De tochten van Israël van Egypte tot de vlakten van Moab
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De lijst van de tochten
1Dit zijn de tochten van de zonen van Israël, die onder leiding van Mozes en Aäron met hun legerscharen uit het land Egypte zijn getrokken.
אֵ֜לֶּה
(ele)
dit zijn
מַסְעֵ֣י
(masei)
tochten van
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָצְא֛וּ
(yatseu)
uittrokken
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
לְצִבְאֹתָ֑ם
(letsivotam)
naar hun legerscharen
בְּיַד
(beyad)
onder leiding van
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
וְאַהֲרֹֽן
(veaharon)
en Aäron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
מַסְעֵי (masei), ‘tochten’: elke tocht loopt van het ene kampement naar het volgende.
De lijst noemt 42 kampementen, van Raämses tot de vlakten van Moab.
Veel namen staan alleen in dit hoofdstuk; de plaatsen die ook elders voorkomen, noemen wij hieronder.
צִבְאֹתָם (tsiv’otam), ‘legerscharen’: zoals in Exod. 12:17 en 12:41.
3Zij braken op uit Raämses, in de eerste maand, op de vijftiende dag van de eerste maand. De dag na het Pesach trokken de zonen van Israël uit met opgeheven hand, voor de ogen van heel Egypte.
וַיִּסְע֤וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵֽרַעְמְסֵס֙
(merameses)
uit Raämses
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הָֽרִאשׁ֔וֹן
(harishon)
de eerste
בַּחֲמִשָּׁ֥ה
(bachamisha)
op vijf
עָשָׂ֛ר
(asar)
tien
י֖וֹם
(yom)
dag
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הָרִאשׁ֑וֹן
(harishon)
de eerste
מִֽמָּחֳרַ֣ת
(mimachorat)
de dag na
הַפֶּ֗סַח
(hapesach)
het Pesach
יָצְא֤וּ
(yatseu)
trokken uit
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
בְּיָ֣ד
(beyad)
met hand
רָמָ֔ה
(rama)
opgeheven
לְעֵינֵ֖י
(leeinei)
voor de ogen van
כָּל
(kal)
heel
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Raämses ligt in de oostelijke Nijldelta, in Egypte; zie Exod. 12:37.
De ligging is onzeker; vaak wordt gedacht aan Qantir of Tell el-Dab’a.
6Zij braken op uit Sukkot en legerden zich in Etam, aan de rand van de woestijn.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מִסֻּכֹּ֑ת
(misukot)
uit Sukkot
וַיַּחֲנ֣וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְאֵתָ֔ם
(beetam)
in Etam
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בִּקְצֵ֥ה
(biqtse)
aan de rand van
הַמִּדְבָּֽר
(hamidbar)
de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Etam ligt aan de rand van de woestijn; de ligging is onzeker (oostelijk deel van de Nijldelta, Egypte).
Zie Exod. 13:20.
Zie Sukkot: Dit Sukkot lag in het oosten van de Nijldelta, in het Wadi Tumilat (misschien Tell el-Maskhuta); het is een andere plaats dan het Sukkot ten oosten van de Jordaan.
38Aäron, de priester, ging op bevel van Yahweh de berg Hor op en stierf daar. Dat was in het veertigste jaar na de uittocht van de zonen van Israël uit het land Egypte. Het was in de vijfde maand, op de eerste dag van de maand.
וַיַּעַל֩
(vayaal)
en ging op
אַהֲרֹ֨ן
(aharon)
Aäron
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אֶל
(el)
naar
הֹ֥ר
(hor)
berg
הָהָ֛ר
(hahar)
de berg
עַל
(al)
op
פִּ֥י
(pi)
bevel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּ֣מָת
(vayamat)
en stierf
שָׁ֑ם
(sham)
daar
בִּשְׁנַ֣ת
(bishnat)
in het jaar
הָֽאַרְבָּעִ֗ים
(haarbaim)
de veertigste
לְצֵ֤את
(letset)
na de uittocht van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
בַּחֹ֥דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַחֲמִישִׁ֖י
(hachamishi)
de vijfde
בְּאֶחָ֥ד
(beechad)
op de eerste
לַחֹֽדֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Berg Hor: De berg Hor lag aan de grens van Edom.
