eer bewijzen’: hetzelfde werkwoord staat in vers 32 bij de oudere. Hier gaat het om voorkeur voor de grote in een rechtszaak. Zie ook Exod. 23:3 en 23:6.

16Je mag niet als roddelaar rondgaan onder je volk. Je mag niet optreden tegen het bloed van je naaste. Ik ben Yahweh.
לֹא
(lo)
niet
תֵלֵ֤ךְ
(telekh)
je mag gaan
רָכִיל֙
(rakhil)
als roddelaar
בְּעַמֶּ֔יךָ
(beameikha)
onder je volk
לֹ֥א
(lo)
niet
תַעֲמֹ֖ד
(taamod)
je mag staan
עַל
(al)
tegen
דַּ֣ם
(dam)
het bloed van
רֵעֶ֑ךָ
(reekha)
je naaste
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

רָכִיל (rakhil) is ‘roddelaar’.

לֹא תַעֲמֹד עַל־דַּם רֵעֶךָ (lo ta’amod al-dam re’ekha), ‘je mag niet optreden tegen het bloed van je naaste’, kan betekenen: niet optreden tegen zijn leven (bijvoorbeeld met een valse beschuldiging), of niet werkloos toekijken als zijn leven in gevaar is.

Wij vertalen zoals het er staat.

Zie ook Exod. 23:1.

Heb je naaste lief

17Je mag je broer niet haten in je hart. Je moet je volksgenoot zeker terechtwijzen, zodat je vanwege hem geen zonde draagt.
לֹֽא
(lo)
niet
תִשְׂנָ֥א
(tisna)
je mag haten
אֶת
(et)
(obj.)
אָחִ֖יךָ
(achikha)
je broer
בִּלְבָבֶ֑ךָ
(bilvavekha)
in je hart
הוֹכֵ֤חַ
(hokheach)
terechtwijzen
תּוֹכִ֨יחַ֙
(tokhiach)
je moet terechtwijzen
אֶת
(et)
(obj.)
עֲמִיתֶ֔ךָ
(amitekha)
je volksgenoot
וְלֹא
(velo)
en niet
תִשָּׂ֥א
(tisa)
je zult dragen
עָלָ֖יו
(alav)
vanwege hem
חֵֽטְא
(chete)
zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹכֵחַ תּוֹכִיחַ (hokhe’ach tokhiach), ‘terechtwijzen’: ernstig en openlijk zeggen wat er mis is.

Zo draag jij geen zonde vanwege de ander.

Zie ook Matt. 18:15.

18Je mag geen wraak nemen en geen wrok koesteren tegen de zonen van je volk. Heb je naaste lief als jezelf. Ik ben Yahweh.
לֹֽא
(lo)
niet
תִקֹּ֤ם
(tiqom)
je mag wraak nemen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תִטֹּר֙
(titor)
je mag wrok koesteren
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
עַמֶּ֔ךָ
(amekha)
je volk
וְאָֽהַבְתָּ֥
(veahavta)
en je zult liefhebben
לְרֵעֲךָ֖
(lereakha)
je naaste
כָּמ֑וֹךָ
(kamokha)
zoals jezelf
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְאָהַבְתָּ לְרֵעֲךָ כָּמוֹךָ (we’ahavta lere’akha kamokha), ‘heb je naaste lief als jezelf’.

Yeshua noemt dit het tweede grote gebod: Matt. 22:39, Mark. 12:31 en Luc. 10:27.

Zie ook Matt. 5:43 en Matt. 19:19.

Het wordt ook aangehaald in Rom. 13:9, Gal. 5:14 en Jak. 2:8.

Aanvullend

Jubileeën 7:20 noemt ook dat ieder zijn naaste moet liefhebben.

Voorschriften over vermenging

19Mijn voorschriften moeten jullie bewaren. Je mag je vee niet laten paren met een ander soort. Je mag je veld niet bezaaien met twee soorten zaad. Een kleed van twee soorten stof, sjaatnez, mag je niet aan hebben.
אֶֽת
(et)
(obj.)
חֻקֹּתַי֮
(chuqotay)
Mijn voorschriften
תִּשְׁמֹרוּ֒
(tishmoru)
jullie moeten bewaren
בְּהֶמְתְּךָ֙
(behemtekha)
je vee
לֹא
(lo)
niet
תַרְבִּ֣יעַ
(tarbia)
je mag laten paren
כִּלְאַ֔יִם
(kilayim)
twee soorten
שָׂדְךָ֖
(sadekha)
je veld
לֹא
(lo)
niet
תִזְרַ֣ע
(tizra)
je mag bezaaien
כִּלְאָ֑יִם
(kilayim)
twee soorten
וּבֶ֤גֶד
(uveged)
en een kleed van
כִּלְאַ֨יִם֙
(kilayim)
twee soorten
שַֽׁעַטְנֵ֔ז
(shaatnez)
sjaatnez
לֹ֥א
(lo)
niet
יַעֲלֶ֖ה
(yaale)
zal komen
עָלֶֽיךָ
(aleikha)
op je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּלְאַיִם (kil’ayim), ‘twee soorten’: een vermenging van twee soorten.

