Het scheermes en de drie delen haar: het oordeel over Jeruzalem
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het scheermes van de barbier
1„En jij, mensenkind, neem voor jezelf een scherp zwaard, een scheermes van de barbiers. Neem het voor jezelf en haal het over je hoofd en over je baard. Neem dan een weegschaal en verdeel het haar.
וְאַתָּ֨ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֜ם
(adam)
mens
קַח
(qach)
neem
לְךָ֣
(lekha)
voor jou
חֶ֣רֶב
(cherev)
zwaard
חַדָּ֗ה
(chada)
scherp
תַּ֤עַר
(taar)
scheermes van
הַגַּלָּבִים֙
(hagalavim)
de barbiers
תִּקָּחֶ֣נָּה
(tiqachena)
je zult het nemen
לָּ֔ךְ
(lakh)
voor jou
וְהַעֲבַרְתָּ֥
(vehaavarta)
en laat gaan
עַל
(al)
over
רֹאשְׁךָ֖
(roshkha)
je hoofd
וְעַל
(veal)
en over
זְקָנֶ֑ךָ
(zeqanekha)
je baard
וְלָקַחְתָּ֥
(velaqachta)
en neem
לְךָ֛
(lekha)
voor jou
מֹאזְנֵ֥י
(moznei)
weegschaal van
מִשְׁקָ֖ל
(mishqal)
gewicht
וְחִלַּקְתָּֽם
(vechilaqtam)
en verdeel ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֶּן אָדָם (ben adam), ‘mensenkind’: zie 2:1.
תַּעַר הַגַּלָּבִים (ta’ar hagallavim), ‘een scheermes van de barbiers’: een scherp mes om haar mee af te scheren. Dit is een tekenhandeling, zoals in Ezech. 4.
וְחִלַּקְתָּם (vechillaqtam), ‘en verdeel ze’: er staat ‘ze’ (meervoud); het haar wordt niet genoemd. Wij voegen ‘het haar’ toe voor de duidelijkheid. In vers 12 krijgen de drie delen hun uitleg.
2Een derde deel moet je in het vuur verbranden, midden in de stad, wanneer de dagen van het beleg vol zijn. Een derde deel moet je nemen en rondom haar met het zwaard slaan. Een derde deel moet je voor de wind uiteen strooien. En Ik zal het zwaard trekken achter hen aan.
שְׁלִשִׁ֗ית
(shelishit)
een derde
בָּא֤וּר
(baur)
in het vuur
תַּבְעִיר֙
(tavir)
zul je verbranden
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
te midden van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
כִּמְלֹ֖את
(kimlot)
als vol zijn
יְמֵ֣י
(yemei)
de dagen van
הַמָּצ֑וֹר
(hamatsor)
het beleg
וְלָֽקַחְתָּ֣
(velaqachta)
en neem
אֶת
(et)
(obj.)
הַשְּׁלִשִׁ֗ית
(hashelishit)
het derde
תַּכֶּ֤ה
(take)
sla je
בַחֶ֨רֶב֙
(bacherev)
met het zwaard
סְבִ֣יבוֹתֶ֔יהָ
(sevivoteiha)
rondom haar
וְהַשְּׁלִשִׁית֙
(vehashelishit)
en het derde
תִּזְרֶ֣ה
(tizre)
zul je uiteen strooien
לָר֔וּחַ
(laruach)
naar de wind
וְחֶ֖רֶב
(vecherev)
en een zwaard
אָרִ֥יק
(ariq)
zal Ik trekken
אַחֲרֵיהֶֽם
(achareihem)
achter hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַמָּצוֹר (hammatsor), ‘het beleg’: zie de tekenhandeling van het beleg in Ezech. 4:1–8.
De dagen van het beleg zijn ‘vol’ als die tijd voorbij is.
שְׁלִשִׁית (shelishit), ‘een derde’: de drie delen van het haar komen terug in vers 12.
וְחֶרֶב אָרִיק אַחֲרֵיהֶם (vecherev arik acharehem), ‘en Ik zal het zwaard trekken achter hen aan’: een beeld van achtervolging. Dezelfde woorden staan in vers 12 en in Lev. 26:33.
5Zo zegt Heer Yahweh: „Dit is Jeruzalem. Midden onder de volken heb Ik haar gesteld, met landen rondom haar.
