Als je terugkeert, Israël: de vijand komt uit het noorden
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Als je terugkeert, Israël
1„Als je terugkeert, Israël, godsspraak van Yahweh, mag je naar Mij terugkeren. En als je je gruwelbeelden van voor Mij wegdoet, hoef je niet te dwalen.
אִם
(im)
als
תָּשׁ֨וּב
(tashuv)
je keert terug
יִשְׂרָאֵ֧ל
(yisrael)
Israël
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֖י
(elay)
naar Mij
תָּשׁ֑וּב
(tashuv)
zul je terugkeren
וְאִם
(veim)
en als
תָּסִ֧יר
(tasir)
je verwijdert
שִׁקּוּצֶ֛יךָ
(shiqutseikha)
je gruwelbeelden
מִפָּנַ֖י
(mipanay)
van voor Mij
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תָנֽוּד
(tanud)
zul je dwalen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שִׁקּוּצֶיךָ (shiqqutsekha), ‘je gruwelbeelden’: het woord שִׁקּוּץ (shiqquts) staat voor een afschuwelijk afgodsbeeld of afgodsdienst.
Het is verwant aan het woord voor wat onrein is.
תָנוּד (tanud), ‘zul je dwalen’: het werkwoord נוּד (nud) betekent ‘zwerven, rondzwerven’. Wie zich bekeert, hoeft niet meer te zwerven.
De rede loopt door vanuit Jer. 3. Yahweh antwoordt het gebed van Jer. 3:22–25.
4Laat je besnijden voor Yahweh en verwijder de voorhuid van jullie hart, mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem. Anders gaat Mijn grimmigheid uit als vuur en brandt zij, en niemand kan blussen, vanwege het kwaad van jullie daden.”
הִמֹּ֣לוּ
(himolu)
laat jullie besnijden
לַיהֹוָ֗ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְהָסִ֨רוּ֙
(vehasiru)
en verwijdert
עָרְל֣וֹת
(arelot)
voorhuiden van
לְבַבְכֶ֔ם
(levavkhem)
jullie hart
אִ֥ישׁ
(ish)
mannen van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וְיֹשְׁבֵ֣י
(veyoshevei)
en inwoners van
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
פֶּן
(pen)
anders
תֵּצֵ֨א
(tetse)
gaat uit
כָאֵ֜שׁ
(kaesh)
als vuur
חֲמָתִ֗י
(chamati)
Mijn grimmigheid
וּבָעֲרָה֙
(uvaara)
en brandt
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet is
מְכַבֶּ֔ה
(mekhabe)
een blusser
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
vanwege
רֹ֥עַ
(roa)
het kwaad van
מַעַלְלֵיכֶֽם
(maalleikhem)
jullie daden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
הִמֹּלוּ (himmolu), ‘laat je besnijden’: de besnijdenis van het lichaam (Gen. 17:10) moet worden aangevuld met besnijdenis van het hart, zoals in Deut. 10:16.
Wij vertalen letterlijk ‘verwijder de voorhuid van jullie hart’.
Zie ook Lev. 26:41.
חֲמָתִי (chamati), ‘Mijn grimmigheid’: zoals in Jes. 63:3.
5Maak het bekend in Juda en laat het horen in Jeruzalem. Zeg: ‘Blaas de ramshoorn in het land!’ Roep luid en zeg: ‘Verzamel jullie, en laten wij naar de versterkte steden gaan.’
הַגִּ֣ידוּ
(hagidu)
maakt bekend
בִֽיהוּדָ֗ה
(bihuda)
in Juda
וּבִירוּשָׁלִַ֨ם֙
(uvirushaliam)
en in Jeruzalem
הַשְׁמִ֔יעוּ
(hashmiu)
laat horen
וְאִמְר֕וּ
(veimru)
en zegt
תִּקְע֥וּ
(tiqu)
blaast
שׁוֹפָ֖ר
(shofar)
ramshoorn
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
in het land
קִרְא֤וּ
(qiru)
roept
מַלְאוּ֙
(malu)
luid
וְאִמְר֔וּ
(veimru)
en zegt
הֵאָסְפ֥וּ
(heasefu)
verzamelt jullie
וְנָב֖וֹאָה
(venavoa)
en laten wij gaan
אֶל
(el)
naar
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
הַמִּבְצָֽר
(hamivtsar)
de versterkte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’: een hoorn die als signaal wordt geblazen, hier als alarm voor oorlog.
