Elohim Bijbel

Jesaja 5

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Het lied van de wijngaard en de wee-roepen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het lied van de wijngaard

1Laat mij zingen voor mijn beminde, een lied van mijn geliefde over zijn wijngaard. Mijn beminde had een wijngaard op een vruchtbare heuvel.
אָשִׁ֤ירָה
(ashira)
laat mij zingen
נָּא֙
(na)
toch
לִֽידִידִ֔י
(lididi)
voor mijn beminde
שִׁירַ֥ת
(shirat)
het lied van
דּוֹדִ֖י
(dodi)
mijn geliefde
לְכַרְמ֑וֹ
(lekharmo)
over zijn wijngaard
כֶּ֛רֶם
(kerem)
een wijngaard
הָיָ֥ה
(haya)
was
לִֽידִידִ֖י
(lididi)
voor mijn beminde
בְּקֶ֥רֶן
(beqeren)
op een heuvel
בֶּן
(ben)
zoon van
שָֽׁמֶן
(shamen)
olie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָדִיד (yadid), ‘beminde’, en דּוֹד (dod), ‘geliefde’: twee woorden voor een geliefde.

Wie de beminde is, blijkt in vers 7: Yahweh van de legermachten.

שִׁירַת דּוֹדִי לְכַרְמוֹ (shirat dodi lekharmo), ‘een lied van mijn geliefde over zijn wijngaard’: het Hebreeuws laat open of het een lied is van de geliefde of over hem. Wij laten dat ook open.

בְּקֶרֶן בֶּן שָׁמֶן (beqeren ben shamen), ‘op een vruchtbare heuvel’: letterlijk ‘op een hoorn, een zoon van olie’. Een ‘hoorn’ is een heuvel met een spitse top, en ‘zoon van olie’ is een beeld voor vruchtbaar land.

Het beeld van de wijngaard komt ook voor in Ps. 80:9–17 en Hos. 10:1; zie ook Jer. 2:21 en Matt. 21:33.

2Hij spitte hem om, ontdeed hem van stenen en plantte er edele wijnstokken in. Hij bouwde een toren in het midden ervan en hakte er ook een wijnpers in uit. Hij hoopte dat de wijngaard druiven zou voortbrengen, maar die bracht bedorven druiven voort.
וַֽיְעַזְּקֵ֣הוּ
(vayazeqehu)
en hij spitte hem om
וַֽיְסַקְּלֵ֗הוּ
(vaysaqelehu)
en ontdeed hem van stenen
וַיִּטָּעֵ֨הוּ֙
(vayitaehu)
en plantte hem
שֹׂרֵ֔ק
(soreq)
met edele wijnstok
וַיִּ֤בֶן
(vayiven)
en hij bouwde
מִגְדָּל֙
(migdal)
een toren
בְּתוֹכ֔וֹ
(betokho)
in het midden ervan
וְגַם
(vegam)
en ook
יֶ֖קֶב
(yeqev)
een wijnpers
חָצֵ֣ב
(chatsev)
hakte hij uit
בּ֑וֹ
(bo)
daarin
וַיְקַ֛ו
(vayqav)
en hij hoopte
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
te brengen
עֲנָבִ֖ים
(anavim)
druiven
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
maar het bracht voort
בְּאֻשִֽׁים
(beushim)
bedorven druiven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָזַק (azaq), ‘omspitten’: een zeldzaam werkwoord.

Het kan ook ‘omheinen’ betekenen.

שֹׂרֵק (soreq), ‘edele wijnstok’: een bijzonder goede soort wijnstok.

קָוָה (qavah), ‘hopen’: met verwachting uitzien naar iets.

בְּאֻשִׁים (be’ushim), ‘bedorven druiven’: het woord komt van een werkwoord voor ‘stinken’. Het zijn druiven die niet te eten zijn.

Het Hebreeuws noemt bij ‘bracht voort’ het onderwerp niet. Wij nemen aan dat het de wijngaard is.

Oordeel tussen Mij en Mijn wijngaard

3„En nu, bewoners van Jeruzalem en mannen van Juda: oordeel toch tussen Mij en Mijn wijngaard.
וְעַתָּ֛ה
(veata)
en nu
יוֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
bewoner van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
וְאִ֣ישׁ
(veish)
en man van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
שִׁפְטוּ
(shiftu)
oordeelt
נָ֕א
(na)
toch
בֵּינִ֖י
(beini)
tussen Mij
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
כַּרְמִֽי
(karmi)
Mijn wijngaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Hier spreekt de eigenaar van de wijngaard in de eerste persoon.

Uit vers 7 blijkt dat de eigenaar Yahweh is.