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהֹוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
זֹ֚את
(zot)
dit
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
te midden van
הַגּוֹיִ֖ם
(hagoyim)
de volken
שַׂמְתִּ֑יהָ
(samtiha)
Ik heb haar gesteld
וּסְבִיבוֹתֶ֖יהָ
(usevivoteiha)
en rondom haar
אֲרָצֽוֹת
(aratsot)
landen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
שַׂמְתִּיהָ (samtiha), ‘Ik heb haar gesteld’: het werkwoord שׂוּם (sum) betekent ‘plaatsen, zetten’.
בְּתוֹךְ הַגּוֹיִם (betokh hagoyim), ‘te midden van de volken’: Jeruzalem staat hier in het middelpunt, omringd door landen. Het gaat om haar ligging tussen de volken, niet om een titel.
6Zij heeft zich in goddeloosheid tegen Mijn rechtsregels verzet, meer dan de volken, en tegen Mijn voorschriften, meer dan de landen rondom haar. Want Mijn rechtsregels hebben zij verworpen, en in Mijn voorschriften zijn zij niet gegaan.”
וַתֶּ֨מֶר
(vatemer)
en zij heeft zich verzet
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁפָּטַ֤י
(mishpatay)
Mijn rechtsregels
לְרִשְׁעָה֙
(lerisha)
in goddeloosheid
מִן
(min)
meer dan
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
וְאֶ֨ת
(veet)
en (obj.)
חֻקּוֹתַ֔י
(chuqotay)
Mijn voorschriften
מִן
(min)
meer dan
הָאֲרָצ֖וֹת
(haaratsot)
de landen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
סְבִיבוֹתֶ֑יהָ
(sevivoteiha)
rondom haar
כִּ֤י
(ki)
want
בְמִשְׁפָּטַי֙
(bemishpatay)
Mijn rechtsregels
מָאָ֔סוּ
(maasu)
hebben zij verworpen
וְחֻקּוֹתַ֖י
(vechuqotay)
en Mijn voorschriften
לֹא
(lo)
niet
הָלְכ֥וּ
(halekhu)
zijn zij gegaan
בָהֶֽם
(bahem)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַתֶּמֶר (vattemer), ‘zij heeft zich verzet’: het werkwoord מָרָה (marah) betekent ‘opstandig zijn’.
De vorm kan ook van een ander werkwoord komen, ‘veranderen’; de betekenis is niet helemaal zeker.
מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘rechtsregels’, en חֻקּוֹת (chuqqot), ‘voorschriften’: de vaste regels van Yahweh, zoals in Lev. 18:4–5 en Lev. 26:3.
7Daarom, zo zegt Heer Yahweh: „Omdat jullie opstandiger zijn dan de volken rondom jullie: in Mijn voorschriften zijn jullie niet gegaan en Mijn rechtsregels hebben jullie niet gedaan. Ja, zelfs naar de rechtsregels van de volken rondom jullie hebben jullie niet gehandeld,”
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֤עַן
(yaan)
omdat
הֲמָנְכֶם֙
(hamanekhem)
jullie woeligheid
מִן
(min)
meer dan
הַגּוֹיִם֙
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
סְבִיבֽוֹתֵיכֶ֔ם
(sevivoteikhem)
rondom jullie
בְּחֻקּוֹתַי֙
(bechuqotay)
in Mijn voorschriften
לֹ֣א
(lo)
niet
הֲלַכְתֶּ֔ם
(halakhtem)
zijn jullie gegaan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִשְׁפָּטַ֖י
(mishpatay)
Mijn rechtsregels
לֹ֣א
(lo)
niet
עֲשִׂיתֶ֑ם
(asitem)
hebben jullie gedaan
וּֽכְמִשְׁפְּטֵ֧י
(ukhemishpetei)
en volgens de rechtsregels van
הַגּוֹיִ֛ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
סְבִיבוֹתֵיכֶ֖ם
(sevivoteikhem)
rondom jullie
לֹ֥א
(lo)
niet
עֲשִׂיתֶֽם
(asitem)
hebben jullie gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֲמָנְכֶם (hamonkhem), ‘jullie woeligheid’: een zeldzame vorm, afgeleid van הָמוֹן (hamon), ‘rumoer, menigte’.
De betekenis is niet helemaal zeker: ‘jullie zijn woeliger’, ‘jullie zijn talrijker’ of ‘jullie rumoer’.
Wij kiezen ‘jullie zijn opstandiger’ naar de lijn van vers 6.
