Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een man van Elohim komt uit Juda naar Betel
1Zie, een man van Elohim kwam uit Juda naar Betel, door het woord van Yahweh. Jerobeam stond bij het altaar om offers in rook te laten opgaan.
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
בָּ֧א
(ba)
kwam
מִיהוּדָ֛ה
(mihuda)
uit Juda
בִּדְבַ֥ר
(bidvar)
door het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
naar
בֵּֽית
(beit)
Bet
אֵ֑ל
(el)
El
וְיָרָבְעָ֛ם
(veyaraveam)
en Jerobeam
עֹמֵ֥ד
(omed)
stond
עַל
(al)
bij
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
לְהַקְטִֽיר
(lehaqtir)
om te laten opgaan in rook
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Betel (בֵּית־אֵל, Bet-El) ligt bij Beitin op de Westelijke Jordaanoever, aan de grens tussen Juda en het noordelijke rijk.
Zie 12:29–33.
Uitleg
אִישׁ אֱלֹהִים (ish Elohim), ‘man van Elohim’: een profeet die door Yahweh gestuurd is.
Zijn naam wordt niet genoemd.
In dit hoofdstuk staat ‘door het woord van Yahweh’ (בִּדְבַר יְהוָה, bidvar Yahweh) bij zijn opdracht (13:1, 13:2, 13:5, 13:9, 13:17, 13:32).
2Hij riep tegen het altaar, door het woord van Yahweh. Hij zei: „Altaar, altaar! Zo zegt Yahweh: ‘Zie, aan het huis van David wordt een zoon geboren, Josia is zijn naam. Hij zal op jou de priesters van de hoogten slachten, die op jou offers in rook laten opgaan. Men zal op jou mensenbeenderen verbranden.’”
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en riep
עַל
(al)
tegen
הַמִּזְבֵּ֨חַ֙
(hamizbeach)
het altaar
בִּדְבַ֣ר
(bidvar)
door het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
מִזְבֵּ֣חַ
(mizbeach)
altaar
מִזְבֵּ֔חַ
(mizbeach)
altaar
כֹּ֖ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנֵּֽה
(hine)
zie
בֵ֞ן
(ben)
zoon
נוֹלָ֤ד
(nolad)
wordt geboren
לְבֵית
(leveit)
aan het huis van
דָּוִד֙
(david)
David
יֹאשִׁיָּ֣הוּ
(yoshiyahu)
Josia
שְׁמ֔וֹ
(shemo)
is zijn naam
וְזָבַ֣ח
(vezavach)
en hij zal slachten
עָלֶ֗יךָ
(aleikha)
op jou
אֶת
(et)
(obj.)
כֹּהֲנֵ֤י
(kohanei)
priesters van
הַבָּמוֹת֙
(habamot)
de hoogten
הַמַּקְטִרִ֣ים
(hamaqtirim)
die laten opgaan in rook
עָלֶ֔יךָ
(aleikha)
op jou
וְעַצְמ֥וֹת
(veatsmot)
en beenderen van
אָדָ֖ם
(adam)
mensen
יִשְׂרְפ֥וּ
(yisrefu)
zal men verbranden
עָלֶֽיךָ
(aleikha)
op jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יֹאשִׁיָּהוּ (Yoshiyahu), ‘Josia’: de naam wordt lang van tevoren genoemd.
De vervulling staat in 2 Kon. 23:15–20.
Wij zetten de woorden van de man van Elohim in zwart, met enkele aanhalingstekens bij ‘Zo zegt Yahweh’, omdat hij Yahweh citeert (zoals Natan in 2 Sam. 7:5).
