Mestgoden in het hart; Noach, Daniël en Job bevrijden alleen zichzelf
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De oudsten en hun mestgoden
1Er kwamen enkele mannen van de oudsten van Israël bij mij, en zij gingen voor mij zitten.
וַיָּב֤וֹא
(vayavo)
en kwamen
אֵלַי֙
(elay)
naar mij
אֲנָשִׁ֔ים
(anashim)
mannen
מִזִּקְנֵ֖י
(miziqnei)
van de oudsten van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיֵּשְׁב֖וּ
(vayeshevu)
en zij zaten
לְפָנָֽי
(lefanay)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זִקְנֵי יִשְׂרָאֵל (ziqnei Yisra’el), ‘de oudsten van Israël’: leiders van de ballingen.
Zij komen bij Ezechiël zitten om een woord van Yahweh te horen, zoals ook in 8:1 en 20:1.
3„Mensenkind, deze mannen hebben hun mestgoden in hun hart laten opkomen en het struikelblok van hun schuld voor hun gezicht gezet. Zou Ik Mij werkelijk door hen laten raadplegen?
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
הָאֲנָשִׁ֤ים
(haanashim)
de mannen
הָאֵ֨לֶּה֙
(haele)
deze
הֶעֱל֤וּ
(heelu)
hebben laten opkomen
גִלּֽוּלֵיהֶם֙
(giluleihem)
hun mestgoden
עַל
(al)
op
לִבָּ֔ם
(libam)
hun hart
וּמִכְשׁ֣וֹל
(umikhshol)
en struikelblok van
עֲוֺנָ֔ם
(avonam)
hun schuld
נָתְנ֖וּ
(natenu)
zij hebben gezet
נֹ֣כַח
(nokhach)
voor
פְּנֵיהֶ֑ם
(peneihem)
hun gezicht
הַאִדָּרֹ֥שׁ
(haidarosh)
zal Ik Mij laten raadplegen
אִדָּרֵ֖שׁ
(idaresh)
Ik zal Mij laten raadplegen
לָהֶֽם
(lahem)
door hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גִּלּוּלִים (gillulim), ‘mestgoden’: een verachtelijke naam voor afgodsbeelden.
Het woord hoort bij een woord voor ‘mest’.
Zie Ezech. 6:4, waar de uitleg bij deze naam staat.
מִכְשׁוֹל עֲוֺנָם (mikhshol avonam), ‘het struikelblok van hun schuld’: de afgod laat hen struikelen en maakt hen schuldig. Hetzelfde woord staat in 7:19 en 18:30.
הַאִדָּרֹשׁ אִדָּרֵשׁ (ha’iddarosh iddaresh), ‘zou Ik Mij werkelijk laten raadplegen?’: het werkwoord is een Niphal, ‘zich laten raadplegen’. De dubbele vorm benadrukt de vraag, en het antwoord is ‘nee’.
4Daarom, spreek met hen en zeg tegen hen: Zo zegt Heer Yahweh: Iedere man van het huis van Israël laat zijn mestgoden in zijn hart opkomen. Hij zet het struikelblok van zijn schuld voor zijn gezicht. Als hij dan naar de profeet komt, zal Ik, Yahweh, hem antwoorden, hem die komt met de menigte van zijn mestgoden.
לָכֵ֣ן
(lakhen)
daarom
דַּבֵּר
(daber)
spreek
א֠וֹתָם
(otam)
met hen
וְאָמַרְתָּ֨
(veamarta)
en zeg
אֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
tegen hen
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אִ֣ישׁ
(ish)
man
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
van het huis van
יִשְׂרָאֵ֡ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
יַעֲלֶ֨ה
(yaale)
laat opkomen
אֶת
(et)
(obj.)
