Elohim Bijbel

Jesaja 33

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Wee de verwoester; Yahweh is onze rechter, wetgever en koning

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Wee de verwoester

1Wee jou, verwoester, terwijl jij zelf niet verwoest bent. Wee jou, trouweloze, tegen wie men niet trouweloos is geweest. Zodra jij klaar bent met verwoesten, word je verwoest. Zodra jij ophoudt met trouweloos zijn, zal men trouweloos zijn tegen jou.
ה֣וֹי
(hoy)
wee
שׁוֹדֵ֗ד
(shoded)
verwoester
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁד֔וּד
(shadud)
verwoest
וּבוֹגֵ֖ד
(uvoged)
en trouweloze
וְלֹא
(velo)
en niet
בָ֣גְדוּ
(bagedu)
waren trouweloos
ב֑וֹ
(bo)
tegen hem
כַּהֲתִֽמְךָ֤
(kahatimkha)
zodra je klaar bent
שׁוֹדֵד֙
(shoded)
met verwoesten
תּוּשַּׁ֔ד
(tushad)
word je verwoest
כַּנְּלֹתְךָ֥
(kanelotekha)
zodra je ophoudt
לִבְגֹּ֖ד
(livgod)
met trouweloos zijn
יִבְגְּדוּ
(yivgedu)
zullen zij trouweloos zijn
בָֽךְ
(bakh)
tegen jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוֹדֵד (shoded), ‘verwoester’: het Hebreeuws noemt niet wie dit is.

Vergelijk Assyrië in 31:8.

כַּהֲתִמְךָ (kehatimkha) en כַּנְּלֹתְךָ (kenilotekha): twee zeldzame werkwoorden. De betekenis is onzeker; wij vertalen ‘zodra jij klaar bent’ en ‘zodra jij ophoudt’.

Het Hebreeuws wisselt tussen ‘jij’ en ‘hij’. Wij schrijven overal ‘jij’ en ‘jou’.

Yahweh, wees ons genadig

2Yahweh, wees ons genadig. Op U hopen wij. Wees hun arm elke ochtend, ja, onze redding in tijd van nood.
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
חָנֵּ֖נוּ
(chanenu)
wees ons genadig
לְךָ֣
(lekha)
op U
קִוִּ֑ינוּ
(qivinu)
hopen wij
הֱיֵ֤ה
(heye)
wees
זְרֹעָם֙
(zeroam)
hun arm
לַבְּקָרִ֔ים
(labeqarim)
elke ochtend
אַף
(af)
ja
יְשׁוּעָתֵ֖נוּ
(yeshuatenu)
onze redding
בְּעֵ֥ת
(beet)
in tijd van
צָרָֽה
(tsara)
nood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָנֵּנוּ (chonnenu), ‘wees ons genadig’: Het is een gebed.

De profeet en het volk spreken Yahweh aan met ‘U’.

Lezing

Het Hebreeuws heeft זְרֹעָם (zeroam), ‘hun arm’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

Sommige oude vertalingen lezen ‘onze arm’, wat past bij ‘onze redding’.

3Bij het geluid van het gedruis vluchten de naties. Wanneer U Zich verheft, worden de volken verstrooid.
מִקּ֣וֹל
(miqol)
bij het geluid van
הָמ֔וֹן
(hamon)
gedruis
נָדְד֖וּ
(nadedu)
vluchten
עַמִּ֑ים
(amim)
naties
מֵר֣וֹמְמֻתֶ֔ךָ
(meromemutekha)
bij Uw verheffing
נָפְצ֖וּ
(nafetsu)
worden verstrooid
גּוֹיִֽם
(goyim)
volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wij vertalen עַמִּים (ammim) ‘naties’ en גּוֹיִם (goyim) ‘volken’, zoals in Ps. 33:10.

4Jullie buit wordt weggeraapt zoals de kaalvreter alles wegraapt. Zoals sprinkhanen rennen, rent men erop af.
וְאֻסַּ֣ף
(veusaf)
en wordt verzameld
שְׁלַלְכֶ֔ם
(shelalkhem)
jullie buit
אֹ֖סֶף
(osef)
verzamelen van
הֶֽחָסִ֑יל
(hechasil)
de kaalvreter
כְּמַשַּׁ֥ק
(kemashaq)
zoals het rennen van
גֵּבִ֖ים
(gevim)
sprinkhanen
שׁוֹקֵ֥ק
(shoqeq)
rent hij
בּֽוֹ
(bo)
erop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֶחָסִיל (hechasil), ‘de kaalvreter’: een van de vier namen voor sprinkhanen; zie Joël 1:4.