4De koning hoorde het woord van de man van Elohim, dat hij tegen het altaar in Betel riep. Toen strekte Jerobeam zijn hand uit, weg van het altaar. Hij zei: „Grijp hem!” Zijn hand, die hij tegen hem uitgestrekt had, verdorde. Hij kon haar niet meer terugbrengen.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
כִשְׁמֹ֨עַ
(kishmoa)
toen hoorde
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבַ֣ר
(devar)
woord van
אִישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
de Elohim
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
קָרָ֤א
(qara)
riep
עַל
(al)
tegen
הַמִּזְבֵּ֨חַ֙
(hamizbeach)
het altaar
בְּבֵֽית
(beveit)
in Bet
אֵ֔ל
(el)
El
וַיִּשְׁלַ֨ח
(vayishlach)
en strekte uit
יָרָבְעָ֧ם
(yaraveam)
Jerobeam
אֶת
(et)
(obj.)
יָד֛וֹ
(yado)
zijn hand
מֵעַ֥ל
(meal)
van op
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
לֵאמֹ֣ר
(lemor)
zeggende
תִּפְשֻׂ֑הוּ
(tifsuhu)
grijp hem
וַתִּיבַ֤שׁ
(vativash)
en verdorde
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שָׁלַ֣ח
(shalach)
hij had uitgestrekt
עָלָ֔יו
(alav)
tegen hem
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָכֹ֖ל
(yakhol)
kon
לַהֲשִׁיבָ֥הּ
(lahashivah)
haar terugbrengen
אֵלָֽיו
(elav)
naar hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.
Uitleg
וַתִּיבַשׁ (vattivash), ‘en zij verdorde’: de hand werd stijf en droog, zodat hij niet meer kon bewegen.
Het Hebreeuws heeft het werkwoord ‘terugbrengen’: hij kon de hand niet meer naar zich toe halen.
5Het altaar scheurde open en de as werd van het altaar uitgestort. Dat gebeurde volgens het teken dat de man van Elohim door het woord van Yahweh gegeven had.
וְהַמִּזְבֵּ֣חַ
(vehamizbeach)
en het altaar
נִקְרָ֔ע
(niqra)
scheurde open
וַיִּשָּׁפֵ֥ךְ
(vayishafekh)
en werd uitgestort
הַדֶּ֖שֶׁן
(hadeshen)
de as
מִן
(min)
van
הַמִּזְבֵּ֑חַ
(hamizbeach)
het altaar
כַּמּוֹפֵ֗ת
(kamofet)
volgens het teken
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
נָתַ֛ן
(natan)
gaf
אִ֥ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
בִּדְבַ֥ר
(bidvar)
door het woord van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6De koning antwoordde en zei tegen de man van Elohim: „Smeek toch om het aangezicht van Yahweh, je Elohim, en bid voor mij, dat mijn hand naar mij terugkeert.” De man van Elohim smeekte om het aangezicht van Yahweh. De hand van de koning keerde naar hem terug en werd zoals eerst.
וַיַּ֨עַן
(vayaan)
en antwoordde
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
Elohim
חַל
(chal)
smeek
נָ֞א
(na)
toch
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֨י
(penei)
aangezicht van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je Elohim
וְהִתְפַּלֵּ֣ל
(vehitpalel)
en bid
בַּעֲדִ֔י
(baadi)
voor mij
וְתָשֹׁ֥ב
(vetashov)
en laat terugkeren
יָדִ֖י
(yadi)
mijn hand
אֵלָ֑י
(elay)
naar mij
וַיְחַ֤ל
(vaychal)
en smeekte
אִישׁ
(ish)
man van
הָֽאֱלֹהִים֙
(haElohim)
Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֣י
(penei)
aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתָּ֤שָׁב
(vatashav)
en keerde terug
יַד
(yad)
hand van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֵלָ֔יו
(elav)
naar hem
וַתְּהִ֖י
(vatehi)
en werd
כְּבָרִֽאשֹׁנָֽה
(kevarishona)
zoals eerst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַלֵּה אֶת־פְּנֵי (challeh et pnei), ‘om het aangezicht smeken’: letterlijk ‘het gezicht zacht maken’.
8De man van Elohim zei tegen de koning: „Als je mij de helft van je huis geeft, kom ik niet met je mee. Ik eet geen brood en drink geen water op deze plaats.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אִישׁ
(ish)
man van
הָֽאֱלֹהִים֙
(haElohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אִם
(im)
als
תִּתֶּן
(titen)
je geeft
לִי֙
(li)
mij
אֶת
(et)
(obj.)