Zie ook vers 19 en 21.
מַלְאוּ (male’u), ‘luid’: het werkwoord מָלֵא (male) betekent ‘vol zijn’. Roepen ‘met volle stem’ is luid roepen.
Lezing
In de geschreven tekst staat ותקעו (utqe’u), ‘en blaas’; de overlevering leest תִּקְעוּ (tiqe’u), ‘blaas’.
7Een leeuw is opgekomen uit zijn struikgewas. Een verwoester van volken is opgebroken. Hij is uitgegaan van zijn plaats om je land tot een woestenij te maken. Je steden worden verwoest, zonder bewoner.
עָלָ֤ה
(ala)
is opgekomen
אַרְיֵה֙
(arye)
leeuw
מִֽסֻּבְּכ֔וֹ
(misubekho)
uit zijn struikgewas
וּמַשְׁחִ֣ית
(umashchit)
en verwoester van
גּוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
נָסַ֖ע
(nasa)
is opgebroken
יָצָ֣א
(yatsa)
is uitgegaan
מִמְּקֹמ֑וֹ
(mimeqomo)
van zijn plaats
לָשׂ֤וּם
(lasum)
om te maken
אַרְצֵךְ֙
(artsekh)
je land
לְשַׁמָּ֔ה
(leshama)
tot een woestenij
עָרַ֥יִךְ
(arayikh)
je steden
תִּצֶּ֖ינָה
(titseina)
zullen verwoest worden
מֵאֵ֥ין
(meein)
zonder
יוֹשֵֽׁב
(yoshev)
bewoner
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַרְיֵה (aryeh), ‘leeuw’: beeld van een vijandelijke koning of leger.
Een naam wordt niet genoemd.
וּמַשְׁחִית גּוֹיִם (umashchit goyim), ‘een verwoester van volken’: iemand die volken ten onder brengt. Hij is opgebroken (נָסַע, nasa), zoals een legerkamp wordt opgebroken om op te trekken.
9„Het zal gebeuren op die dag, godsspraak van Yahweh: het hart van de koning zal vergaan en het hart van de oversten. De priesters zullen ontzet zijn en de profeten zullen verstomd staan.”
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en het zal zijn
בַיּוֹם
(bayom)
op dag
הַהוּא֙
(hahu)
die
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
יֹאבַ֥ד
(yovad)
zal vergaan
לֵב
(lev)
hart van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְלֵ֣ב
(velev)
en hart van
הַשָּׂרִ֑ים
(hasarim)
de oversten
וְנָשַׁ֨מּוּ֙
(venashamu)
en zullen ontzet zijn
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַנְּבִיאִ֖ים
(vehaneviim)
en de profeten
יִתְמָֽהוּ
(yitmahu)
zullen verstomd staan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יֹאבַד לֵב (yoved lev), ‘het hart zal vergaan’: het hart verliest zijn moed.
De leiders staan versteld; hun woorden zijn waardeloos geworden.
De priesters en profeten, die vrede beloofden (vers 10), staan verstomd.
10Toen zei ik: „Ach, Heer Yahweh! U hebt dit volk en Jeruzalem werkelijk bedrogen, door te zeggen: ‘Vrede zal er voor jullie zijn’, terwijl het zwaard tot aan de ziel reikt.”
וָאֹמַ֞ר
(vaomar)
en ik zei
אֲהָ֣הּ
(ahah)
ach
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אָכֵן֩
(akhen)
werkelijk
הַשֵּׁ֨א
(hashe)
zeker
הִשֵּׁ֜אתָ
(hisheta)
U hebt bedrogen
לָעָ֤ם
(laam)
het volk
הַזֶּה֙
(haze)
dit
וְלִירוּשָׁלִַ֣ם
(velirushaliam)
en Jeruzalem
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
door te zeggen
שָׁל֖וֹם
(shalom)
vrede
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
וְנָגְעָ֥ה
(venagea)
terwijl het reikt
חֶ֖רֶב
(cherev)
zwaard
עַד
(ad)
tot
הַנָּֽפֶשׁ
(hanafesh)
de ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
11In die tijd zal tegen dit volk en tegen Jeruzalem gezegd worden: ‘Een gloeiende wind van de kale heuvels in de woestijn, op weg naar de Dochter van mijn volk. Niet om te wannen en niet om te zuiveren.’