גִּלּוּלָ֜יו
(gilulav)
zijn mestgoden
אֶל
(el)
op
לִבּ֗וֹ
(libo)
zijn hart
וּמִכְשׁ֤וֹל
(umikhshol)
en struikelblok van
עֲוֺנוֹ֙
(avono)
zijn schuld
יָשִׂים֙
(yasim)
zet
נֹ֣כַח
(nokhach)
voor
פָּנָ֔יו
(panav)
zijn gezicht
וּבָ֖א
(uva)
en komt
אֶל
(el)
naar
הַנָּבִ֑יא
(hanavi)
de profeet
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
נַעֲנֵ֧יתִי
(naaneiti)
zal antwoorden
ל֦וֹ
(lo)
hem
בָ֖א
(ba)
hij komt
בְּרֹ֥ב
(berov)
met menigte van
גִּלּוּלָֽיו
(gilulav)
zijn mestgoden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נַעֲנֵיתִי לוֹ (na’aneti lo), ‘Ik zal hem antwoorden’: de vorm is een Niphal en moeilijk.
Het kan ‘Ik laat Mij door hem antwoorden’ betekenen, of ‘Ik antwoord hem Zelf’.
Wij vertalen ‘Ik zal hem antwoorden’.
Yahweh antwoordt niet met een profetie van vrede, maar met het oordeel dat bij zijn mestgoden past.
Lezing
In de geschreven tekst staat בה (bh), ‘daarin’; de overlevering leest בָא (ba), ‘hij komt’.
6Daarom, zeg tegen het huis van Israël: Zo zegt Heer Yahweh: Keer terug en wend je af van jullie mestgoden. Wend jullie gezicht af van al jullie gruwelen.
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
אֱמֹ֣ר
(emor)
zeg
אֶל
(el)
tegen
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
שׁ֣וּבוּ
(shuvu)
keert terug
וְהָשִׁ֔יבוּ
(vehashivu)
en wendt af
מֵעַ֖ל
(meal)
van
גִּלּֽוּלֵיכֶ֑ם
(giluleikhem)
jullie mestgoden
וּמֵעַ֥ל
(umeal)
en van
כָּל
(kal)
al
תּוֹעֲבֹתֵיכֶ֖ם
(toavoteikhem)
jullie gruwelen
הָשִׁ֥יבוּ
(hashivu)
wendt af
פְנֵיכֶֽם
(peneikhem)
jullie gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁוּבוּ (shuvu), ‘keer terug’: de oproep tot bekering.
Het werkwoord שׁוּב (shuv) betekent ‘terugkeren’ en in de Hiphil ‘doen terugkeren, afwenden’.
Zie ook Ezech. 18:30–32.
תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’: alles wat Yahweh verafschuwt.
7Want ieder man van het huis van Israël, of van de vreemdelingen die in Israël wonen, keert zich van Mij af. Hij laat zijn mestgoden in zijn hart opkomen en zet het struikelblok van zijn schuld voor zijn gezicht. Komt hij dan naar de profeet om Mij te raadplegen, dan zal Ik, Yahweh, hem Zelf antwoorden.
כִּי֩
(ki)
want
אִ֨ישׁ
(ish)
man
אִ֜ישׁ
(ish)
man
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
van het huis van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וּמֵהַגֵּר֮
(umehager)
en van de vreemdeling
אֲשֶׁר
(asher)
die
יָג֣וּר
(yagur)
woont
בְּיִשְׂרָאֵל֒
(beyisrael)
in Israël
וְיִנָּזֵ֣ר
(veyinazer)
en zich afkeert
מֵֽאַחֲרַ֗י
(meacharay)
van achter Mij
וְיַ֤עַל
(veyaal)
en laat opkomen
גִּלּוּלָיו֙
(gilulav)
zijn mestgoden
אֶל
(el)
op
לִבּ֔וֹ
(libo)
zijn hart
וּמִכְשׁ֣וֹל
(umikhshol)
en struikelblok van
עֲוֺנ֔וֹ
(avono)
zijn schuld
יָשִׂ֖ים
(yasim)
zet
נֹ֣כַח
(nokhach)
voor
פָּנָ֑יו
(panav)
zijn gezicht
וּבָ֤א
(uva)
en komt
אֶל
(el)
naar
הַנָּבִיא֙
(hanavi)
de profeet
לִדְרָשׁ
(lidrash)
om te raadplegen
ל֣וֹ
(lo)
voor zich
בִ֔י
(bi)
bij Mij
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
נַֽעֲנֶה
(naane)
zal antwoorden
לּ֖וֹ
(lo)
hem
בִּֽי
(bi)
Zelf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גֵּר (ger), ‘vreemdeling’: iemand die als gast in Israël woont.
