Elohim Bijbel

Jesaja 17

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Last over Damascus en Efraïm; het gebulder van de volken

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Last over Damascus

1Last over Damascus. Zie, Damascus houdt op een stad te zijn. Het wordt een puinhoop.
מַשָּׂ֖א
(masa)
last
דַּמָּ֑שֶׂק
(damaseq)
over Damascus
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
דַמֶּ֨שֶׂק֙
(dameseq)
Damascus
מוּסָ֣ר
(musar)
is weggenomen
מֵעִ֔יר
(meir)
als stad
וְהָיְתָ֖ה
(vehayeta)
en het wordt
מְעִ֥י
(mei)
een hoop van
מַפָּלָֽה
(mapala)
ruïne
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.

Uitleg

מַשָּׂא (massa), ‘last’: zie 13:1.

Het is een ander woord dan נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak van Yahweh’ (zie Jes. 1:24).

In Spr. 31:1 vertalen wij massa met ‘godsspraak’.

Damascus is de hoofdstad van Aram. De tekst spreekt over de val van de stad; vergelijk 2 Kon. 16:9.

מְעִי מַפָּלָה (me’i mappalah), ‘een puinhoop’: letterlijk ‘een hoop van ruïne’.

2De steden van Aroër zijn verlaten. Zij zijn voor kudden; die zullen er neerliggen, en niemand jaagt hen schrik aan.
עֲזֻב֖וֹת
(azuvot)
verlaten
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
עֲרֹעֵ֑ר
(aroer)
Aroër
לַעֲדָרִ֣ים
(laadarim)
voor kudden
תִּֽהְיֶ֔ינָה
(tihyeina)
zij zullen zijn
וְרָבְצ֖וּ
(veravetsu)
en zij zullen neerliggen
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
מַחֲרִֽיד
(macharid)
die schrik aanjaagt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲרֹעֵר (Aro’er), ‘Aroër’: de naam van meer dan één plaats (zie Deut. 2:36 en Num. 32:34).

Welke hier bedoeld is, is onzeker.

Lezing

De overgeleverde tekst heeft ‘de steden van Aroër’.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

Wij volgen de overgeleverde tekst.

3„De vesting houdt op in Efraïm en het koningschap in Damascus. De overgeblevenen van Aram zullen zijn als de heerlijkheid van de zonen van Israël, godsspraak van Yahweh van de legermachten.”
וְנִשְׁבַּ֤ת
(venishbat)
en houdt op
מִבְצָר֙
(mivtsar)
vesting
מֵֽאֶפְרַ֔יִם
(meefrayim)
uit Efraïm
וּמַמְלָכָ֥ה
(umamlakha)
en koningschap
מִדַּמֶּ֖שֶׂק
(midameseq)
uit Damascus
וּשְׁאָ֣ר
(ushear)
en de overgeblevenen van
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
כִּכְב֤וֹד
(kikhvod)
als de heerlijkheid van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
יִֽהְי֔וּ
(yihyu)
zullen zij zijn
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

Efraïm staat hier voor het noordelijke koninkrijk Israël.

Efraïm en Damascus waren bondgenoten tegen Juda (2 Kon. 16:5).

מִבְצָר (mibtsar), ‘vesting’: een versterkte stad.

נְאֻם יְהוָה צְבָאוֹת (ne’um Yahweh Tsevaot), ‘godsspraak van Yahweh van de legermachten’: zie Jes. 1:24 en 1:9. Yahweh zelf spreekt; daarom staat het hele vers rood, ook al staat er geen ‘Ik’.

שְׁאָר (she’ar), ‘de overgeblevenen’: zo vertalen wij dit woord overal in Jesaja.

De woorden ‘zullen zijn als de heerlijkheid van Israël’ zijn bitter: ook die heerlijkheid gaat verloren (vers 4).

Jakob wordt schraal

4Op die dag wordt de heerlijkheid van Jakob schraal, en het vet van zijn lichaam wordt mager.
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
יִדַּ֖ל
(yidal)
wordt schraal
כְּב֣וֹד
(kevod)
heerlijkheid van
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
וּמִשְׁמַ֥ן
(umishman)
en het vet van
בְּשָׂר֖וֹ
(besaro)
zijn lichaam
יֵרָזֶֽה
(yeraze)
wordt mager
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jakob staat hier voor het hele volk.

Het ‘vet’ is een beeld van welvaart en kracht.

Wie mager wordt, verliest die kracht.