חֲצִ֣י
(chatsi)
helft van
בֵיתֶ֔ךָ
(beitekha)
je huis
לֹ֥א
(lo)
niet
אָבֹ֖א
(avo)
ik zal komen
עִמָּ֑ךְ
(imakh)
met jou
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אֹ֤כַל
(okhal)
ik zal eten
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
brood
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֶשְׁתֶּה
(eshte)
ik zal drinken
מַּ֔יִם
(mayim)
water
בַּמָּק֖וֹם
(bamaqom)
op de plaats
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De man van Elohim weigert de uitnodiging, ook al wordt hem de helft van het huis van de koning geboden.
Brood eten bij iemand betekent gemeenschap met hem hebben.
9Want zo is mij geboden door het woord van Yahweh: ‘Je mag geen brood eten en geen water drinken. Je mag ook niet terugkeren langs de weg waarlangs je gegaan bent.’”
כִּֽי
(ki)
want
כֵ֣ן
(ken)
zo
צִוָּ֣ה
(tsiva)
gebood
אֹתִ֗י
(oti)
mij
בִּדְבַ֤ר
(bidvar)
door het woord van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לֹא
(lo)
niet
תֹ֥אכַל
(tokhal)
je zult eten
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תִשְׁתֶּה
(tishte)
je zult drinken
מָּ֑יִם
(mayim)
water
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תָשׁ֔וּב
(tashuv)
je zult terugkeren
בַּדֶּ֖רֶךְ
(baderekh)
op de weg
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarlangs
הָלָֽכְתָּ
(halakhta)
je bent gegaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De opdracht van Yahweh bestaat uit drie delen: geen brood eten, geen water drinken en niet terugkeren langs dezelfde weg.
De man van Elohim citeert die opdracht: wij zetten haar in zwart met enkele aanhalingstekens.
10Hij ging op een andere weg. Hij keerde niet terug langs de weg waarlangs hij naar Betel gekomen was.
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en ging
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op een weg
אַחֵ֑ר
(acher)
andere
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שָׁ֣ב
(shav)
keerde terug
בַּדֶּ֔רֶךְ
(baderekh)
op de weg
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
waarlangs
בָּ֥א
(ba)
hij was gekomen
בָ֖הּ
(bah)
daarop
אֶל
(el)
naar
בֵּֽית
(beit)
Bet
אֵֽל
(el)
El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.
De oude profeet in Betel
11In Betel woonde een oude profeet. Zijn zoon kwam en vertelde hem alles wat de man van Elohim die dag in Betel gedaan had. Hij vertelde hem ook de woorden die hij tegen de koning gesproken had. Zij vertelden ze aan hun vader.
וְנָבִ֤יא
(venavi)
en profeet
אֶחָד֙
(echad)
één
זָקֵ֔ן
(zaqen)
oud
יֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
woonde
בְּבֵֽית
(beveit)
in Bet
אֵ֑ל
(el)
El
וַיָּב֣וֹא
(vayavo)
en kwam
בְנ֡וֹ
(beno)
zijn zoon
וַיְסַפֶּר
(vaysaper)
en vertelde
ל֣וֹ
(lo)
hem
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הַמַּעֲשֶׂ֣ה
(hamaase)
het werk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עָשָׂה֩
(asa)
deed
אִישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֨ים
(haElohim)
Elohim
הַיּ֜וֹם
(hayom)
die dag
בְּבֵֽית
(beveit)
in Bet
אֵ֗ל
(el)
El
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִים֙
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
דִּבֶּ֣ר
(diber)
hij sprak
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַֽיְסַפְּר֖וּם
(vaysaperum)
en zij vertelden ze
לַאֲבִיהֶֽם
(laavihem)
aan hun vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.
Lezing
בנו (bno), ‘zijn zoon’, enkelvoud.