Ook hij valt onder dezelfde regel, zoals in Lev. 17:8.
לִדְרָשׁ לוֹ בִי (lidrosh lo vi), ‘om Mij te raadplegen’: letterlijk ‘om voor zichzelf bij Mij te zoeken’.
אֲנִי יְהוָה נַעֲנֶה לּוֹ בִּי (ani Yahweh ne’eneh lo bi), ‘Ik, Yahweh, zal hem Zelf antwoorden’: het slot ‘bi’ (‘door Mij’) benadrukt dat Yahweh zelf antwoordt.
8Ik zet Mijn gezicht tegen die man. Ik maak hem tot een ontzetting, tot een teken en tot spreekwoorden, en Ik snijd hem af uit het midden van Mijn volk. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.
וְנָתַתִּ֨י
(venatati)
en Ik zal zetten
פָנַ֜י
(panay)
Mijn gezicht
בָּאִ֣ישׁ
(baish)
tegen de man
הַה֗וּא
(hahu)
die
וַהֲשִֽׂמֹתִ֨יהוּ֙
(vahasimotihu)
en Ik zal tot ontzetting maken hem
לְא֣וֹת
(leot)
tot teken
וְלִמְשָׁלִ֔ים
(velimshalim)
en tot spreekwoorden
וְהִכְרַתִּ֖יו
(vehikhrativ)
en Ik zal afsnijden hem
מִתּ֣וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
עַמִּ֑י
(ami)
Mijn volk
וִֽידַעְתֶּ֖ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַהֲשִׂמֹתִיהוּ (vahashimmotihu), ‘Ik maak hem tot een ontzetting’: het werkwoord שָׁמֵם (shamem) betekent ‘verwoesten, ontzetten’.
De man wordt een afschrikwekkend voorbeeld.
Vergelijk Deut. 28:37.
לְאוֹת וְלִמְשָׁלִים (le’ot velimshalim), ‘tot een teken en tot spreekwoorden’: een teken dat anderen waarschuwt, en een uitdrukking in de mond van het volk.
9Als de profeet zich laat verleiden en een woord spreekt, dan heb Ik, Yahweh, die profeet verleid. Ik strek Mijn hand tegen hem uit en vernietig hem uit het midden van Mijn volk Israël.
וְהַנָּבִ֤יא
(vehanavi)
en de profeet
כִֽי
(ki)
als
יְפֻתֶּה֙
(yefute)
hij zich laat verleiden
וְדִבֶּ֣ר
(vediber)
en spreekt
דָּבָ֔ר
(davar)
woord
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
פִּתֵּ֔יתִי
(piteiti)
heb verleid
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
הַנָּבִ֣יא
(hanavi)
de profeet
הַה֑וּא
(hahu)
die
וְנָטִ֤יתִי
(venatiti)
en Ik zal uitstrekken
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִי֙
(yadi)
Mijn hand
עָלָ֔יו
(alav)
tegen hem
וְהִ֨שְׁמַדְתִּ֔יו
(vehishmadtiv)
en Ik zal vernietigen hem
מִתּ֖וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
עַמִּ֥י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פִּתָּה (pittah), ‘verleiden’: het werkwoord betekent ‘overhalen’.