5Het zal zijn als wanneer de maaier de staande halmen bijeenbrengt en zijn arm de aren afmaait. Het zal zijn als wanneer iemand aren raapt in het dal van de Refaïeten.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
כֶּֽאֱסֹף֙
(keesof)
als bijeenbrengt
קָצִ֣יר
(qatsir)
de maaier
קָמָ֔ה
(qama)
staande halmen
וּזְרֹע֖וֹ
(uzeroo)
en zijn arm
שִׁבֳּלִ֣ים
(shibolim)
aren
יִקְצ֑וֹר
(yiqtsor)
maait af
וְהָיָ֛ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּמְלַקֵּ֥ט
(kimlaqet)
als iemand die raapt
שִׁבֳּלִ֖ים
(shibolim)
aren
בְּעֵ֥מֶק
(beemeq)
in het dal van
רְפָאִֽים
(refaim)
de Refaïeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Dal van de Refaïeten: Het dal van de Refaïeten (Emek Refaïm) liep ten zuidwesten van Jeruzalem.

Uitleg

עֵמֶק רְפָאִים (emeq Refa’im), ‘het dal van de Refaïeten’: ten zuidwesten van Jeruzalem (2 Sam. 5:18).

Het beeld is een akker die bijna niets meer oplevert.

6„Er blijft in hem een nalezing over, zoals bij het afkloppen van een olijfboom: 2 of 3 vruchten boven in de top; 4 of 5 aan de takken van de vruchtbare boom. Godsspraak van Yahweh, de Elohim van Israël.”
וְנִשְׁאַר
(venishar)
en er blijft over
בּ֤וֹ
(bo)
in hem
עֽוֹלֵלֹת֙
(olelot)
nalezing
כְּנֹ֣קֶף
(kenoqef)
als het afkloppen van
זַ֔יִת
(zayit)
een olijfboom
שְׁנַ֧יִם
(shenayim)
2
שְׁלֹשָׁ֛ה
(shelosha)
3
גַּרְגְּרִ֖ים
(gargerim)
vruchten
בְּרֹ֣אשׁ
(berosh)
boven in
אָמִ֑יר
(amir)
de top
אַרְבָּעָ֣ה
(arbaa)
4
חֲמִשָּׁ֗ה
(chamisha)
5
בִּסְעִפֶ֨יהָ֙
(bisifeiha)
aan haar takken
פֹּֽרִיָּ֔ה
(poriya)
de vruchtbare
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עוֹלֵלֹת (olelot), ‘nalezing’: wat na de oogst achterblijft.

Dat moest men voor de armen laten liggen (Lev. 19:10).

נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie Jes. 1:24. Hier staat het hele vers rood.

אָמִיר (amir), ‘de top’: het woord komt ook voor in vers 9. De betekenis is niet helemaal zeker.

פֹּרִיָּה (poriyyah), ‘de vruchtbare’: letterlijk ‘de vruchtdragende (boom)’. Het woord staat in het vrouwelijk, zoals ‘haar takken’.

Opzien naar de Maker

7Op die dag zal de mens opzien naar zijn Maker, en zijn ogen zullen kijken naar de Heilige van Israël.
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
יִשְׁעֶ֥ה
(yishe)
zal opzien
הָאָדָ֖ם
(haadam)
de mens
עַל
(al)
naar
עֹשֵׂ֑הוּ
(osehu)
zijn Maker
וְעֵינָ֕יו
(veeinav)
en zijn ogen
אֶל
(el)
naar
קְד֥וֹשׁ
(qedosh)
de Heilige van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
תִּרְאֶֽינָה
(tireina)
zullen kijken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִשְׁעֶה (yish’eh), ‘opzien’: de blik richten op iemand.

Hetzelfde werkwoord staat in vers 8 (‘niet opzien naar’).

קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra’el), ‘de Heilige van Israël’: een naam voor Yahweh die in Jesaja vaak voorkomt. Wij vertalen hem overal zo.

8Hij zal niet opzien naar de altaren, het werk van zijn handen. Wat zijn vingers hebben gemaakt, zal hij niet zien: de heilige palen en de wierookaltaren.
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִשְׁעֶ֔ה
(yishe)
zal hij opzien
אֶל
(el)
naar
הַֽמִּזְבְּח֖וֹת
(hamizbechot)
de altaren
מַעֲשֵׂ֣ה
(maase)
werk van
יָדָ֑יו
(yadav)
zijn handen
וַאֲשֶׁ֨ר
(vaasher)
en wat
עָשׂ֤וּ
(asu)
hebben gemaakt
אֶצְבְּעֹתָיו֙
(etsbeotav)
zijn vingers
לֹ֣א
(lo)
niet
יִרְאֶ֔ה
(yire)
zal hij zien
וְהָאֲשֵׁרִ֖ים
(vehaasherim)
en de heilige palen
וְהָחַמָּנִֽים
(vehachamanim)
en de wierookaltaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲשֵׁרִים (asherim), ‘heilige palen’: houten palen bij een altaar.

