Elohim Bijbel

Deuteronomium 34

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334

De dood van Mozes op de Nebo

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Mozes ziet het beloofde land

1Mozes ging omhoog uit de vlakten van Moab naar de berg Nebo, de top van de Pisga, tegenover Jericho. Yahweh liet hem het hele land zien: Gilead tot aan Dan,
וַיַּ֨עַל
(vayaal)
en ging omhoog
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
מֵֽעַרְבֹ֤ת
(mearvot)
uit de vlakten van
מוֹאָב֙
(moav)
Moab
אֶל
(el)
naar
הַ֣ר
(har)
berg
נְב֔וֹ
(nevo)
Nebo
רֹ֚אשׁ
(rosh)
top van
הַפִּסְגָּ֔ה
(hapisga)
de Pisga
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
יְרֵח֑וֹ
(yerecho)
Jericho
וַיַּרְאֵ֨הוּ
(vayarehu)
en Hij liet hem zien
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֛רֶץ
(haarets)
het land
אֶת
(et)
(obj.)
הַגִּלְעָ֖ד
(hagilad)
Gilead
עַד
(ad)
tot
דָּֽן
(dan)
Dan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Nebo is een top van de Pisga, in het gebergte Abarim ten oosten van de Dode Zee en tegenover Jericho (Jordanië).

Zie ook Num. 27:12, Deut. 3:27 en Deut. 32:49.

Dan ligt in het uiterste noorden van het land, aan de voet van de Hermon (Israël).

Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho.

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Uitleg

De opsomming loopt van het noorden (Gilead en Dan) via het midden (Naftali, Efraïm, Manasse, Juda) naar het zuiden (Negev, Zoar): Mozes ziet het hele land.

2heel Naftali, het land van Efraïm en Manasse, heel het land Juda tot aan de westelijke zee,
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
נַפְתָּלִ֔י
(naftali)
Naftali
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
אֶפְרַ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
וּמְנַשֶּׁ֑ה
(umenashe)
en Manasse
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיָּ֥ם
(hayam)
de zee
הָאַחֲרֽוֹן
(haacharon)
de laatste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Grote Zee: De Grote Zee is de Middellandse Zee, de westgrens van het land.

Uitleg

הַיָּם הָאַחֲרוֹן (hayam ha’acharon), letterlijk ‘de achterste zee’: wie naar het oosten kijkt, heeft het westen achter zich.

Het is de Middellandse Zee.

3de Negev en de Kikkar, het dal van Jericho, de stad van de palmen, tot aan Zoar.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנֶּ֗גֶב
(hanegev)
de Negev
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכִּכָּ֞ר
(hakikar)
de Kikkar
בִּקְעַ֧ת
(biqat)
dal van
יְרֵח֛וֹ
(yerecho)
Jericho
עִ֥יר
(ir)
stad van
הַתְּמָרִ֖ים
(hatemarim)
de palmen
עַד
(ad)
tot
צֹֽעַר
(tsoar)
Zoar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zoar ligt bij de zuidkant van de Dode Zee (Jordanië); de ligging is niet zeker.

Lot vluchtte erheen (Gen. 19:22–23).

Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

כִּכָּר (kikkar), ‘ronde vlakte’: het Jordaandal rond Jericho.

עִיר הַתְּמָרִים (ir hatemarim), ‘stad van de palmen’, is een naam van Jericho.

4Yahweh zei tegen hem: „Dit is het land dat Ik aan Abraham, Isaak en Jakob gezworen heb met de woorden: ‘Aan je nageslacht zal Ik het geven.’ Ik heb het je met je eigen ogen laten zien, maar je zult er niet naartoe oversteken.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
זֹ֤את
(zot)
dit
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
נִ֠שְׁבַּעְתִּי
(nishbati)
Ik heb gezworen
לְאַבְרָהָ֨ם
(leavraham)
aan Abraham
לְיִצְחָ֤ק
(leyitschaq)
aan Isaak
וּֽלְיַעֲקֹב֙
(uleyaaqov)
en aan Jakob
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לְזַרְעֲךָ֖
(lezarakha)
aan je nageslacht
אֶתְּנֶ֑נָּה
(etenena)
Ik zal het geven
הֶרְאִיתִ֣יךָ
(heritikha)
Ik heb het je laten zien
בְעֵינֶ֔יךָ
(beeineikha)
met je ogen
וְשָׁ֖מָּה
(veshama)
en daarheen
לֹ֥א
(lo)
niet
תַעֲבֹֽר
(taavor)
je zult oversteken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het land is gezworen aan Abraham, Isaak en Jakob: Gen. 12:7; 26:3; 35:12.