Vergelijk 1 Kon. 22:20–22, waar Yahweh Achab laat verleiden.
Hier zegt Yahweh dat Hij de profeet heeft verleid, en dat hij daarom toch zijn straf draagt.
11Zo dwaalt het huis van Israël niet meer van Mij weg en maken zij zich niet meer onrein met al hun overtredingen. Zij zullen Mijn volk zijn, en Ik zal hun Elohim zijn, godsspraak van Heer Yahweh.”
לְ֠מַעַן
(lemaan)
opdat
לֹֽא
(lo)
niet
יִתְע֨וּ
(yitu)
zullen dwalen
ע֤וֹד
(od)
meer
בֵּֽית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מֵאַֽחֲרַ֔י
(meacharay)
van achter Mij
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִטַּמְּא֥וּ
(yitameu)
zullen zich onrein maken
ע֖וֹד
(od)
meer
בְּכָל
(bekhal)
met alle
פִּשְׁעֵיהֶ֑ם
(pisheihem)
hun overtredingen
וְהָ֥יוּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לִ֣י
(li)
voor Mij
לְעָ֗ם
(leam)
tot volk
וַֽאֲנִי֙
(vaani)
en Ik
אֶהְיֶ֤ה
(ehye)
zal zijn
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
לֵֽאלֹהִ֔ים
(lElohim)
tot Elohim
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְהָיוּ לִי לְעָם וַאֲנִי אֶהְיֶה לָהֶם לֵאלֹהִים (vehayu li le’am va’ani ehyeh lahem lelohim), ‘Zij zullen Mijn volk zijn, en Ik zal hun Elohim zijn’: de verbondsformule, zoals in Gen. 17:7 en Lev. 26:12.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13„Mensenkind, als een land tegen Mij zondigt door trouweloos te handelen, strek Ik Mijn hand tegen dat land uit. Ik breek voor haar de staf van het brood. Ik zend honger in haar en snijd er mens en dier uit af.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
אֶ֚רֶץ
(erets)
land
כִּ֤י
(ki)
als
תֶחֱטָא
(techeta)
zondigt
לִי֙
(li)
tegen Mij
לִמְעָל
(limal)
door te handelen
מַ֔עַל
(maal)
trouweloos
וְנָטִ֤יתִי
(venatiti)
en Ik zal uitstrekken
יָדִי֙
(yadi)
Mijn hand
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
tegen haar
וְשָׁבַ֥רְתִּי
(veshavarti)
en Ik zal breken
לָ֖הּ
(lah)
voor haar
מַטֵּה
(mate)
staf van
לָ֑חֶם
(lachem)
brood
וְהִשְׁלַחְתִּי
(vehishlachti)
en Ik zal zenden
בָ֣הּ
(bah)
in haar
רָעָ֔ב
(raav)
honger
וְהִכְרַתִּ֥י
(vehikhrati)
en Ik zal afsnijden
מִמֶּ֖נָּה
(mimena)
uit haar
אָדָ֥ם
(adam)
mens
וּבְהֵמָֽה
(uvehema)
en dier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָעַל מַעַל (ma’al ma’al), ‘trouweloos handelen’: het werkwoord en het zelfstandig naamwoord staan naast elkaar en versterken elkaar.
Het is een breuk van de trouw aan Yahweh, zoals in Lev. 5:15.
מַטֵּה־לָחֶם (matteh lechem), ‘staf van het brood’: het brood als steun van het leven, zoals in Lev. 26:26 en Ps. 105:16. Als Yahweh die staf breekt, ontstaat honger.
14Zouden deze drie mannen erin zijn, Noach, Daniël en Job, dan zouden zij zelf door hun gerechtigheid hun ziel bevrijden, godsspraak van Heer Yahweh.