חַמָּנִים (chammanim), ‘wierookaltaren’: de betekenis is niet helemaal zeker.

Zie ook Lev. 26:30 en 2 Kron. 14:4.

9Op die dag zullen de steden van zijn burcht zijn als de verlaten plaatsen van het woud en van de top. Men verliet ze voor de zonen van Israël. Het wordt een woestenij.
בַּיּ֨וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֜וּא
(hahu)
die
יִהְי֣וּ
(yihyu)
zullen zijn
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
מָעֻזּ֗וֹ
(mauzo)
zijn burcht
כַּעֲזוּבַ֤ת
(kaazuvat)
als de verlatenheid van
הַחֹ֨רֶשׁ֙
(hachoresh)
het woud
וְהָ֣אָמִ֔יר
(vehaamir)
en de top
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָזְב֔וּ
(azevu)
men verliet
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor het aangezicht van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְהָיְתָ֖ה
(vehayeta)
en het wordt
שְׁמָמָֽה
(shemama)
woestenij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָעֻזּוֹ (ma’uzzo), ‘zijn burcht’: een sterke plaats.

Het woord staat ook in vers 10.

הַחֹרֶשׁ וְהָאָמִיר (hachoresh vehaamir), ‘het woud en de top’: deze zin is moeilijk. De betekenis van beide woorden is onzeker.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen hier anders.

Wij volgen de overgeleverde tekst.

Je hebt de Elohim van je redding vergeten

10Want je hebt de Elohim van je redding vergeten. Je hebt niet gedacht aan de rots van je burcht. Daarom plant je lieflijke planten en zet je er een vreemde rank in.
כִּ֤י
(ki)
want
שָׁכַ֨חַתְּ֙
(shakhachat)
je hebt vergeten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׁעֵ֔ךְ
(yishekh)
je redding
וְצ֥וּר
(vetsur)
en rots van
מָעֻזֵּ֖ךְ
(mauzekh)
je burcht
לֹ֣א
(lo)
niet
זָכָ֑רְתְּ
(zakhart)
je hebt gedacht
עַל
(al)
daarom
כֵּ֗ן
(ken)
zo
תִּטְּעִי֙
(titei)
je plant
נִטְעֵ֣י
(nitei)
planten van
נַעֲמָנִ֔ים
(naamanim)
lieflijkheden
וּזְמֹ֥רַת
(uzemorat)
en een rank van
זָ֖ר
(zar)
vreemde
תִּזְרָעֶֽנּוּ
(tizraenu)
je zaait het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִטְעֵי נַעֲמָנִים (nit’e na’amanim), ‘lieflijke planten’: letterlijk ‘planten van lieflijkheden’.

Het kan gaan om tuintjes met planten voor een vreemde god.

De betekenis is onzeker.

זְמֹרַת זָר (zemorat zar), ‘een vreemde rank’: een rank van elders, of een rank ‘van een vreemde (god)’.

צוּר (tsur), ‘rots’: een beeld van Yahweh als beschermer (vergelijk Deut. 32:4).

11Op de dag dat je plant, laat je het groeien, en 's morgens laat je je zaad bloeien. Een hoop is de oogst op de dag van ziekte en van ongeneeslijke pijn.
בְּי֤וֹם
(beyom)
op de dag dat
נִטְעֵךְ֙
(nitekh)
je plant
תְּשַׂגְשֵׂ֔גִי
(tesagsegi)
laat je groeien
וּבַבֹּ֖קֶר
(uvaboqer)
en 's morgens
זַרְעֵ֣ךְ
(zarekh)
je zaad
תַּפְרִ֑יחִי
(tafrichi)
laat je bloeien
נֵ֥ד
(ned)
hoop van
קָצִ֛יר
(qatsir)
oogst
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
נַחֲלָ֖ה
(nachala)
ziekte
וּכְאֵ֥ב
(ukheev)
en pijn
אָנֽוּשׁ
(anush)
ongeneeslijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּשַׂגְשֵׂגִי (tesagsegi), ‘laat je groeien’: een zeldzaam werkwoord.