Daarom staat vers 3–6 rood.

Het lied zelf (vers 1–2) en de uitleg ervan (vers 7) zijn van de profeet en staan zwart.

יוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִַם (yoshev Yerushalayim), ‘bewoner van Jeruzalem’, en אִישׁ יְהוּדָה (ish Yehudah), ‘man van Juda’: het Hebreeuws heeft het enkelvoud als verzamelnaam. Wij vertalen het meervoud, omdat het werkwoord ‘oordeel’ in het meervoud staat.

שִׁפְטוּ (shiftu), ‘oordeel’: van שָׁפַט (shafat), ‘recht spreken’.

4Wat was er nog te doen voor Mijn wijngaard dat Ik er niet aan gedaan heb? Waarom hoopte Ik dat hij druiven zou voortbrengen, en bracht hij bedorven druiven voort?
מַה
(ma)
wat
לַּעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
te doen
עוֹד֙
(od)
nog
לְכַרְמִ֔י
(lekharmi)
voor Mijn wijngaard
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
עָשִׂ֖יתִי
(asiti)
heb Ik gedaan
בּ֑וֹ
(bo)
eraan
מַדּ֧וּעַ
(madua)
waarom
קִוֵּ֛יתִי
(qiveiti)
hoopte Ik
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
te brengen
עֲנָבִ֖ים
(anavim)
druiven
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en het bracht voort
בְּאֻשִֽׁים
(beushim)
bedorven druiven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Nu dan, laat Mij jullie bekendmaken wat Ik met Mijn wijngaard doe. Ik neem zijn heg weg, en hij wordt verteerd. Ik breek zijn muur af, en hij wordt vertrapt.
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
אוֹדִֽיעָה
(odia)
laat Mij bekendmaken
נָּ֣א
(na)
toch
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
aan jullie
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
עֹשֶׂ֖ה
(ose)
doe
לְכַרְמִ֑י
(lekharmi)
aan Mijn wijngaard
הָסֵ֤ר
(haser)
wegnemen
מְשׂוּכָּתוֹ֙
(mesukato)
zijn heg
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en hij zal zijn
לְבָעֵ֔ר
(levaer)
om verteerd te worden
פָּרֹ֥ץ
(parots)
afbreken
גְּדֵר֖וֹ
(gedero)
zijn muur
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en hij zal zijn
לְמִרְמָֽס
(lemirmas)
om vertrapt te worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְשׂוּכָּה (mesukkah), ‘heg’, en גָּדֵר (gader), ‘muur’: de omheining van de wijngaard.

לְבָעֵר (leva’er), ‘om verteerd te worden’: de wortel בער (ba’ar) betekent ‘branden’ en ‘verteren’; ook ‘afgegraasd worden’ door vee is mogelijk. Zie ook 4:4 en 6:13.

Het Hebreeuws heeft hier werkwoorden zonder persoon: ‘wegnemen … afbreken’. Wij zetten ze in de eerste persoon.

6Ik maak hem tot een woestenij. Hij wordt niet gesnoeid en niet gewied. Doornstruiken en doornen komen erop op. En de wolken gebied Ik geen regen over hem te laten vallen.”
וַאֲשִׁיתֵ֣הוּ
(vaashitehu)
en Ik zal hem maken
בָתָ֗ה
(bata)
tot woestenij
לֹ֤א
(lo)
niet
יִזָּמֵר֙
(yizamer)
wordt gesnoeid
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יֵעָדֵ֔ר
(yeader)
wordt gewied
וְעָלָ֥ה
(veala)
en er komen op
שָׁמִ֖יר
(shamir)
doornstruiken
וָשָׁ֑יִת
(vashayit)
en doornen
וְעַ֤ל
(veal)
en aan
הֶעָבִים֙
(heavim)
de wolken
אֲצַוֶּ֔ה
(atsave)
gebied Ik
מֵהַמְטִ֥יר
(mehamtir)
dat zij niet laten regenen
עָלָ֖יו
(alav)
op hem
מָטָֽר
(matar)
regen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּתָה (batah), ‘woestenij’: een woord dat alleen hier voorkomt.

De betekenis volgt uit het verband.

שָׁמִיר וָשָׁיִת (shamir vashayit), ‘doornstruiken en doornen’: twee woorden voor doornig struikgewas. Ze staan vaker samen (Jes. 7:23–25, 9:17 en 10:17).

Op het eind zegt de eigenaar dat Hij de wolken gebiedt. Dat kan alleen Yahweh.

