Elohim Bijbel

2 Kronieken 36

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

De val van Juda en het besluit van Kores

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Joachaz, koning van Juda

1Het volk van het land nam Joachaz, de zoon van Josia. Zij maakten hem koning in Jeruzalem, in de plaats van zijn vader.
וַיִּקְחוּ֙
(vayiqchu)
en namen
עַם
(am)
volk van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוֹאָחָ֖ז
(yehoachaz)
Joachaz
בֶּן
(ben)
zoon van
יֹאשִׁיָּ֑הוּ
(yoshiyahu)
Josia
וַיַּמְלִיכֻ֥הוּ
(vayamlikhuhu)
en maakten hem koning
תַֽחַת
(tachat)
in de plaats van
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Kon. 23:30–24:20 en 2 Kon. 25 (zie ook Jer. 52).

Kronieken vertelt veel korter dan Koningen.

יְהוֹאָחָז (yehoachaz), ‘Joachaz’: in vers 2 en 4 staat de korte vorm יוֹאָחָז (yoachaz). Het is dezelfde man; wij schrijven overal ‘Joachaz’.

In 1 Kron. 3:15 staat een zoon van Josia die Sjallum heet. In Jer. 22:11 staat ‘Sjallum, de zoon van Josia’, die koning werd in plaats van zijn vader. Veel lezers zien in hem dezelfde man als Joachaz. De tekst hier noemt die naam niet.

2Joachaz was 23 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 3 maanden in Jeruzalem.
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁל֧וֹשׁ
(shalosh)
drie
וְעֶשְׂרִ֛ים
(veesrim)
en twintig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
יוֹאָחָ֣ז
(yoachaz)
Joachaz
בְּמָלְכ֑וֹ
(bemalekho)
toen hij koning werd
וּשְׁלֹשָׁ֣ה
(ushelosha)
en drie
חֳדָשִׁ֔ים
(chodashim)
maanden
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde hij
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

De leeftijd van 23 jaar en de regeringsduur van 3 maanden staan ook in 2 Kon. 23:31.

3De koning van Egypte zette hem af in Jeruzalem. Hij legde het land een boete op van 100 talent zilver en 1 talent goud.
וַיְסִירֵ֥הוּ
(vaysirehu)
en zette hem af
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
בִּֽירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וַֽיַּעֲנֹשׁ֙
(vayaanosh)
en legde een boete op
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
כִכַּר
(kikar)
talent
כֶּ֖סֶף
(kesef)
zilver
וְכִכַּ֥ר
(vekhikar)
en een talent
זָהָֽב
(zahav)
goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

וַיְסִירֵהוּ (vayesirehu), ‘zette hem af’: letterlijk ‘verwijderde hem’.

Volgens 2 Kon. 23:33 zette Necho hem gevangen in Ribla, zodat hij niet meer koning was in Jeruzalem.

כִּכָּר (kikkar), ‘talent’: ongeveer 34 kilo. Honderd talent zilver is ongeveer 3.400 kilo; één talent goud is ongeveer 34 kilo. Dezelfde boete staat in 2 Kon. 23:33.

וַיַּעֲנֹשׁ (vaya‘anosh), ‘legde een boete op’: zo vertalen wij ook het verwante woord ‘boete’ in 2 Kon. 23:33.

Jojakim, koning van Juda

4De koning van Egypte maakte zijn broer Eljakim koning over Juda en Jeruzalem. Hij veranderde zijn naam in Jojakim. Zijn broer Joachaz nam Necho mee en bracht hem naar Egypte.
וַיַּמְלֵ֨ךְ
(vayamlekh)
en maakte koning
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
מִצְרַ֜יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֶת
(et)
(obj.)
אֶלְיָקִ֣ים
(elyaqim)
Eljakim
אָחִ֗יו
(achiv)
zijn broer
עַל
(al)
over
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(virushaliam)
en Jeruzalem
וַיַּסֵּ֥ב
(vayasev)
en veranderde
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
יְהוֹיָקִ֑ים
(yehoyaqim)
Jojakim
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יוֹאָחָ֤ז
(yoachaz)
Joachaz
אָחִיו֙
(achiv)
zijn broer
לָקַ֣ח
(laqach)
nam
נְכ֔וֹ
(nekho)
Necho
וַיְבִיאֵ֖הוּ
(vayviehu)
en bracht hem
מִצְרָֽיְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

אָחִיו (achiv), ‘zijn broer’: de broer van Joachaz.

