Elohim Bijbel

Numeri 33

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

De tochten van Israël van Egypte tot de vlakten van Moab

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De lijst van de tochten

1Dit zijn de tochten van de zonen van Israël, die onder leiding van Mozes en Aäron met hun legerscharen uit het land Egypte zijn getrokken.
אֵ֜לֶּה
(ele)
dit zijn
מַסְעֵ֣י
(masei)
tochten van
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָצְא֛וּ
(yatseu)
uittrokken
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
לְצִבְאֹתָ֑ם
(letsivotam)
naar hun legerscharen
בְּיַד
(beyad)
onder leiding van
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
וְאַהֲרֹֽן
(veaharon)
en Aäron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

מַסְעֵי (masei), ‘tochten’: elke tocht loopt van het ene kampement naar het volgende.

De lijst noemt 42 kampementen, van Raämses tot de vlakten van Moab.

Veel namen staan alleen in dit hoofdstuk; de plaatsen die ook elders voorkomen, noemen wij hieronder.

צִבְאֹתָם (tsiv’otam), ‘legerscharen’: zoals in Exod. 12:17 en 12:41.

2Mozes schreef hun vertrekpunten op, hun tochten, op bevel van Yahweh. Dit zijn hun tochten, volgens hun vertrekpunten.
וַיִּכְתֹּ֨ב
(vayikhtov)
en schreef op
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
מוֹצָאֵיהֶ֛ם
(motsaeihem)
hun vertrekpunten
לְמַסְעֵיהֶ֖ם
(lemaseihem)
voor hun tochten
עַל
(al)
op
פִּ֣י
(pi)
bevel van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֵ֥לֶּה
(veele)
en dit zijn
מַסְעֵיהֶ֖ם
(maseihem)
hun tochten
לְמוֹצָאֵיהֶֽם
(lemotsaeihem)
volgens hun vertrekpunten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes schrijft de lijst op bevel van Yahweh op.

Het Hebreeuws noemt eerst het ‘vertrekpunt’ (מוֹצָא, motsa) en dan de ‘tocht’ (מַסַּע, massa): de lijst loopt van vertrekpunt naar vertrekpunt.

Van Raämses naar de Sinaï

3Zij braken op uit Raämses, in de eerste maand, op de vijftiende dag van de eerste maand. De dag na het Pesach trokken de zonen van Israël uit met opgeheven hand, voor de ogen van heel Egypte.
וַיִּסְע֤וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵֽרַעְמְסֵס֙
(merameses)
uit Raämses
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הָֽרִאשׁ֔וֹן
(harishon)
de eerste
בַּחֲמִשָּׁ֥ה
(bachamisha)
op vijf
עָשָׂ֛ר
(asar)
tien
י֖וֹם
(yom)
dag
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הָרִאשׁ֑וֹן
(harishon)
de eerste
מִֽמָּחֳרַ֣ת
(mimachorat)
de dag na
הַפֶּ֗סַח
(hapesach)
het Pesach
יָצְא֤וּ
(yatseu)
trokken uit
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
בְּיָ֣ד
(beyad)
met hand
רָמָ֔ה
(rama)
opgeheven
לְעֵינֵ֖י
(leeinei)
voor de ogen van
כָּל
(kal)
heel
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Raämses ligt in de oostelijke Nijldelta, in Egypte; zie Exod. 12:37.

De ligging is onzeker; vaak wordt gedacht aan Qantir of Tell el-Dab’a.

Uitleg

בְּיָד רָמָה (beyad ramah), ‘met opgeheven hand’: zie Exod. 14:8.

Het Pesach is op de veertiende dag van de eerste maand (Exod. 12:6; Lev. 23:5).

4Egypte begroef al zijn eerstgeborenen, die Yahweh onder hen had geslagen. Ook over hun goden had Yahweh gerichten voltrokken.
וּמִצְרַ֣יִם
(umitsrayim)
en Egypte
מְקַבְּרִ֗ים
(meqaberim)
begroef
אֵת֩
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wie
הִכָּ֧ה
(hika)
had geslagen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּהֶ֖ם
(bahem)
onder hen
כָּל
(kal)
alle
בְּכ֑וֹר
(bekhor)
eerstgeborene
וּבֵאלֹ֣הֵיהֶ֔ם
(uveloheihem)
en over hun goden
עָשָׂ֥ה
(asa)
voerde uit
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
שְׁפָטִֽים
(shefatim)
gerichten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Dit verwijst naar de tiende plaag (Exod. 12:29–30) en naar het oordeel over de goden van Egypte (Exod. 12:12).

5De zonen van Israël braken op uit Raämses en legerden zich in Sukkot.
וַיִּסְע֥וּ
(vayisu)
en zij braken op
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מֵרַעְמְסֵ֑ס
(merameses)
uit Raämses
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּסֻכֹּֽת
(besukot)
in Sukkot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sukkot ligt waarschijnlijk in het oostelijke deel van de Nijldelta, bij Wadi Tumilat (Egypte); de ligging is onzeker.

