Elohim Bijbel

Numeri 27

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

De dochters van Selofchad en Jozua als opvolger

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De dochters van Selofchad

1De dochters van Selofchad kwamen naar voren. Selofchad was de zoon van Chefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse. Hij was uit de families van Manasse, de zoon van Jozef. Dit zijn de namen van zijn dochters: Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirza.
וַתִּקְרַ֜בְנָה
(vatiqravna)
en kwamen dichterbij
בְּנ֣וֹת
(benot)
de dochters van
צְלָפְחָ֗ד
(tselafechad)
Selofchad
בֶּן
(ben)
zoon van
חֵ֤פֶר
(chefer)
Chefer
בֶּן
(ben)
zoon van
גִּלְעָד֙
(gilad)
Gilead
בֶּן
(ben)
zoon van
מָכִ֣יר
(makhir)
Machir
בֶּן
(ben)
zoon van
מְנַשֶּׁ֔ה
(menashe)
Manasse
לְמִשְׁפְּחֹ֖ת
(lemishpechot)
uit de families van
מְנַשֶּׁ֣ה
(menashe)
Manasse
בֶן
(ben)
zoon van
יוֹסֵ֑ף
(yosef)
Jozef
וְאֵ֨לֶּה֙
(veele)
en dit zijn
שְׁמ֣וֹת
(shemot)
de namen van
בְּנֹתָ֔יו
(benotav)
zijn dochters
מַחְלָ֣ה
(machla)
Machla
נֹעָ֔ה
(noa)
Noa
וְחָגְלָ֥ה
(vechagela)
en Chogla
וּמִלְכָּ֖ה
(umilka)
en Milka
וְתִרְצָֽה
(vetirtsa)
en Tirza
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De dochters van Selofchad hebben geen broers (Num. 26:33).

Hun naam, hun vader en hun voorvaderen worden volledig genoemd; zo is hun plaats in de stam Manasse duidelijk.

Zie ook Joz. 17:3–6.

2Zij gingen staan bij de ingang van de tent van samenkomst, voor Mozes, voor Eleazar, de priester, voor de leiders en voor heel de gemeenschap. Zij zeiden:
וַֽתַּעֲמֹ֜דְנָה
(vataamodena)
en zij gingen staan
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
וְלִפְנֵי֙
(velifnei)
en voor het aangezicht van
אֶלְעָזָ֣ר
(elazar)
Eleazar
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְלִפְנֵ֥י
(velifnei)
en voor het aangezicht van
הַנְּשִׂיאִ֖ם
(hanesiim)
de leiders
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעֵדָ֑ה
(haeda)
de gemeenschap
פֶּ֥תַח
(petach)
de ingang van
אֹֽהֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֖ד
(moed)
samenkomst
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3„Onze vader is in de woestijn gestorven. Hij was niet in het midden van de gemeenschap die zich tegen Yahweh verzamelde, in de aanhang van Korach. Maar hij is gestorven door zijn eigen zonde. Hij had geen zonen.
אָבִינוּ֮
(avinu)
onze vader
מֵ֣ת
(met)
stierf
בַּמִּדְבָּר֒
(bamidbar)
in de woestijn
וְה֨וּא
(vehu)
en hij
לֹא
(lo)
niet
הָיָ֜ה
(haya)
was
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
te midden van
הָעֵדָ֗ה
(haeda)
de gemeenschap
הַנּוֹעָדִ֛ים
(hanoadim)
die zich verzamelden
עַל
(al)
tegen
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּעֲדַת
(baadat)
in de aanhang van
קֹ֑רַח
(qorach)
Korach
כִּֽי
(ki)
maar
בְחֶטְא֣וֹ
(becheto)
in zijn zonde
מֵ֔ת
(met)
stierf hij
וּבָנִ֖ים
(uvanim)
en zonen
לֹא
(lo)
niet
הָ֥יוּ
(hayu)
waren
לֽוֹ
(lo)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De aanhang van Korach is de groep die in Num. 16 tegen Mozes en Aäron opstond.

De dochters zeggen dat hun vader daar niet bij hoorde.

Hij stierf in de woestijn zoals de hele generatie (Num. 14:29–35), door zijn eigen zonde.