וְ֠הָיוּ
(vehayu)
en zijn
שְׁלֹ֨שֶׁת
(sheloshet)
drie
הָאֲנָשִׁ֤ים
(haanashim)
de mannen
הָאֵ֨לֶּה֙
(haele)
deze
בְּתוֹכָ֔הּ
(betokhah)
in haar midden
נֹ֖חַ
(noach)
Noach
דָּנִיֵּ֣אל
(daniyel)
Daniël
וְאִיּ֑וֹב
(veiyov)
en Job
הֵ֤מָּה
(hema)
zij
בְצִדְקָתָם֙
(betsidqatam)
door hun gerechtigheid
יְנַצְּל֣וּ
(yenatselu)
zouden bevrijden
נַפְשָׁ֔ם
(nafsham)
hun ziel
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֹחַ דָּנִיֵּאל וְאִיּוֹב (Noach, Daniël ve-Iyyov), ‘Noach, Daniël en Job’: drie mannen die om hun gerechtigheid bekend zijn.
Over Noach zie Gen. 6:9, over Job zie Job 1:1.
De tekst zegt niet welke Daniël hier bedoeld wordt.
יְנַצְּלוּ (yenatselu), ‘zij zouden bevrijden’: een Piel van נָצַל (natsal), met ‘hun ziel’ (נֶפֶשׁ, nefesh) als voorwerp. In vers 16 en 18 staat een Niphal: ‘zij zouden bevrijd worden’. In vers 20 staat de Hiphil הִצִּיל (hitsil), ‘bevrijden’. Wij houden ‘ziel’, zoals in 13:18 en in hoofdstuk 18.
Lezing
In de geschreven tekst staat דנאל (dn’l), zonder de letter yod; de overlevering leest דָּנִיֵּאל.
15Stel dat Ik wilde dieren door het land laat trekken. Zij maken het kinderloos, en het wordt een woestenij, zodat niemand er vanwege de dieren doorheen trekt.
לֽוּ
(lu)
stel dat
חַיָּ֥ה
(chaya)
dier
רָעָ֛ה
(raa)
kwaad
אַעֲבִ֥יר
(aavir)
Ik laat trekken
בָּאָ֖רֶץ
(baarets)
in het land
וְשִׁכְּלָ֑תָּה
(veshikelata)
en zij maken kinderloos
וְהָיְתָ֤ה
(vehayeta)
en het wordt
שְׁמָמָה֙
(shemama)
woestenij
מִבְּלִ֣י
(mibeli)
zonder
עוֹבֵ֔ר
(over)
doortrekkende
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
vanwege
הַחַיָּֽה
(hachaya)
het dier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Dan zouden deze drie mannen erin zijn, zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh. Zij zouden geen zonen en geen dochters bevrijden. Alleen zijzelf zouden bevrijd worden, en het land zou een woestenij worden.
שְׁלֹ֨שֶׁת
(sheloshet)
drie
הָאֲנָשִׁ֣ים
(haanashim)
de mannen
הָאֵלֶּה֮
(haele)
deze
בְּתוֹכָהּ֒
(betokhah)
in haar midden
חַי
(chay)
levend
אָ֗נִי
(ani)
Ik
נְאֻם֙
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
als
בָּנִ֥ים
(banim)
zonen
וְאִם
(veim)
en als
בָּנ֖וֹת
(banot)
dochters
יַצִּ֑ילוּ
(yatsilu)
zouden zij bevrijden
הֵ֤מָּה
(hema)
zij
לְבַדָּם֙
(levadam)
alleen zij
יִנָּצֵ֔לוּ
(yinatselu)
zouden bevrijd worden
וְהָאָ֖רֶץ
(vehaarets)
en het land
תִּהְיֶ֥ה
(tihye)
zal zijn
שְׁמָמָֽה
(shemama)
woestenij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַי־אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’: de eed van Yahweh.
Zie Num. 14:28.
Het Hebreeuws zegt: ‘Als zij zonen of dochters bevrijden’. Dat is de vorm van een eed: zij doen dat zeker niet.