בָּעֵ֣ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֗יא
(hahi)
die
יֵאָמֵ֤ר
(yeamer)
zal gezegd worden
לָֽעָם
(laam)
aan het volk
הַזֶּה֙
(haze)
dit
וְלִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(velirushaliam)
en aan Jeruzalem
ר֣וּחַ
(ruach)
wind
צַ֤ח
(tsach)
gloeiende
שְׁפָיִים֙
(shefayim)
kale heuvels
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
weg naar
בַּת
(bat)
dochter van
עַמִּ֑י
(ami)
mijn volk
ל֥וֹא
(lo)
niet
לִזְר֖וֹת
(lizrot)
om te wannen
וְל֥וֹא
(velo)
en niet
לְהָבַֽר
(lehavar)
om te zuiveren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
רוּחַ צַח (ruach tsach), ‘gloeiende wind’: een hete woestijnwind.
Deze wind is niet bedoeld om te wannen (om het kaf van het graan te scheiden) of te zuiveren: hij komt als een oordeel.
בַּת־עַמִּי (bat ammi), ‘Dochter van mijn volk’: Jeremia noemt Juda zo; vergelijk Jes. 22:4. Het is de profeet die hier spreekt.
16Maak het bekend aan de volken. Zie, laat het horen over Jeruzalem: belegeraars komen uit een ver land. Zij laten hun stem horen tegen de steden van Juda.
הַזְכִּ֣ירוּ
(hazkiru)
herinnert
לַגּוֹיִ֗ם
(lagoyim)
de volken
הִנֵּה֙
(hine)
zie
הַשְׁמִ֣יעוּ
(hashmiu)
laat horen
עַל
(al)
over
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
נֹצְרִ֥ים
(notserim)
belegeraars
בָּאִ֖ים
(baim)
komen
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land
הַמֶּרְחָ֑ק
(hamerchaq)
het verre
וַֽיִּתְּנ֛וּ
(vayitenu)
en laten horen
עַל
(al)
tegen
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
קוֹלָֽם
(qolam)
hun stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
19Mijn ingewanden, mijn ingewanden! Ik kronkel van pijn. De wanden van mijn hart! Mijn hart bonst in mij. Ik kan niet zwijgen, want je hebt het geluid van de ramshoorn gehoord, mijn ziel, het alarm van de oorlog.
מֵעַ֣י
(meay)
mijn ingewanden
מֵעַ֨י
(meay)
mijn ingewanden
אוֹחִ֜ילָה
(ochila)
ik kronkel van pijn
קִיר֥וֹת
(qirot)
wanden van
לִבִּ֛י
(libi)
mijn hart
הֹֽמֶה
(home)
bonst
לִּ֥י
(li)
in mij
לִבִּ֖י
(libi)
mijn hart
לֹ֣א
(lo)
niet
אַחֲרִ֑ישׁ
(acharish)
ik kan zwijgen
כִּ֣י
(ki)
want
ק֤וֹל
(qol)
geluid van
שׁוֹפָר֙
(shofar)
ramshoorn
שָׁמַ֣עַתְּ
(shamaat)
je hebt gehoord
נַפְשִׁ֔י
(nafshi)
mijn ziel
תְּרוּעַ֖ת
(teruat)
alarm van
מִלְחָמָֽה
(milchama)
oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מֵעַי (me’ai), ‘mijn ingewanden’: het diepste van het lichaam.
De profeet voelt de ramp lichamelijk.
Hij kan niet zwijgen (vergelijk Jer. 20:9).
Lezing
In de geschreven tekst staat שמעתי (shamati), ‘ik heb gehoord’; de overlevering leest שָׁמַעַתְּ (shama’t), ‘je hebt gehoord’, gericht tot ‘mijn ziel’.
20Ondergang op ondergang wordt uitgeroepen, want heel het land is verwoest. Plotseling zijn mijn tenten verwoest, in een oogwenk mijn tentkleden.
שֶׁ֤בֶר
(shever)
ondergang
עַל
(al)
op
שֶׁ֨בֶר֙
(shever)
ondergang
נִקְרָ֔א
(niqra)
wordt uitgeroepen
כִּ֥י
(ki)
want
שֻׁדְּדָ֖ה
(shudeda)
is verwoest
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
פִּתְאֹם֙
(pitom)
plotseling
שֻׁדְּד֣וּ
(shudedu)
zijn verwoest
אֹהָלַ֔י
(ohalay)
mijn tenten
רֶ֖גַע
(rega)
in een oogwenk
יְרִיעֹתָֽי
(yeriotay)
mijn tentkleden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֶׁבֶר עַל־שֶׁבֶר (sheber al sheber), ‘ondergang op ondergang’: de ene ramp volgt de andere.