4Waarom moet de naam van onze vader uit zijn familie worden weggenomen, omdat hij geen zoon heeft? Geef ons bezit te midden van de broers van onze vader.”
לָ֣מָּה
(lama)
waarom
יִגָּרַ֤ע
(yigara)
zal worden weggenomen
שֵׁם
(shem)
de naam van
אָבִ֨ינוּ֙
(avinu)
onze vader
מִתּ֣וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
מִשְׁפַּחְתּ֔וֹ
(mishpachto)
zijn familie
כִּ֛י
(ki)
omdat
אֵ֥ין
(ein)
niet is
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
בֵּ֑ן
(ben)
zoon
תְּנָה
(tena)
geef
לָּ֣נוּ
(lanu)
aan ons
אֲחֻזָּ֔ה
(achuza)
bezit
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
te midden van
אֲחֵ֥י
(achei)
de broers van
אָבִֽינוּ
(avinu)
onze vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲחֻזָּה (achuzzah), ‘bezit’: land dat iemand in bezit heeft; zie ook Lev. 25:10.

Zonder zoon gaat het bezit van de familie verloren, en met het bezit de naam.

5Mozes bracht hun rechtszaak voor het aangezicht van Yahweh.
וַיַּקְרֵ֥ב
(vayaqrev)
en bracht dichtbij
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁפָּטָ֖ן
(mishpatan)
hun rechtszaak
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: hier de zaak die voor het recht wordt gebracht.

Wij vertalen ‘rechtszaak’.

Yahweh geeft hun gelijk

6Yahweh sprak tot Mozes:
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7„De dochters van Selofchad hebben gelijk. Je moet hun zeker bezit van een erfdeel geven te midden van de broers van hun vader. Je moet het erfdeel van hun vader aan hen laten overgaan.
כֵּ֗ן
(ken)
terecht
בְּנ֣וֹת
(benot)
de dochters van
צְלָפְחָד֮
(tselafechad)
Selofchad
דֹּבְרֹת֒
(doverot)
die spreken
נָתֹ֨ן
(naton)
geven
תִּתֵּ֤ן
(titen)
je zult geven
לָהֶם֙
(lahem)
aan hen
אֲחֻזַּ֣ת
(achuzat)
bezit van
נַחֲלָ֔ה
(nachala)
erfdeel
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
te midden van
אֲחֵ֣י
(achei)
de broers van
אֲבִיהֶ֑ם
(avihem)
hun vader
וְהַֽעֲבַרְתָּ֛
(vehaavarta)
en je zult laten overgaan
אֶת
(et)
(obj.)
נַחֲלַ֥ת
(nachalat)
het erfdeel van
אֲבִיהֶ֖ן
(avihen)
hun vader
לָהֶֽן
(lahen)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כֵּן (ken), ‘hebben gelijk’: letterlijk ‘terecht’ of ‘zo is het’.

אֲחֻזַּת נַחֲלָה (achuzzat nachalah), ‘bezit van een erfdeel’: het erfdeel in het land dat Israël krijgt.