Eljakim was een zoon van Josia (2 Kon. 23:34).

אֶלְיָקִים (elyaqim), ‘Eljakim’, betekent ‘Elohim richt op’; יְהוֹיָקִים (yehoyaqim), ‘Jojakim’, betekent ‘Yahweh richt op’. Necho veranderde de naam en liet zo zien dat hij over hem heerste (2 Kon. 23:34).

Necho nam Joachaz mee naar Egypte, waar hij stierf (2 Kon. 23:34).

5Jojakim was 25 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 11 jaar in Jeruzalem. Hij deed wat slecht was in de ogen van Yahweh, zijn Elohim.
בֶּן
(ben)
zoon van
עֶשְׂרִ֨ים
(esrim)
twintig
וְחָמֵ֤שׁ
(vechamesh)
en vijf
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
יְהוֹיָקִ֣ים
(yehoyaqim)
Jojakim
בְּמָלְכ֔וֹ
(bemalekho)
toen hij koning werd
וְאַחַ֤ת
(veachat)
en één
עֶשְׂרֵה֙
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde hij
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֔ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֖י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָֽיו
(elohav)
zijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

De leeftijd van 25 jaar en de regeringsduur van 11 jaar staan ook in 2 Kon. 23:36.

De zin ‘Hij deed wat slecht was in de ogen van Yahweh, zijn Elohim’ lijkt op 2 Kon. 23:37, maar heeft hier ‘zijn Elohim’.

6Tegen hem trok Nebukadnezar, de koning van Babel, op. Hij bond hem met koperen boeien, om hem naar Babel te brengen.
עָלָ֣יו
(alav)
tegen hem
עָלָ֔ה
(ala)
trok op
נְבוּכַדְנֶאצַּ֖ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֑ל
(bavel)
Babel
וַיַּֽאַסְרֵ֨הוּ֙
(vayaasrehu)
en bond hem
בַּֽנְחֻשְׁתַּ֔יִם
(banchushtayim)
met koperen boeien
לְהֹלִיכ֖וֹ
(leholikho)
om hem te brengen
בָּבֶֽלָה
(bavela)
naar Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, bij het huidige Hilla in Irak, ten zuiden van Bagdad.

Uitleg

בַּנְחֻשְׁתַּיִם (banechushtayim), ‘met koperen boeien’: een tweevoud, dus een paar boeien.

נְחֹשֶׁת (nechoshet), ‘koper’: zo vertalen wij in alle boeken.

De tekst zegt dat Nebukadnezar Jojakim naar Babel wilde brengen. Of dat gebeurd is, zegt de tekst niet. In 2 Kon. 24:1–6 staat dat Jojakim eerst diende, toen in opstand kwam en bij zijn vaderen ging liggen. Zie ook Dan. 1:1–2.

7Een deel van de voorwerpen van het huis van Yahweh bracht Nebukadnezar naar Babel. Hij zette ze in zijn tempel in Babel.
וּמִכְּלֵי֙
(umikelei)
en van de voorwerpen van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הֵבִ֥יא
(hevi)
bracht
נְבוּכַדְנֶאצַּ֖ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
לְבָבֶ֑ל
(levavel)
naar Babel
וַיִּתְּנֵ֥ם
(vayitenem)
en zette ze
בְּהֵיכָל֖וֹ
(beheikhalo)
in zijn tempel
בְּבָבֶֽל
(bevavel)
in Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

הֵיכָל (heikhal), ‘tempel’: het woord kan ook ‘paleis’ betekenen.

Wij vertalen ‘tempel’; de tekst zegt niet welk gebouw bedoeld is.

Zie ook Dan. 1:2, waar de voorwerpen in het huis van de god van Nebukadnezar komen.