18Deze drie mannen erin, zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: zij zouden geen zonen en dochters bevrijden. Alleen zijzelf zouden bevrijd worden.
וּשְׁלֹ֨שֶׁת
(usheloshet)
en drie
הָאֲנָשִׁ֣ים
(haanashim)
de mannen
הָאֵלֶּה֮
(haele)
deze
בְּתוֹכָהּ֒
(betokhah)
in haar midden
חַי
(chay)
levend
אָ֗נִי
(ani)
Ik
נְאֻם֙
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֥א
(lo)
niet
יַצִּ֖ילוּ
(yatsilu)
zouden zij bevrijden
בָּנִ֣ים
(banim)
zonen
וּבָנ֑וֹת
(uvanot)
en dochters
כִּ֛י
(ki)
maar
הֵ֥ם
(hem)
zij
לְבַדָּ֖ם
(levadam)
alleen zij
יִנָּצֵֽלוּ
(yinatselu)
zouden bevrijd worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Of Ik zend een pest naar dat land en stort Mijn woede over haar uit met bloedvergieten. Zo snijd Ik er mens en dier uit af.
א֛וֹ
(o)
of
דֶּ֥בֶר
(dever)
pest
אֲשַׁלַּ֖ח
(ashalach)
Ik zend
אֶל
(el)
naar
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַהִ֑יא
(hahi)
dat
וְשָׁפַכְתִּ֨י
(veshafakhti)
en Ik stort uit
חֲמָתִ֤י
(chamati)
Mijn woede
עָלֶ֨יהָ֙
(aleiha)
over haar
בְּדָ֔ם
(bedam)
in bloed
לְהַכְרִ֥ית
(lehakhrit)
om af te snijden
מִמֶּ֖נָּה
(mimena)
uit haar
אָדָ֥ם
(adam)
mens
וּבְהֵמָֽה
(uvehema)
en dier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דֶּבֶר (dever), ‘pest’: ziekte die veel mensen doodt.
20Noach, Daniël en Job zouden erin zijn, zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh. Zij zouden geen zoon en geen dochter bevrijden. Door hun gerechtigheid zouden zij alleen hun eigen ziel bevrijden.
וְנֹ֨חַ
(venoach)
en Noach
דָּנִיֵּ֣אל
(daniyel)
Daniël
וְאִיּוֹב֮
(veiyov)
en Job
בְּתוֹכָהּ֒
(betokhah)
in haar midden
חַי
(chay)
levend
אָ֗נִי
(ani)
Ik
נְאֻם֙
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
als
בֵּ֥ן
(ben)
zoon
אִם
(im)
als
בַּ֖ת
(bat)
dochter
יַצִּ֑ילוּ
(yatsilu)
zouden zij bevrijden
הֵ֥מָּה
(hema)
zij
בְצִדְקָתָ֖ם
(betsidqatam)
door hun gerechtigheid
יַצִּ֥ילוּ
(yatsilu)
zouden zij bevrijden
נַפְשָֽׁם
(nafsham)
hun ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
In de geschreven tekst staat דנאל (dn’l), zonder de letter yod; de overlevering leest דָּנִיֵּאל.
21Want zo zegt Heer Yahweh: Hoeveel te meer als Ik Mijn vier kwade oordelen naar Jeruzalem zend: zwaard, honger, wilde dieren en pest, om er mens en dier uit af te snijden.