De wijngaard is het huis van Israël

7Want de wijngaard van Yahweh van de legermachten is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn de plant van Zijn vreugde. Hij hoopte op recht, en zie: bloedvergieten. Op gerechtigheid, en zie: een noodkreet.
כִּ֣י
(ki)
want
כֶ֜רֶם
(kerem)
de wijngaard van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאִ֣ישׁ
(veish)
en de mannen van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
נְטַ֖ע
(neta)
de plant van
שַׁעֲשׁוּעָ֑יו
(shaashuav)
Zijn vreugde
וַיְקַ֤ו
(vayqav)
en Hij hoopte
לְמִשְׁפָּט֙
(lemishpat)
op recht
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
מִשְׂפָּ֔ח
(mispach)
bloedvergieten
לִצְדָקָ֖ה
(litsdaqa)
op gerechtigheid
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
צְעָקָֽה
(tseaqa)
een noodkreet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier legt de profeet het lied uit.

De wijngaard is ‘het huis van Israël’, en ‘de mannen van Juda’ zijn de plant van Zijn vreugde.

מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’, en מִשְׂפָּח (mispach), ‘bloedvergieten’; צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’, en צְעָקָה (tse’aqah), ‘noodkreet’: een woordspel met bijna gelijke klanken. Het woord mispach komt alleen hier voor. De betekenis ‘bloedvergieten’ is niet zeker.

צְעָקָה (tse’aqah) is de schreeuw van wie onrecht wordt aangedaan; vergelijk Gen. 18:20–21.

שַׁעֲשׁוּעִים (sha’ashu’im), ‘vreugde’: wat iemand met plezier doet of bezit.

Wee over huizen en velden

8Wee hen die huis aan huis laten grenzen en veld bij veld voegen, tot er geen plaats meer is. Jullie alleen worden neergezet midden in het land!
ה֗וֹי
(hoy)
wee
מַגִּיעֵ֥י
(magiei)
die laten grenzen
בַ֨יִת֙
(bayit)
huis
בְּבַ֔יִת
(bevayit)
aan huis
שָׂדֶ֥ה
(sade)
veld
בְשָׂדֶ֖ה
(besade)
aan veld
יַקְרִ֑יבוּ
(yaqrivu)
voegen zij samen
עַ֚ד
(ad)
tot
אֶ֣פֶס
(efes)
geen
מָק֔וֹם
(maqom)
plaats
וְהֽוּשַׁבְתֶּ֥ם
(vehushavtem)
en jullie worden neergezet
לְבַדְּכֶ֖ם
(levadekhem)
alleen
בְּקֶ֥רֶב
(beqerev)
midden in
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹי (hoy), ‘wee’: een uitroep van klacht.

In dit hoofdstuk leidt hij zes aanklachten in (vers 8, 11, 18, 20, 21 en 22).

Het land was bedoeld om in de familie te blijven (Lev. 25:23–28). Vergelijk 1 Kon. 21 (Naboth) en Micha 2:2.

Het Hebreeuws wisselt hier van ‘zij’ naar ‘jullie’: wij laten dat zo.

9In mijn oren heeft Yahweh van de legermachten gezworen: „Voorwaar, vele huizen zullen een woestenij worden, grote en goede, zonder bewoner.”
בְּאָזְנָ֖י
(beazenay)
in mijn oren
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אִם
(im)
voorwaar
לֹ֞א
(lo)
niet
בָּתִּ֤ים
(batim)
huizen
רַבִּים֙
(rabim)
vele
לְשַׁמָּ֣ה
(leshama)
tot woestenij
יִֽהְי֔וּ
(yihyu)
zullen zijn
גְּדֹלִ֥ים
(gedolim)
grote
וְטוֹבִ֖ים
(vetovim)
en goede
מֵאֵ֥ין
(meein)
zonder
יוֹשֵֽׁב
(yoshev)
bewoner
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּאָזְנָי (be’ozni), ‘in mijn oren’: de profeet heeft het zelf gehoord.

Het Hebreeuws heeft hier geen werkwoord.

Wij vullen ‘heeft gezworen’ aan, want אִם לֹא (im lo), letterlijk ‘als niet’, is de vorm van een eed: ‘voorwaar’.

De woorden van de eed staan zwart: de profeet geeft ze door met Yahweh in de derde persoon.

10Want tien jukken wijngaard brengen één bath op, en een homer zaad brengt een efa op.
כִּ֗י
(ki)
want
עֲשֶׂ֨רֶת֙
(aseret)
tien
צִמְדֵּי
(tsimdei)
jukken van
כֶ֔רֶם
(kerem)
wijngaard
יַעֲשׂ֖וּ
(yaasu)
zullen opbrengen
בַּ֣ת
(bat)
bath
אֶחָ֑ת
(echat)
één
וְזֶ֥רַע
(vezera)
en zaad van
חֹ֖מֶר
(chomer)
homer
יַעֲשֶׂ֥ה
(yaase)
zal opbrengen
אֵיפָֽה
(eifa)
efa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צֶמֶד (tsemed), ‘juk’: een oppervlaktemaat, de grond die een span ossen in een dag kan ploegen.