De regel voor de erfenis

8Spreek tot de zonen van Israël en zeg: Als een man sterft en geen zoon heeft, moeten jullie zijn erfdeel op zijn dochter laten overgaan.
וְאֶל
(veel)
en tegen
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
תְּדַבֵּ֣ר
(tedaber)
zul je spreken
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
כִּֽי
(ki)
als
יָמ֗וּת
(yamut)
hij sterft
וּבֵן֙
(uven)
en zoon
אֵ֣ין
(ein)
niet is
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
וְהַֽעֲבַרְתֶּ֥ם
(vehaavartem)
en jullie zullen laten overgaan
אֶת
(et)
(obj.)
נַחֲלָת֖וֹ
(nachalato)
zijn erfdeel
לְבִתּֽוֹ
(levito)
op zijn dochter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Heeft hij geen dochter, dan moeten jullie zijn erfdeel aan zijn broers geven.
וְאִם
(veim)
en als
אֵ֥ין
(ein)
niet is
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
בַּ֑ת
(bat)
dochter
וּנְתַתֶּ֥ם
(unetatem)
en jullie zullen geven
אֶת
(et)
(obj.)
נַחֲלָת֖וֹ
(nachalato)
zijn erfdeel
לְאֶחָיו
(leechav)
aan zijn broers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Heeft hij geen broers, dan moeten jullie zijn erfdeel aan de broers van zijn vader geven.
וְאִם
(veim)
en als
אֵ֥ין
(ein)
niet zijn
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
אַחִ֑ים
(achim)
broers
וּנְתַתֶּ֥ם
(unetatem)
en jullie zullen geven
אֶת
(et)
(obj.)
נַחֲלָת֖וֹ
(nachalato)
zijn erfdeel
לַאֲחֵ֥י
(laachei)
aan de broers van
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Heeft zijn vader geen broers, dan moeten jullie zijn erfdeel geven aan zijn naaste bloedverwant uit zijn familie. Die zal het erven. Het moet voor de zonen van Israël een voorschrift van recht zijn, zoals Yahweh aan Mozes heeft geboden.”
וְאִם
(veim)
en als
אֵ֣ין
(ein)
niet zijn
אַחִים֮
(achim)
broers
לְאָבִיו֒
(leaviv)
aan zijn vader
וּנְתַתֶּ֣ם
(unetatem)
en jullie zullen geven
אֶת
(et)
(obj.)
נַחֲלָת֗וֹ
(nachalato)
zijn erfdeel
לִשְׁאֵר֞וֹ
(lishero)
aan zijn bloedverwant
הַקָּרֹ֥ב
(haqarov)
de naaste
אֵלָ֛יו
(elav)
aan hem
מִמִּשְׁפַּחְתּ֖וֹ
(mimishpachto)
uit zijn familie
וְיָרַ֣שׁ
(veyarash)
en hij zal erven
אֹתָ֑הּ
(otah)
het
וְֽהָ֨יְתָ֜ה
(vehayeta)
en het zal zijn
לִבְנֵ֤י
(livnei)
voor de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לְחֻקַּ֣ת
(lechuqat)
tot voorschrift van
מִשְׁפָּ֔ט
(mishpat)
recht
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
heeft geboden
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאֵרוֹ (she’ero), ‘zijn bloedverwant’: letterlijk ‘zijn vlees’.

Het is de naaste verwant van dezelfde familie.

Het ‘voorschrift van recht’ (חֻקַּת מִשְׁפָּט, chuqqat mishpat) maakt de regel tot een vaste wet voor het erven.

Mozes ziet het land vanaf de berg

12Yahweh zei tegen Mozes: „Ga omhoog op deze berg van de Abarim. Kijk naar het land dat Ik aan de zonen van Israël heb gegeven.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
עֲלֵ֛ה
(ale)
ga omhoog
אֶל
(el)
op
הַ֥ר
(har)
berg
הָעֲבָרִ֖ים
(haavarim)
de Abarim
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וּרְאֵה֙
(uree)
en zie
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
נָתַ֖תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
לִבְנֵ֥י
(livnei)
aan de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Abarim is het gebergte ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Mozes ziet het land vanaf de berg Nebo in dit gebergte (Deut. 32:49; Deut. 34:1–4).

Zie ook Num. 33:47–48.

13Als je het gezien hebt, zul ook jij verzameld worden bij je volk, zoals Aäron, je broer, is verzameld,
וְרָאִ֣יתָה
(veraita)
en je zult zien
אֹתָ֔הּ
(otah)
het
וְנֶאֱסַפְתָּ֥
(veneesafta)
en je zult verzameld worden
אֶל
(el)
bij
עַמֶּ֖יךָ
(ameikha)
je volken
גַּם
(gam)
ook
אָ֑תָּה
(ata)
jij
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
נֶאֱסַ֖ף
(neesaf)
is verzameld
אַהֲרֹ֥ן
(aharon)
Aäron
אָחִֽיךָ
(achikha)
je broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14omdat jullie in de woestijn Zin in opstand zijn gekomen tegen Mijn bevel, bij de twist van de gemeenschap. Jullie hielden Mij niet heilig bij het water, voor hun ogen.” Dit is het water van Meriba bij Kades, in de woestijn Zin.
כַּאֲשֶׁר֩
(kaasher)
zoals
מְרִיתֶ֨ם
(meritem)
jullie waren opstandig tegen
פִּ֜י
(pi)
Mijn bevel
בְּמִדְבַּר
(bemidbar)
in de woestijn van
צִ֗ן
(tsin)
Zin
בִּמְרִיבַת֙
(bimrivat)
bij de twist van
הָֽעֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
לְהַקְדִּישֵׁ֥נִי
(lehaqdisheni)
om Mij heilig te houden
בַמַּ֖יִם
(bamayim)
bij het water
לְעֵינֵיהֶ֑ם
(leeineihem)
voor hun ogen
הֵ֛ם
(hem)
zij
מֵֽי
(mei)
water van
מְרִיבַ֥ת
(merivat)
twist van
קָדֵ֖שׁ
(qadesh)
Kades
מִדְבַּר
(midbar)
woestijn van
צִֽן
(tsin)
Zin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kades (Hebreeuws: קָדֵשׁ, Qadesj) lag in de woestijn Zin, aan de zuidgrens van Kanaän.