Dat Mozes het zelf niet in mag, heeft Yahweh gezegd in Num. 20:12 en Deut. 3:27.

De dood en de begrafenis van Mozes

5Mozes, de dienaar van Yahweh, stierf daar, in het land Moab, op bevel van Yahweh.
וַיָּ֨מָת
(vayamat)
en stierf
שָׁ֜ם
(sham)
daar
מֹשֶׁ֧ה
(moshe)
Mozes
עֶֽבֶד
(eved)
dienaar van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
מוֹאָ֖ב
(moav)
Moab
עַל
(al)
op
פִּ֥י
(pi)
mond van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Uitleg

עֶבֶד יְהוָה (eved Yahweh), ‘dienaar van Yahweh’: een eretitel voor Mozes, ook in Joz. 1:1.

עַל־פִּי יְהוָה (al pi Yahweh), letterlijk ‘op de mond van Yahweh’: op Zijn bevel, zoals bij Aäron in Num. 33:38.

6Hij begroef hem in het dal in het land Moab, tegenover Bet-Peor. Niemand weet waar zijn graf is, tot op deze dag.
וַיִּקְבֹּ֨ר
(vayiqbor)
en Hij begroef
אֹת֤וֹ
(oto)
hem
בַגַּיְ֙
(bagay)
in het dal
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
מ֖וּל
(mul)
tegenover
בֵּ֣ית
(beit)
Bet
פְּע֑וֹר
(peor)
Peor
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָדַ֥ע
(yada)
wist
אִישׁ֙
(ish)
iemand
אֶת
(et)
(obj.)
קְבֻ֣רָת֔וֹ
(qevurato)
zijn graf
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Zie Bet-Peor: Bet-Peor lag in Moab, in het dal tegenover Jericho.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

עַד הַיּוֹם הַזֶּה (ad hayom hazeh), ‘tot op deze dag’: tot de tijd waarin dit geschreven is weet niemand waar het graf ligt.

Bet-Peor is een plaats bij de berg Peor in Moab (Deut. 3:29; 4:46).

Lezing

Het Hebreeuws zegt niet wie begroef.

Wij lezen Yahweh (‘Hij begroef hem’), omdat het vorige vers Yahweh noemt.

De Septuaginta heeft ‘zij begroeven hem’.

7Mozes was 120 jaar oud toen hij stierf. Zijn oog was niet dof geworden en zijn levenskracht was niet verdwenen.
וּמֹשֶׁ֗ה
(umoshe)
en Mozes
בֶּן
(ben)
zoon van
מֵאָ֧ה
(mea)
honderd
וְעֶשְׂרִ֛ים
(veesrim)
en twintig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
בְּמֹת֑וֹ
(bemoto)
bij zijn sterven
לֹֽא
(lo)
niet
כָהֲתָ֥ה
(kahata)
was dof geworden
עֵינ֖וֹ
(eino)
zijn oog
וְלֹא
(velo)
en niet
נָ֥ס
(nas)
was gevlucht
לֵחֹֽה
(lecho)
zijn levenskracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes was 80 jaar toen hij voor de farao stond (Exod. 7:7) en 120 jaar bij zijn dood; zie ook Deut. 31:2.

לֵחֹה (lechoh), ‘levenskracht’: letterlijk ‘frisheid’.

De rouw en de opvolging door Jozua

8De zonen van Israël beweenden Mozes in de vlakten van Moab, 30 dagen lang. Toen waren de dagen van het wenen en van de rouw om Mozes ten einde.
וַיִּבְכּוּ֩
(vayivku)
en zij weenden
בְנֵ֨י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֧ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
בְּעַֽרְבֹ֥ת
(bearvot)
in de vlakten van
מוֹאָ֖ב
(moav)
Moab
שְׁלֹשִׁ֣ים
(sheloshim)
dertig
י֑וֹם
(yom)
dag
וַֽיִּתְּמ֔וּ
(vayitemu)
en waren ten einde
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
בְכִ֖י
(bekhi)
wenen van
אֵ֥בֶל
(evel)
rouw om
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho.