Zie ook vers 6.
אֹהָלַי (ohalai), ‘mijn tenten’ en יְרִיעֹתָי (yeri’otai), ‘mijn tentkleden’: de tent is hier het beeld van het land en de bewoning. Zie ook Jer. 10:20.
22„Want Mijn volk is dwaas. Mij kennen zij niet. Het zijn dwaze kinderen en zij zijn niet verstandig. Wijs zijn zij om kwaad te doen, maar om goed te doen weten zij niet.”
כִּ֣י
(ki)
want
אֱוִ֣יל
(evil)
dwaas
עַמִּ֗י
(ami)
Mijn volk
אוֹתִי֙
(oti)
Mij
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדָ֔עוּ
(yadau)
kennen zij
בָּנִ֤ים
(banim)
kinderen
סְכָלִים֙
(sekhalim)
dwaze
הֵ֔מָּה
(hema)
zij
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
נְבוֹנִ֖ים
(nevonim)
verstandige
הֵ֑מָּה
(hema)
zij
חֲכָמִ֥ים
(chakhamim)
wijzen
הֵ֨מָּה֙
(hema)
zij
לְהָרַ֔ע
(lehara)
om kwaad te doen
וּלְהֵיטִ֖יב
(uleheitiv)
en om goed te doen
לֹ֥א
(lo)
niet
יָדָֽעוּ
(yadau)
weten zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱוִיל (evil), ‘dwaas’: iemand die niet naar wijsheid luistert.
Het is het woord uit Spr. 1:7.
Het gaat om een tegenstelling: zij zijn wijs in kwaad doen, maar niet in goed doen.
28Daarom rouwt het land en worden de hemelen boven donker, „omdat Ik gesproken heb, Ik heb het besloten. Ik heb Mij niet laten rouwen en Ik keer er niet van terug.”
עַל
(al)
over
זֹאת֙
(zot)
dit
תֶּאֱבַ֣ל
(teeval)
rouwt
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְקָדְר֥וּ
(veqaderu)
en worden donker
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemelen
מִמָּ֑עַל
(mimaal)
van boven
עַ֤ל
(al)
omdat
כִּי
(ki)
dat
דִבַּ֨רְתִּי֙
(dibarti)
Ik heb gesproken
זַמֹּ֔תִי
(zamoti)
Ik heb besloten
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
נִחַ֖מְתִּי
(nichamti)
Ik heb Mij laten rouwen
וְלֹא
(velo)
en niet
אָשׁ֥וּב
(ashuv)
keer Ik terug
מִמֶּֽנָּה
(mimena)
ervan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִחַמְתִּי (nichamti), ‘Ik heb Mij laten rouwen’: het werkwoord נָחַם (nacham) in de lijdende vorm.
Het kan ook ‘spijt hebben’ betekenen.
Hier zegt Yahweh dat Hij Zich niet zal laten ompraten.
זַמֹּתִי (zamoti), ‘Ik heb het besloten’: het werkwoord זָמַם (zamam) betekent ‘van plan zijn, overleggen’. De zin ‘Ik heb gesproken, Ik heb het besloten’ staat rood: het zijn de woorden van Yahweh Zelf. De eerste helft van het vers is van de profeet.
29Bij het geluid van ruiter en boogschutter vlucht heel de stad. Zij gaan het struikgewas in en klimmen op de rotsen. Heel de stad is verlaten: niemand woont erin.
מִקּ֨וֹל
(miqol)
van het geluid van
פָּרָ֜שׁ
(parash)
ruiter
וְרֹ֣מֵה
(verome)
en schutter van
קֶ֗שֶׁת
(qeshet)
boog
בֹּרַ֨חַת֙
(borachat)
vlucht
כָּל
(kal)
heel
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
בָּ֚אוּ
(bau)
zijn gegaan
בֶּעָבִ֔ים
(beavim)
in het struikgewas
וּבַכֵּפִ֖ים
(uvakefim)
en in de rotsen
עָל֑וּ
(alu)
zijn geklommen
כָּל
(kal)
heel
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
עֲזוּבָ֔ה
(azuva)
verlaten
וְאֵין
(veein)
en niet is
יוֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
bewoner
בָּהֵ֖ן
(bahen)
daarin
אִֽישׁ
(ish)
man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֶּעָבִים (ba’avim), ‘in het struikgewas’: het woord עָב (av) betekent ‘dichte wolk’ en hier ‘dicht struikgewas’.
