Wee de verwoester; Yahweh is onze rechter, wetgever en koning
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Wee de verwoester
1Wee jou, verwoester, terwijl jij zelf niet verwoest bent. Wee jou, trouweloze, tegen wie men niet trouweloos is geweest. Zodra jij klaar bent met verwoesten, word je verwoest. Zodra jij ophoudt met trouweloos zijn, zal men trouweloos zijn tegen jou.
ה֣וֹי
(hoy)
wee
שׁוֹדֵ֗ד
(shoded)
verwoester
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁד֔וּד
(shadud)
verwoest
וּבוֹגֵ֖ד
(uvoged)
en trouweloze
וְלֹא
(velo)
en niet
בָ֣גְדוּ
(bagedu)
waren trouweloos
ב֑וֹ
(bo)
tegen hem
כַּהֲתִֽמְךָ֤
(kahatimkha)
zodra je klaar bent
שׁוֹדֵד֙
(shoded)
met verwoesten
תּוּשַּׁ֔ד
(tushad)
word je verwoest
כַּנְּלֹתְךָ֥
(kanelotekha)
zodra je ophoudt
לִבְגֹּ֖ד
(livgod)
met trouweloos zijn
יִבְגְּדוּ
(yivgedu)
zullen zij trouweloos zijn
בָֽךְ
(bakh)
tegen jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁוֹדֵד (shoded), ‘verwoester’: het Hebreeuws noemt niet wie dit is.
Vergelijk Assyrië in 31:8.
כַּהֲתִמְךָ (kehatimkha) en כַּנְּלֹתְךָ (kenilotekha): twee zeldzame werkwoorden. De betekenis is onzeker; wij vertalen ‘zodra jij klaar bent’ en ‘zodra jij ophoudt’.
Het Hebreeuws wisselt tussen ‘jij’ en ‘hij’. Wij schrijven overal ‘jij’ en ‘jou’.
14In Sion zijn de zondaars bevreesd, beving grijpt de goddelozen: „Wie van ons kan wonen bij een verterend vuur? Wie van ons kan wonen bij eeuwige gloed?”
פָּחֲד֤וּ
(pachadu)
zijn bevreesd
בְצִיּוֹן֙
(betsiyon)
in Sion
חַטָּאִ֔ים
(chataim)
zondaars
אָחֲזָ֥ה
(achaza)
grijpt
רְעָדָ֖ה
(reada)
beving
חֲנֵפִ֑ים
(chanefim)
goddelozen
מִ֣י
(mi)
wie
יָג֣וּר
(yagur)
kan wonen
לָ֗נוּ
(lanu)
van ons
אֵ֚שׁ
(esh)
bij vuur
אוֹכֵלָ֔ה
(okhela)
verterend
מִי
(mi)
wie
יָג֥וּר
(yagur)
kan wonen
לָ֖נוּ
(lanu)
van ons
מוֹקְדֵ֥י
(moqedei)
bij haarden van
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
חֲנֵפִים (chanefim), ‘goddelozen’: hetzelfde woord als in 32:6.
15Wie in gerechtigheid wandelt en oprecht spreekt, wie de winst van afpersing verwerpt, wie zijn handen uitschudt zodat ze geen omkoopgeld vasthouden, wie zijn oor sluit voor het horen van bloedvergieten en zijn ogen dichtdoet om geen kwaad te zien.
הֹלֵ֣ךְ
(holekh)
wie wandelt
צְדָק֔וֹת
(tsedaqot)
in gerechtigheden
וְדֹבֵ֖ר
(vedover)
en wie spreekt
מֵֽישָׁרִ֑ים
(meisharim)
oprechtheid
מֹאֵ֞ס
(moes)
wie verwerpt
בְּבֶ֣צַע
(bevetsa)
winst van
מַעֲשַׁקּ֗וֹת
(maashaqot)
afpersingen
נֹעֵ֤ר
(noer)
wie uitschudt
כַּפָּיו֙
(kapav)
zijn handen
מִתְּמֹ֣ךְ
(mitemokh)
van vasthouden
בַּשֹּׁ֔חַד
(bashochad)
omkoopgeld
אֹטֵ֤ם
(otem)
wie dichtstopt
אָזְנוֹ֙
(azeno)
zijn oor
מִשְּׁמֹ֣עַ
(mishemoa)
voor het horen van
דָּמִ֔ים
(damim)
bloedvergieten
וְעֹצֵ֥ם
(veotsem)
en wie sluit
עֵינָ֖יו
(einav)
zijn ogen
מֵרְא֥וֹת
(mereot)
voor het zien van
בְּרָֽע
(bera)
kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vergelijk Ps. 15:2–3 en Ps. 24:4, waar hetzelfde wordt gevraagd en beantwoord.