Wij vullen bij het veld ‘zaad’ en bij het kleed ‘stof’ aan, zoals Deut. 22:9–11 het uitwerkt.

שַׁעַטְנֵז (sha’atnez) is een mengweefsel; Deut. 22:11 noemt wol en linnen samen. Wij schrijven het woord in letters over.

De slavin die aan een man is toegezegd

20Wanneer een man seksuele omgang heeft met een vrouw. En zij is een slavin die aan een man is toegezegd, maar nog niet is vrijgekocht en geen vrijheid heeft gekregen. Dan moet er een onderzoek komen. Zij mogen niet gedood worden, want zij is niet vrijgelaten.
וְ֠אִישׁ
(veish)
en man
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִשְׁכַּ֨ב
(yishkav)
hij ligt
אֶת
(et)
met
אִשָּׁ֜ה
(isha)
een vrouw
שִׁכְבַת
(shikhvat)
bijslaap van
זֶ֗רַע
(zera)
zaad
וְהִ֤וא
(vehi)
en zij
שִׁפְחָה֙
(shifcha)
een slavin
נֶחֱרֶ֣פֶת
(necherefet)
toegezegd
לְאִ֔ישׁ
(leish)
aan een man
וְהָפְדֵּה֙
(vehafde)
en vrijkoping
לֹ֣א
(lo)
niet
נִפְדָּ֔תָה
(nifdata)
is vrijgekocht
א֥וֹ
(o)
of
חֻפְשָׁ֖ה
(chufsha)
vrijheid
לֹ֣א
(lo)
niet
נִתַּן
(nitan)
is gegeven
לָ֑הּ
(lah)
aan haar
בִּקֹּ֧רֶת
(biqoret)
onderzoek
תִּהְיֶ֛ה
(tihye)
er zal zijn
לֹ֥א
(lo)
niet
יוּמְת֖וּ
(yumetu)
zij zullen worden gedood
כִּי
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
חֻפָּֽשָׁה
(chupasha)
zij was vrijgelaten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶחֱרֶפֶת (necherefet), ‘toegezegd’: het woord komt maar hier voor; de betekenis is niet helemaal zeker, mogelijk ‘bestemd voor’ of ‘verloofd met’.

שִׁפְחָה (shifchah), ‘slavin’: een vrouw die in dienst is van een ander en niet vrij is.

Lezing

בִּקֹּרֶת (biqqoret), ‘onderzoek’: ook dit woord komt maar hier voor; het kan ook ‘straf’ of ‘schadevergoeding’ betekenen.

Het Hebreeuws heeft ‘zij zullen niet gedood worden’ in het meervoud; wij vertalen dat zo.

21Hij moet zijn schuldoffer voor Yahweh brengen, naar de ingang van de tent van samenkomst: een ram als schuldoffer.
וְהֵבִ֤יא
(vehevi)
en hij moet brengen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲשָׁמוֹ֙
(ashamo)
zijn schuldoffer
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֶל
(el)
naar
פֶּ֖תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֣הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֑ד
(moed)
samenkomst
אֵ֖יל
(eil)
een ram van
אָשָֽׁם
(asham)
schuldoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָשָׁם (asham), ‘schuldoffer’: zie Lev. 5:14–26.

22De priester moet met de ram van het schuldoffer voor het aangezicht van Yahweh verzoening voor hem doen, voor de zonde die hij begaan heeft. Dan wordt hem de zonde vergeven die hij begaan heeft.
וְכִפֶּר֩
(vekhiper)
en hij moet verzoening doen
עָלָ֨יו
(alav)
voor hem
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
בְּאֵ֤יל
(beeil)
met de ram van
הָֽאָשָׁם֙
(haasham)
het schuldoffer
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
voor
חַטָּאת֖וֹ
(chatato)
zijn zonde
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חָטָ֑א
(chata)
hij heeft gezondigd
וְנִסְלַ֣ח
(venislach)
en het wordt vergeven
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
מֵחַטָּאת֖וֹ
(mechatato)
van zijn zonde
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
חָטָֽא
(chata)
hij heeft gezondigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְנִסְלַח (venislach), ‘en het wordt vergeven’: van סָלַח (salach), ‘vergeven’.