De bewoners vluchten naar plaatsen waar ze zich kunnen verbergen.
רֹמֵה קֶשֶׁת (romeh qeshet), ‘boogschutter’: iemand die de boog spant.
30En jij, verwoeste, wat doe je? Al kleed je je in scharlaken, al sier je je met gouden sieraden, al scheur je je ogen open met kohl: tevergeefs maak je je mooi. De minnaars verachten je. Zij zoeken je leven.
וְאַ֨תְּ
(veat)
en jij
שָׁד֜וּד
(shadud)
verwoeste
מַֽה
(ma)
wat
תַּעֲשִׂ֗י
(taasi)
doe je
כִּֽי
(ki)
dat
תִלְבְּשִׁ֨י
(tilbeshi)
je kleedt
שָׁנִ֜י
(shani)
scharlaken
כִּי
(ki)
dat
תַעְדִּ֣י
(tadi)
je siert
עֲדִי
(adi)
sieraad van
זָהָ֗ב
(zahav)
goud
כִּֽי
(ki)
dat
תִקְרְעִ֤י
(tiqrei)
je openscheurt
בַפּוּךְ֙
(bapukh)
met kohl
עֵינַ֔יִךְ
(einayikh)
je ogen
לַשָּׁ֖וְא
(lashave)
tevergeefs
תִּתְיַפִּ֑י
(tityapi)
maak je je mooi
מָאֲסוּ
(maasu)
verachten
בָ֥ךְ
(bakh)
jou
עֹגְבִ֖ים
(ogevim)
minnaars
נַפְשֵׁ֥ךְ
(nafshekh)
je leven
יְבַקֵּֽשׁוּ
(yevaqeshu)
zoeken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פּוּךְ (pukh), ‘kohl’: een zwarte oogverf, vergelijk 2 Kon. 9:30.
De ogen worden groter gemaakt voor de schoonheid.
De ‘verwoeste’ stad maakt zich mooi voor haar minnaars.
Zij zullen haar echter verachten; zij zoeken haar leven.
עֹגְבִים (agavim), ‘minnaars’: zij zijn de volken met wie Juda verbonden is.
31Want ik hoorde een stem als van een vrouw die ziek is, een benauwdheid als van een vrouw die haar eerste kind baart. Het is de stem van de Dochter Sion: zij snakt naar adem en spreidt haar handen uit. ‘Wee mij, want mijn ziel bezwijkt voor de moordenaars.’
כִּי֩
(ki)
want
ק֨וֹל
(qol)
stem
כְּחוֹלָ֜ה
(kechola)
als van een zieke
שָׁמַ֗עְתִּי
(shamati)
ik hoorde
צָרָה֙
(tsara)
benauwdheid
כְּמַבְכִּירָ֔ה
(kemavkira)
als van een die voor het eerst baart
ק֧וֹל
(qol)
stem van
בַּת
(bat)
dochter van
צִיּ֛וֹן
(tsiyon)
Sion
תִּתְיַפֵּ֖חַ
(tityapeach)
zij snakt naar adem
תְּפָרֵ֣שׂ
(tefares)
zij spreidt uit
כַּפֶּ֑יהָ
(kapeiha)
haar handen
אֽוֹי
(oy)
wee
נָ֣א
(na)
toch
לִ֔י
(li)
mij
כִּֽי
(ki)
want
עָיְפָ֥ה
(ayefa)
bezwijkt
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
mijn ziel
לְהֹרְגִֽים
(lehoregim)
voor de moordenaars
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
כְּמַבְכִּירָה (kemavkhirah), ‘als een vrouw die haar eerste kind baart’: de eerste bevalling is het zwaarst.
Het beeld: de Dochter Sion kreunt van pijn.
בַּת־צִיּוֹן (bat Tsiyyon), ‘Dochter Sion’: Jeruzalem en haar inwoners als een jonge vrouw voorgesteld; zie ook Jes. 1:8.