De grootte is niet precies bekend.

בַּת (bat), ‘bath’: een inhoudsmaat, ongeveer 22 liter, even groot als een efa. חֹמֶר (chomer), ‘homer’: tien efa, ongeveer 220 liter. אֵיפָה (efa): ongeveer 22 liter.

De oogst is dus maar een tiende van het zaad, en de wijngaarden geven bijna niets.

Wee over de drinkers

11Wee hen die 's morgens vroeg opstaan en sterke drank najagen! Zij blijven hangen tot in de avondschemering, en de wijn steekt hen in brand.
ה֛וֹי
(hoy)
wee
מַשְׁכִּימֵ֥י
(mashkimei)
die vroeg opstaan
בַבֹּ֖קֶר
(baboqer)
in de morgen
שֵׁכָ֣ר
(shekhar)
sterke drank
יִרְדֹּ֑פוּ
(yirdofu)
najagen zij
מְאַחֲרֵ֣י
(meacharei)
die blijven hangen
בַנֶּ֔שֶׁף
(baneshef)
in de avondschemering
יַ֖יִן
(yayin)
wijn
יַדְלִיקֵֽם
(yadliqem)
steekt hen in brand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֵׁכָר (shekhar), ‘sterke drank’: gegiste drank, anders dan wijn.

נֶשֶׁף (nesheph), ‘avondschemering’: de tijd tussen zonsondergang en het donker. Vergelijk Spr. 23:29–35.

12Lier en harp, tamboerijn en fluit en wijn zijn er op hun feestmalen. Maar naar het werk van Yahweh kijken zij niet, en het maaksel van Zijn handen zien zij niet.
וְהָיָ֨ה
(vehaya)
en er zijn
כִנּ֜וֹר
(kinor)
lier
וָנֶ֗בֶל
(vanevel)
en harp
תֹּ֧ף
(tof)
tamboerijn
וְחָלִ֛יל
(vechalil)
en fluit
וָיַ֖יִן
(vayayin)
en wijn
מִשְׁתֵּיהֶ֑ם
(mishteihem)
hun feestmalen
וְאֵ֨ת
(veet)
maar (obj.)
פֹּ֤עַל
(poal)
het werk van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֣א
(lo)
niet
יַבִּ֔יטוּ
(yabitu)
kijken zij
וּמַעֲשֵׂ֥ה
(umaase)
en het maaksel van
יָדָ֖יו
(yadav)
Zijn handen
לֹ֥א
(lo)
niet
רָאֽוּ
(rau)
zien zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’, נֵבֶל (nevel), ‘harp’, תֹּף (tof), ‘tamboerijn’ en חָלִיל (chalil), ‘fluit’: de muziekinstrumenten bij het feest.

Zij zijn op zichzelf niet fout; het gaat erom dat men Yahweh niet ziet.

Daarom: ballingschap

13Daarom gaat mijn volk in ballingschap uit gebrek aan kennis. Zijn aanzienlijken zijn uitgehongerd, en zijn menigte is verdord van dorst.
לָכֵ֛ן
(lakhen)
daarom
גָּלָ֥ה
(gala)
gaat in ballingschap
עַמִּ֖י
(ami)
mijn volk
מִבְּלִי
(mibeli)
uit gebrek aan
דָ֑עַת
(daat)
kennis
וּכְבוֹדוֹ֙
(ukhevodo)
en zijn aanzienlijken
מְתֵ֣י
(metei)
mannen van
רָעָ֔ב
(raav)
honger
וַהֲמוֹנ֖וֹ
(vahamono)
en zijn menigte
צִחֵ֥ה
(tsiche)
is verdord
צָמָֽא
(tsama)
van dorst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַמִּי (ammi), ‘mijn volk’: het Hebreeuws laat open of hier Yahweh of de profeet spreekt.

Wij houden het zwart, zoals vers 9 (‘in mijn oren’).

דַּעַת (da’at), ‘kennis’: zie ook Hos. 4:1 en 4:6.

וּכְבוֹדוֹ (ukhevodo), ‘zijn aanzienlijken’: letterlijk ‘zijn heerlijkheid’, dus de mensen met aanzien.

מְתֵי רָעָב (metei ra’av), ‘uitgehongerd’: letterlijk ‘mannen van honger’.