Het kan ook ‘omheinen’ zijn.

נֵד (ned), ‘hoop’: de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘vlucht’ zijn: dan vervliegt de oogst.

Lezing

נַחֲלָה (nachalah), ‘ziekte’: dit woord kan ook ‘erfdeel’ betekenen.

Dan staat er ‘op de dag van erfdeel’.

De klinkers zijn later toegevoegd.

Wij lezen ‘ziekte’, omdat de zin over pijn gaat.

Het gebulder van de volken

12Wee, het gedruis van vele volken! Zij bruisen zoals zeeën bruisen. En het gebulder van naties: zij bulderen zoals machtige wateren bulderen.
ה֗וֹי
(hoy)
wee
הֲמוֹן֙
(hamon)
gedruis van
עַמִּ֣ים
(amim)
volken
רַבִּ֔ים
(rabim)
vele
כַּהֲמ֥וֹת
(kahamot)
als het bruisen van
יַמִּ֖ים
(yamim)
zeeën
יֶהֱמָי֑וּן
(yehemayun)
zij bruisen
וּשְׁא֣וֹן
(usheon)
en gebulder van
לְאֻמִּ֔ים
(leumim)
naties
כִּשְׁא֛וֹן
(kishon)
als het gebulder van
מַ֥יִם
(mayim)
wateren
כַּבִּירִ֖ים
(kabirim)
machtige
יִשָּׁאֽוּן
(yishaun)
zij bulderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹי (hoy), ‘wee’: het kan ook een uitroep zijn als ‘ach’.

הֲמוֹן (hamon), ‘gedruis’, en שְׁאוֹן (sha’on), ‘gebulder’: geluiden van volken en water. Het werkwoord ‘bruisen’ (המה) gebruiken wij ook in Ps. 46:4 en 7.

13Naties bulderen zoals vele wateren bulderen. En Hij bedreigt hen, en zij vluchten ver weg. Zij worden opgejaagd als kaf van de bergen voor de wind uit, en als een rollend rad voor de storm.
לְאֻמִּ֗ים
(leumim)
naties
כִּשְׁא֞וֹן
(kishon)
als het gebulder van
מַ֤יִם
(mayim)
wateren
רַבִּים֙
(rabim)
vele
יִשָּׁא֔וּן
(yishaun)
zij bulderen
וְגָ֥עַר
(vegaar)
en Hij bedreigt
בּ֖וֹ
(bo)
hen
וְנָ֣ס
(venas)
en zij vluchten
מִמֶּרְחָ֑ק
(mimerchaq)
van ver
וְרֻדַּ֗ף
(verudaf)
en zij worden opgejaagd
כְּמֹ֤ץ
(kemots)
als kaf van
הָרִים֙
(harim)
de bergen
לִפְנֵי
(lifnei)
voor het aangezicht van
ר֔וּחַ
(ruach)
wind
וּכְגַלְגַּ֖ל
(ukhegalgal)
en als een rollend rad
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
סוּפָֽה
(sufa)
storm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גָּעַר (ga’ar), ‘bedreigen’: het werkwoord heeft geen genoemd onderwerp.

Het is Yahweh die de volken tot zwijgen brengt.

Het Hebreeuws zegt ‘Hij bedreigt hem’ (enkelvoud); wij schrijven ‘hen’.

גַּלְגַּל (galgal), ‘rad’: een rollend rad. Zo ook Ps. 83:14. Het kan ook tuimelkruid zijn dat door de wind wordt voortgejaagd.

14In de avondtijd: zie, schrik! Voordat het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel van wie ons plunderen, het lot van wie ons beroven.
לְעֵ֥ת
(leet)
in de tijd van
עֶ֨רֶב֙
(erev)
avond
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
בַלָּהָ֔ה
(balaha)
schrik
בְּטֶ֥רֶם
(beterem)
voordat
בֹּ֖קֶר
(boqer)
morgen
אֵינֶ֑נּוּ
(einenu)
hij is er niet
זֶ֚ה
(ze)
dit
חֵ֣לֶק
(cheleq)
deel van
שׁוֹסֵ֔ינוּ
(shoseinu)
wie ons plunderen
וְגוֹרָ֖ל
(vegoral)
en lot van
לְבֹזְזֵֽינוּ
(levozezeinu)
wie ons beroven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּלָּהָה (ballahah), ‘schrik’: een plotselinge ramp.

Dit vers sluit de last af. Wie ‘ons’ zijn (Juda?) en wie de plunderaars zijn, zegt de tekst niet. Wij laten dat open.