Elohim Bijbel

Jesaja 31

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Egypte helpt niet; Yahweh van de legermachten beschermt Jeruzalem

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Wee wie op Egypte steunt

1Wee hen die naar Egypte afdalen voor hulp en steunen op paarden. Zij vertrouwen op wagens, want die zijn talrijk, en op ruiters, want zij zijn zeer sterk. Maar naar de Heilige van Israël kijken zij niet, en Yahweh zoeken zij niet.
ה֣וֹי
(hoy)
wee
הַיֹּרְדִ֤ים
(hayoredim)
die afdalen
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
naar Egypte
לְעֶזְרָ֔ה
(leezra)
voor hulp
עַל
(al)
op
סוּסִ֖ים
(susim)
paarden
יִשָּׁעֵ֑נוּ
(yishaenu)
zij steunen
וַיִּבְטְח֨וּ
(vayivtechu)
en zij vertrouwen
עַל
(al)
op
רֶ֜כֶב
(rekhev)
wagens
כִּ֣י
(ki)
want
רָ֗ב
(rav)
talrijk
וְעַ֤ל
(veal)
en op
פָּֽרָשִׁים֙
(parashim)
ruiters
כִּֽי
(ki)
want
עָצְמ֣וּ
(atsemu)
zij zijn sterk
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
שָׁעוּ֙
(shau)
zij kijken
עַל
(al)
naar
קְד֣וֹשׁ
(qedosh)
de Heilige van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֥א
(lo)
niet
דָרָֽשׁוּ
(darashu)
zij zoeken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

הַיֹּרְדִים מִצְרַיִם (yordim Mitsrayim), ‘die naar Egypte afdalen’: wie naar Egypte trekt, ‘daalt af’.

Egypte gold als bondgenoot met paarden en wagens.

De koning mocht geen paarden uit Egypte halen (Deut. 17:16); vergelijk ook de woorden van de Rabsake over Egypte in 2 Kon. 18:21 en Ps. 20:8 en 33:17.

קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra’el), ‘de Heilige van Israël’: een vaste naam voor Yahweh bij Jesaja.

2Ook Hij is wijs. Hij laat onheil komen en neemt Zijn woorden niet terug. Hij staat op tegen het huis van de kwaaddoeners en tegen de hulp van hen die onrecht doen.
וְגַם
(vegam)
en ook
ה֤וּא
(hu)
Hij
חָכָם֙
(chakham)
wijs
וַיָּ֣בֵא
(vayave)
en Hij laat komen
רָ֔ע
(ra)
onheil
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
דְּבָרָ֖יו
(devarav)
Zijn woorden
לֹ֣א
(lo)
niet
הֵסִ֑יר
(hesir)
Hij neemt weg
וְקָם֙
(veqam)
en Hij staat op
עַל
(al)
tegen
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
מְרֵעִ֔ים
(mereim)
kwaaddoeners
וְעַל
(veal)
en tegen
עֶזְרַ֖ת
(ezrat)
de hulp van
פֹּ֥עֲלֵי
(poalei)
hen die doen
אָֽוֶן
(aven)
onrecht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְגַם הוּא חָכָם (vegam hu chakham), ‘ook Hij is wijs’: wie hulp zoekt in Egypte denkt wijs te handelen.

Jesaja zegt dat ook Yahweh wijs is.

דְּבָרָיו לֹא הֵסִיר (devarav lo hesir), ‘Hij neemt Zijn woorden niet terug’: letterlijk ‘Zijn woorden verwijdert Hij niet’. Vergelijk Num. 23:19.

פֹּעֲלֵי אָוֶן (poalei aven), ‘hen die onrecht doen’: letterlijk ‘werkers van onrecht’.

3De Egyptenaren zijn mensen en geen El. Hun paarden zijn vlees en geen geest. Yahweh zal Zijn hand uitstrekken. Dan struikelt de helper en valt hij die geholpen wordt. Samen gaan zij allen ten onder.
וּמִצְרַ֤יִם
(umitsrayim)
en Egypte
אָדָם֙
(adam)
mens
וְֽלֹא
(velo)
en niet
אֵ֔ל
(el)
El
וְסוּסֵיהֶ֥ם
(vesuseihem)
en hun paarden
בָּשָׂ֖ר
(basar)
vlees
וְלֹא
(velo)
en niet
ר֑וּחַ
(ruach)
geest
וַֽיהוָ֞ה
(vaYahweh)
en Yahweh
יַטֶּ֣ה
(yate)
Hij zal uitstrekken
יָד֗וֹ
(yado)
Zijn hand
וְכָשַׁ֤ל
(vekhashal)
en struikelt
עוֹזֵר֙
(ozer)
de helper
וְנָפַ֣ל
(venafal)
en valt
עָזֻ֔ר
(azur)
die geholpen wordt
וְיַחְדָּ֖ו
(veyachdav)
en samen
כֻּלָּ֥ם
(kulam)
zij allen
יִכְלָיֽוּן
(yikhlayun)
gaan ten onder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּמִצְרַיִם אָדָם וְלֹא אֵל (u-Mitsrayim adam velo El), ‘de Egyptenaren zijn mensen en geen El’: het Hebreeuws heeft ‘Egypte’.