מִכְּלֵי (mikkelei), ‘een deel van de voorwerpen’: het voorzetsel mi- betekent hier ‘uit’, dus een deel van de voorwerpen. Zie ook 2 Kon. 24:13.

8De rest van de geschiedenis van Jojakim, de gruwelen die hij deed en wat er tegen hem gevonden is: zie, die staan opgeschreven in het dagboek van de koningen van Israël en Juda. Zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats.
וְיֶתֶר֩
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֨י
(divrei)
de zaken van
יְהֽוֹיָקִ֜ים
(yehoyaqim)
Jojakim
וְתֹֽעֲבֹתָ֤יו
(vetoavotav)
en zijn gruwelen
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשָׂה֙
(asa)
hij deed
וְהַנִּמְצָ֣א
(vehanimtsa)
en wat gevonden is
עָלָ֔יו
(alav)
tegen hem
הִנָּ֣ם
(hinam)
zie ze
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
in
סֵ֛פֶר
(sefer)
het dagboek van
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
de koningen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וִֽיהוּדָ֑ה
(vihuda)
en Juda
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
יְהוֹיָכִ֥ין
(yehoyakhin)
Jojachin
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהַנִּמְצָא עָלָיו (vehannimtsa alav), ‘wat er tegen hem gevonden is’: letterlijk ‘wat op hem gevonden is’.

De betekenis is niet zeker; het gaat waarschijnlijk om wat hem ten laste werd gelegd.

תּוֹעֲבוֹת (to‘avot), ‘gruwelen’.

סֵפֶר מַלְכֵי יִשְׂרָאֵל וִיהוּדָה: zie de voetnoot bij 2 Kron. 35:27.

Jojachin, koning van Juda

9Jojachin was 8 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 3 maanden en 10 dagen in Jeruzalem. Hij deed wat slecht was in de ogen van Yahweh.
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁמוֹנֶ֤ה
(shemone)
acht
שָׁנִים֙
(shanim)
jaar
יְהוֹיָכִ֣ין
(yehoyakhin)
Jojachin
בְּמָלְכ֔וֹ
(bemalekho)
toen hij koning werd
וּשְׁלֹשָׁ֤ה
(ushelosha)
en drie
חֳדָשִׁים֙
(chodashim)
maanden
וַעֲשֶׂ֣רֶת
(vaaseret)
en tien
יָמִ֔ים
(yamim)
dagen
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde hij
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Het getal 8 jaar staat zo in de Masoretische tekst van Kronieken.

In 2 Kon. 24:8 staat 18 jaar.

Sommige oude vertalingen hebben ook hier ‘achttien’.

Wij vertalen de Masoretische tekst.

De regeringsduur is hier 3 maanden en 10 dagen; in 2 Kon. 24:8 staat 3 maanden.

10Toen het jaar weer rond was, liet koning Nebukadnezar hem halen. Hij liet hem naar Babel brengen, met de kostbare voorwerpen van het huis van Yahweh. Hij maakte Zedekia, zijn broer, koning over Juda en Jeruzalem.
וְלִתְשׁוּבַ֣ת
(velitshuvat)
en bij het rond zijn van
הַשָּׁנָ֗ה
(hashana)
het jaar
שָׁלַח֙
(shalach)
stuurde
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
נְבֽוּכַדְנֶאצַּ֔ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
וַיְבִאֵ֣הוּ
(vayviehu)
en liet hem brengen
בָבֶ֔לָה
(bavela)
naar Babel
עִם
(im)
met
כְּלֵ֖י
(kelei)
voorwerpen van
חֶמְדַּ֣ת
(chemdat)
het kostbare van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּמְלֵךְ֙
(vayamlekh)
en maakte koning
אֶת
(et)
(obj.)
צִדְקִיָּ֣הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
אָחִ֔יו
(achiv)
zijn broer
עַל
(al)
over
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וִֽירוּשָׁלִָֽם
(virushaliam)
en Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

לִתְשׁוּבַת הַשָּׁנָה (litshuvat hashanah), ‘toen het jaar weer rond was’: letterlijk ‘bij de terugkeer van het jaar’, het begin van het nieuwe jaar in het voorjaar.