In vers 12 staat ‘zijn zonen’ en hier verder ‘zij vertelden’ (meervoud).
Sommige oude vertalingen lezen hier ook ‘zijn zonen’.
14Hij ging de man van Elohim achterna en vond hem zittend onder de terebint. Hij zei tegen hem: „Ben jij de man van Elohim die uit Juda is gekomen?” Hij zei: „Ik ben het.”
וַיֵּ֗לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אַֽחֲרֵי֙
(acharei)
achter
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
וַיִּ֨מְצָאֵ֔הוּ
(vayimtsaehu)
en vond hem
יֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
zittend
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
הָאֵלָ֑ה
(haela)
de terebint
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
הַאַתָּ֧ה
(haata)
ben jij
אִישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֛ים
(haElohim)
Elohim
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֥אתָ
(bata)
je bent gekomen
מִֽיהוּדָ֖ה
(mihuda)
uit Juda
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אָֽנִי
(ani)
ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron.
Uitleg
אֵלָה (elah), ‘terebint’: een grote boom, vaak een plaats waar mensen rustten of bijeenkwamen.
17Want tot mij is gesproken door het woord van Yahweh: ‘Je mag daar geen brood eten en geen water drinken. Je mag niet terugkeren om langs de weg te gaan waarlangs je gegaan bent.’”
כִּֽי
(ki)
want
דָבָ֤ר
(davar)
gesproken
אֵלַי֙
(elay)
tot mij
בִּדְבַ֣ר
(bidvar)
door het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹֽא
(lo)
niet
תֹאכַ֣ל
(tokhal)
je zult eten
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תִשְׁתֶּ֥ה
(tishte)
je zult drinken
שָׁ֖ם
(sham)
daar
מָ֑יִם
(mayim)
water
לֹא
(lo)
niet
תָשׁ֣וּב
(tashuv)
je zult terugkeren
לָלֶ֔כֶת
(lalekhet)
om te gaan
בַּדֶּ֖רֶךְ
(baderekh)
op de weg
אֲשֶׁר
(asher)
waarlangs
הָלַ֥כְתָּ
(halakhta)
je bent gegaan
בָּֽהּ
(bah)
daarop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Hij zei tegen hem: „Ook ik ben een profeet zoals jij. Een engel heeft tot mij gesproken, door het woord van Yahweh: ‘Breng hem met je terug naar je huis, dan zal hij brood eten en water drinken.’” Hij loog tegen hem.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֗וֹ
(lo)
tot hem
גַּם
(gam)
ook
אֲנִ֣י
(ani)
ik
נָבִיא֮
(navi)
profeet
כָּמוֹךָ֒
(kamokha)
zoals jij
וּמַלְאָ֡ךְ
(umalakh)
en een engel
דִּבֶּ֣ר
(diber)
sprak
אֵלַי֩
(elay)
tot mij
בִּדְבַ֨ר
(bidvar)
door het woord van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
הֲשִׁבֵ֤הוּ
(hashivehu)
breng hem terug
אִתְּךָ֙
(itekha)
met je
אֶל
(el)
naar
בֵּיתֶ֔ךָ
(beitekha)
je huis
וְיֹ֥אכַל
(veyokhal)
opdat hij eet
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
וְיֵ֣שְׁתְּ
(veyesht)
en drinkt
מָ֑יִם
(mayim)
water
כִּחֵ֖שׁ
(kichesh)
loog
לֽוֹ
(lo)
tegen hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַלְאָךְ (malak), ‘engel’ of ‘bode’: dezelfde woordvorm kan ook een mens als bode aanduiden.
De tekst zegt dat de oude profeet loog (כִּחֵשׁ, kichesh).
Wij vertalen ‘engel’ en laten de keuze aan de lezer.
De woorden van deze ‘engel’ zijn niet rood: zij worden door een leugenaar geciteerd.