גֵּבִים (gevim), ‘sprinkhanen’: een ander woord voor sprinkhanen. שׁוֹקֵק (shoqeq), ‘rent’: stormt erop af.

5Yahweh is hoog verheven, want Hij woont in de hoogte. Hij vervult Sion met recht en gerechtigheid.
נִשְׂגָּ֣ב
(nisgav)
hoog verheven
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֥י
(ki)
want
שֹׁכֵ֖ן
(shokhen)
Hij woont
מָר֑וֹם
(marom)
in de hoogte
מִלֵּ֣א
(mile)
Hij vervult
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
מִשְׁפָּ֖ט
(mishpat)
met recht
וּצְדָקָֽה
(utsedaqa)
en gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

6Dan zal er zekerheid zijn in jouw tijden: een schat van redding, wijsheid en kennis. De vrees voor Yahweh is zijn schat.
וְהָיָה֙
(vehaya)
en zal zijn
אֱמוּנַ֣ת
(emunat)
zekerheid van
עִתֶּ֔יךָ
(iteikha)
jouw tijden
חֹ֥סֶן
(chosen)
schat
יְשׁוּעֹ֖ת
(yeshuot)
redding van
חָכְמַ֣ת
(chakhemat)
wijsheid
וָדָ֑עַת
(vadaat)
en kennis
יִרְאַ֥ת
(yirat)
de vrees voor
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הִ֥יא
(hi)
zij
אוֹצָרֽוֹ
(otsaro)
zijn schat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱמוּנַת (emunat), ‘zekerheid’: vastheid, betrouwbaarheid.

חֹסֶן (chosen), ‘schat’, en אוֹצָרוֹ (otsaro), ‘zijn schat’: twee woorden voor rijkdom. Het Hebreeuws zegt niet wiens schat het is.

יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘de vrees voor Yahweh’: zoals in Spr. 1:7.

Het land rouwt

7Zie, hun helden schreeuwen buiten. De boden van vrede huilen bitter.
הֵ֚ן
(hen)
zie
אֶרְאֶלָּ֔ם
(erelam)
hun helden
צָעֲק֖וּ
(tsaaqu)
schreeuwen
חֻ֑צָה
(chutsa)
buiten
מַלְאֲכֵ֣י
(malakhei)
boden van
שָׁל֔וֹם
(shalom)
vrede
מַ֖ר
(mar)
bitter
יִבְכָּיֽוּן
(yivkayun)
huilen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶרְאֶלָּם (er’ellam), ‘hun helden’: een zeldzaam woord.

De betekenis is onzeker.

Lezing

Wij volgen de Masoretische tekst.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

8De wegen liggen woest. De voorbijganger op het pad is opgehouden. Hij heeft het verbond verbroken en de steden verworpen. Hij acht geen sterveling.
נָשַׁ֣מּוּ
(nashamu)
zijn woest
מְסִלּ֔וֹת
(mesilot)
wegen
שָׁבַ֖ת
(shavat)
is opgehouden
עֹבֵ֣ר
(over)
voorbijganger
אֹ֑רַח
(orach)
pad
הֵפֵ֤ר
(hefer)
hij heeft verbroken
בְּרִית֙
(berit)
verbond
מָאַ֣ס
(maas)
hij heeft verworpen
עָרִ֔ים
(arim)
steden
לֹ֥א
(lo)
niet
חָשַׁ֖ב
(chashav)
hij acht
אֱנֽוֹשׁ
(enosh)
sterveling
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱנוֹשׁ (enosh), ‘sterveling’: de mens in zijn zwakte.

Lezing

Wij volgen de Masoretische tekst: עָרִים (arim), ‘steden’.

Sommige oude vertalingen lezen hier een ander woord.