De ligging is onzeker; vaak wordt gedacht aan Ain Qudeirat in het noordoosten van de Sinaï.

Zie Woestijn Zin: De woestijn Zin lag in het zuiden van Kanaän, bij Kades.

De grenzen zijn niet precies bekend.

Uitleg

Mozes en Aäron slaan in plaats van te spreken (Num. 20:1–13).

Het ‘Mijn bevel’ is letterlijk ‘Mijn mond’ (פִּי, pi), zoals in Num. 20:24.

In Num. 20:12 staat hetzelfde ‘om Mij heilig te houden’.

Jozua wordt de opvolger van Mozes

15Mozes sprak tot Yahweh:
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en sprak
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tegen
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16„Laat Yahweh, de Elohim van de geesten van alle vlees, een man aanstellen over de gemeenschap,
יִפְקֹ֣ד
(yifqod)
moge aanstellen
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
הָרוּחֹ֖ת
(haruchot)
de geesten
לְכָל
(lekhal)
van alle
בָּשָׂ֑ר
(basar)
vlees
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
עַל
(al)
over
הָעֵדָֽה
(haeda)
de gemeenschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלֹהֵי הָרוּחֹת לְכָל־בָּשָׂר (Elohei haruchot lekhol basar), ‘de Elohim van de geesten van alle vlees’: dezelfde woorden als in Num. 16:22.

Elk levend wezen heeft zijn geest van Elohim.

17die voor hen uit gaat en die voor hen binnenkomt, die hen uitleidt en die hen binnenbrengt. Dan zal de gemeenschap van Yahweh niet zijn als kleinvee dat geen herder heeft.”
אֲשֶׁר
(asher)
die
יֵצֵ֣א
(yetse)
zal uitgaan
לִפְנֵיהֶ֗ם
(lifneihem)
voor hun aangezicht
וַאֲשֶׁ֤ר
(vaasher)
en die
יָבֹא֙
(yavo)
zal binnenkomen
לִפְנֵיהֶ֔ם
(lifneihem)
voor hun aangezicht
וַאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en die
יוֹצִיאֵ֖ם
(yotsiem)
zal hen uitleiden
וַאֲשֶׁ֣ר
(vaasher)
en die
יְבִיאֵ֑ם
(yeviem)
zal hen binnenbrengen
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
תִהְיֶה֙
(tihye)
zal zijn
עֲדַ֣ת
(adat)
de gemeenschap van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּצֹּ֕אן
(katson)
als kleinvee
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אֵין
(ein)
niet is
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
רֹעֶֽה
(roe)
herder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Voor hen uit gaan en binnenkomen’ en ‘uitleiden en binnenbrengen’ zijn beelden van leiderschap: voorop gaan in oorlog en in het dagelijks leven.

Het beeld van schapen zonder herder komt ook voor in 1 Kon. 22:17 en Matt. 9:36.

18Yahweh zei tegen Mozes: „Neem Jozua, de zoon van Nun, een man in wie de geest is, en leg je hand op hem.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
קַח
(qach)
neem
לְךָ֙
(lekha)
voor jou
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוֹשֻׁ֣עַ
(yehoshua)
Jozua
בִּן
(bin)
zoon van
נ֔וּן
(nun)
Nun
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
אֲשֶׁר
(asher)
in wie
ר֣וּחַ
(ruach)
geest
בּ֑וֹ
(bo)
in hem
וְסָמַכְתָּ֥
(vesamakhta)
en je zult steunen
אֶת
(et)
(obj.)
יָדְךָ֖
(yadekha)
je hand
עָלָֽיו
(alav)
op hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ בּוֹ (ruach bo), ‘geest in hem’: in het Hebreeuws staat geen lidwoord.

Wat bedoeld is: de geest van wijsheid waarmee Jozua vervuld was (Deut. 34:9).

סָמַךְ (samakh), ‘de hand leggen’: de hand op iemand leggen om iets over te dragen; zie Num. 8:10 en Lev. 3:2.