Zie Exod. 12:37; 13:20.

Zie Raämses: Raämses (Pi-Ramesse) wordt gezocht in het oosten van de Nijldelta, bij Qantir.

De precieze plaats is niet zeker.

6Zij braken op uit Sukkot en legerden zich in Etam, aan de rand van de woestijn.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִסֻּכֹּ֑ת
(misukot)
uit Sukkot
וַיַּחֲנ֣וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְאֵתָ֔ם
(beetam)
in Etam
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בִּקְצֵ֥ה
(biqtse)
aan de rand van
הַמִּדְבָּֽר
(hamidbar)
de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Etam ligt aan de rand van de woestijn; de ligging is onzeker (oostelijk deel van de Nijldelta, Egypte).

Zie Exod. 13:20.

Zie Sukkot: Dit Sukkot lag in het oosten van de Nijldelta, in het Wadi Tumilat (misschien Tell el-Maskhuta); het is een andere plaats dan het Sukkot ten oosten van de Jordaan.

Zie ookEx 13:20
7Zij braken op uit Etam en keerden terug naar Pi-Hachirot, dat tegenover Baäl-Sefon ligt, en legerden zich voor Migdol.
וַיִּסְעוּ֙
(vayisu)
en zij braken op
מֵֽאֵתָ֔ם
(meetam)
uit Etam
וַיָּ֨שָׁב֙
(vayashav)
en keerden terug
עַל
(al)
naar
פִּ֣י
(pi)
de monding van
הַחִירֹ֔ת
(hachirot)
Hachirot
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עַל
(al)
aan
פְּנֵ֖י
(penei)
de voorzijde van
בַּ֣עַל
(baal)
Baäl
צְפ֑וֹן
(tsefon)
Sefon
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
מִגְדֹּֽל
(migdol)
Migdol
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Pi-Hachirot, Baäl-Sefon en Migdol liggen in het oosten van de Nijldelta, bij de zee waar Israël doorheen trok (Exod. 14:2, 9).

De precieze ligging is onzeker.

Zie Etam: Etam lag aan de rand van de woestijn, ten oosten van Egypte.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

Het Hebreeuws zegt dat zij ‘terugkeerden’ (וַיָּשָׁב, vayashav); zie Exod. 14:1–2, waar Yahweh bevolen heeft terug te keren.

8Zij braken op uit Pi-Hachirot en trokken midden door de zee de woestijn in. Drie dagen liepen zij door de woestijn Etam en legerden zich in Mara.
וַיִּסְעוּ֙
(vayisu)
en zij braken op
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
van voor
הַֽחִירֹ֔ת
(hachirot)
Hachirot
וַיַּֽעַבְר֥וּ
(vayaavru)
en trokken over
בְתוֹךְ
(betokh)
midden in
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
הַמִּדְבָּ֑רָה
(hamidbara)
de woestijn in
וַיֵּ֨לְכ֜וּ
(vayelekhu)
en zij liepen
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
weg van
שְׁלֹ֤שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִים֙
(yamim)
dagen
בְּמִדְבַּ֣ר
(bemidbar)
in de woestijn
אֵתָ֔ם
(etam)
Etam
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּמָרָֽה
(bemara)
in Mara
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De woestijn Etam is het gebied ten oosten van de zee.

Mara ligt waarschijnlijk in het noordwesten van de Sinaï (Egypte); de ligging is onzeker.

Zie Exod. 15:22–23.

Zie Pi-Hachirot: Pi-Hachirot lag bij de Rietzee, tegenover Baäl-Sefon.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

Het Hebreeuws zegt ‘midden in de zee’; zie Exod. 14:22 en 14:29.

9Zij braken op uit Mara en kwamen in Elim. In Elim waren 12 waterbronnen en 70 palmbomen. Daar legerden zij zich.
וַיִּסְעוּ֙
(vayisu)
en zij braken op
מִמָּרָ֔ה
(mimara)
uit Mara
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en kwamen
אֵילִ֑מָה
(eilima)
naar Elim
וּ֠בְאֵילִם
(uveeilim)
en in Elim
שְׁתֵּ֣ים
(sheteim)
twee
עֶשְׂרֵ֞ה
(esre)
tien
עֵינֹ֥ת
(einot)
bronnen van
מַ֛יִם
(mayim)
water
וְשִׁבְעִ֥ים
(veshivim)
en zeventig
תְּמָרִ֖ים
(temarim)
palmbomen
וַיַּחֲנוּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Elim: zie Exod. 15:27.

De ligging is onzeker; vaak wordt gedacht aan Wadi Gharandel in de Sinaï (Egypte).