14Daarom heeft Sjeol haar keel verwijd en haar mond zonder grens opengesperd. Haar pracht daalt af, haar menigte en haar rumoer, en wie daarin juicht.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
הִרְחִ֤יבָה
(hirchiva)
heeft verwijd
שְּׁאוֹל֙
(sheol)
Sjeol
נַפְשָׁ֔הּ
(nafshah)
haar keel
וּפָעֲרָ֥ה
(ufaara)
en heeft opengesperd
פִ֖יהָ
(piha)
haar mond
לִבְלִי
(livli)
zonder
חֹ֑ק
(choq)
grens
וְיָרַ֨ד
(veyarad)
en daalt af
הֲדָרָ֧הּ
(hadarah)
haar pracht
וַהֲמוֹנָ֛הּ
(vahamonah)
en haar menigte
וּשְׁאוֹנָ֖הּ
(usheonah)
en haar rumoer
וְעָלֵ֥ז
(vealez)
en wie juicht
בָּֽהּ
(bah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאוֹל (She’ol), ‘Sjeol’: het dodenrijk.

Het woord is vrouwelijk in het Hebreeuws, vandaar ‘haar keel’.

Vergelijk Spr. 27:20 en Hab. 2:5.

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘keel’: ook ‘verlangen’.

Het Hebreeuws laat open of ‘haar pracht’ bij Sjeol of bij Jeruzalem hoort. Wij laten ‘haar’ staan.

15Zo wordt de mens gebogen en de man verlaagd, en de ogen van de hoogmoedigen worden verlaagd.
וַיִּשַּׁ֥ח
(vayishach)
en wordt gebogen
אָדָ֖ם
(adam)
de mens
וַיִּשְׁפַּל
(vayishpal)
en wordt verlaagd
אִ֑ישׁ
(ish)
de man
וְעֵינֵ֥י
(veeinei)
en de ogen van
גְבֹהִ֖ים
(gevohim)
hoogmoedigen
תִּשְׁפַּֽלְנָה
(tishpalna)
worden verlaagd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Yahweh van de legermachten wordt verheven door het recht, en de heilige El toont Zich heilig door gerechtigheid.
וַיִּגְבַּ֛ה
(vayigba)
en wordt verheven
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
בַּמִּשְׁפָּ֑ט
(bamishpat)
door het recht
וְהָאֵל֙
(vehael)
en de El
הַקָּד֔וֹשׁ
(haqadosh)
de heilige
נִקְדָּ֖שׁ
(niqdash)
toont Zich heilig
בִּצְדָקָֽה
(bitsdaqa)
door gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאֵל הַקָּדוֹשׁ (ha’El haqqadosh), ‘de heilige El’: El is een naam voor Elohim.

Vergelijk ‘de Heilige van Israël’ in vers 19 en 24.

נִקְדָּשׁ (niqdash), ‘toont Zich heilig’: Hij laat zien dat Hij heilig is.

17Lammeren weiden als op hun weide, en vreemdelingen eten de puinhopen van de vetgemesten.
וְרָע֥וּ
(verau)
en zullen weiden
כְבָשִׂ֖ים
(kevasim)
lammeren
כְּדָבְרָ֑ם
(kedaveram)
als op hun weide
וְחָרְב֥וֹת
(vecharevot)
en puinhopen van
מֵחִ֖ים
(mechim)
vetgemesten
גָּרִ֥ים
(garim)
vreemdelingen
יֹאכֵֽלוּ
(yokhelu)
zullen eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּדָבְרָם (kedovram), ‘als op hun weide’: een moeilijk woord.

De betekenis ‘weide’ is een aanname.

מֵחִים (mechim), ‘vetgemesten’: het woord komt alleen hier voor. Het kunnen vette dieren zijn of rijke mensen.

גָּרִים (garim), ‘vreemdelingen’: mensen die tijdelijk in het land wonen.

Lezing

Dit vers is moeilijk.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

Wij volgen de Masoretische tekst.

Wee over wie het recht verdraait

18Wee hen die de schuld trekken met koorden van ijdelheid, en de zonde als met de touwen van een wagen!
ה֛וֹי
(hoy)
wee
מֹשְׁכֵ֥י
(moshekhei)
die trekken
הֶֽעָוֺ֖ן
(heavon)
de schuld
בְּחַבְלֵ֣י
(bechavlei)
met koorden van
הַשָּׁ֑וְא
(hashave)
de ijdelheid
וְכַעֲב֥וֹת
(vekhaavot)
en als met touwen van
הָעֲגָלָ֖ה
(haagala)
de wagen
חַטָּאָֽה
(chataa)
zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָוֺן (avon), ‘schuld’, en שָׁוְא (shaw’), ‘ijdelheid’: leegte, het nutteloze.

