1 Johannes 3
Kinderen van Elohim; liefde in daad en waarheid
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Kinderen van Elohim
ποταπὴν ἀγάπην (potapen agapen), ‘welke liefde’: een liefde van een bijzondere soort. τέκνα θεοῦ (tekna theou), ‘kinderen van Elohim’: het woord τέκνον (teknon) is hier ‘kind’ als verwant van de ouder, zoals in Joh. 1:12.
‘Hem’ in het slot is waarschijnlijk de Vader.
De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden ‘en dat zijn wij’ en bij het woord ‘ons’ (ἡμᾶς); wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Joh. 1:12.
φανερόω (faneroo), ‘zichtbaar worden’: zie 1:2 en 2:28.
Het onderwerp van ‘zichtbaar wordt’ is Yeshua (zoals in 2:28); het Grieks kan ook ‘wanneer het zichtbaar wordt’ bedoelen. ὅμοιοι (homoioi), ‘gelijk’.
‘Hem zien zoals Hij is’: de brief zegt niet hoe dit zal zijn.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het woord ‘wij weten’ (οἴδαμεν); wij volgen de SBLGNT.
ἁγνίζω (hagnizo), ‘zuiveren’, en ἁγνός (hagnos), ‘zuiver’: wij houden dit apart van καθαρίζω (katharizo), ‘reinigen’ (1:7, 1:9). ἐλπίς (elpis), ‘hoop’. ἐκεῖνος (ekeinos), ‘Hij’: Yeshua, zie 2:6.
Zonde en wetteloosheid
ἀνομία (anomia), ‘wetteloosheid’: letterlijk ‘zonder wet zijn’.
Het Griekse woord voor zonde (ἁμαρτία, hamartia) wordt hier met ἀνομία gelijkgesteld; het Grieks heeft bij beide het lidwoord (‘de zonde is de wetteloosheid’).
αἴρω (airo), ‘wegnemen’: hetzelfde werkwoord als in Joh. 1:29, ‘Het Lam van Elohim dat de zonde van de wereld wegneemt’. ἐκεῖνος (ekeinos), ‘Hij’: Yeshua.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het woord ‘zonden’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Joh. 1:29.
ἁμαρτάνει (hamartanei), ‘zondigt’: het Grieks heeft de tegenwoordige tijd, die een voortdurende of herhaalde handeling kan aanduiden.
Wij vertalen letterlijk en laten de uitleg open; vergelijk 1:8–10 en 2:1.
τεκνία (teknia), ‘kinderen’: zie 2:1. πλανάω (planao), ‘misleiden’: zie 1:8.
‘Hij’ in het slot is Yeshua (ἐκεῖνος).
διάβολος (diabolos), ‘duivel’: letterlijk ‘beschuldiger’. ἀπ’ ἀρχῆς (ap’ arches), ‘vanaf het begin’: dit ‘begin’ is hier niet hetzelfde als in 1:1; de tekst zegt niet precies wanneer de duivel begon te zondigen. λύω (lyo), ‘teniet doen’: letterlijk ‘losmaken’, ‘ontbinden’. ὁ υἱὸς τοῦ θεοῦ (ho huios tou theou), ‘de Zoon van Elohim’.
γεγεννημένος (gegennemenos), ‘verwekt’: zie 2:29. σπέρμα (sperma), ‘zaad’: het Griekse woord betekent ook ‘nakomelingen’.
Wat met ‘Zijn zaad’ bedoeld wordt zegt de tekst niet. οὐ δύναται ἁμαρτάνειν (ou dynatai hamartanein), ‘hij kan niet zondigen’: het werkwoord staat in de tegenwoordige tijd, zoals in vers 6.
φανερός (faneros), ‘openbaar’: zichtbaar.
Het slot ‘en ook wie zijn broer niet liefheeft’ lezen wij als tweede kenmerk van wie niet uit Elohim is.
Elkaar liefhebben
Kaïn (Κάϊν, Kain): zie Gen. 4:1–16. σφάζω (sfazo), ‘afslachten’: met geweld doden.
‘De boze’ (ὁ πονηρός, ho poneros) is hier waarschijnlijk de duivel uit vers 8; vergelijk 2:13.
Zie ook Gen. 4:3; Gen. 4:8.
ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: het Griekse woord omvat ook de zusters in de gemeente.