Zie Mara: Mara (‘bitter’) wordt van oudsher gezocht bij Ain Hawara, aan de oostkust van de Golf van Suez.

Dit is een traditionele identificatie.

Zie ookEx 15:27
10Zij braken op uit Elim en legerden zich aan de Rietzee.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵאֵילִ֑ם
(meeilim)
uit Elim
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
עַל
(al)
aan
יַם
(yam)
de zee
סֽוּף
(suf)
Riet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Elim: Elim, met twaalf bronnen en zeventig palmbomen, wordt van oudsher gezocht bij Wadi Gharandel.

Dit is een traditionele identificatie.

Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez.

De precieze plaats van de doortocht is niet zeker.

Uitleg

Dit kampement staat niet in Exodus.

Het ligt aan de Rietzee (Rode Zee), in het westen van de Sinaï (Egypte).

11Zij braken op bij de Rietzee en legerden zich in de woestijn Sin.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִיַּם
(miyam)
van de zee
ס֑וּף
(suf)
Riet
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּמִדְבַּר
(bemidbar)
in de woestijn
סִֽין
(sin)
Sin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De woestijn Sin: zie Exod. 16:1.

Zij ligt tussen Elim en de Sinaï (Egypte); de precieze ligging is onzeker.

Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez.

De precieze plaats van de doortocht is niet zeker.

Zie Woestijn Sin: De woestijn Sin ligt tussen Elim en de Sinaï.

De traditionele ligging is de kustvlakte aan de westkant van het schiereiland Sinaï.

Zie ookEx 16:1
12Zij braken op uit de woestijn Sin en legerden zich in Dofka.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִמִּדְבַּר
(mimidbar)
uit de woestijn
סִ֑ין
(sin)
Sin
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּדָפְקָֽה
(bedafeqa)
in Dofka
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Woestijn Sin: De woestijn Sin ligt tussen Elim en de Sinaï.

De traditionele ligging is de kustvlakte aan de westkant van het schiereiland Sinaï.

Uitleg

Dofka en Alus (vers 13) staan alleen in dit hoofdstuk.

Hun ligging is onbekend; zij liggen tussen de woestijn Sin en Refidim.

Zie ookNum 33:13
13Zij braken op uit Dofka en legerden zich in Alus.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִדָּפְקָ֑ה
(midafeqa)
uit Dofka
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּאָלֽוּשׁ
(bealush)
in Alus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Zij braken op uit Alus en legerden zich in Refidim. Daar was geen water voor het volk om te drinken.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵאָל֑וּשׁ
(mealush)
uit Alus
וַֽיַּחֲנוּ֙
(vayachanu)
en zij legerden zich
בִּרְפִידִ֔ם
(birfidim)
in Refidim
וְלֹא
(velo)
en niet
הָ֨יָה
(haya)
was
שָׁ֥ם
(sham)
daar
מַ֛יִם
(mayim)
water
לָעָ֖ם
(laam)
voor het volk
לִשְׁתּֽוֹת
(lishtot)
om te drinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Refidim: zie Exod. 17:1.

De ligging is onzeker; vaak wordt gedacht aan Wadi Refayid of Wadi Feiran in de Sinaï (Egypte).

Uitleg

Er was geen water voor het volk; zie Exod. 17:1–7.

15Zij braken op uit Refidim en legerden zich in de woestijn Sinaï.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵרְפִידִ֑ם
(merefidim)
uit Refidim
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּמִדְבַּ֥ר
(bemidbar)
in de woestijn
סִינָֽי
(sinay)
Sinaï
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De woestijn Sinaï: zie Exod. 19:1–2.

De berg Sinaï (Horeb) ligt waarschijnlijk in het zuiden van het Sinaï-schiereiland (Egypte); de ligging is onzeker.

Zie Refidim: Refidim wordt van oudsher gezocht in Wadi Feiran, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

Dit is een traditionele identificatie.

Van de Sinaï naar Kades

16Zij braken op uit de woestijn Sinaï en legerden zich in Kibrot-Hattaava.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִמִּדְבַּ֣ר
(mimidbar)
uit de woestijn
סִינָ֑י
(sinay)
Sinaï
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּקִבְרֹ֥ת
(beqivrot)
in Kibrot
הַֽתַּאֲוָֽה
(hataava)
Hattaäva
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kibrot-Hattaava ligt in de woestijn, ten noorden van de Sinaï (Egypte); de ligging is onzeker.

Uitleg

קִבְרוֹת הַתַּאֲוָה (qivrot hattaavah), ‘graven van de begeerte’: zie Num. 11:34–35.