9Het land rouwt en kwijnt weg. De Libanon staat beschaamd en verwelkt. De Saron is een steppe geworden. Basan en de Karmel laten hun bladeren vallen.
אָבַ֤ל
(aval)
rouwt
אֻמְלְלָה֙
(umlela)
kwijnt weg
אָ֔רֶץ
(arets)
het land
הֶחְפִּ֥יר
(hechpir)
staat beschaamd
לְבָנ֖וֹן
(levanon)
Libanon
קָמַ֑ל
(qamal)
verwelkt
הָיָ֤ה
(haya)
is geworden
הַשָּׁרוֹן֙
(hasharon)
de Saron
כָּֽעֲרָבָ֔ה
(kaarava)
als een steppe
וְנֹעֵ֥ר
(venoer)
en schudt af
בָּשָׁ֖ן
(bashan)
Basan
וְכַרְמֶֽל
(vekharmel)
en de Karmel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Libanon, Saron, Basan en de Karmel zijn vruchtbare of bosrijke streken.

Dat ze verwelken, is een beeld van verwoesting.

Nu sta Ik op

10„Nu sta Ik op, zegt Yahweh. Nu verhef Ik Mij. Nu word Ik opgeheven.
עַתָּ֥ה
(ata)
nu
אָק֖וּם
(aqum)
sta Ik op
יֹאמַ֣ר
(yomar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
עַתָּה֙
(ata)
nu
אֵֽרוֹמָ֔ם
(eromam)
verhef Ik Mij
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
אֶנָּשֵֽׂא
(enase)
word Ik opgeheven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יֹאמַר (yomar), ‘zegt’: letterlijk ‘zal zeggen’.

Hier begint Yahweh zelf te spreken; Zijn woorden lopen door tot en met vers 13 en staan rood.

11Jullie gaan zwanger van dor gras en baren stoppels. Jullie adem is een vuur dat jullie verteert.
תַּהֲר֥וּ
(taharu)
jullie gaan zwanger
חֲשַׁ֖שׁ
(chashash)
van dor gras
תֵּ֣לְדוּ
(teledu)
jullie baren
קַ֑שׁ
(qash)
stoppels
רוּחֲכֶ֕ם
(ruchakhem)
jullie adem
אֵ֖שׁ
(esh)
een vuur
תֹּאכַלְכֶֽם
(tokhalkhem)
dat jullie verteert
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲשַׁשׁ (chashash), ‘dor gras’, en קַשׁ (qash), ‘stoppels’: wat niets waard is en snel brandt.

רוּחֲכֶם (ruachkhem), ‘jullie adem’: het woord betekent ook ‘geest’.

12De naties worden als verbrande kalk, als afgehakte doorns die in het vuur worden aangestoken.
וְהָי֥וּ
(vehayu)
en zullen worden
עַמִּ֖ים
(amim)
naties
מִשְׂרְפ֣וֹת
(misrefot)
verbrandingen van
שִׂ֑יד
(sid)
kalk
קוֹצִ֥ים
(qotsim)
doorns
כְּסוּחִ֖ים
(kesuchim)
afgehakte
בָּאֵ֥שׁ
(baesh)
in vuur
יִצַּֽתּוּ
(yitsatu)
worden aangestoken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׂרְפוֹת שִׂיד (misrefot sid), ‘verbrande kalk’: kalk wordt gemaakt door kalksteen te branden.

13Jullie die ver zijn, hoor wat Ik heb gedaan. Jullie die dichtbij zijn, weet Mijn kracht.”
שִׁמְע֥וּ
(shimu)
hoort
רְחוֹקִ֖ים
(rechoqim)
verren
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשִׂ֑יתִי
(asiti)
Ik heb gedaan
וּדְע֥וּ
(udeu)
en weet
קְרוֹבִ֖ים
(qerovim)
nabijen
גְּבֻרָתִֽי
(gevurati)
Mijn kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Wie kan wonen bij het verterende vuur?

14In Sion zijn de zondaars bevreesd, beving grijpt de goddelozen: „Wie van ons kan wonen bij een verterend vuur? Wie van ons kan wonen bij eeuwige gloed?”
פָּחֲד֤וּ
(pachadu)
zijn bevreesd
בְצִיּוֹן֙
(betsiyon)
in Sion
חַטָּאִ֔ים
(chataim)
zondaars
אָחֲזָ֥ה
(achaza)
grijpt
רְעָדָ֖ה
(reada)
beving
חֲנֵפִ֑ים
(chanefim)
goddelozen
מִ֣י
(mi)
wie
יָג֣וּר
(yagur)
kan wonen
לָ֗נוּ
(lanu)
van ons
אֵ֚שׁ
(esh)
bij vuur
אוֹכֵלָ֔ה
(okhela)
verterend
מִי
(mi)
wie
יָג֥וּר
(yagur)
kan wonen
לָ֖נוּ
(lanu)
van ons
מוֹקְדֵ֥י
(moqedei)
bij haarden van
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

חֲנֵפִים (chanefim), ‘goddelozen’: hetzelfde woord als in 32:6.