Het beeld is dat zij hun schuld als een last achter zich aan trekken.

19Zij die zeggen: „Laat Hij Zich haasten, laat Hij Zijn werk spoedig doen, zodat wij het zien. Laat het besluit van de Heilige van Israël naderen en komen, zodat wij het weten.”
הָאֹמְרִ֗ים
(haomerim)
die zeggen
יְמַהֵ֧ר
(yemaher)
laat Hij Zich haasten
יָחִ֛ישָׁה
(yachisha)
laat Hij snel doen
מַעֲשֵׂ֖הוּ
(maasehu)
Zijn werk
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
נִרְאֶ֑ה
(nire)
wij zien
וְתִקְרַ֣ב
(vetiqrav)
en laat naderen
וְתָב֗וֹאָה
(vetavoa)
en laat komen
עֲצַ֛ת
(atsat)
het besluit van
קְד֥וֹשׁ
(qedosh)
de Heilige van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וְנֵדָֽעָה
(venedaa)
opdat wij weten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers hoort bij het ‘wee’ van vers 18.

Zij bespotten Yahweh.

עֲצַת (atsat), ‘besluit’: wat Yahweh Zich voorgenomen heeft. Het woord עֵצָה (etsah) vertalen wij met ‘besluit’ als het om Yahweh gaat en met ‘raad’ als het om mensen gaat.

קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra’el), ‘de Heilige van Israël’: een vaste naam voor Yahweh in Jesaja (ook in vers 24).

20Wee hen die het kwade goed noemen en het goede kwaad, die duisternis tot licht maken en licht tot duisternis, die bitter tot zoet maken en zoet tot bitter!
ה֣וֹי
(hoy)
wee
הָאֹמְרִ֥ים
(haomerim)
die zeggen
לָרַ֛ע
(lara)
tegen het kwade
ט֖וֹב
(tov)
goed
וְלַטּ֣וֹב
(velatov)
en tegen het goede
רָ֑ע
(ra)
kwaad
שָׂמִ֨ים
(samim)
die maken
חֹ֤שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
לְאוֹר֙
(leor)
tot licht
וְא֣וֹר
(veor)
en licht
לְחֹ֔שֶׁךְ
(lechoshekh)
tot duisternis
שָׂמִ֥ים
(samim)
die maken
מַ֛ר
(mar)
bitter
לְמָת֖וֹק
(lematoq)
tot zoet
וּמָת֥וֹק
(umatoq)
en zoet
לְמָֽר
(lemar)
tot bitter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Wee hen die wijs zijn in hun eigen ogen en verstandig voor hun eigen gezicht!
ה֖וֹי
(hoy)
wee
חֲכָמִ֣ים
(chakhamim)
wijzen
בְּעֵֽינֵיהֶ֑ם
(beeineihem)
in hun ogen
וְנֶ֥גֶד
(veneged)
en vlak voor
פְּנֵיהֶ֖ם
(peneihem)
hun gezicht
נְבֹנִֽים
(nevonim)
verstandigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Spr. 3:7 en 26:12.

22Wee de helden in het drinken van wijn en de dappere mannen in het mengen van sterke drank!
ה֕וֹי
(hoy)
wee
גִּבּוֹרִ֖ים
(giborim)
helden
לִשְׁתּ֣וֹת
(lishtot)
in het drinken van
יָ֑יִן
(yayin)
wijn
וְאַנְשֵׁי
(veanshei)
en mannen van
חַ֖יִל
(chayil)
kracht
לִמְסֹ֥ךְ
(limsokh)
in het mengen van
שֵׁכָֽר
(shekhar)
sterke drank
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Zij die de goddeloze rechtvaardig verklaren voor een steekpenning en de gerechtigheid van de rechtvaardigen van hen wegnemen!
מַצְדִּיקֵ֥י
(matsdiqei)
die rechtvaardig verklaren
רָשָׁ֖ע
(rasha)
de goddeloze
עֵ֣קֶב
(eqev)
voor
שֹׁ֑חַד
(shochad)
een steekpenning
וְצִדְקַ֥ת
(vetsidqat)
en de gerechtigheid van
צַדִּיקִ֖ים
(tsadiqim)
de rechtvaardigen
יָסִ֥ירוּ
(yasiru)
nemen zij weg
מִמֶּֽנּוּ
(mimenu)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁחַד (shochad), ‘steekpenning’: omkoping van een rechter.

Vergelijk Spr. 17:15.