Zie 2 Sam. 11:1 en 1 Kon. 20:22.

שָׁלַח (shalach), ‘stuurde’: de koning stuurde mensen om Jojachin te halen. Wij vertalen ‘liet hem halen’ en ‘liet hem brengen’.

אָחִיו (achiv), ‘zijn broer’: Zedekia was een oom van Jojachin (2 Kon. 24:17) en een zoon van Josia (1 Kron. 3:15). ‘Broer’ kan in het Hebreeuws ook ‘familielid’ betekenen.

חֶמְדָּה (chemdah), ‘het kostbare’: de kostbare voorwerpen van het huis. Zie ook vers 19.

Zie voor de wegvoering van Jojachin 2 Kon. 24:10–17.

Zedekia, koning van Juda

11Zedekia was 21 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 11 jaar in Jeruzalem.
בֶּן
(ben)
zoon van
עֶשְׂרִ֧ים
(esrim)
twintig
וְאַחַ֛ת
(veachat)
en één
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
צִדְקִיָּ֣הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
בְמָלְכ֑וֹ
(bemalekho)
toen hij koning werd
וְאַחַ֤ת
(veachat)
en één
עֶשְׂרֵה֙
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde hij
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

12Hij deed wat slecht was in de ogen van Yahweh, zijn Elohim. Hij vernederde zich niet voor Jeremia, de profeet, die sprak uit de mond van Yahweh.
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֔ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֖י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֑יו
(elohav)
zijn Elohim
לֹ֣א
(lo)
niet
נִכְנַ֗ע
(nikhna)
vernederde hij zich
מִלִּפְנֵ֛י
(milifnei)
voor het aangezicht van
יִרְמְיָ֥הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הַנָּבִ֖יא
(hanavi)
de profeet
מִפִּ֥י
(mipi)
uit de mond van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִכְנַע (nikhna), ‘vernederde zich’: hetzelfde werkwoord staat in 2 Kron. 33:12 en in 2 Kon. 22:19.

מִפִּי יְהוָה (mippi Yahweh), ‘uit de mond van Yahweh’: het Hebreeuws heeft geen werkwoord; wij schrijven ‘die sprak’. Voor Jeremia’s woorden aan Zedekia, zie Jer. 37:1–2.

13Ook kwam hij in opstand tegen koning Nebukadnezar, die hem bij Elohim had laten zweren. Hij maakte zijn nek hard en zijn hart onbuigzaam, zodat hij niet terugkeerde tot Yahweh, de Elohim van Israël.
וְ֠גַם
(vegam)
en ook
בַּמֶּ֤לֶךְ
(bamelekh)
tegen de koning
נְבֽוּכַדְנֶאצַּר֙
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מָרָ֔ד
(marad)
kwam hij in opstand
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הִשְׁבִּיע֖וֹ
(hishbio)
had laten zweren hem
בֵּֽאלֹהִ֑ים
(bElohim)
bij Elohim
וַיֶּ֤קֶשׁ
(vayeqesh)
en hij maakte hard
אֶת
(et)
(obj.)
עָרְפּוֹ֙
(arpo)
zijn nek
וַיְאַמֵּ֣ץ
(vayamets)
en hij maakte onbuigzaam
אֶת
(et)
(obj.)
לְבָב֔וֹ
(levavo)
zijn hart
מִשּׁ֕וּב
(mishuv)
van terugkeren
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִשְׁבִּיעוֹ בֵאלֹהִים (hishbi’o be’Elohim), ‘liet hem bij Elohim zweren’: Zedekia had een eed afgelegd.

Zie Ezech. 17:13–19 en 2 Kon. 24:20.

וַיֶּקֶשׁ אֶת עָרְפּוֹ (vayeqesh et orpo), ‘hij maakte zijn nek hard’: een vaste uitdrukking voor halsstarrigheid (Exod. 32:9).

וַיְאַמֵּץ אֶת לְבָבוֹ (vay’ammets et levavo), ‘hij maakte zijn hart onbuigzaam’: het werkwoord אמץ betekent ‘sterk maken’, hier in de zin van ‘hard, onbuigzaam’.