21Hij riep tegen de man van Elohim die uit Juda gekomen was: „Zo zegt Yahweh: ‘Omdat je je tegen de mond van Yahweh hebt verzet en het gebod niet hebt gehouden dat Yahweh, je Elohim, je gegeven heeft,
וַיִּקְרָ֞א
(vayiqra)
en riep
אֶל
(el)
tot
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
Elohim
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֤א
(ba)
kwam
מִֽיהוּדָה֙
(mihuda)
uit Juda
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
כֹּ֖ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֗עַן
(yaan)
omdat
כִּ֤י
(ki)
dat
מָרִ֨יתָ֙
(marita)
je hebt weerstaan
פִּ֣י
(pi)
de mond van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
שָׁמַ֨רְתָּ֙
(shamarta)
je hebt gehouden
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּצְוָ֔ה
(hamitsva)
het gebod
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
צִוְּךָ֖
(tsivekha)
beval je
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶֽיךָ
(eloheikha)
je Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron.
Uitleg
מָרִיתָ פִּי יְהוָה (marita pi Yahweh), ‘je bent weerspannig geweest tegen de mond van Yahweh’: je hebt het bevel van Yahweh niet gehoorzaamd.
Zie ook Num. 20:24.
De oude profeet is nu zelf de drager van het woord van Yahweh. Wij zetten dit zwart, met enkele aanhalingstekens bij ‘Zo zegt Yahweh’, omdat de profeet Yahweh citeert.
22en je bent teruggekeerd en hebt brood gegeten en water gedronken op de plaats waarvan Hij tegen je zei: „Eet daar geen brood en drink daar geen water”, daarom zal je lijk niet komen in het graf van je vaderen.’”
וַתָּ֗שָׁב
(vatashav)
en je bent teruggekeerd
וַתֹּ֤אכַל
(vatokhal)
en je hebt gegeten
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
brood
וַתֵּ֣שְׁתְּ
(vatesht)
en je hebt gedronken
מַ֔יִם
(mayim)
water
בַּמָּקוֹם֙
(bamaqom)
op de plaats
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarvan
דִּבֶּ֣ר
(diber)
Hij sprak
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tot jou
אַל
(al)
niet
תֹּ֥אכַל
(tokhal)
eet
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
וְאַל
(veal)
en niet
תֵּ֣שְׁתְּ
(tesht)
drink
מָ֑יִם
(mayim)
water
לֹֽא
(lo)
niet
תָב֥וֹא
(tavo)
zal komen
נִבְלָתְךָ֖
(nivlatekha)
je lijk
אֶל
(el)
naar
קֶ֥בֶר
(qever)
graf van
אֲבֹתֶֽיךָ
(avoteikha)
je vaderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In het Hebreeuws praat Yahweh in dit vers over Zichzelf in de derde persoon (‘waarvan Hij tegen je zei’).
Het citaat in het citaat staat tussen dubbele aanhalingstekens.
25Zie, mensen die voorbijkwamen zagen het lijk op de weg liggen en de leeuw naast het lijk staan. Zij kwamen en vertelden het in de stad waar de oude profeet woonde.
וְהִנֵּ֧ה
(vehine)
en zie
אֲנָשִׁ֣ים
(anashim)
mensen
עֹבְרִ֗ים
(overim)
die voorbijgingen
וַיִּרְא֤וּ
(vayiru)
en zagen
אֶת
(et)
(obj.)
הַנְּבֵלָה֙
(hanevela)
het lijk
מֻשְׁלֶ֣כֶת
(mushlekhet)
geworpen
בַּדֶּ֔רֶךְ
(baderekh)
op de weg
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָ֣אַרְיֵ֔ה
(haarye)
de leeuw
עֹמֵ֖ד
(omed)
staand
אֵ֣צֶל
(etsel)
naast
הַנְּבֵלָ֑ה
(hanevela)
het lijk
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en kwamen
וַיְדַבְּר֣וּ
(vaydaberu)
en spraken
בָעִ֔יר
(bair)
in de stad
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
waar
הַנָּבִ֥יא
(hanavi)
de profeet
הַזָּקֵ֖ן
(hazaqen)
de oude
יֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
woonde
בָּֽהּ
(bah)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26De profeet die hem van de weg teruggebracht had, hoorde het en zei: „Dat is de man van Elohim die zich tegen de mond van Yahweh heeft verzet. Yahweh heeft hem aan de leeuw gegeven. Die heeft hem verscheurd en gedood, volgens het woord van Yahweh dat Hij tot hem sprak.”