Mensen sterven, El niet; vergelijk Num. 23:19.

וְסוּסֵיהֶם בָּשָׂר וְלֹא רוּחַ (susehem basar velo ruach), ‘hun paarden zijn vlees en geen geest’: ‘vlees’ is zwak en vergankelijk, ‘ruach’ (geest, ook ‘wind’) is levenskracht.

עוֹזֵר (ozer), ‘de helper’, en עָזֻר (azur), ‘hij die geholpen wordt’: Egypte, dat helpt, en Juda, dat hulp zoekt. Beiden vallen.

Yahweh strijdt voor Sion

4Want zo heeft Yahweh tegen mij gezegd: „Zoals de leeuw en de jonge leeuw gromt over zijn prooi, terwijl een menigte herders tegen hem wordt opgeroepen: hij schrikt niet van hun stem en bezwijkt niet voor hun gedruis. Zo zal Yahweh van de legermachten neerdalen om te strijden op de berg Sion en op haar heuvel.”
כִּ֣י
(ki)
want
כֹ֣ה
(ko)
zo
אָֽמַר
(amar)
heeft gezegd
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֡י
(elay)
tegen mij
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
יֶהְגֶּה֩
(yehge)
gromt
הָאַרְיֵ֨ה
(haarye)
de leeuw
וְהַכְּפִ֜יר
(vehakefir)
en de jonge leeuw
עַל
(al)
over
טַרְפּ֗וֹ
(tarpo)
zijn prooi
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
tegen wie
יִקָּרֵ֤א
(yiqare)
wordt opgeroepen
עָלָיו֙
(alav)
tegen hem
מְלֹ֣א
(melo)
een menigte van
רֹעִ֔ים
(roim)
herders
מִקּוֹלָם֙
(miqolam)
voor hun stem
לֹ֣א
(lo)
niet
יֵחָ֔ת
(yechat)
schrikt hij
וּמֵֽהֲמוֹנָ֖ם
(umehamonam)
en voor hun gedruis
לֹ֣א
(lo)
niet
יַֽעֲנֶ֑ה
(yaane)
bezwijkt hij
כֵּ֗ן
(ken)
zo
יֵרֵד֙
(yered)
zal neerdalen
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
לִצְבֹּ֥א
(litsbo)
om te strijden
עַל
(al)
op
הַר
(har)
de berg
צִיּ֖וֹן
(tsiyon)
Sion
וְעַל
(veal)
en op
גִּבְעָתָֽהּ
(givatah)
haar heuvel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jes. 1:9.

יֶהְגֶּה (yehgeh), ‘gromt’: het werkwoord betekent eigenlijk ‘mompelen’ of ‘kreunen’; zo klinkt een leeuw boven zijn prooi. Vergelijk Hos. 5:14 en Am. 3:8, waar Yahweh en Zijn woord met een leeuw worden vergeleken.

יַעֲנֶה (yaaneh), ‘bezwijkt’: het werkwoord kan ‘antwoorden’ of ‘zich laten kleinmaken’ betekenen. De betekenis hier is niet helemaal zeker.

Lezing

לִצְבֹּא עַל (lits’bo al), ‘om te strijden op’: het woordje ‘al’ kan ‘op’, ‘voor’ of ‘tegen’ betekenen.

Het kan dus ‘om te strijden voor de berg Sion’ zijn, zoals het volgende vers dat zegt (beschermen), maar ook ‘om op de berg Sion te strijden’.

Wij laten het open met ‘op’.

5Als vogels die vliegen, zo zal Yahweh van de legermachten Jeruzalem beschermen. Hij zal beschermen en bevrijden, voorbijgaan en laten ontkomen.
כְּצִפֳּרִ֣ים
(ketsiporim)
als vogels
עָפ֔וֹת
(afot)
vliegend
כֵּ֗ן
(ken)
zo
יָגֵ֛ן
(yagen)
zal beschermen
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
עַל
(al)
over
יְרֽוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
גָּנ֥וֹן
(ganon)
beschermend
וְהִצִּ֖יל
(vehitsil)
en bevrijdend
פָּסֹ֥חַ
(pasoach)
voorbijgaand
וְהִמְלִֽיט
(vehimlit)
en laten ontkomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

פָּסֹחַ (pasoach), ‘voorbijgaan’: hetzelfde werkwoord als bij het Pesach, toen Yahweh de huizen van Israël voorbijging (Exod. 12:13, 12:23 en 12:27).

Hier spaart Hij Jeruzalem.

גָּנוֹן (ganon), ‘beschermen’: hetzelfde werkwoord als in 2 Kon. 19:34, waar Yahweh zegt dat Hij de stad zal beschermen en redden. Daar staat voor ‘redden’ het werkwoord hoshia; hier staat hitsil, ‘bevrijden’.