כִּי֩
(ki)
want
כֹ֨ה
(ko)
zo
אָמַ֜ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהֹוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אַ֣ף
(af)
ook
כִּֽי
(ki)
als
אַרְבַּ֣עַת
(arbaat)
vier
שְׁפָטַ֣י
(shefatay)
oordelen van
הָרָעִ֡ים
(haraim)
de kwade
חֶ֠רֶב
(cherev)
zwaard
וְרָעָ֞ב
(veraav)
en honger
וְחַיָּ֤ה
(vechaya)
en dier
רָעָה֙
(raa)
wild
וָדֶ֔בֶר
(vadever)
en pest
שִׁלַּ֖חְתִּי
(shilachti)
Ik zend
אֶל
(el)
naar
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
לְהַכְרִ֥ית
(lehakhrit)
om af te snijden
מִמֶּ֖נָּה
(mimena)
uit haar
אָדָ֥ם
(adam)
mens
וּבְהֵמָֽה
(uvehema)
en dier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
אַף כִּי (af ki), ‘hoeveel te meer’: de gedachte wordt niet afgemaakt. Als zelfs drie rechtvaardigen een land niet konden redden, kan niemand Jeruzalem redden.
22Zie, er blijft in haar een groep ontkomenen over, zonen en dochters die naar buiten worden gebracht. Zij komen naar jullie toe. Jullie zullen hun weg en hun daden zien. Dan zullen jullie je laten troosten over het kwaad dat Ik over Jeruzalem heb gebracht, over alles wat Ik over haar heb gebracht.
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
נֽוֹתְרָה
(notera)
is overgebleven
בָּ֜הּ
(bah)
in haar
פְּלֵטָ֗ה
(peleta)
ontkomen groep
הַֽמּוּצָאִים֮
(hamutsaim)
die worden uitgebracht
בָּנִ֣ים
(banim)
zonen
וּבָנוֹת֒
(uvanot)
en dochters
הִנָּם֙
(hinam)
zie zij
יוֹצְאִ֣ים
(yotseim)
komen uit
אֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
naar jullie
וּרְאִיתֶ֥ם
(ureitem)
en jullie zullen zien
אֶת
(et)
(obj.)
דַּרְכָּ֖ם
(darkam)
hun weg
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲלִֽילוֹתָ֑ם
(alilotam)
hun daden
וְנִחַמְתֶּ֗ם
(venichamtem)
en jullie zullen je laten troosten
עַל
(al)
over
הָֽרָעָה֙
(haraa)
het kwaad
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
הֵבֵ֨אתִי֙
(heveti)
Ik heb gebracht
עַל
(al)
over
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
הֵבֵ֖אתִי
(heveti)
Ik heb gebracht
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
over haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
פְּלֵטָה (peletah), ‘groep ontkomenen’: wie aan de ramp ontkomt.
Zij worden uit de stad gebracht en komen bij de ballingen aan.
Hun komst laat zien dat het oordeel rechtvaardig is.
וְנִחַמְתֶּם (venichamtem), ‘en jullie zullen je laten troosten’: een Niphal van נָחַם (nacham). Het kan ook ‘berouw hebben’ betekenen. Zie vers 23, waar het Piel staat: ‘zij zullen jullie troosten’.
23Zij zullen jullie troosten, wanneer jullie hun weg en hun daden zien. Dan zullen jullie weten dat Ik niet zonder reden alles heb gedaan wat Ik in haar heb gedaan, godsspraak van Heer Yahweh.”
וְנִחֲמ֣וּ
(venichamu)
en zij zullen troosten
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
כִּֽי
(ki)
want
תִרְא֥וּ
(tiru)
jullie zullen zien
אֶת
(et)
(obj.)
דַּרְכָּ֖ם
(darkam)
hun weg
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲלִֽילוֹתָ֑ם
(alilotam)
hun daden
וִֽידַעְתֶּ֗ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּי֩
(ki)
dat
לֹ֨א
(lo)
niet
חִנָּ֤ם
(chinam)
zonder reden
עָשִׂ֨יתִי֙
(asiti)
Ik heb gedaan
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשִׂ֣יתִי
(asiti)
Ik heb gedaan
בָ֔הּ
(bah)
in haar
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהֹוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חִנָּם (chinnam), ‘zonder reden’: het woord betekent ook ‘tevergeefs’.
Als de ballingen de daden van de ontkomenen zien, begrijpen zij dat het oordeel niet willekeurig was.