De zin die met ‘Omdat’ begint, loopt door tot vers 8, waar het ‘daarom’ opnieuw begint. Wij laten de zin zoals hij staat.
Lezing
Sommige oude vertalingen lezen dit vers op enkele plaatsen anders.
10Daarom zullen vaders in je midden hun zonen eten, en zonen zullen hun vaders eten. Ik zal gerichten over je voltrekken en al je overgeblevenen naar alle winden verstrooien.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
אָב֞וֹת
(avot)
vaders
יֹאכְל֤וּ
(yokhlu)
zullen eten
בָנִים֙
(banim)
zonen
בְּתוֹכֵ֔ךְ
(betokhekh)
in je midden
וּבָנִ֖ים
(uvanim)
en zonen
יֹאכְל֣וּ
(yokhlu)
zullen eten
אֲבוֹתָ֑ם
(avotam)
hun vaders
וְעָשִׂ֤יתִי
(veasiti)
en Ik zal doen
בָךְ֙
(bakh)
aan jou
שְׁפָטִ֔ים
(shefatim)
gerichten
וְזֵרִיתִ֥י
(vezeriti)
en Ik zal verstrooien
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
שְׁאֵרִיתֵ֖ךְ
(sheeritekh)
je overgeblevenen
לְכָל
(lekhal)
naar elke
רֽוּחַ
(ruach)
wind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De ouders eten hun kinderen en de kinderen hun ouders: vergelijk Lev. 26:29 en Deut. 28:53–57.
Het beeld van de honger in het beleg komt ook voor in 2 Kon. 6:28–29.
שְׁאֵרִית (she’erit), ‘overgeblevenen’: wie van het volk overblijft. Het woord wordt in de profeten vaak voor de rest gebruikt.
לְכָל רוּחַ (lekhol ruach), ‘naar alle winden’: רוּחַ (ruach) is hier ‘wind’, naar elke windrichting.
11Daarom, zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: zeker, omdat je Mijn heiligdom met al je gruwelbeelden en al je gruwelen hebt verontreinigd, zal ook Ik je verminderen. Mijn oog zal niet sparen, en ook Ik zal geen medelijden hebben.
לָכֵ֣ן
(lakhen)
daarom
חַי
(chay)
levend is
אָ֗נִי
(ani)
Ik
נְאֻם֮
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
als
לֹ֗א
(lo)
niet
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
אֶת
(et)
(obj.)
מִקְדָּשִׁ֣י
(miqdashi)
Mijn heiligdom
טִמֵּ֔את
(timet)
je hebt verontreinigd
בְּכָל
(bekhal)
met al
שִׁקּוּצַ֖יִךְ
(shiqutsayikh)
je gruwelbeelden
וּבְכָל
(uvekhal)
en met al
תּוֹעֲבֹתָ֑יִךְ
(toavotayikh)
je gruwelen
וְגַם
(vegam)
en ook
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
אֶגְרַע֙
(egra)
zal verminderen
וְלֹא
(velo)
en niet
תָח֣וֹס
(tachos)
zal sparen
עֵינִ֔י
(eini)
Mijn oog
וְגַם
(vegam)
en ook
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
לֹ֥א
(lo)
niet
אֶחְמֽוֹל
(echmol)
zal medelijden hebben
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: ne’um is een vaste formule in de profeten en zegt dat Yahweh zelf spreekt.
Dit is de eerste keer dat de formule in Ezechiël voorkomt; elders in het boek verwijzen wij hiernaar.
Binnen Zijn woorden staat ze rood.
חַי אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’: een eed, letterlijk ‘levend is Ik’. Yahweh zweert bij Zichzelf, zoals in Num. 14:21 en Num. 14:28.
אִם לֹא (im lo), ‘zeker’: de woorden betekenen letterlijk ‘als niet’. Samen met ‘zo waar Ik leef’ vormen ze een krachtige bevestiging.
שִׁקּוּצִים (shiqqutsim), ‘gruwelbeelden’: afgodsbeelden waarvoor Yahweh walgt (vergelijk Deut. 29:16). תּוֹעֵבוֹת (to’evot), ‘gruwelen’: de afgodische gebruiken, zoals in vers 9. Samen vormen ze de reden van het oordeel.
אֶגְרַע (egra), ‘zal Ik verminderen’: het werkwoord גָּרַע (gara) betekent ‘verminderen, wegnemen’. Er staat geen voorwerp bij. Sommige oude vertalingen lezen een ander werkwoord. Wij volgen de Masoretische tekst.