17Zij braken op uit Kibrot-Hattaava en legerden zich in Chaserot.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִקִּבְרֹ֣ת
(miqivrot)
uit Kibrot
הַֽתַּאֲוָ֑ה
(hataava)
Hattaäva
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בַּחֲצֵרֹֽת
(bachatserot)
in Chaserot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Chaserot: zie Num. 11:35 en 12:16.

De ligging is onzeker; vaak wordt gedacht aan Ain Chudra in de Sinaï (Egypte).

18Zij braken op uit Chaserot en legerden zich in Ritma.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵחֲצֵרֹ֑ת
(mechatserot)
uit Chaserot
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּרִתְמָֽה
(beritma)
in Ritma
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chaserot: Chaserot wordt voorgesteld bij Ain Chudra, ten noordoosten van de Sinaï.

Dit is een voorstel; de plaats is niet zeker.

Uitleg

Ritma en de volgende namen (vers 19–35) staan alleen in dit hoofdstuk en zijn onbekend.

Wij weten alleen dat Israël van Chaserot naar de woestijn Paran trok (Num. 12:16) en dat de tocht door de woestijn lang duurde.

19Zij braken op uit Ritma en legerden zich in Rimmon-Peres.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵרִתְמָ֑ה
(meritma)
uit Ritma
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּרִמֹּ֥ן
(berimon)
in Rimmon
פָּֽרֶץ
(parets)
Peres
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Zij braken op uit Rimmon-Peres en legerden zich in Libna.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵרִמֹּ֣ן
(merimon)
uit Rimmon
פָּ֑רֶץ
(parets)
Peres
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּלִבְנָֽה
(belivna)
in Libna
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Zij braken op uit Libna en legerden zich in Rissa.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִלִּבְנָ֑ה
(milivna)
uit Libna
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּרִסָּֽה
(berisa)
in Rissa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookDeut 1:1
22Zij braken op uit Rissa en legerden zich in Kehelata.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵרִסָּ֑ה
(merisa)
uit Rissa
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בִּקְהֵלָֽתָה
(biqhelata)
in Kehelata
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Zij braken op uit Kehelata en legerden zich bij de berg Sefer.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִקְּהֵלָ֑תָה
(miqehelata)
uit Kehelata
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּהַר
(behar)
bij de berg
שָֽׁפֶר
(shafer)
Sefer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Zij braken op bij de berg Sefer en legerden zich in Charada.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵֽהַר
(mehar)
van de berg
שָׁ֑פֶר
(shafer)
Sefer
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בַּחֲרָדָֽה
(bacharada)
in Charada
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Zij braken op uit Charada en legerden zich in Makhelot.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵחֲרָדָ֑ה
(mecharada)
uit Charada
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּמַקְהֵלֹֽת
(bemaqhelot)
in Makhelot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Zij braken op uit Makhelot en legerden zich in Tachat.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִמַּקְהֵלֹ֑ת
(mimaqhelot)
uit Makhelot
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּתָֽחַת
(betachat)
in Tachat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Zij braken op uit Tachat en legerden zich in Terach.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִתָּ֑חַת
(mitachat)
uit Tachat
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּתָֽרַח
(betarach)
in Terach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Zij braken op uit Terach en legerden zich in Mitka.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִתָּ֑רַח
(mitarach)
uit Terach
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּמִתְקָֽה
(bemitqa)
in Mitka
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Zij braken op uit Mitka en legerden zich in Chasmona.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִמִּתְקָ֑ה
(mimitqa)
uit Mitka
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּחַשְׁמֹנָֽה
(bechashmona)
in Chasmona
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Zij braken op uit Chasmona en legerden zich in Moserot.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵֽחַשְׁמֹנָ֑ה
(mechashmona)
uit Chasmona
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּמֹסֵרֽוֹת
(bemoserot)
in Moserot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Zij braken op uit Moserot en legerden zich in Bene-Jaäkan.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִמֹּסֵר֑וֹת
(mimoserot)
uit Moserot
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בִּבְנֵ֥י
(bivnei)
in Bene
יַעֲקָֽן
(yaaqan)
Jaäkan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Bene-Jaäkan (‘zonen van Jaäkan’) en Chor-Haggidgad (vers 32) zijn plaatsen waarvan de ligging onzeker is.

Deut. 10:6–7 noemt ook Bene-Jaäkan en Jotbata.