Van oudsher wordt hij gezocht bij de Jebel Haroen, bij Petra in Jordanië.
Dit is niet zeker.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
Aäron sterft op de berg Hor; zie Num. 20:22–29.
Het sterfjaar en de datum staan alleen hier: het veertigste jaar, de eerste dag van de vijfde maand.
40De Kanaäniet, de koning van Arad, die in de Negev woonde, in het land Kanaän, hoorde dat de zonen van Israël kwamen.
וַיִּשְׁמַ֗ע
(vayishma)
en hoorde
הַֽכְּנַעֲנִי֙
(hakenaani)
de Kanaäniet
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
עֲרָ֔ד
(arad)
Arad
וְהֽוּא
(vehu)
en hij
יֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
woonde
בַּנֶּ֖גֶב
(banegev)
in de Negev
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
בְּבֹ֖א
(bevo)
bij het komen van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Arad ligt in de Negev, in het zuiden van Israël (Tel Arad).
Zie Num. 21:1–3, waar deze koning Israël aanvalt.
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
51„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tegen hen: Jullie gaan de Jordaan over naar het land Kanaän.
דַּבֵּר֙
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאָמַרְתָּ֖
(veamarta)
en zeg
אֲלֵהֶ֑ם
(alehem)
tot hen
כִּ֥י
(ki)
want
אַתֶּ֛ם
(atem)
jullie
עֹבְרִ֥ים
(overim)
gaan over
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּ֖ן
(hayarden)
de Jordaan
אֶל
(el)
naar
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
52Jullie moeten alle bewoners van het land voor jullie uit verdrijven. Vernietig al hun beeldwerk en al hun gegoten beelden en verdelg al hun offerhoogten.
וְה֨וֹרַשְׁתֶּ֜ם
(vehorashtem)
en jullie zullen verdrijven
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
יֹשְׁבֵ֤י
(yoshevei)
bewoners van
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
מִפְּנֵיכֶ֔ם
(mipeneikhem)
voor jullie uit
וְאִ֨בַּדְתֶּ֔ם
(veibadtem)
en jullie zullen vernietigen
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
מַשְׂכִּיֹּתָ֑ם
(maskiyotam)
hun beeldwerk
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
צַלְמֵ֤י
(tsalmei)
gegoten beelden van
מַסֵּֽכֹתָם֙
(masekhotam)
hun gegoten
תְּאַבֵּ֔דוּ
(teabedu)
jullie zullen vernietigen
וְאֵ֥ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
בָּמֹתָ֖ם
(bamotam)
hun offerhoogten
תַּשְׁמִֽידוּ
(tashmidu)
jullie zullen verdelgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַשְׂכִּיּוֹת (maskiyyot), ‘beeldwerk’: figuren die in steen gehouwen zijn; de betekenis is niet helemaal zeker.
צַלְמֵי מַסֵּכֹת (tsalmei massekhot), ‘gegoten beelden’: beelden van gesmolten metaal.
בָּמוֹת (bamot), ‘offerhoogten’: plaatsen op de hoogte waar offers worden gebracht.
53Neem het land in bezit en woon erin, want Ik heb jullie het land gegeven om het in bezit te nemen.
וְהוֹרַשְׁתֶּ֥ם
(vehorashtem)
en jullie zullen in bezit nemen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
וִֽישַׁבְתֶּם
(vishavtem)
en jullie zullen wonen
בָּ֑הּ
(bah)
daarin
כִּ֥י
(ki)
want
לָכֶ֛ם
(lakhem)
aan jullie
נָתַ֥תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
לָרֶ֥שֶׁת
(lareshet)
om in bezit te nemen
אֹתָֽהּ
(otah)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְהוֹרַשְׁתֶּם (vehorashtem), ‘jullie zullen in bezit nemen’ (vers 53) hangt samen met ‘verdrijven’ (vers 52): wie het land in bezit neemt, verdrijft de vorige bewoners.