14Ook alle leiders van de priesters en het volk handelden steeds trouwelozer, naar alle gruwelen van de volken. Zij maakten het huis van Yahweh onrein, dat Hij in Jeruzalem had geheiligd.
גַּ֠ם
(gam)
ook
כָּל
(kal)
alle
שָׂרֵ֨י
(sarei)
leiders van
הַכֹּהֲנִ֤ים
(hakohanim)
de priesters
וְהָעָם֙
(vehaam)
en het volk
הִרְבּ֣וּ
(hirbu)
deden toenemen
לִמְעָול
(limavl)
om trouweloos te handelen
מַ֔עַל
(maal)
trouweloosheid
כְּכֹ֖ל
(kekhol)
naar alle
תֹּעֲב֣וֹת
(toavot)
gruwelen van
הַגּוֹיִ֑ם
(hagoyim)
de volken
וַֽיְטַמְּאוּ֙
(vaytameu)
en maakten onrein
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
הִקְדִּ֖ישׁ
(hiqdish)
had geheiligd
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

לִמְעוֹל מַעַל (lim‘ol ma‘al), ‘trouweloos handelen’: מַעַל betekent ‘trouweloosheid’.

Zo vertalen wij ook in 2 Kron. 28:19 en 28:22.

וַיְטַמְּאוּ (vayetammeu), ‘zij maakten onrein’: zie Lev. 15:31, waar staat dat het onrein maken van de tabernakel de dood brengt.

אֲשֶׁר הִקְדִּישׁ (asher hiqdish), ‘dat Hij had geheiligd’: zie 2 Kron. 7:16. Het onderwerp is Yahweh.

Yahweh stuurt Zijn boodschappers

15Yahweh, de Elohim van hun vaderen, stuurde bericht naar hen door de hand van Zijn boodschappers. Hij deed dat vroeg in de morgen en telkens opnieuw, want Hij had medelijden met Zijn volk en met Zijn verblijf.
וַיִּשְׁלַ֡ח
(vayishlach)
en stuurde
יְהוָה֩
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֨י
(elohei)
de Elohim van
אֲבוֹתֵיהֶ֧ם
(avoteihem)
hun vaderen
עֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
naar hen
בְּיַ֥ד
(beyad)
door de hand van
מַלְאָכָ֖יו
(malakhav)
Zijn boodschappers
הַשְׁכֵּ֣ם
(hashkem)
vroeg opstaand
וְשָׁל֑וֹחַ
(veshaloach)
en zendend
כִּֽי
(ki)
want
חָמַ֥ל
(chamal)
had medelijden
עַל
(al)
met
עַמּ֖וֹ
(amo)
Zijn volk
וְעַל
(veal)
en met
מְעוֹנֽוֹ
(meono)
Zijn verblijf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַשְׁכֵּם וְשָׁלוֹחַ (hashkem veshaloach), ‘vroeg in de morgen en telkens opnieuw’: letterlijk ‘vroeg opstaand en zendend’; een vaste uitdrukking voor ‘steeds weer’.

Zie Jer. 7:25.

Het Hebreeuws zegt alleen ‘Hij stuurde naar hen’. Wij voegen ‘bericht’ toe voor het Nederlands.

מְעוֹן (me‘on), ‘verblijf’: de plaats waar Yahweh woont, het huis. Zo vertalen wij ook in Ps. 26:8.