Vergelijk Joh. 15:18–19, waar Yeshua zegt dat de wereld hen haat.
De SBLGNT markeert hier varianten bij het woord ‘niet’ (μή) en bij het woord ‘broers’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Joh. 15:18–19.
μεταβαίνω (metabaino), ‘overgaan’: van de ene plaats naar de andere gaan; hetzelfde werkwoord als in Joh. 5:24, ‘van de dood overgegaan in het leven’.
‘De broers’: de medegelovigen, zie 2:9.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het woord ‘liefheeft’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Joh. 5:24.
ἀνθρωποκτόνος (anthropoktonos), ‘mensendoder’: letterlijk ‘doder van een mens’.
Hetzelfde woord staat in Joh. 8:44, van de duivel.
Haten en doden worden hier gelijkgesteld; vergelijk Matt. 5:21–22.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het woord ‘hem’ (αὐτῷ); wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Joh. 8:44; Matt. 5:21–22.
ψυχή (psyche), ‘leven’: zie Joh. 10:11. τίθημι (tithemi), ‘neerleggen’: ‘Zijn leven neerleggen’, zoals in Joh. 10:11, 10:15, 10:17 en 15:13.
‘Hij’ is Yeshua (ἐκεῖνος).
De SBLGNT markeert hier een variant bij het werkwoord ‘neer te leggen’ (θεῖναι); wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Joh. 10:11; Joh. 15:13.
λόγῳ μηδὲ τῇ γλώσσῃ (logo mede te glosse), ‘met woorden of met de tong’: het Grieks heeft ‘met het woord’ en ‘met de tong’. ἔργῳ (ergo), ‘daad’: letterlijk ‘werk’.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het woord ‘kinderen’ (Τεκνία); wij volgen de SBLGNT.
Vrijmoedigheid bij Elohim
De verzen 19–20 vormen één Griekse zin; vers 21 begint een nieuwe zin, die in vers 22 doorloopt. πείθω (peitho), ‘overtuigen’: hier ‘geruststellen’, het hart tot rust brengen. ἔμπροσθεν αὐτοῦ (emprosthen autou), ‘voor Hem’: in Zijn tegenwoordigheid.
De SBLGNT markeert hier varianten bij het woord ‘hieraan’ (ἐν), bij ‘wij zullen weten’ (γνωσόμεθα) en bij de woorden ‘het hart’; wij volgen de SBLGNT.
Het Grieks heeft twee keer ὅτι (hoti): ‘want/dat als ons hart ons veroordeelt, dat Elohim groter is dan ons hart’.
Het eerste ὅτι kan ook het slot van vers 19 voortzetten (‘wat ons hart ons ook verwijt’). καταγινώσκω (katagignosko), ‘veroordelen’: letterlijk ‘tegen iemand weten’.
‘Hij kent alles’: dezelfde Elohim die het hart doorziet.
παρρησία (parresia), ‘vrijmoedigheid’: zie 2:28.
De SBLGNT markeert hier een variant bij de woorden ‘niet veroordeelt ons’; wij volgen de SBLGNT.
ἀρεστά (aresta), ‘wat welgevallig is’: wat Hem behaagt.
Vergelijk Joh. 14:13–14 en Joh. 15:7.
De SBLGNT markeert hier varianten bij het woord ‘ook maar’ (ἐάν) en bij het voorzetsel ‘van’ (ἀπ’); wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Joh. 14:13–14; Joh. 15:7.
πιστεύω (pisteuo), ‘geloven’: hier met een datief, ‘de naam geloven’; wij schrijven ‘geloven in de naam’.
‘Zijn gebod’ is enkelvoud: één gebod met twee delen, geloven en elkaar liefhebben.
Vergelijk Joh. 13:34.
De SBLGNT markeert hier varianten bij het werkwoord ‘wij geloven’ (πιστεύσωμεν) en bij het woord ‘ons’ (ἡμῖν); wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Joh. 13:34.
μένω (meno), ‘blijven’: zie 2:6.
‘Hij in hem’: waarschijnlijk Elohim, die blijft in wie Zijn geboden onderhoudt. ἐκ τοῦ πνεύματος (ek tou pneumatos), ‘uit de Geest’: dit is de eerste keer dat de brief de Geest noemt.
Vergelijk 4:13.