לֹא תָחוֹס עֵינִי (lo tachos eini), ‘Mijn oog zal niet sparen’: vergelijk Ezech. 7:4, 7:9 en 8:18.
12Een derde deel van jou zal aan de pest sterven en door de honger omkomen in je midden. Een derde deel zal rondom je door het zwaard vallen. Een derde deel zal Ik naar alle winden verstrooien. Ik zal het zwaard trekken achter hen aan.
שְׁלִשִׁתֵ֞יךְ
(shelishiteikh)
een derde van jou
בַּדֶּ֣בֶר
(badever)
aan de pest
יָמ֗וּתוּ
(yamutu)
zullen sterven
וּבָֽרָעָב֙
(uvaraav)
en door honger
יִכְל֣וּ
(yikhlu)
zullen omkomen
בְתוֹכֵ֔ךְ
(betokhekh)
in je midden
וְהַ֨שְּׁלִשִׁ֔ית
(vehashelishit)
en het derde
בַּחֶ֖רֶב
(bacherev)
door het zwaard
יִפְּל֣וּ
(yipelu)
zullen vallen
סְבִיבוֹתָ֑יִךְ
(sevivotayikh)
rondom je
וְהַשְּׁלִישִׁית֙
(vehashelishit)
en het derde
לְכָל
(lekhal)
naar elke
ר֣וּחַ
(ruach)
wind
אֱזָרֶ֔ה
(ezare)
zal Ik verstrooien
וְחֶ֖רֶב
(vecherev)
en een zwaard
אָרִ֥יק
(ariq)
zal Ik trekken
אַחֲרֵיהֶֽם
(achareihem)
achter hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דֶּבֶר (dever), ‘pest’: een dodelijke ziekte die zich verspreidt, vaak bij de honger en het zwaard genoemd.
רָעָב (ra’av), ‘honger’.
Dit vers geeft de uitleg van de drie delen van het haar uit vers 2: een derde sterft in de stad, een derde valt rondom door het zwaard, een derde wordt verstrooid.
13Dan zal Mijn toorn voltooid zijn. Ik zal Mijn grimmigheid op hen laten rusten en Mij verlichting verschaffen. Zij zullen weten dat Ik, Yahweh, in Mijn ijver gesproken heb, wanneer Ik Mijn grimmigheid op hen voltooid heb.
וְכָלָ֣ה
(vekhala)
en zal voltooid zijn
אַפִּ֗י
(api)
Mijn toorn
וַהֲנִחוֹתִ֧י
(vahanichoti)
en Ik zal doen rusten
חֲמָתִ֛י
(chamati)
Mijn grimmigheid
בָּ֖ם
(bam)
op hen
וְהִנֶּחָ֑מְתִּי
(vehinechamti)
en Ik zal Mij verlichting verschaffen
וְֽיָדְע֞וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבַּ֨רְתִּי֙
(dibarti)
heb gesproken
בְּקִנְאָתִ֔י
(beqinati)
in Mijn ijver
בְּכַלּוֹתִ֥י
(bekhaloti)
wanneer Ik voltooi
חֲמָתִ֖י
(chamati)
Mijn grimmigheid
בָּֽם
(bam)
op hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְהִנֶּחָמְתִּי (vehinnachamti), ‘en Ik zal Mij verlichting verschaffen’: het werkwoord נָחַם (nacham) staat hier in de wederkerende vorm.
Het betekent dat Yahweh opluchting krijgt doordat Zijn toorn is volbracht, zoals in Jes. 1:24.
Elders betekent het ‘Zich laten rouwen’ of ‘troosten’.
קִנְאָה (qin’ah), ‘ijver’: Yahweh is ijverig voor Zijn eer en voor Zijn verbond (vergelijk Exod. 20:5).
Het slot ‘ze zullen weten dat Ik Yahweh ben’ is de hoofdformule van het boek.
15Dan zul je een smaad en een hoon zijn, een waarschuwing en een afschrik voor de volken rondom je. Dat zal zijn wanneer Ik gerichten over je voltrek in toorn, in grimmigheid en in grimmige terechtwijzingen. Ik, Yahweh, heb gesproken.