מַעֲשַׁקּוֹת (maashaqqot), ‘afpersing’: geld dat men met dwang van zwakkeren neemt.
נֹעֵר כַּפָּיו (noer kappav), ‘wie zijn handen uitschudt’: hij schudt ze zo dat er niets in blijft hangen.
20Aanschouw Sion, de stad van onze vastgestelde tijden. Je ogen zullen Jeruzalem zien: een rustige woning, een tent die niet wordt verplaatst. Nooit worden de pinnen ervan uitgetrokken, en geen van de touwen ervan wordt losgerukt.
חֲזֵ֣ה
(chaze)
aanschouw
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
קִרְיַ֖ת
(qiryat)
stad van
מֽוֹעֲדֵ֑נוּ
(moadenu)
onze vastgestelde tijden
עֵינֶיךָ֩
(eineikha)
je ogen
תִרְאֶ֨ינָה
(tireina)
zullen zien
יְרוּשָׁלִַ֜ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
נָוֶ֣ה
(nave)
woning
שַׁאֲנָ֗ן
(shaanan)
rustig
אֹ֤הֶל
(ohel)
tent
בַּל
(bal)
niet
יִצְעָן֙
(yitsan)
wordt verplaatst
בַּל
(bal)
niet
יִסַּ֤ע
(yisa)
worden uitgetrokken
יְתֵֽדֹתָיו֙
(yetedotav)
zijn pinnen
לָנֶ֔צַח
(lanetsach)
voor altijd
וְכָל
(vekhal)
en geen van
חֲבָלָ֖יו
(chavalav)
zijn touwen
בַּל
(bal)
niet
יִנָּתֵֽקוּ
(yinatequ)
worden losgerukt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
מוֹעֲדֵנוּ (moedenu), ‘onze vastgestelde tijden’: de feesten en samenkomsten die Yahweh vaststelt; zie Lev. 23:2.
אֹהֶל בַּל יִצְעָן (ohel bal yitsan), ‘een tent die niet wordt verplaatst’: Jeruzalem blijft staan als een tent die niet meer verhuist.
23Je touwen hangen slap. Ze houden de voet van de mast niet stevig en spreiden het zeil niet uit. Dan wordt een grote buit als prooi verdeeld. Zelfs kreupelen plunderen de buit.
נִטְּשׁ֖וּ
(niteshu)
zijn losgelaten
חֲבָלָ֑יִךְ
(chavalayikh)
je touwen
בַּל
(bal)
niet
יְחַזְּק֤וּ
(yechazequ)
houden stevig
כֵן
(ken)
de voet van
תָּרְנָם֙
(tarenam)
hun mast
בַּל
(bal)
niet
פָּ֣רְשׂוּ
(paresu)
zij hebben uitgespreid
נֵ֔ס
(nes)
zeil
אָ֣ז
(az)
dan
חֻלַּ֤ק
(chulaq)
wordt verdeeld
עַֽד
(ad)
prooi van
שָׁלָל֙
(shalal)
buit
מַרְבֶּ֔ה
(marbe)
veel
פִּסְחִ֖ים
(pischim)
kreupelen
בָּ֥זְזוּ
(bazezu)
plunderen
בַֽז
(baz)
de buit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het beeld is een schip waarvan de touwen slap hangen.
Het Hebreeuws heeft כֵן (ken), ‘voet’ of ‘basis’, en תָּרְנָם (tornam), ‘hun mast’.
נֵס (nes), ‘zeil’: het woord kan ook ‘vlag’ of ‘banier’ betekenen, zoals in 31:9.