וַיִּשְׁמַ֣ע
(vayishma)
en hoorde
הַנָּבִיא֮
(hanavi)
de profeet
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הֱשִׁיב֣וֹ
(heshivo)
hem had teruggebracht
מִן
(min)
van
הַדֶּרֶךְ֒
(haderekh)
de weg
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֣ים
(haElohim)
Elohim
ה֔וּא
(hu)
hij
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
מָרָ֖ה
(mara)
was weerspannig
אֶת
(et)
(obj.)
פִּ֣י
(pi)
de mond van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּתְּנֵ֨הוּ
(vayitenehu)
en gaf hem
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
לָאַרְיֵ֗ה
(laarye)
aan de leeuw
וַֽיִּשְׁבְּרֵ֨הוּ֙
(vayishberehu)
en verscheurde hem
וַיְמִתֵ֔הוּ
(vaymitehu)
en doodde hem
כִּדְבַ֥ר
(kidvar)
volgens het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
דִּבֶּר
(diber)
sprak
לֽוֹ
(lo)
tot hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Yahweh straft de man van Elohim niet omdat hij het woord van de koning niet geloofde, maar omdat hij het bevel van Yahweh niet hield.
Het oordeel komt hier over een profeet die gehoorzaam was geweest tot hij werd misleid.
29De profeet nam het lijk van de man van Elohim op en legde het op de ezel. Hij bracht het terug en kwam in de stad van de oude profeet, om te rouwen en hem te begraven.
וַיִּשָּׂ֨א
(vayisa)
en nam op
הַנָּבִ֜יא
(hanavi)
de profeet
אֶת
(et)
(obj.)
נִבְלַ֧ת
(nivlat)
lijk van
אִישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֛ים
(haElohim)
Elohim
וַיַּנִּחֵ֥הוּ
(vayanichehu)
en legde het neer
אֶֽל
(el)
op
הַחֲמ֖וֹר
(hachamor)
de ezel
וַיְשִׁיבֵ֑הוּ
(vayshivehu)
en bracht het terug
וַיָּבֹ֗א
(vayavo)
en kwam
אֶל
(el)
naar
עִיר֙
(ir)
stad van
הַנָּבִ֣יא
(hanavi)
de profeet
הַזָּקֵ֔ן
(hazaqen)
de oude
לִסְפֹּ֖ד
(lispod)
om te rouwen
וּלְקָבְרֽוֹ
(uleqavero)
en hem te begraven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De oude profeet brengt het lijk terug naar zijn eigen stad en rouwt om de man van Elohim.
30Hij legde zijn lijk in zijn eigen graf. Zij rouwden om hem: „Ach, mijn broer!”
וַיַּנַּ֥ח
(vayanach)
en legde neer
אֶת
(et)
(obj.)
נִבְלָת֖וֹ
(nivlato)
zijn lijk
בְּקִבְר֑וֹ
(beqivro)
in zijn graf
וַיִּסְפְּד֥וּ
(vayispedu)
en zij rouwden
עָלָ֖יו
(alav)
over hem
ה֥וֹי
(hoy)
ach
אָחִֽי
(achi)
mijn broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הוֹי אָחִי (hoi achi), ‘ach, mijn broer’: een klaagroep bij een begrafenis, zoals ook Jer. 22:18.
31Nadat hij hem begraven had, zei hij tegen zijn zonen: „Als ik sterf, begraaf mij dan in het graf waarin de man van Elohim begraven ligt. Leg mijn beenderen naast zijn beenderen.