Daarom: het vuur en een volk uit de verte

24Daarom: zoals een vuurtong stro verteert en droog gras in de vlam wegzakt, zo wordt hun wortel als rotting. Hun bloesem stijgt op als stof. Want zij hebben de wet van Yahweh van de legermachten verworpen en het woord van de Heilige van Israël versmaad.
לָכֵן֩
(lakhen)
daarom
כֶּאֱכֹ֨ל
(keekhol)
zoals verteert
קַ֜שׁ
(qash)
stro
לְשׁ֣וֹן
(leshon)
een tong van
אֵ֗שׁ
(esh)
vuur
וַחֲשַׁ֤שׁ
(vachashash)
en droog gras
לֶֽהָבָה֙
(lehava)
in de vlam
יִרְפֶּ֔ה
(yirpe)
zakt weg
שָׁרְשָׁם֙
(sharesham)
hun wortel
כַּמָּ֣ק
(kamaq)
als rotting
יִֽהְיֶ֔ה
(yihye)
zal zijn
וּפִרְחָ֖ם
(ufircham)
en hun bloesem
כָּאָבָ֣ק
(kaavaq)
als stof
יַעֲלֶ֑ה
(yaale)
stijgt op
כִּ֣י
(ki)
want
מָאֲס֗וּ
(maasu)
zij hebben verworpen
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
תּוֹרַת֙
(torat)
de wet van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
אִמְרַ֥ת
(imrat)
het woord van
קְדֽוֹשׁ
(qedosh)
de Heilige van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
נִאֵֽצוּ
(nietsu)
hebben zij versmaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְשׁוֹן אֵשׁ (leshon esh), ‘vuurtong’: letterlijk ‘tong van vuur’.

חֲשַׁשׁ (chashash), ‘droog gras’: een zeldzaam woord.

מָק (maq), ‘rotting’: wat verrot en zacht wordt.

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderwijs’; wat Yahweh Zijn volk leert en gebiedt.

אִמְרָה (imrah), ‘woord’: wat Hij heeft gezegd.

25Daarom is de toorn van Yahweh tegen Zijn volk ontbrand. Hij strekte Zijn hand tegen hen uit en sloeg hen. De bergen beefden, en hun lijken werden als vuilnis midden op de straten. Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt.
עַל
(al)
over
כֵּ֡ן
(ken)
dit
חָרָה֩
(chara)
ontbrandde
אַף
(af)
de toorn van
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּעַמּ֜וֹ
(beamo)
tegen Zijn volk
וַיֵּ֣ט
(vayet)
en Hij strekte uit
יָד֧וֹ
(yado)
Zijn hand
עָלָ֣יו
(alav)
tegen hen
וַיַּכֵּ֗הוּ
(vayakehu)
en sloeg hen
וַֽיִּרְגְּזוּ֙
(vayirgezu)
en beefden
הֶֽהָרִ֔ים
(heharim)
de bergen
וַתְּהִ֧י
(vatehi)
en werd
נִבְלָתָ֛ם
(nivlatam)
hun lijk
כַּסּוּחָ֖ה
(kasucha)
als vuilnis
בְּקֶ֣רֶב
(beqerev)
midden in
חוּצ֑וֹת
(chutsot)
de straten
בְּכָל
(bekhal)
in al
זֹאת֙
(zot)
dit
לֹא
(lo)
niet
שָׁ֣ב
(shav)
keerde terug
אַפּ֔וֹ
(apo)
Zijn toorn
וְע֖וֹד
(veod)
en nog
יָד֥וֹ
(yado)
Zijn hand
נְטוּיָֽה
(netuya)
uitgestrekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het slot van dit vers is een refrein: ‘Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt.’

Het keert terug in 9:11, 9:16, 9:20 en 10:4.

סוּחָה (suchah), ‘vuilnis’: wat bij het vegen overblijft; het woord komt alleen hier voor.

26Hij heft een banier op voor volken in de verte en fluit hen toe vanaf het einde van de aarde. En zie, haastig en snel komen zij.
וְנָֽשָׂא
(venasa)
en Hij heft op
נֵ֤ס
(nes)
een banier
לַגּוֹיִם֙
(lagoyim)
voor volken
מֵרָח֔וֹק
(merachoq)
uit de verte
וְשָׁ֥רַק
(vesharaq)
en Hij fluit
ל֖וֹ
(lo)
hen toe
מִקְצֵ֣ה
(miqtse)
vanaf het einde van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
מְהֵרָ֖ה
(mehera)
haastig
קַ֥ל
(qal)
snel
יָבֽוֹא
(yavo)
komen zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֵס (nes), ‘banier’: een teken op een heuvel waar het volk zich verzamelt.

Vergelijk Exod. 17:15.