Zie ook Lev. 4:20.

De vruchten van de bomen

23Wanneer jullie in het land komen en allerlei bomen planten waarvan je kunt eten, moeten jullie de vrucht ervan als onbesneden beschouwen. Drie jaar lang is de vrucht voor jullie onbesneden. Ze mag niet gegeten worden.
וְכִי
(vekhi)
en wanneer
תָבֹ֣אוּ
(tavou)
jullie komen
אֶל
(el)
in
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
וּנְטַעְתֶּם֙
(unetatem)
en jullie planten
כָּל
(kal)
elke
עֵ֣ץ
(ets)
boom van
מַאֲכָ֔ל
(maakhal)
voedsel
וַעֲרַלְתֶּ֥ם
(vaaraltem)
en jullie moeten als onbesneden beschouwen
עָרְלָת֖וֹ
(arelato)
zijn voorhuid
אֶת
(et)
(obj.)
פִּרְי֑וֹ
(piryo)
zijn vrucht
שָׁלֹ֣שׁ
(shalosh)
drie
שָׁנִ֗ים
(shanim)
jaar
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
het zal zijn
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
עֲרֵלִ֖ים
(arelim)
onbesneden
לֹ֥א
(lo)
niet
יֵאָכֵֽל
(yeakhel)
het mag worden gegeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָרֵל (arel), ‘onbesneden’: de vrucht van de eerste drie jaar mag niet gegeten worden; hij wordt als ‘onbesneden’ beschouwd.

Aanvullend

Jubileeën 7:35–37 bevestigt dit: drie jaar niet plukken, in het vierde jaar is de vrucht heilig.

24In het vierde jaar is al de vrucht ervan heilig, lofprijzingen voor Yahweh.
וּבַשָּׁנָה֙
(uvashana)
en in het jaar
הָרְבִיעִ֔ת
(hareviit)
het vierde
יִהְיֶ֖ה
(yihye)
zal zijn
כָּל
(kal)
al
פִּרְי֑וֹ
(piryo)
zijn vrucht
קֹ֥דֶשׁ
(qodesh)
heilig
הִלּוּלִ֖ים
(hilulim)
lofprijzingen
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִלּוּלִים (hillulim), ‘lofprijzingen’: de vrucht van het vierde jaar is heilig en wordt aan Yahweh gewijd, met lof.

25In het vijfde jaar mogen jullie de vrucht ervan eten, zodat de opbrengst voor jullie toeneemt. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.
וּבַשָּׁנָ֣ה
(uvashana)
en in het jaar
הַחֲמִישִׁ֗ת
(hachamishit)
het vijfde
תֹּֽאכְלוּ֙
(tokhlu)
jullie mogen eten
אֶת
(et)
(obj.)
פִּרְי֔וֹ
(piryo)
zijn vrucht
לְהוֹסִ֥יף
(lehosif)
om te laten toenemen
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
תְּבוּאָת֑וֹ
(tevuato)
zijn opbrengst
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Geen waarzeggerij en geen rouwtekens

26Jullie mogen niets eten met het bloed erin. Jullie mogen geen voortekenen duiden en geen toverij bedrijven.
לֹ֥א
(lo)
niet
תֹאכְל֖וּ
(tokhlu)
jullie mogen eten
עַל
(al)
met
הַדָּ֑ם
(hadam)
het bloed
לֹ֥א
(lo)
niet
תְנַחֲשׁ֖וּ
(tenachashu)
jullie mogen voortekenen duiden
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תְעוֹנֵֽנוּ
(teonenu)
jullie mogen toverij bedrijven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַל־הַדָּם (al-haddam), ‘met het bloed erin’: het voorzetsel kan ook ‘boven’ of ‘bij’ betekenen.

Wij sluiten aan bij Lev. 17:10–14.

נִחֵשׁ (nichesh), ‘voortekenen duiden’, en עוֹנֵן (onen), ‘toverij bedrijven’: de betekenis van beide woorden is niet helemaal zeker. Zie ook Deut. 18:10.