16Zij bespotten de boodschappers van Elohim, verachtten Zijn woorden en dreven de spot met Zijn profeten. Dat duurde tot de woede van Yahweh tegen Zijn volk opsteeg, tot er geen genezing meer was.
וַיִּֽהְי֤וּ
(vayihyu)
en zij waren
מַלְעִבִים֙
(malivim)
bespotters
בְּמַלְאֲכֵ֣י
(bemalakhei)
van de boodschappers van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
וּבוֹזִ֣ים
(uvozim)
en verachters van
דְּבָרָ֔יו
(devarav)
Zijn woorden
וּמִֽתַּעְתְּעִ֖ים
(umitateim)
en spotters met
בִּנְבִאָ֑יו
(binviav)
Zijn profeten
עַ֠ד
(ad)
totdat
עֲל֧וֹת
(alot)
opsteeg
חֲמַת
(chamat)
de woede van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּעַמּ֖וֹ
(beamo)
tegen Zijn volk
עַד
(ad)
tot
לְאֵ֥ין
(leein)
er was geen
מַרְפֵּֽא
(marpe)
genezing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַלְאָכִים (mal’akhim), ‘boodschappers’: hier mensen, namelijk de profeten van de volgende regels.

Wij vertalen mal’akh bij mensen met ‘boodschapper’.

מַרְפֵּא (marpe), ‘genezing’: er was geen herstel meer mogelijk.

De val van Jeruzalem

17Hij liet de koning van de Chaldeeën tegen hen optrekken. Die doodde hun jonge mannen met het zwaard in het huis van hun heiligdom. Die had geen medelijden met jongeman of maagd, met grijsaard of bejaarde. Alles gaf Hij in zijn hand.
וַיַּ֨עַל
(vayaal)
en liet optrekken
עֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
tegen hen
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
כַּשְׂדִּ֗ים
(kasdim)
Chaldeeën
וַיַּהֲרֹ֨ג
(vayaharog)
en doodde
בַּחוּרֵיהֶ֤ם
(bachureihem)
hun jonge mannen
בַּחֶ֨רֶב֙
(bacherev)
met het zwaard
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
מִקְדָּשָׁ֔ם
(miqdasham)
hun heiligdom
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
חָמַ֛ל
(chamal)
had medelijden
עַל
(al)
met
בָּח֥וּר
(bachur)
jongeman
וּבְתוּלָ֖ה
(uvetula)
en maagd
זָקֵ֣ן
(zaqen)
grijsaard
וְיָשֵׁ֑שׁ
(veyashesh)
en bejaarde
הַכֹּ֖ל
(hakol)
alles
נָתַ֥ן
(natan)
gaf
בְּיָדֽוֹ
(beyado)
in zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Chaldeeën (כַּשְׂדִּים, kasdim) zijn de Babyloniërs, het volk van Nebukadnezar in het zuiden van het huidige Irak.

Uitleg

Het onderwerp van ‘liet optrekken’ en van ‘gaf’ is Yahweh (zie vers 15–16).

‘Zijn hand’ is de hand van de koning van de Chaldeeën.

De koning is het onderwerp van ‘doodde’ en ‘had geen medelijden’.

בָּחוּר (bachur), ‘jongeman’, בְּתוּלָה (betulah), ‘maagd’, זָקֵן (zaqen), ‘grijsaard’, יָשֵׁשׁ (yashesh), ‘bejaarde’: vier groepen die laten zien dat niemand gespaard werd. Zie voor het verslag 2 Kon. 25:1–21.

Lezing

In de geschreven tekst (ketiv) staat כשדיים (kasdiyim), in de gelezen tekst (qere) כַּשְׂדִּים (kasdim).

Het is dezelfde naam, ‘Chaldeeën’.

Wij volgen het qere.

18Alle voorwerpen van het huis van Elohim, de grote en de kleine, de schatten van het huis van Yahweh en de schatten van de koning en zijn leiders: alles bracht hij naar Babel.
וְ֠כֹל
(vekhol)
en alle
כְּלֵ֞י
(kelei)
voorwerpen van
בֵּ֤ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִים֙
(haElohim)
Elohim
הַגְּדֹלִ֣ים
(hagedolim)
de grote
וְהַקְּטַנִּ֔ים
(vehaqetanim)
en de kleine
וְאֹֽצְרוֹת֙
(veotserot)
en de schatten van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֹצְר֥וֹת
(veotserot)
en de schatten van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְשָׂרָ֑יו
(vesarav)
en zijn leiders
הַכֹּ֖ל
(hakol)
alles
הֵבִ֥יא
(hevi)
bracht hij
בָבֶֽל
(bavel)
naar Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

De voorwerpen en schatten: zie 2 Kon. 24:13 en 25:13–17.