וַיְהִי֮
(vayhi)
en het was
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
na
קָבְר֣וֹ
(qavero)
zijn begraven
אֹתוֹ֒
(oto)
hem
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
בָּנָיו֙
(banav)
zijn zonen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
בְּמוֹתִי֙
(bemoti)
bij mijn sterven
וּקְבַרְתֶּ֣ם
(uqevartem)
dan zult begraven
אֹתִ֔י
(oti)
mij
בַּקֶּ֕בֶר
(baqever)
in het graf
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
waarin
אִ֥ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
קָב֣וּר
(qavur)
begraven
בּ֑וֹ
(bo)
daarin
אֵ֚צֶל
(etsel)
naast
עַצְמֹתָ֔יו
(atsmotav)
zijn beenderen
הַנִּ֖יחוּ
(hanichu)
leg neer
אֶת
(et)
(obj.)
עַצְמֹתָֽי
(atsmotay)
mijn beenderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het graf van de man van Elohim zal later de beenderen van de oude profeet behouden, toen Josia de graven opende (2 Kon. 23:17–18).
32Want wat hij door het woord van Yahweh heeft geroepen tegen het altaar in Betel en tegen alle huizen van de hoogten in de steden van Samaria, zal zeker gebeuren.”
כִּי֩
(ki)
want
הָיֹ֨ה
(hayo)
gebeuren
יִהְיֶ֜ה
(yihye)
zal gebeuren
הַדָּבָ֗ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
קָרָא֙
(qara)
hij riep
בִּדְבַ֣ר
(bidvar)
door het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
tegen
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בְּבֵֽית
(beveit)
in Bet
אֵ֑ל
(el)
El
וְעַל֙
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
alle
בָּתֵּ֣י
(batei)
huizen van
הַבָּמ֔וֹת
(habamot)
de hoogten
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּעָרֵ֥י
(bearei)
in de steden van
שֹׁמְרֽוֹן
(shomeron)
Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.
Zie Samaria (streek): Samaria is hier de naam van de streek rond de stad, het bergland van het noordrijk Israël.
Uitleg
‘De steden van Samaria’ noemt hier het latere noordelijke rijk.
De stad Samaria wordt pas gebouwd onder Omri (16:24).
De naam wordt hier gebruikt voor het gebied van de tien stammen.
33Na deze zaak keerde Jerobeam niet terug van zijn slechte weg. Hij maakte opnieuw priesters van de hoogten uit alle delen van het volk. Wie wilde, wijdde hij in; die werd priester van de hoogten.
אַחַר֙
(achar)
na
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
לֹֽא
(lo)
niet
שָׁ֥ב
(shav)
keerde terug
יָרָבְעָ֖ם
(yaraveam)
Jerobeam
מִדַּרְכּ֣וֹ
(midarko)
van zijn weg
הָרָעָ֑ה
(haraa)
de slechte
וַ֠יָּשָׁב
(vayashav)
en hij keerde terug
וַיַּ֜עַשׂ
(vayaas)
en maakte
מִקְצ֤וֹת
(miqtsot)
uit de delen van
הָעָם֙
(haam)
het volk
כֹּהֲנֵ֣י
(kohanei)
priesters van
בָמ֔וֹת
(bamot)
hoogten
הֶֽחָפֵץ֙
(hechafets)
wie wilde
יְמַלֵּ֣א
(yemale)
hij vulde
אֶת
(et)
(obj.)
יָד֔וֹ
(yado)
zijn hand
וִיהִ֖י
(vihi)
en hij werd
כֹּהֲנֵ֥י
(kohanei)
priesters van
בָמֽוֹת
(bamot)
hoogten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְמַלֵּא אֶת־יָדוֹ (yemalle et yado), ‘hij vulde zijn hand’: dit is de vaste uitdrukking voor het inwijden van een priester, zoals in Exod. 29:9.
Jerobeam doet dat voor iedereen die dat wil.
מִקְצוֹת הָעָם (miqtsot ha’am), ‘uit alle delen van het volk’: zie bij 12:31.