27Jullie mogen de rand van jullie hoofd niet rondom afknippen, en je mag de rand van je baard niet beschadigen.
לֹ֣א
(lo)
niet
תַקִּ֔פוּ
(taqifu)
jullie mogen rondom afknippen
פְּאַ֖ת
(peat)
de rand van
רֹאשְׁכֶ֑ם
(roshkhem)
jullie hoofd
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תַשְׁחִ֔ית
(tashchit)
je mag beschadigen
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
פְּאַ֥ת
(peat)
de rand van
זְקָנֶֽךָ
(zeqanekha)
je baard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֵּאָה (pe’ah), ‘rand’: hier de rand van het haar bij het hoofd en de baard.

Zie ook Lev. 21:5.

28Voor een overledene mogen jullie geen insnijding in jullie vlees maken en geen tatoeages op jezelf aanbrengen. Ik ben Yahweh.
וְשֶׂ֣רֶט
(veseret)
en een insnijding
לָנֶ֗פֶשׁ
(lanefesh)
voor een overledene
לֹ֤א
(lo)
niet
תִתְּנוּ֙
(titenu)
jullie mogen aanbrengen
בִּבְשַׂרְכֶ֔ם
(bivsarkhem)
in jullie vlees
וּכְתֹ֣בֶת
(ukhetovet)
en een inscriptie van
קַֽעֲקַ֔ע
(qaaqa)
tatoeage
לֹ֥א
(lo)
niet
תִתְּנ֖וּ
(titenu)
jullie mogen aanbrengen
בָּכֶ֑ם
(bakhem)
op jullie
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׂרֶט לָנֶפֶשׁ (seret lannefesh), ‘insnijding voor een overledene’: נֶפֶשׁ (nefesh) staat hier voor een dode persoon (zie Lev. 21:1).

Zie ook Deut. 14:1.

קַעֲקַע (qa’aqa) komt maar hier voor; ‘tatoeage’ is de gangbare vertaling, de betekenis is niet helemaal zeker.

29Je mag je dochter niet ontheiligen door haar te laten hoereren, zodat het land niet gaat hoereren en niet vol schanddaden wordt.
אַל
(al)
niet
תְּחַלֵּ֥ל
(techalel)
je mag ontheiligen
אֶֽת
(et)
(obj.)
בִּתְּךָ֖
(bitekha)
je dochter
לְהַזְנוֹתָ֑הּ
(lehaznotah)
om haar te laten hoereren
וְלֹא
(velo)
en niet
תִזְנֶ֣ה
(tizne)
zal hoereren
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וּמָלְאָ֥ה
(umalea)
en vol wordt
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
זִמָּֽה
(zima)
van schanddaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זָנָה (zanah), ‘hoereren’.

Zie ook Lev. 21:9.

Voor זִמָּה (zimmah), ‘schanddaad’: zie Lev. 18:17.

30Mijn sabbatten moeten jullie bewaren en voor Mijn heiligdom moeten jullie ontzag hebben. Ik ben Yahweh.
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁבְּתֹתַ֣י
(shabetotay)
Mijn sabbatten
תִּשְׁמֹ֔רוּ
(tishmoru)
jullie moeten bewaren
וּמִקְדָּשִׁ֖י
(umiqdashi)
en voor Mijn heiligdom
תִּירָ֑אוּ
(tirau)
jullie moeten ontzag hebben
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Wend jullie niet tot de geesten van doden en tot de waarzeggers. Zoek hen niet op, zodat jullie door hen onrein worden. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.
אַל
(al)
niet
תִּפְנ֤וּ
(tifnu)
jullie mogen je wenden
אֶל
(el)
tot
הָאֹבֹת֙
(haovot)
de geesten van doden
וְאֶל
(veel)
en tot
הַיִּדְּעֹנִ֔ים
(hayideonim)
de waarzeggers
אַל
(al)
niet
תְּבַקְשׁ֖וּ
(tevaqshu)
jullie mogen zoeken
לְטָמְאָ֣ה
(letamea)
om onrein te worden
בָהֶ֑ם
(bahem)
door hen
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֹבוֹת (ovot), ‘geesten van doden’, en יִדְּעֹנִים (yidde’onim), ‘waarzeggers’, letterlijk ‘wetenden’: mensen die contact zoeken met doden.

Zie ook Lev. 20:6, Lev. 20:27 en Deut. 18:11.

Eerbied voor ouderen en voor de vreemdeling

32Voor grijs haar moet je opstaan. Je moet een oudere eer bewijzen en ontzag hebben voor je Elohim. Ik ben Yahweh.
מִפְּנֵ֤י
(mipenei)
voor
שֵׂיבָה֙
(seiva)
grijs haar
תָּק֔וּם
(taqum)
je moet opstaan
וְהָדַרְתָּ֖
(vehadarta)
en je moet eer bewijzen
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
זָקֵ֑ן
(zaqen)
een oudere
וְיָרֵ֥אתָ
(veyareta)
en je moet ontzag hebben
מֵּאֱלֹהֶ֖יךָ
(meeloheikha)
voor je Elohim
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֵׂיבָה (sevah), ‘grijs haar’: ouderdom.