32Zij braken op uit Bene-Jaäkan en legerden zich in Chor-Haggidgad.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
uit Bene
יַעֲקָ֑ן
(yaaqan)
Jaäkan
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּחֹ֥ר
(bechor)
in Chor
הַגִּדְגָּֽד
(hagidgad)
Haggidgad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookDeut 10:7
33Zij braken op uit Chor-Haggidgad en legerden zich in Jotbata.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵחֹ֣ר
(mechor)
uit Chor
הַגִּדְגָּ֑ד
(hagidgad)
Haggidgad
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּיָטְבָֽתָה
(beyatevata)
in Jotbata
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookDeut 10:7
34Zij braken op uit Jotbata en legerden zich in Abrona.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִיָּטְבָ֑תָה
(miyatevata)
uit Jotbata
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּעַבְרֹנָֽה
(beavrona)
in Abrona
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Zij braken op uit Abrona en legerden zich in Ezjon-Geber.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵֽעַבְרֹנָ֑ה
(meavrona)
uit Abrona
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּעֶצְי֥וֹן
(beetsyon)
in Ezjon
גָּֽבֶר
(gaver)
Geber
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ezjon-Geber ligt aan de Golf van Akaba (Jordanië/Israël); zie 1 Kon. 9:26.

De precieze ligging is onzeker.

Zie Elat en Ezjon-Geber: Elat en Ezjon-Geber lagen aan het noordeinde van de Golf van Akaba, bij het huidige Akaba en Eilat.

36Zij braken op uit Ezjon-Geber en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵעֶצְי֣וֹן
(meetsyon)
uit Ezjon
גָּ֑בֶר
(gaver)
Geber
וַיַּחֲנ֥וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְמִדְבַּר
(bemidbar)
in de woestijn
צִ֖ן
(tsin)
Zin
הִ֥וא
(hi)
dat
קָדֵֽשׁ
(qadesh)
Kades
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Elat en Ezjon-Geber: Elat en Ezjon-Geber lagen aan het noordeinde van de Golf van Akaba, bij het huidige Akaba en Eilat.

Zie Woestijn Zin: De woestijn Zin lag in het zuiden van Kanaän, bij Kades.

De grenzen zijn niet precies bekend.

Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev.

Uitleg

Wij schrijven hier ‘de woestijn Zin’ (צִן, tsin), de woestijn waarin Kades ligt (Num. 20:1).

Dit is een andere naam dan de woestijn Sin (vers 11; סִין, sin).

Wat tussen Chaserot en Kades is gebeurd, staat in Num. 13–20.

Kades en de dood van Aäron

37Zij braken op uit Kades en legerden zich bij de berg Hor, aan de rand van het land Edom.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִקָּדֵ֑שׁ
(miqadesh)
uit Kades
וַֽיַּחֲנוּ֙
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּהֹ֣ר
(behor)
bij de berg
הָהָ֔ר
(hahar)
de berg
בִּקְצֵ֖ה
(biqtse)
aan de rand van
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land
אֱדֽוֹם
(edom)
Edom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De berg Hor ligt aan de rand van Edom; zie Num. 20:22–23.

De precieze ligging is onzeker.

Vaak wordt gedacht aan Jebel Madurah of Jebel Harun bij Petra (Jordanië).

Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev.

Zie Berg Hor: De berg Hor lag aan de grens van Edom.

Van oudsher wordt hij gezocht bij de Jebel Haroen, bij Petra in Jordanië.

Dit is niet zeker.

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

38Aäron, de priester, ging op bevel van Yahweh de berg Hor op en stierf daar. Dat was in het veertigste jaar na de uittocht van de zonen van Israël uit het land Egypte. Het was in de vijfde maand, op de eerste dag van de maand.
וַיַּעַל֩
(vayaal)
en ging op
אַהֲרֹ֨ן
(aharon)
Aäron
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אֶל
(el)
naar
הֹ֥ר
(hor)
berg
הָהָ֛ר
(hahar)
de berg
עַל
(al)
op
פִּ֥י
(pi)
bevel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּ֣מָת
(vayamat)
en stierf
שָׁ֑ם
(sham)
daar
בִּשְׁנַ֣ת
(bishnat)
in het jaar
הָֽאַרְבָּעִ֗ים
(haarbaim)
de veertigste
לְצֵ֤את
(letset)
na de uittocht van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
בַּחֹ֥דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַחֲמִישִׁ֖י
(hachamishi)
de vijfde
בְּאֶחָ֥ד
(beechad)
op de eerste
לַחֹֽדֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Berg Hor: De berg Hor lag aan de grens van Edom.

Van oudsher wordt hij gezocht bij de Jebel Haroen, bij Petra in Jordanië.

Dit is niet zeker.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Aäron sterft op de berg Hor; zie Num. 20:22–29.

Het sterfjaar en de datum staan alleen hier: het veertigste jaar, de eerste dag van de vijfde maand.

39Aäron was 123 jaar oud toen hij op de berg Hor stierf.
וְאַהֲרֹ֔ן
(veaharon)
en Aäron
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁלֹ֧שׁ
(shalosh)
drie
וְעֶשְׂרִ֛ים
(veesrim)
en twintig
וּמְאַ֖ת
(umeat)
en honderd
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
בְּמֹת֖וֹ
(bemoto)
bij zijn sterven
בְּהֹ֥ר
(behor)
op de berg
הָהָֽר
(hahar)
de berg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Berg Hor: De berg Hor lag aan de grens van Edom.