אֵשׁ אוֹכֵלָה (esh okhelah), ‘verterend vuur’: zie Deut. 4:24.

מוֹקְדֵי עוֹלָם (moqdei olam), ‘eeuwige gloed’: letterlijk ‘haarden van eeuwigheid’.

De vraag wordt beantwoord in vers 15 en 16.

15Wie in gerechtigheid wandelt en oprecht spreekt, wie de winst van afpersing verwerpt, wie zijn handen uitschudt zodat ze geen omkoopgeld vasthouden, wie zijn oor sluit voor het horen van bloedvergieten en zijn ogen dichtdoet om geen kwaad te zien.
הֹלֵ֣ךְ
(holekh)
wie wandelt
צְדָק֔וֹת
(tsedaqot)
in gerechtigheden
וְדֹבֵ֖ר
(vedover)
en wie spreekt
מֵֽישָׁרִ֑ים
(meisharim)
oprechtheid
מֹאֵ֞ס
(moes)
wie verwerpt
בְּבֶ֣צַע
(bevetsa)
winst van
מַעֲשַׁקּ֗וֹת
(maashaqot)
afpersingen
נֹעֵ֤ר
(noer)
wie uitschudt
כַּפָּיו֙
(kapav)
zijn handen
מִתְּמֹ֣ךְ
(mitemokh)
van vasthouden
בַּשֹּׁ֔חַד
(bashochad)
omkoopgeld
אֹטֵ֤ם
(otem)
wie dichtstopt
אָזְנוֹ֙
(azeno)
zijn oor
מִשְּׁמֹ֣עַ
(mishemoa)
voor het horen van
דָּמִ֔ים
(damim)
bloedvergieten
וְעֹצֵ֥ם
(veotsem)
en wie sluit
עֵינָ֖יו
(einav)
zijn ogen
מֵרְא֥וֹת
(mereot)
voor het zien van
בְּרָֽע
(bera)
kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Ps. 15:2–3 en Ps. 24:4, waar hetzelfde wordt gevraagd en beantwoord.

מַעֲשַׁקּוֹת (maashaqqot), ‘afpersing’: geld dat men met dwang van zwakkeren neemt.

נֹעֵר כַּפָּיו (noer kappav), ‘wie zijn handen uitschudt’: hij schudt ze zo dat er niets in blijft hangen.

16Hij zal op de hoogten wonen. Rotsvestingen zijn zijn burcht. Zijn brood wordt hem gegeven, zijn water is zeker.
ה֚וּא
(hu)
hij
מְרוֹמִ֣ים
(meromim)
hoogten
יִשְׁכֹּ֔ן
(yishkon)
zal wonen
מְצָד֥וֹת
(metsadot)
vestingen van
סְלָעִ֖ים
(selaim)
rotsen
מִשְׂגַּבּ֑וֹ
(misgabo)
zijn burcht
לַחְמ֣וֹ
(lachmo)
zijn brood
נִתָּ֔ן
(nitan)
is gegeven
מֵימָ֖יו
(meimav)
zijn water
נֶאֱמָנִֽים
(neemanim)
is zeker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De koning in zijn pracht

17Je ogen zullen de koning zien in zijn pracht. Zij zullen een wijd uitgestrekt land aanschouwen.
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning
בְּיָפְי֖וֹ
(beyafeyo)
in zijn pracht
תֶּחֱזֶ֣ינָה
(techezeina)
zullen zien
עֵינֶ֑יךָ
(eineikha)
je ogen
תִּרְאֶ֖ינָה
(tireina)
zullen aanschouwen
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
מַרְחַקִּֽים
(marchaqim)
verten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws noemt niet welke koning wordt bedoeld.

Vergelijk 32:1 en vers 22.

אֶרֶץ מַרְחַקִּים (erets merchaqqim), ‘een wijd uitgestrekt land’: letterlijk ‘een land van verten’.