Het Hebreeuws gebruikt hier het enkelvoud (‘hem toe’, ‘hij komt’) als verzamelnaam voor een volk. Wij vertalen het meervoud. Het hoofdstuk noemt dit volk niet bij naam. Vergelijk Deut. 28:49.

27Niemand onder hen is moe en niemand struikelt. Niemand sluimert en niemand slaapt. De gordel om hun heupen wordt niet losgemaakt, en de riem van hun sandalen wordt niet doorgebroken.
אֵין
(ein)
niet is
עָיֵ֤ף
(ayef)
vermoeid
וְאֵין
(veein)
en niet is
כּוֹשֵׁל֙
(koshel)
struikelend
בּ֔וֹ
(bo)
onder hen
לֹ֥א
(lo)
niet
יָנ֖וּם
(yanum)
sluimeren zij
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִישָׁ֑ן
(yishan)
slapen zij
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
נִפְתַּח֙
(niftach)
wordt losgemaakt
אֵז֣וֹר
(ezor)
de gordel van
חֲלָצָ֔יו
(chalatsav)
hun heupen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
נִתַּ֖ק
(nitaq)
wordt doorgebroken
שְׂר֥וֹךְ
(serokh)
de riem van
נְעָלָֽיו
(nealav)
hun sandalen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Hun pijlen zijn scherp, en al hun bogen zijn gespannen. De hoeven van hun paarden worden gerekend als vuursteen, en hun wielen als een stormwind.
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
wier
חִצָּיו֙
(chitsav)
pijlen
שְׁנוּנִ֔ים
(shenunim)
scherp
וְכָל
(vekhal)
en al
קַשְּׁתֹתָ֖יו
(qashetotav)
hun bogen
דְּרֻכ֑וֹת
(derukhot)
gespannen
פַּרְס֤וֹת
(parsot)
hoeven van
סוּסָיו֙
(susav)
hun paarden
כַּצַּ֣ר
(katsar)
als vuursteen
נֶחְשָׁ֔בוּ
(nechshavu)
worden gerekend
וְגַלְגִּלָּ֖יו
(vegalgilav)
en hun wielen
כַּסּוּפָֽה
(kasufa)
als een stormwind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Hun gebrul is als dat van een leeuwin. Zij brullen als jonge leeuwen. Zij grommen, grijpen de prooi en brengen die in veiligheid, en er is geen bevrijder.
שְׁאָגָ֥ה
(sheaga)
gebrul
ל֖וֹ
(lo)
hun
כַּלָּבִ֑יא
(kalavi)
als een leeuwin
יִשְׁאַ֨ג
(yishag)
zij brullen
כַּכְּפִירִ֤ים
(kakefirim)
als jonge leeuwen
וְיִנְהֹם֙
(veyinhom)
en zij grommen
וְיֹאחֵ֣ז
(veyochez)
en zij grijpen
טֶ֔רֶף
(teref)
prooi
וְיַפְלִ֖יט
(veyaflit)
en brengen in veiligheid
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
מַצִּֽיל
(matsil)
bevrijder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לָבִיא (lavi), ‘leeuwin’, en כְּפִיר (kefir), ‘jonge leeuw’: twee woorden voor leeuwen.

נָהַם (naham), ‘grommen’: het diepe geluid van een leeuw. In vers 30 staat het ook van de zee.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is וְשָׁאַג (vesha’ag), ‘en hij brult’.

De te lezen vorm (qere) is יִשְׁאַג (yish’ag), ‘hij brult’.

Wij volgen de qere.

30Op die dag grommen zij over hen als het gegrom van de zee. Men kijkt naar het land, en zie: duisternis en benauwdheid. Het licht is donker geworden door haar wolken.
וְיִנְהֹ֥ם
(veyinhom)
en zij grommen
עָלָ֛יו
(alav)
over hen
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
כְּנַהֲמַת
(kenahamat)
als het gegrom van
יָ֑ם
(yam)
de zee
וְנִבַּ֤ט
(venibat)
en men kijkt
לָאָ֨רֶץ֙
(laarets)
naar het land
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
חֹ֔שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
צַ֣ר
(tsar)
benauwdheid
וָא֔וֹר
(vaor)
en het licht
חָשַׁ֖ךְ
(chashakh)
is donker geworden
בַּעֲרִיפֶֽיהָ
(baarifeiha)
door haar wolken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּעֲרִיפֶיהָ (ba’arifeha), ‘door haar wolken’: het woord is zeldzaam en betekent waarschijnlijk ‘wolken’ (letterlijk wat druipt).

De zin kan ook zijn: ‘het licht is donker, in haar wolken’.