Jesaja 31
Egypte helpt niet; Yahweh van de legermachten beschermt Jeruzalem
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Wee wie op Egypte steunt
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
הַיֹּרְדִים מִצְרַיִם (yordim Mitsrayim), ‘die naar Egypte afdalen’: wie naar Egypte trekt, ‘daalt af’.
Egypte gold als bondgenoot met paarden en wagens.
De koning mocht geen paarden uit Egypte halen (Deut. 17:16); vergelijk ook de woorden van de Rabsake over Egypte in 2 Kon. 18:21 en Ps. 20:8 en 33:17.
קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra’el), ‘de Heilige van Israël’: een vaste naam voor Yahweh bij Jesaja.
וְגַם הוּא חָכָם (vegam hu chakham), ‘ook Hij is wijs’: wie hulp zoekt in Egypte denkt wijs te handelen.
Jesaja zegt dat ook Yahweh wijs is.
דְּבָרָיו לֹא הֵסִיר (devarav lo hesir), ‘Hij neemt Zijn woorden niet terug’: letterlijk ‘Zijn woorden verwijdert Hij niet’. Vergelijk Num. 23:19.
פֹּעֲלֵי אָוֶן (poalei aven), ‘hen die onrecht doen’: letterlijk ‘werkers van onrecht’.
וּמִצְרַיִם אָדָם וְלֹא אֵל (u-Mitsrayim adam velo El), ‘de Egyptenaren zijn mensen en geen El’: het Hebreeuws heeft ‘Egypte’.
Mensen sterven, El niet; vergelijk Num. 23:19.
וְסוּסֵיהֶם בָּשָׂר וְלֹא רוּחַ (susehem basar velo ruach), ‘hun paarden zijn vlees en geen geest’: ‘vlees’ is zwak en vergankelijk, ‘ruach’ (geest, ook ‘wind’) is levenskracht.
עוֹזֵר (ozer), ‘de helper’, en עָזֻר (azur), ‘hij die geholpen wordt’: Egypte, dat helpt, en Juda, dat hulp zoekt. Beiden vallen.
Yahweh strijdt voor Sion
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jes. 1:9.
יֶהְגֶּה (yehgeh), ‘gromt’: het werkwoord betekent eigenlijk ‘mompelen’ of ‘kreunen’; zo klinkt een leeuw boven zijn prooi. Vergelijk Hos. 5:14 en Am. 3:8, waar Yahweh en Zijn woord met een leeuw worden vergeleken.
יַעֲנֶה (yaaneh), ‘bezwijkt’: het werkwoord kan ‘antwoorden’ of ‘zich laten kleinmaken’ betekenen. De betekenis hier is niet helemaal zeker.
לִצְבֹּא עַל (lits’bo al), ‘om te strijden op’: het woordje ‘al’ kan ‘op’, ‘voor’ of ‘tegen’ betekenen.
Het kan dus ‘om te strijden voor de berg Sion’ zijn, zoals het volgende vers dat zegt (beschermen), maar ook ‘om op de berg Sion te strijden’.
Wij laten het open met ‘op’.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
פָּסֹחַ (pasoach), ‘voorbijgaan’: hetzelfde werkwoord als bij het Pesach, toen Yahweh de huizen van Israël voorbijging (Exod. 12:13, 12:23 en 12:27).
Hier spaart Hij Jeruzalem.
גָּנוֹן (ganon), ‘beschermen’: hetzelfde werkwoord als in 2 Kon. 19:34, waar Yahweh zegt dat Hij de stad zal beschermen en redden. Daar staat voor ‘redden’ het werkwoord hoshia; hier staat hitsil, ‘bevrijden’.
Keer terug tot Hem
סָרָה (sarah), ‘afval’: letterlijk ‘afwijking’.
Hetzelfde woord staat in Deut. 13:6, waar wij ‘opstand’ hebben.
Het Hebreeuws wisselt van ‘keer terug’ (jullie) naar ‘zij’.
Wij lezen ‘de kinderen van Israël’ als onderwerp van ‘zijn afgevallen’.
Het kan ook zijn: ‘Keer terug, kinderen van Israël, tot Hem van wie zij diep zijn afgevallen.’
‘Hem’ is Yahweh uit vers 1.
אֱלִילֵי (elilei), ‘nietige goden’: zie Jes. 2:8 en vooral Jes. 2:20, waar dezelfde uitdrukking staat (‘zijn zilveren nietige goden en zijn gouden nietige goden’).
חֵטְא (chet), ‘zonde’: de beelden zelf zijn de zonde, want mensenhanden hebben ze gemaakt.
Assyrië zal vallen
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
אַשּׁוּר (Ashur), ‘Assyrië’: het Hebreeuws heeft Assur; wij schrijven Assyrië, zoals in Koningen.
בְּחֶרֶב לֹא אִישׁ וְחֶרֶב (bechereb lo ish), ‘door een zwaard dat niet van een man is’: het zwaard komt niet van mensen. Vergelijk 2 Kon. 19:35, waar de engel van Yahweh het kamp van Assyrië sloeg.
לָמַס (lamas), ‘tot dwangarbeid’: zie Joz. 16:10 en 17:13.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
נְאֻם יְהוָה (neum Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24.
Ook hier staat de formule rood, hoewel ze in de woorden van de profeet staat.
וְסַלְעוֹ (sal’o), ‘zijn rots’: onzeker wat ermee bedoeld wordt, zijn vesting, zijn koning of zijn god.
מִמָּגוֹר (magor), ‘schrik’, en מִנֵּס (nes), ‘banier’: een teken van een leger. Vuur en oven in Sion en Jeruzalem zijn beelden van Yahweh als wie oordeelt; vergelijk 33:14.