18Je hart zal nadenken over de schrik: „Waar is de schrijver? Waar is hij die woog? Waar is hij die de torens telde?”
לִבְּךָ֖
(libekha)
je hart
יֶהְגֶּ֣ה
(yehge)
zal nadenken over
אֵימָ֑ה
(eima)
schrik
אַיֵּ֤ה
(aye)
waar is
סֹפֵר֙
(sofer)
de schrijver
אַיֵּ֣ה
(aye)
waar is
שֹׁקֵ֔ל
(shoqel)
hij die woog
אַיֵּ֖ה
(aye)
waar is
סֹפֵ֥ר
(sofer)
hij die telde
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּגְדָּלִֽים
(hamigdalim)
de torens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֹפֵר (sofer), ‘schrijver’: ook wie telt of boekhoudt.

De vragen noemen mensen die tellen en wegen.

Mogelijk zijn dat de vijandelijke beambten die schatting eisten en de torens telden.

19Je zult het onstuimige volk niet meer zien. Het is een volk met een taal die te diep is om te verstaan, met een stamelende tong zonder begrip.
אֶת
(et)
(obj.)
עַ֥ם
(am)
volk
נוֹעָ֖ז
(noaz)
onstuimig
לֹ֣א
(lo)
niet
תִרְאֶ֑ה
(tire)
zul je zien
עַ֣ם
(am)
volk van
עִמְקֵ֤י
(imqei)
diepe
שָׂפָה֙
(safa)
taal
מִשְּׁמ֔וֹעַ
(mishemoa)
om te verstaan
נִלְעַ֥ג
(nilag)
stamelende
לָשׁ֖וֹן
(lashon)
tong
אֵ֥ין
(ein)
zonder
בִּינָֽה
(bina)
begrip
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נוֹעָז (noaz), ‘onstuimig’: een zeldzaam woord.

De betekenis is onzeker.

Een volk met een taal die je niet verstaat komt ook voor in Deut. 28:49.

נִלְעַג לָשׁוֹן (nilag lashon), ‘een stamelende tong’: letterlijk ‘een tong die stamelt’.

20Aanschouw Sion, de stad van onze vastgestelde tijden. Je ogen zullen Jeruzalem zien: een rustige woning, een tent die niet wordt verplaatst. Nooit worden de pinnen ervan uitgetrokken, en geen van de touwen ervan wordt losgerukt.
חֲזֵ֣ה
(chaze)
aanschouw
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
קִרְיַ֖ת
(qiryat)
stad van
מֽוֹעֲדֵ֑נוּ
(moadenu)
onze vastgestelde tijden
עֵינֶיךָ֩
(eineikha)
je ogen
תִרְאֶ֨ינָה
(tireina)
zullen zien
יְרוּשָׁלִַ֜ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
נָוֶ֣ה
(nave)
woning
שַׁאֲנָ֗ן
(shaanan)
rustig
אֹ֤הֶל
(ohel)
tent
בַּל
(bal)
niet
יִצְעָן֙
(yitsan)
wordt verplaatst
בַּל
(bal)
niet
יִסַּ֤ע
(yisa)
worden uitgetrokken
יְתֵֽדֹתָיו֙
(yetedotav)
zijn pinnen
לָנֶ֔צַח
(lanetsach)
voor altijd
וְכָל
(vekhal)
en geen van
חֲבָלָ֖יו
(chavalav)
zijn touwen
בַּל
(bal)
niet
יִנָּתֵֽקוּ
(yinatequ)
worden losgerukt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מוֹעֲדֵנוּ (moedenu), ‘onze vastgestelde tijden’: de feesten en samenkomsten die Yahweh vaststelt; zie Lev. 23:2.

אֹהֶל בַּל יִצְעָן (ohel bal yitsan), ‘een tent die niet wordt verplaatst’: Jeruzalem blijft staan als een tent die niet meer verhuist.