19Zij verbrandden het huis van Elohim. Zij braken de muur van Jeruzalem af. Al haar paleizen verbrandden zij met vuur, en zij vernietigden al haar kostbare voorwerpen.
וַֽיִּשְׂרְפוּ֙
(vayisrefu)
en zij verbrandden
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
וַֽיְנַתְּצ֔וּ
(vaynatetsu)
en braken af
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
חוֹמַ֣ת
(chomat)
de muur van
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְכָל
(vekhal)
en alle
אַרְמְנוֹתֶ֨יהָ֙
(armenoteiha)
haar paleizen
שָׂרְפ֣וּ
(sarefu)
verbrandden zij
בָאֵ֔שׁ
(baesh)
met vuur
וְכָל
(vekhal)
en alle
כְּלֵ֥י
(kelei)
voorwerpen van
מַחֲמַדֶּ֖יהָ
(machamadeiha)
haar kostbaarheden
לְהַשְׁחִֽית
(lehashchit)
om te vernietigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

אַרְמְנוֹת (armenot), ‘paleizen’: versterkte gebouwen of paleizen.

Zie 2 Kon. 25:8–10 voor het verslag van de verwoesting van het huis, de muur en de huizen.

לְהַשְׁחִית (lehashchit), ‘vernietigen’: zie ook 2 Kon. 25:9.

De ballingschap

20Wie van het zwaard was overgebleven, voerde hij in ballingschap weg naar Babel. Zij werden dienaren voor hem en zijn zonen, totdat het koninkrijk van Perzië ging regeren.
וַיֶּ֛גֶל
(vayegel)
en voerde in ballingschap weg
הַשְּׁאֵרִ֥ית
(hasheerit)
de rest
מִן
(min)
van
הַחֶ֖רֶב
(hacherev)
het zwaard
אֶל
(el)
naar
בָּבֶ֑ל
(bavel)
Babel
וַֽיִּהְיוּ
(vayihyu)
en zij werden
ל֤וֹ
(lo)
voor hem
וּלְבָנָיו֙
(ulevanav)
en voor zijn zonen
לַעֲבָדִ֔ים
(laavadim)
tot dienaren
עַד
(ad)
tot
מְלֹ֖ךְ
(melokh)
het regeren van
מַלְכ֥וּת
(malkhut)
het koninkrijk van
פָּרָֽס
(paras)
Perzië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

וַיֶּגֶל (vayegel), ‘voerde in ballingschap weg’: zie 2 Kon. 25:11.

פָּרָס (paras), ‘Perzië’: het Perzische rijk onder Kores, zie vers 22.

21Zo werd het woord van Yahweh door de mond van Jeremia vervuld, totdat het land zijn sabbatten had goedgemaakt. Alle dagen van de verwoesting hield het sabbat, tot er 70 jaar vol waren.
לְמַלֹּ֤אות
(lemalovt)
om te vervullen
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּפִ֣י
(befi)
door de mond van
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
עַד
(ad)
totdat
רָצְתָ֥ה
(ratseta)
had goedgemaakt
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁבְּתוֹתֶ֑יהָ
(shabetoteiha)
zijn sabbatten
כָּל
(kal)
alle
יְמֵ֤י
(yemei)
dagen van
הָשַּׁמָּה֙
(hashama)
het verwoest zijn
שָׁבָ֔תָה
(shavata)
hield het sabbat
לְמַלֹּ֖אות
(lemalovt)
om vol te maken
שִׁבְעִ֥ים
(shivim)
zeventig
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het woord van Yahweh door Jeremia over de 70 jaar: Jer. 25:11–12 en Jer. 29:10.

רָצְתָה (ratsta), ‘had goedgemaakt’: hetzelfde werkwoord staat in Lev. 26:34, 26:41 en 26:43 bij de sabbatten van het land. Zie ook Lev. 25:1–7.