19Stel hem op voor Eleazar, de priester, en voor heel de gemeenschap, en geef hem een opdracht voor hun ogen.
וְהַֽעֲמַדְתָּ֣
(vehaamadta)
en je zult laten staan
אֹת֗וֹ
(oto)
hem
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֶלְעָזָ֣ר
(elazar)
Eleazar
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְלִפְנֵ֖י
(velifnei)
en voor het aangezicht van
כָּל
(kal)
heel
הָעֵדָ֑ה
(haeda)
de gemeenschap
וְצִוִּיתָ֥ה
(vetsivita)
en je zult opdracht geven
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
לְעֵינֵיהֶֽם
(leeineihem)
voor hun ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Leg iets van jouw aanzien op hem, zodat heel de gemeenschap van de zonen van Israël zal luisteren.
וְנָתַתָּ֥ה
(venatata)
en je zult leggen
מֵהֽוֹדְךָ֖
(mehodekha)
van je aanzien
עָלָ֑יו
(alav)
op hem
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
יִשְׁמְע֔וּ
(yishmeu)
zij luisteren
כָּל
(kal)
heel
עֲדַ֖ת
(adat)
de gemeenschap van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹד (hod), ‘aanzien’: ook ‘glans’ of ‘majesteit’.

Mozes geeft iets van zijn eigen gezag aan Jozua, zodat het volk naar hem luistert.

21Hij moet voor Eleazar, de priester, staan. Die moet voor hem het oordeel van de Urim vragen voor het aangezicht van Yahweh. Op zijn bevel zullen zij uittrekken en op zijn bevel zullen zij binnengaan: hij, heel de zonen van Israël met hem en heel de gemeenschap.”
וְלִפְנֵ֨י
(velifnei)
en voor het aangezicht van
אֶלְעָזָ֤ר
(elazar)
Eleazar
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
יַעֲמֹ֔ד
(yaamod)
hij zal staan
וְשָׁ֥אַל
(veshaal)
en hij zal vragen
ל֛וֹ
(lo)
voor hem
בְּמִשְׁפַּ֥ט
(bemishpat)
bij het oordeel van
הָאוּרִ֖ים
(haurim)
de Urim
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
op
פִּ֨יו
(piv)
zijn bevel
יֵצְא֜וּ
(yetseu)
zij zullen uittrekken
וְעַל
(veal)
en op
פִּ֣יו
(piv)
zijn bevel
יָבֹ֗אוּ
(yavou)
zij zullen binnengaan
ה֛וּא
(hu)
hij
וְכָל
(vekhal)
en heel
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעֵדָֽה
(haeda)
de gemeenschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אוּרִים (Urim): voorwerpen waarmee de wil van Yahweh werd gevraagd (Exod. 28:30; 1 Sam. 28:6).

Hier staan de Urim alleen, zonder de Tummim.

Lezing

In het Hebreeuws is het onderwerp van ‘staan’ niet genoemd; wij lezen ‘hij’ als Jozua.

Het onderwerp van ‘vragen’ lezen wij als Eleazar: de priester vraagt voor Jozua.

22Mozes deed zoals Yahweh hem had geboden. Hij nam Jozua en liet hem voor Eleazar, de priester, en voor heel de gemeenschap staan.
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en deed
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
had geboden
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹת֑וֹ
(oto)
hem
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוֹשֻׁ֗עַ
(yehoshua)
Jozua
וַיַּֽעֲמִדֵ֨הוּ֙
(vayaamidehu)
en liet hem staan
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֶלְעָזָ֣ר
(elazar)
Eleazar
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְלִפְנֵ֖י
(velifnei)
en voor het aangezicht van
כָּל
(kal)
heel
הָעֵדָֽה
(haeda)
de gemeenschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Num. 27:18–20 voor het bevel dat Mozes hier uitvoert.

23Hij legde zijn handen op hem en gaf hem een opdracht, zoals Yahweh door Mozes had gesproken.
וַיִּסְמֹ֧ךְ
(vayismokh)
en legde
אֶת
(et)
(obj.)
יָדָ֛יו
(yadav)
zijn handen
עָלָ֖יו
(alav)
op hem
וַיְצַוֵּ֑הוּ
(vaytsavehu)
en gaf hem opdracht
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֥ר
(diber)
had gesproken
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)