Van oudsher wordt hij gezocht bij de Jebel Haroen, bij Petra in Jordanië.

Dit is niet zeker.

Uitleg

Aäron was 83 jaar toen hij met Mozes voor de farao stond (Exod. 7:7); nu is hij 123.

Zie ookEx 7:7
40De Kanaäniet, de koning van Arad, die in de Negev woonde, in het land Kanaän, hoorde dat de zonen van Israël kwamen.
וַיִּשְׁמַ֗ע
(vayishma)
en hoorde
הַֽכְּנַעֲנִי֙
(hakenaani)
de Kanaäniet
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
עֲרָ֔ד
(arad)
Arad
וְהֽוּא
(vehu)
en hij
יֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
woonde
בַּנֶּ֖גֶב
(banegev)
in de Negev
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
בְּבֹ֖א
(bevo)
bij het komen van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Arad ligt in de Negev, in het zuiden van Israël (Tel Arad).

Zie Num. 21:1–3, waar deze koning Israël aanvalt.

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Van de berg Hor naar de vlakten van Moab

41Zij braken op bij de berg Hor en legerden zich in Zalmona.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵהֹ֣ר
(mehor)
van de berg
הָהָ֑ר
(hahar)
de berg
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּצַלְמֹנָֽה
(betsalmona)
in Zalmona
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zalmona en Punon (vers 42): Punon ligt in het huidige Jordanië (Feinan, in de Arava); Zalmona ligt waarschijnlijk in de buurt.

Zie Num. 21:4.

Zie Berg Hor: De berg Hor lag aan de grens van Edom.

Van oudsher wordt hij gezocht bij de Jebel Haroen, bij Petra in Jordanië.

Dit is niet zeker.

42Zij braken op uit Zalmona en legerden zich in Punon.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִצַּלְמֹנָ֑ה
(mitsalmona)
uit Zalmona
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּפוּנֹֽן
(befunon)
in Punon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Punon: Punon wordt gezocht bij Feinan, in de Araba in het zuidwesten van Jordanië.

43Zij braken op uit Punon en legerden zich in Obot.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִפּוּנֹ֑ן
(mipunon)
uit Punon
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּאֹבֹֽת
(beovot)
in Obot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Obot: zie Num. 21:10.

De ligging is onzeker; zij ligt ten oosten van de Arava, aan de rand van Moab en Edom (Jordanië).

Zie Punon: Punon wordt gezocht bij Feinan, in de Araba in het zuidwesten van Jordanië.

Zie ookNum 21:10
44Zij braken op uit Obot en legerden zich in Ije-Abarim, aan de grens van Moab.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵאֹבֹ֑ת
(meovot)
uit Obot
וַֽיַּחֲנ֛וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּעִיֵּ֥י
(beiyei)
in Ije
הָעֲבָרִ֖ים
(haavarim)
Abarim
בִּגְב֥וּל
(bigvul)
aan de grens van
מוֹאָֽב
(moav)
Moab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ije-Abarim: zie Num. 21:11.

De ligging is onzeker; het ligt in de woestijn aan de oostkant van Moab (Jordanië).

Zie ookNum 21:11
45Zij braken op uit Ijim en legerden zich in Dibon-Gad.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵעִיִּ֑ים
(meiyim)
uit Ijim
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּדִיבֹ֥ן
(bedivon)
in Dibon
גָּֽד
(gad)
Gad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Dibon-Gad is Dibon, het huidige Dhiban in Jordanië; zie Num. 32:3 en 32:34.

Uitleg

Ijim (עִיִּים) is een korte vorm van Ije-Abarim (vers 44).

46Zij braken op uit Dibon-Gad en legerden zich in Almon-Diblatajim.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִדִּיבֹ֣ן
(midivon)
uit Dibon
גָּ֑ד
(gad)
Gad
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּעַלְמֹ֥ן
(bealmon)
in Almon
דִּבְלָתָֽיְמָה
(divlatayema)
Diblatajim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Almon-Diblatajim ligt in Moab (Jordanië); de ligging is onzeker.

Zie Dibon: Dibon (nu Dhiban) lag ten noorden van de Arnon, in het huidige Jordanië.

47Zij braken op uit Almon-Diblatajim en legerden zich in de bergen van Abarim, tegenover Nebo.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵעַלְמֹ֣ן
(mealmon)
uit Almon
דִּבְלָתָ֑יְמָה
(divlatayema)
Diblatajim
וַֽיַּחֲנ֛וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּהָרֵ֥י
(beharei)
in de bergen van
הָעֲבָרִ֖ים
(haavarim)
Abarim
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
tegenover
נְבֽוֹ
(nevo)
Nebo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De bergen van Abarim liggen ten oosten van de Dode Zee (Jordanië).