Uitleg

Ook Aäron werd 30 dagen beweend (Num. 20:29).

9Jozua, de zoon van Nun, was vol van de geest van wijsheid, want Mozes had zijn handen op hem gelegd. De zonen van Israël luisterden naar hem en deden zoals Yahweh Mozes geboden had.
וִֽיהוֹשֻׁ֣עַ
(vihoshua)
en Jozua
בִּן
(bin)
zoon van
נ֗וּן
(nun)
Nun
מָלֵא֙
(male)
was vol van
ר֣וּחַ
(ruach)
geest van
חָכְמָ֔ה
(chakhema)
wijsheid
כִּֽי
(ki)
want
סָמַ֥ךְ
(samakh)
had gesteund
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
יָדָ֖יו
(yadav)
zijn handen
עָלָ֑יו
(alav)
op hem
וַיִּשְׁמְע֨וּ
(vayishmeu)
en zij luisterden
אֵלָ֤יו
(elav)
naar hem
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וַֽיַּעֲשׂ֔וּ
(vayaasu)
en zij deden
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ חָכְמָה (ruach chokhmah), ‘geest van wijsheid’.

Zie Num. 27:18–23 voor het opleggen van de handen aan Jozua, en Deut. 31:7–8 en 31:23 voor zijn opdracht.

Geen profeet zoals Mozes

10Er is in Israël nooit meer een profeet opgestaan zoals Mozes, die Yahweh kende van aangezicht tot aangezicht,
וְלֹֽא
(velo)
en niet
קָ֨ם
(qam)
stond op
נָבִ֥יא
(navi)
profeet
ע֛וֹד
(od)
nog
בְּיִשְׂרָאֵ֖ל
(beyisrael)
in Israël
כְּמֹשֶׁ֑ה
(kemoshe)
als Mozes
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
יְדָע֣וֹ
(yedao)
kende hem
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
פָּנִ֖ים
(panim)
aangezicht
אֶל
(el)
tot
פָּנִֽים
(panim)
aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּנִים אֶל־פָּנִים (panim el panim), ‘van aangezicht tot aangezicht’: Yahweh sprak met Mozes zoals een mens met zijn vriend spreekt (Exod. 33:11; Num. 12:6–8).

11in al de tekenen en wonderen waarvoor Yahweh hem zond om ze te doen in het land Egypte, aan de farao, aan al zijn dienaren en aan heel zijn land,
לְכָל
(lekhal)
voor al
הָ֨אֹת֜וֹת
(haotot)
de tekenen
וְהַמּוֹפְתִ֗ים
(vehamofetim)
en de wonderen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
שְׁלָחוֹ֙
(shelacho)
zond hem
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לַעֲשׂ֖וֹת
(laasot)
om te doen
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
לְפַרְעֹ֥ה
(lefaro)
aan de farao
וּלְכָל
(ulekhal)
en aan al
עֲבָדָ֖יו
(avadav)
zijn dienaren
וּלְכָל
(ulekhal)
en aan heel
אַרְצֽוֹ
(artso)
zijn land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

12en in heel de sterke hand en in al het grote ontzagwekkende dat Mozes voor de ogen van heel Israël gedaan heeft.
וּלְכֹל֙
(ulekhol)
en voor heel
הַיָּ֣ד
(hayad)
de hand
הַחֲזָקָ֔ה
(hachazaqa)
de sterke
וּלְכֹ֖ל
(ulekhol)
en voor al
הַמּוֹרָ֣א
(hamora)
het ontzag
הַגָּד֑וֹל
(hagadol)
het grote
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
עָשָׂ֣ה
(asa)
deed
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
לְעֵינֵ֖י
(leeinei)
voor de ogen van
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מוֹרָא (mora), ‘ontzag’: wat ontzag wekt, hier de machtige daden in Egypte en in de woestijn.

Vergelijk Deut. 4:34.

Zie ookDeut 4:34