33Wanneer een vreemdeling bij je verblijft in jullie land, mogen jullie hem niet slecht behandelen.
וְכִֽי
(vekhi)
en wanneer
יָג֧וּר
(yagur)
verblijft
אִתְּךָ֛
(itekha)
bij jou
גֵּ֖ר
(ger)
een vreemdeling
בְּאַרְצְכֶ֑ם
(beartsekhem)
in jullie land
לֹ֥א
(lo)
niet
תוֹנ֖וּ
(tonu)
jullie mogen slecht behandelen
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָנָה (yanah), ‘slecht behandelen’: zie ook Exod. 22:20.

34De vreemdeling die bij jullie verblijft, moet voor jullie zijn als een inheemse uit jullie midden. Heb hem lief als jezelf, want vreemdelingen zijn jullie geweest in het land Egypte. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.
כְּאֶזְרָ֣ח
(keezrach)
als een inheemse
מִכֶּם֩
(mikem)
uit jullie
יִהְיֶ֨ה
(yihye)
hij zal zijn
לָכֶ֜ם
(lakhem)
voor jullie
הַגֵּ֣ר
(hager)
de vreemdeling
הַגָּ֣ר
(hagar)
die verblijft
אִתְּכֶ֗ם
(itekhem)
bij jullie
וְאָהַבְתָּ֥
(veahavta)
en je zult liefhebben
לוֹ֙
(lo)
hem
כָּמ֔וֹךָ
(kamokha)
zoals jezelf
כִּֽי
(ki)
want
גֵרִ֥ים
(gerim)
vreemdelingen
הֱיִיתֶ֖ם
(heyitem)
jullie zijn geweest
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Zie ook Exod. 22:20, Exod. 23:9 en Deut. 10:19.

Eerlijke maten en gewichten

35Jullie mogen geen onrecht doen in het recht, bij de maat, het gewicht en de inhoudsmaat.
לֹא
(lo)
niet
תַעֲשׂ֥וּ
(taasu)
jullie mogen doen
עָ֖וֶל
(avel)
onrecht
בַּמִּשְׁפָּ֑ט
(bamishpat)
in het recht
בַּמִּדָּ֕ה
(bamida)
in de maat
בַּמִּשְׁקָ֖ל
(bamishqal)
in het gewicht
וּבַמְּשׂוּרָֽה
(uvamesura)
en in de inhoudsmaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִדָּה (middah), ‘maat’: lengtemaat; מְשׂוּרָה (mesurah), ‘inhoudsmaat’: voor vloeistoffen.

36Jullie moeten rechtvaardige weegschalen, rechtvaardige gewichten, een rechtvaardige efa en een rechtvaardige hin hebben. Ik ben Yahweh, jullie Elohim, die jullie uit het land Egypte heb geleid.
מֹ֧אזְנֵי
(moznei)
weegschalen van
צֶ֣דֶק
(tsedeq)
rechtvaardig
אַבְנֵי
(avnei)
gewichten van
צֶ֗דֶק
(tsedeq)
rechtvaardig
אֵ֥יפַת
(eifat)
een efa van
צֶ֛דֶק
(tsedeq)
rechtvaardig
וְהִ֥ין
(vehin)
en een hin van
צֶ֖דֶק
(tsedeq)
rechtvaardig
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
אֲנִי֙
(ani)
Ik
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
אֲשֶׁר
(asher)
die
הוֹצֵ֥אתִי
(hotseti)
heb uitgeleid
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

אֵיפָה (efa), ‘ongeveer 22 liter’; הִין (hin), ‘ongeveer 3,7 liter’.

Zie ook Deut. 25:13–16.

37Jullie moeten al Mijn voorschriften en al Mijn rechtsregels bewaren en uitvoeren. Ik ben Yahweh.”
וּשְׁמַרְתֶּ֤ם
(ushemartem)
en jullie moeten bewaren
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
חֻקֹּתַי֙
(chuqotay)
Mijn voorschriften
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
מִשְׁפָּטַ֔י
(mishpatay)
Mijn rechtsregels
וַעֲשִׂיתֶ֖ם
(vaasitem)
en jullie moeten doen
אֹתָ֑ם
(otam)
hen
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)