וְֽהָ֨יְתָ֜ה
(vehayeta)
en zij zal worden
חֶרְפָּ֤ה
(cherpa)
smaad
וּגְדוּפָה֙
(ugedufa)
en hoon
מוּסָ֣ר
(musar)
waarschuwing
וּמְשַׁמָּ֔ה
(umeshama)
en afschrik
לַגּוֹיִ֖ם
(lagoyim)
voor de volken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
סְבִיבוֹתָ֑יִךְ
(sevivotayikh)
rondom je
בַּעֲשׂוֹתִי֩
(baasoti)
wanneer Ik doe
בָ֨ךְ
(bakh)
aan jou
שְׁפָטִ֜ים
(shefatim)
gerichten
בְּאַ֤ף
(beaf)
in toorn
וּבְחֵמָה֙
(uvechema)
en in grimmigheid
וּבְתֹכְח֣וֹת
(uvetokhechot)
en in terechtwijzingen van
חֵמָ֔ה
(chema)
grimmigheid
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבַּֽרְתִּי
(dibarti)
heb gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Wanneer Ik de kwade pijlen van de honger op hen afschiet, die tot verderf dienen: Ik zend ze om jullie te verderven. Dan zal Ik de honger over jullie doen toenemen. Ik zal de staf van het brood voor jullie breken.
בְּֽשַׁלְּחִ֡י
(beshalechi)
wanneer Ik zend
אֶת
(et)
(obj.)
חִצֵּי֩
(chitsei)
pijlen van
הָרָעָ֨ב
(haraav)
de honger
הָרָעִ֤ים
(haraim)
de kwade
בָּהֶם֙
(bahem)
op hen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הָי֣וּ
(hayu)
waren
לְמַשְׁחִ֔ית
(lemashchit)
tot verderf
אֲשֶׁר
(asher)
die
אֲשַׁלַּ֥ח
(ashalach)
Ik zal zenden
אוֹתָ֖ם
(otam)
hen
לְשַֽׁחֶתְכֶ֑ם
(leshachetkhem)
om jullie te verderven
וְרָעָב֙
(veraav)
en honger
אֹסֵ֣ף
(osef)
zal Ik doen toenemen
עֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
over jullie
וְשָׁבַרְתִּ֥י
(veshavarti)
en Ik zal breken
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
מַטֵּה
(mate)
staf van
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חִצֵּי הָרָעָב (chitsei hara’av), ‘pijlen van de honger’: de honger wordt voorgesteld als een pijl die Yahweh afschiet.
מַטֵּה לֶחֶם (matteh lechem), ‘staf van het brood’: een beeld waarbij brood als een staf is, waarop een mens steunt. Als de staf breekt, is er geen voedsel meer. Zie ook Lev. 26:26 en Ps. 105:16.
וְרָעָב אֹסֵף (vera’av osef), ‘de honger zal Ik doen toenemen’: het werkwoord אָסַף (asaf) betekent ‘verzamelen, toevoegen’. De vorm is ongebruikelijk; sommige oude vertalingen lezen anders.
17Ik zal honger over jullie zenden en kwade wilde dieren, en zij zullen je van kinderen beroven. Pest en bloed zullen door je heen gaan, en Ik zal het zwaard over je brengen. Ik, Yahweh, heb gesproken.”
וְשִׁלַּחְתִּ֣י
(veshilachti)
en Ik zal zenden
עֲ֠לֵיכֶם
(aleikhem)
over jullie
רָעָ֞ב
(raav)
honger
וְחַיָּ֤ה
(vechaya)
en dier
רָעָה֙
(raa)
kwaad
וְשִׁכְּלֻ֔ךְ
(veshikelukh)
en zij zullen je van kinderen beroven
וְדֶ֥בֶר
(vedever)
en pest
וָדָ֖ם
(vadam)
en bloed
יַעֲבָר
(yaavar)
zal gaan
בָּ֑ךְ
(bakh)
door jou
וְחֶ֨רֶב֙
(vecherev)
en zwaard
אָבִ֣יא
(avi)
zal Ik brengen
עָלַ֔יִךְ
(alayikh)
over je
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבַּֽרְתִּי
(dibarti)
heb gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַיָּה רָעָה (chayyah ra’ah), ‘kwade wilde dieren’: roofdieren die mensen aanvallen, zoals in Lev. 26:22.
וְשִׁכְּלֻךְ (veshikkelukh), ‘en zij zullen je van kinderen beroven’: het werkwoord שָׁכַל (shakhal) betekent ‘kinderloos maken’.
וְדָם יַעֲבָר בָּךְ (vedam ya’avor bakh), ‘bloed zal door je heen gaan’: bloedvergieten, geweld.