Wij vertalen steeds ‘verdrijven’ als de bewoners het voorwerp zijn, en ‘in bezit nemen’ als het land het voorwerp is.
54Jullie moeten het land door het lot als erfdeel ontvangen, naar jullie families. Voor de grote groep moeten jullie het erfdeel groot maken en voor de kleine groep klein. Waar het lot voor iemand uitkomt, daar is zijn erfdeel. Naar de stammen van jullie vaders ontvangen jullie het als erfdeel.
וְהִתְנַחַלְתֶּם֩
(vehitnachaltem)
en jullie zullen als erfdeel ontvangen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֨רֶץ
(haarets)
het land
בְּגוֹרָ֜ל
(begoral)
door het lot
לְמִשְׁפְּחֹֽתֵיכֶ֗ם
(lemishpechoteikhem)
naar jullie families
לָרַ֞ב
(larav)
voor de grote
תַּרְבּ֤וּ
(tarbu)
jullie zullen groot maken
אֶת
(et)
(obj.)
נַחֲלָתוֹ֙
(nachalato)
zijn erfdeel
וְלַמְעַט֙
(velamat)
en voor de kleine
תַּמְעִ֣יט
(tamit)
jullie zullen klein maken
אֶת
(et)
(obj.)
נַחֲלָת֔וֹ
(nachalato)
zijn erfdeel
אֶל֩
(el)
naar
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יֵ֨צֵא
(yetse)
uitkomt
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
שָׁ֛מָּה
(shama)
daar
הַגּוֹרָ֖ל
(hagoral)
het lot
ל֣וֹ
(lo)
voor hem
יִהְיֶ֑ה
(yihye)
zal zijn
לְמַטּ֥וֹת
(lematot)
naar de stammen van
אֲבֹתֵיכֶ֖ם
(avoteikhem)
jullie vaders
תִּתְנֶחָֽלוּ
(titnechalu)
jullie zullen als erfdeel ontvangen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zie Num. 26:52–56 voor de verdeling door het lot.
De grotere stammen krijgen een groter erfdeel, de kleinere een kleiner.
55Maar stel dat jullie de bewoners van het land niet voor jullie uit verdrijven. Dan worden zij die jullie van hen laten overblijven prikkels in jullie ogen. Zij worden doornen in jullie zij. Zij zullen jullie bestoken in het land waar jullie wonen.
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֨א
(lo)
niet
תוֹרִ֜ישׁוּ
(torishu)
jullie verdrijven
אֶת
(et)
(obj.)
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
de bewoners van
הָאָרֶץ֮
(haarets)
het land
מִפְּנֵיכֶם֒
(mipeneikhem)
voor jullie uit
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wie
תּוֹתִ֣ירוּ
(totiru)
jullie laten overblijven
מֵהֶ֔ם
(mehem)
van hen
לְשִׂכִּים֙
(lesikim)
tot prikkels
בְּעֵ֣ינֵיכֶ֔ם
(beeineikhem)
in jullie ogen
וְלִצְנִינִ֖ם
(velitsninim)
en tot doornen
בְּצִדֵּיכֶ֑ם
(betsideikhem)
in jullie zijden
וְצָרֲר֣וּ
(vetsararu)
en zij zullen bestoken
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
עַל
(al)
over
הָאָ֕רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarin
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie
יֹשְׁבִ֥ים
(yoshevim)
wonen
בָּֽהּ
(bah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שִׂכִּים (sikkim) en צְנִינִם (tsninim), ‘prikkels’ en ‘doornen’: de bewoners die overblijven worden pijnlijk, vergelijkbaar met iets dat in het oog of in de zij steekt.