Keer terug tot Hem

6Keer terug tot Hem van wie de kinderen van Israël diep zijn afgevallen.
שׁ֗וּבוּ
(shuvu)
keert terug
לַאֲשֶׁ֛ר
(laasher)
tot Hem van wie
הֶעְמִ֥יקוּ
(hemiqu)
zij hebben verdiept
סָרָ֖ה
(sara)
afval
בְּנֵ֥י
(benei)
de kinderen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סָרָה (sarah), ‘afval’: letterlijk ‘afwijking’.

Hetzelfde woord staat in Deut. 13:6, waar wij ‘opstand’ hebben.

Lezing

Het Hebreeuws wisselt van ‘keer terug’ (jullie) naar ‘zij’.

Wij lezen ‘de kinderen van Israël’ als onderwerp van ‘zijn afgevallen’.

Het kan ook zijn: ‘Keer terug, kinderen van Israël, tot Hem van wie zij diep zijn afgevallen.’

‘Hem’ is Yahweh uit vers 1.

7Want op die dag zal ieder zijn zilveren nietige goden verwerpen en zijn gouden nietige goden, die jullie handen voor jullie hebben gemaakt tot zonde.
כִּ֚י
(ki)
want
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
יִמְאָס֗וּן
(yimasun)
zij zullen verwerpen
אִ֚ישׁ
(ish)
ieder
אֱלִילֵ֣י
(elilei)
nietige goden van
כַסְפּ֔וֹ
(kaspo)
zijn zilver
וֶאֱלִילֵ֖י
(veelilei)
en nietige goden van
זְהָב֑וֹ
(zehavo)
zijn goud
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
עָשׂ֥וּ
(asu)
hebben gemaakt
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
יְדֵיכֶ֖ם
(yedeikhem)
jullie handen
חֵֽטְא
(chete)
zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלִילֵי (elilei), ‘nietige goden’: zie Jes. 2:8 en vooral Jes. 2:20, waar dezelfde uitdrukking staat (‘zijn zilveren nietige goden en zijn gouden nietige goden’).

חֵטְא (chet), ‘zonde’: de beelden zelf zijn de zonde, want mensenhanden hebben ze gemaakt.

Assyrië zal vallen

8Assyrië zal vallen door een zwaard dat niet van een man is. Een zwaard dat niet van een mens is, zal hem verslinden. Hij zal vluchten voor het zwaard, en zijn jonge mannen zullen dwangarbeiders worden.
וְנָפַ֤ל
(venafal)
en zal vallen
אַשּׁוּר֙
(ashur)
Assyrië
בְּחֶ֣רֶב
(becherev)
door een zwaard
לֹא
(lo)
niet
אִ֔ישׁ
(ish)
van een man
וְחֶ֥רֶב
(vecherev)
en een zwaard
לֹֽא
(lo)
niet
אָדָ֖ם
(adam)
van een mens
תֹּֽאכֲלֶ֑נּוּ
(tokhalenu)
zal hem verslinden
וְנָ֥ס
(venas)
en hij zal vluchten
לוֹ֙
(lo)
voor zich
מִפְּנֵי
(mipenei)
voor
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
וּבַחוּרָ֖יו
(uvachurav)
en zijn jonge mannen
לָמַ֥ס
(lamas)
tot dwangarbeid
יִהְיֽוּ
(yihyu)
zullen zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

אַשּׁוּר (Ashur), ‘Assyrië’: het Hebreeuws heeft Assur; wij schrijven Assyrië, zoals in Koningen.

בְּחֶרֶב לֹא אִישׁ וְחֶרֶב (bechereb lo ish), ‘door een zwaard dat niet van een man is’: het zwaard komt niet van mensen. Vergelijk 2 Kon. 19:35, waar de engel van Yahweh het kamp van Assyrië sloeg.

לָמַס (lamas), ‘tot dwangarbeid’: zie Joz. 16:10 en 17:13.

9Zijn rots zal van schrik verdwijnen, en zijn oversten zullen ontzet zijn voor de banier. Godsspraak van Yahweh, die in Sion een vuur heeft en in Jeruzalem een oven.
וְסַלְעוֹ֙
(vesalo)
en zijn rots
מִמָּג֣וֹר
(mimagor)
van schrik
יַֽעֲב֔וֹר
(yaavor)
zal verdwijnen
וְחַתּ֥וּ
(vechatu)
en zij zullen ontzet zijn
מִנֵּ֖ס
(mines)
voor de banier
שָׂרָ֑יו
(sarav)
zijn oversten
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר
(asher)
die
א֥וּר
(ur)
vuur
לוֹ֙
(lo)
voor Hem
בְּצִיּ֔וֹן
(betsiyon)
in Sion
וְתַנּ֥וּר
(vetanur)
en oven
ל֖וֹ
(lo)
voor Hem
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

נְאֻם יְהוָה (neum Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24.

Ook hier staat de formule rood, hoewel ze in de woorden van de profeet staat.

וְסַלְעוֹ (sal’o), ‘zijn rots’: onzeker wat ermee bedoeld wordt, zijn vesting, zijn koning of zijn god.

מִמָּגוֹר (magor), ‘schrik’, en מִנֵּס (nes), ‘banier’: een teken van een leger. Vuur en oven in Sion en Jeruzalem zijn beelden van Yahweh als wie oordeelt; vergelijk 33:14.