Nebo is een berg in dit gebergte; zie Num. 32:3 en Deut. 32:49.

48Zij braken op uit de bergen van Abarim en legerden zich op de vlakten van Moab, aan de Jordaan bij Jericho.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵהָרֵ֣י
(meharei)
uit de bergen van
הָעֲבָרִ֑ים
(haavarim)
Abarim
וַֽיַּחֲנוּ֙
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּעַֽרְבֹ֣ת
(bearvot)
op de vlakten van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
עַ֖ל
(al)
aan
יַרְדֵּ֥ן
(yarden)
Jordaan
יְרֵחֽוֹ
(yerecho)
Jericho
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De vlakten van Moab liggen ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho (Jordanië); zie Num. 22:1.

Zie Nebo en Pisga: De Nebo en de Pisga liggen in het gebergte Abarim, ten oosten van de Dode Zee, ten westen van Madaba in Jordanië.

Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho.

Zie ookNum 22:1
49Zij legerden zich aan de Jordaan, van Bet-Jesimot tot Abel-Sittim, op de vlakten van Moab.
וַיַּחֲנ֤וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
עַל
(al)
aan
הַיַּרְדֵּן֙
(hayarden)
de Jordaan
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
van Bet
הַיְשִׁמֹ֔ת
(hayshimot)
Jesimot
עַ֖ד
(ad)
tot
אָבֵ֣ל
(avel)
Abel
הַשִּׁטִּ֑ים
(hashitim)
Sittim
בְּעַֽרְבֹ֖ת
(bearvot)
op de vlakten van
מוֹאָֽב
(moav)
Moab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bet-Jesimot ligt bij de noordoostkant van de Dode Zee en Abel-Sittim (‘Sittim’) bij de Jordaan, tegenover Jericho (Jordanië); zie Num. 25:1.

De ligging van beide is waarschijnlijk, maar niet zeker.

Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho.

Het bevel om het land in bezit te nemen

50Yahweh sprak tot Mozes op de vlakten van Moab, aan de Jordaan bij Jericho:
וַיְדַבֵּ֧ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
בְּעַֽרְבֹ֣ת
(bearvot)
op de vlakten van
מוֹאָ֑ב
(moav)
Moab
עַל
(al)
aan
יַרְדֵּ֥ן
(yarden)
Jordaan
יְרֵח֖וֹ
(yerecho)
Jericho
לֵאמֹֽר
(lemor)
om te zeggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho.

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

51„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tegen hen: Jullie gaan de Jordaan over naar het land Kanaän.
דַּבֵּר֙
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאָמַרְתָּ֖
(veamarta)
en zeg
אֲלֵהֶ֑ם
(alehem)
tot hen
כִּ֥י
(ki)
want
אַתֶּ֛ם
(atem)
jullie
עֹבְרִ֥ים
(overim)
gaan over
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּ֖ן
(hayarden)
de Jordaan
אֶל
(el)
naar
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

52Jullie moeten alle bewoners van het land voor jullie uit verdrijven. Vernietig al hun beeldwerk en al hun gegoten beelden en verdelg al hun offerhoogten.
וְה֨וֹרַשְׁתֶּ֜ם
(vehorashtem)
en jullie zullen verdrijven
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
יֹשְׁבֵ֤י
(yoshevei)
bewoners van
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
מִפְּנֵיכֶ֔ם
(mipeneikhem)
voor jullie uit
וְאִ֨בַּדְתֶּ֔ם
(veibadtem)
en jullie zullen vernietigen
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
מַשְׂכִּיֹּתָ֑ם
(maskiyotam)
hun beeldwerk
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
צַלְמֵ֤י
(tsalmei)
gegoten beelden van
מַסֵּֽכֹתָם֙
(masekhotam)
hun gegoten
תְּאַבֵּ֔דוּ
(teabedu)
jullie zullen vernietigen
וְאֵ֥ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
בָּמֹתָ֖ם
(bamotam)
hun offerhoogten
תַּשְׁמִֽידוּ
(tashmidu)
jullie zullen verdelgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַשְׂכִּיּוֹת (maskiyyot), ‘beeldwerk’: figuren die in steen gehouwen zijn; de betekenis is niet helemaal zeker.

צַלְמֵי מַסֵּכֹת (tsalmei massekhot), ‘gegoten beelden’: beelden van gesmolten metaal.

בָּמוֹת (bamot), ‘offerhoogten’: plaatsen op de hoogte waar offers worden gebracht.