21Maar daar is Yahweh machtig voor ons, in een plaats van rivieren, brede stromen. Geen roeiboot gaat erover, en geen machtig schip vaart erdoor.
כִּ֣י
(ki)
want
אִם
(im)
maar
שָׁ֞ם
(sham)
daar
אַדִּ֤יר
(adir)
machtig
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לָ֔נוּ
(lanu)
voor ons
מְקוֹם
(meqom)
plaats van
נְהָרִ֥ים
(neharim)
rivieren
יְאֹרִ֖ים
(yeorim)
stromen
רַחֲבֵ֣י
(rachavei)
breed van
יָדָ֑יִם
(yadayim)
handen
בַּל
(bal)
niet
תֵּ֤לֶךְ
(telekh)
gaat
בּוֹ֙
(bo)
erover
אֳנִי
(oni)
roeiboot
שַׁ֔יִט
(shayit)
roei-
וְצִ֥י
(vetsi)
en schip
אַדִּ֖יר
(adir)
machtig
לֹ֥א
(lo)
niet
יַעַבְרֶֽנּוּ
(yaavrenu)
zal het oversteken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jeruzalem ligt niet aan een rivier.

De rivieren en brede stromen zijn een beeld: Yahweh is voor de stad wat een brede rivier is, een bescherming tegen vijandelijke schepen.

יְאֹרִים (yeorim), ‘stromen’: het woord wordt vooral voor de Nijl en haar armen gebruikt.

Yahweh is onze koning

22Want Yahweh is onze rechter, Yahweh is onze wetgever, Yahweh is onze koning. Hij zal ons redden.
כִּ֤י
(ki)
want
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
שֹׁפְטֵ֔נוּ
(shofetenu)
onze rechter
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מְחֹקְקֵ֑נוּ
(mechoqeqenu)
onze wetgever
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
מַלְכֵּ֖נוּ
(malkenu)
onze koning
ה֥וּא
(hu)
Hij
יוֹשִׁיעֵֽנוּ
(yoshienu)
zal ons redden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Drie titels van Yahweh: שֹׁפְטֵנוּ (shofetenu), ‘onze rechter’, מְחֹקְקֵנוּ (mechoqqenu), ‘onze wetgever’, en מַלְכֵּנוּ (malkenu), ‘onze koning’.

Het woord mechoqeq komt van choq, ‘voorschrift’.

Zie ook Deut. 33:21; in Num. 21:18 betekent het woord ‘scepter’.

23Je touwen hangen slap. Ze houden de voet van de mast niet stevig en spreiden het zeil niet uit. Dan wordt een grote buit als prooi verdeeld. Zelfs kreupelen plunderen de buit.
נִטְּשׁ֖וּ
(niteshu)
zijn losgelaten
חֲבָלָ֑יִךְ
(chavalayikh)
je touwen
בַּל
(bal)
niet
יְחַזְּק֤וּ
(yechazequ)
houden stevig
כֵן
(ken)
de voet van
תָּרְנָם֙
(tarenam)
hun mast
בַּל
(bal)
niet
פָּ֣רְשׂוּ
(paresu)
zij hebben uitgespreid
נֵ֔ס
(nes)
zeil
אָ֣ז
(az)
dan
חֻלַּ֤ק
(chulaq)
wordt verdeeld
עַֽד
(ad)
prooi van
שָׁלָל֙
(shalal)
buit
מַרְבֶּ֔ה
(marbe)
veel
פִּסְחִ֖ים
(pischim)
kreupelen
בָּ֥זְזוּ
(bazezu)
plunderen
בַֽז
(baz)
de buit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het beeld is een schip waarvan de touwen slap hangen.

Het Hebreeuws heeft כֵן (ken), ‘voet’ of ‘basis’, en תָּרְנָם (tornam), ‘hun mast’.

נֵס (nes), ‘zeil’: het woord kan ook ‘vlag’ of ‘banier’ betekenen, zoals in 31:9.

24Geen inwoner zal zeggen: „Ik ben ziek.” Het volk dat daarin woont, is de schuld vergeven.
וּבַל
(uval)
en niet
יֹאמַ֥ר
(yomar)
zal zeggen
שָׁכֵ֖ן
(shakhen)
inwoner
חָלִ֑יתִי
(chaliti)
ik ben ziek
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
הַיֹּשֵׁ֥ב
(hayoshev)
dat woont
בָּ֖הּ
(bah)
daarin
נְשֻׂ֥א
(nesu)
vergeven
עָוֺֽן
(avon)
schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְשֻׂא עָוֺן (nesu avon), ‘de schuld vergeven’: letterlijk ‘gedragen wat schuld betreft’.

Het werkwoord nasa betekent ‘dragen’ en ook ‘vergeven’.

Hier is het ‘vergeven’; vergelijk Exod. 34:7.