Het besluit van Kores

22In het eerste jaar van Kores, de koning van Perzië, wekte Yahweh de geest van Kores, de koning van Perzië, op. Dat was om het woord van Yahweh door de mond van Jeremia te voltooien. Hij liet een oproep door heel zijn koninkrijk gaan, en ook in een geschrift. Hij zei:
וּבִשְׁנַ֣ת
(uvishnat)
en in het jaar van
אַחַ֗ת
(achat)
één
לְכ֨וֹרֶשׁ֙
(lekhoresh)
van Kores
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
פָּרַ֔ס
(paras)
Perzië
לִכְל֥וֹת
(likhlot)
om te voltooien
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּפִ֣י
(befi)
door de mond van
יִרְמְיָ֑הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הֵעִ֣יר
(heir)
wekte op
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
ר֨וּחַ֙
(ruach)
de geest van
כּ֣וֹרֶשׁ
(koresh)
Kores
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
פָּרַ֔ס
(paras)
Perzië
וַיַּֽעֲבֶר
(vayaaver)
en liet gaan
קוֹל֙
(qol)
een stem
בְּכָל
(bekhal)
door heel
מַלְכוּת֔וֹ
(malkhuto)
zijn koninkrijk
וְגַם
(vegam)
en ook
בְּמִכְתָּ֖ב
(bemikhtav)
in een geschrift
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Perzië was een groot rijk, dat vanuit het huidige Iran regeerde.

Uitleg

Dit vers en het volgende staan ook aan het begin van het boek Ezra (Ezra 1:1–3).

הֵעִיר יְהוָה אֶת רוּחַ כּוֹרֶשׁ (he’ir Yahweh et ruach Koresh), ‘Yahweh wekte de geest van Kores op’: Yahweh zette de gedachten van Kores in beweging.

קוֹל (qol), ‘oproep’: letterlijk ‘stem’. De oproep werd uitgeroepen en ook opgeschreven.

23„Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft Yahweh, de Elohim van de hemel, mij gegeven. Hij heeft mij opgedragen een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt. Wie onder jullie bij heel Zijn volk hoort, Yahweh, zijn Elohim, zij met hem. Laat hem optrekken.”
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
כּ֣וֹרֶשׁ
(koresh)
Kores
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
פָּרַ֗ס
(paras)
Perzië
כָּל
(kal)
alle
מַמְלְכ֤וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken van
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
de aarde
נָ֣תַן
(natan)
heeft gegeven
לִ֗י
(li)
mij
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְהֽוּא
(vehu)
en Hij
פָקַ֤ד
(paqad)
heeft opgedragen
עָלַי֙
(alay)
aan mij
לִבְנֽוֹת
(livnot)
om te bouwen
ל֣וֹ
(lo)
voor Hem
בַ֔יִת
(bayit)
een huis
בִּירוּשָׁלִַ֖ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בִּֽיהוּדָ֑ה
(bihuda)
in Juda
מִֽי
(mi)
wie
בָכֶ֣ם
(bakhem)
onder jullie
מִכָּל
(mikal)
van heel
עַמּ֗וֹ
(amo)
Zijn volk
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֛יו
(elohav)
zijn Elohim
עִמּ֖וֹ
(imo)
met hem
וְיָֽעַל
(veyaal)
en laat hem optrekken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron.

Uitleg

De woorden van Kores staan in zwart, want het zijn woorden van een koning.

Hij noemt Yahweh ‘de Elohim van de hemel’.

Hoofdletters bij Zijn, Hem en Hij verwijzen naar Yahweh.

יְהוָה אֱלֹהָיו עִמּוֹ (Yahweh elohav immo), ‘Yahweh, zijn Elohim, zij met hem’: het Hebreeuws heeft geen werkwoord. Wij lezen het als een wens, zoals in Ezra 1:3, waar het werkwoord יְהִי (yehi), ‘zij’, staat.

וְיָעַל (veya‘al), ‘en laat hem optrekken’: het boek eindigt hier met dit woord. In Ezra 1:3 gaat de zin verder met ‘naar Jeruzalem’. Wij laten het slot zoals het staat.

In de Hebreeuwse indeling van de Schrift is dit het slot van het laatste boek, Kronieken.