53Neem het land in bezit en woon erin, want Ik heb jullie het land gegeven om het in bezit te nemen.
וְהוֹרַשְׁתֶּ֥ם
(vehorashtem)
en jullie zullen in bezit nemen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
וִֽישַׁבְתֶּם
(vishavtem)
en jullie zullen wonen
בָּ֑הּ
(bah)
daarin
כִּ֥י
(ki)
want
לָכֶ֛ם
(lakhem)
aan jullie
נָתַ֥תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
לָרֶ֥שֶׁת
(lareshet)
om in bezit te nemen
אֹתָֽהּ
(otah)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהוֹרַשְׁתֶּם (vehorashtem), ‘jullie zullen in bezit nemen’ (vers 53) hangt samen met ‘verdrijven’ (vers 52): wie het land in bezit neemt, verdrijft de vorige bewoners.

Wij vertalen steeds ‘verdrijven’ als de bewoners het voorwerp zijn, en ‘in bezit nemen’ als het land het voorwerp is.

54Jullie moeten het land door het lot als erfdeel ontvangen, naar jullie families. Voor de grote groep moeten jullie het erfdeel groot maken en voor de kleine groep klein. Waar het lot voor iemand uitkomt, daar is zijn erfdeel. Naar de stammen van jullie vaders ontvangen jullie het als erfdeel.
וְהִתְנַחַלְתֶּם֩
(vehitnachaltem)
en jullie zullen als erfdeel ontvangen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֨רֶץ
(haarets)
het land
בְּגוֹרָ֜ל
(begoral)
door het lot
לְמִשְׁפְּחֹֽתֵיכֶ֗ם
(lemishpechoteikhem)
naar jullie families
לָרַ֞ב
(larav)
voor de grote
תַּרְבּ֤וּ
(tarbu)
jullie zullen groot maken
אֶת
(et)
(obj.)
נַחֲלָתוֹ֙
(nachalato)
zijn erfdeel
וְלַמְעַט֙
(velamat)
en voor de kleine
תַּמְעִ֣יט
(tamit)
jullie zullen klein maken
אֶת
(et)
(obj.)
נַחֲלָת֔וֹ
(nachalato)
zijn erfdeel
אֶל֩
(el)
naar
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יֵ֨צֵא
(yetse)
uitkomt
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
שָׁ֛מָּה
(shama)
daar
הַגּוֹרָ֖ל
(hagoral)
het lot
ל֣וֹ
(lo)
voor hem
יִהְיֶ֑ה
(yihye)
zal zijn
לְמַטּ֥וֹת
(lematot)
naar de stammen van
אֲבֹתֵיכֶ֖ם
(avoteikhem)
jullie vaders
תִּתְנֶחָֽלוּ
(titnechalu)
jullie zullen als erfdeel ontvangen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Num. 26:52–56 voor de verdeling door het lot.

De grotere stammen krijgen een groter erfdeel, de kleinere een kleiner.

55Maar stel dat jullie de bewoners van het land niet voor jullie uit verdrijven. Dan worden zij die jullie van hen laten overblijven prikkels in jullie ogen. Zij worden doornen in jullie zij. Zij zullen jullie bestoken in het land waar jullie wonen.
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֨א
(lo)
niet
תוֹרִ֜ישׁוּ
(torishu)
jullie verdrijven
אֶת
(et)
(obj.)
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
de bewoners van
הָאָרֶץ֮
(haarets)
het land
מִפְּנֵיכֶם֒
(mipeneikhem)
voor jullie uit
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wie
תּוֹתִ֣ירוּ
(totiru)
jullie laten overblijven
מֵהֶ֔ם
(mehem)
van hen
לְשִׂכִּים֙
(lesikim)
tot prikkels
בְּעֵ֣ינֵיכֶ֔ם
(beeineikhem)
in jullie ogen
וְלִצְנִינִ֖ם
(velitsninim)
en tot doornen
בְּצִדֵּיכֶ֑ם
(betsideikhem)
in jullie zijden
וְצָרֲר֣וּ
(vetsararu)
en zij zullen bestoken
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
עַל
(al)
over
הָאָ֕רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarin
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie
יֹשְׁבִ֥ים
(yoshevim)
wonen
בָּֽהּ
(bah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׂכִּים (sikkim) en צְנִינִם (tsninim), ‘prikkels’ en ‘doornen’: de bewoners die overblijven worden pijnlijk, vergelijkbaar met iets dat in het oog of in de zij steekt.

Vergelijk Joz. 23:13 en Richt. 2:3.

56Dan zal Ik jullie doen wat Ik van plan was hun te doen.”
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
דִּמִּ֛יתִי
(dimiti)
Ik van plan was
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
te doen
לָהֶ֖ם
(lahem)
aan hen
אֶֽעֱשֶׂ֥ה
(eese)
Ik zal doen
לָכֶֽם
(lakhem)
aan jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het gaat om wat Yahweh de bewoners van Kanaän wilde doen; als Israël hen niet verdrijft, geldt dat dan voor Israël zelf.