Jeruzalem, het weggeworpen kind dat Yahweh’s bruid werd en Hem ontrouw was
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het weggeworpen kind
1Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
om te zeggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Mensenkind, maak Jeruzalem haar gruwelen bekend.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
הוֹדַ֥ע
(hoda)
maak bekend
אֶת
(et)
(obj.)
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
אֶת
(et)
(obj.)
תּוֹעֲבֹתֶֽיהָ
(toavoteiha)
haar gruwelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Heel dit hoofdstuk is één lange toespraak van Yahweh.
Hij vertelt de geschiedenis van Jeruzalem als het verhaal van een weggeworpen kind dat Zijn bruid werd en Hem toen ontrouw was.
De formule ‘Zo zegt Heer Yahweh’ staat telkens zwart.
Wat Yahweh daarna zegt, staat rood.
De oproep ‘Hoor het woord van Yahweh’ (vers 35) staat rood, omdat Yahweh haar zelf aan de profeet opdraagt.
תּוֹעֵבוֹת (to’evot), ‘gruwelen’: wat Yahweh verafschuwt; zie ook Ezech. 14:6.
3En zeg: Zo zegt Heer Yahweh tegen Jeruzalem: Je afkomst en je geboorte zijn uit het land van de Kanaänieten. Je vader was een Amoriet en je moeder een Hethitische.
וְאָמַרְתָּ֞
(veamarta)
en zeg
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֨ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֤י
(adonay)
Heer
יְהוִה֙
(Yahweh)
Yahweh
לִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(lirushaliam)
tegen Jeruzalem
מְכֹרֹתַ֨יִךְ֙
(mekhorotayikh)
je afkomst
וּמֹ֣לְדֹתַ֔יִךְ
(umoledotayikh)
en je geboorte
מֵאֶ֖רֶץ
(meerets)
uit het land van
הַֽכְּנַעֲנִ֑י
(hakenaani)
de Kanaäniet
אָבִ֥יךְ
(avikh)
je vader
הָאֱמֹרִ֖י
(haemori)
de Amoriet
וְאִמֵּ֥ךְ
(veimekh)
en je moeder
חִתִּֽית
(chitit)
Hethitische
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
מְכֹרֹתַיִךְ (mekhorotayikh), ‘je afkomst’: het woord komt in de Bijbel alleen hier en in 21:35 voor en betekent ‘herkomst’.
הַכְּנַעֲנִי אָבִיךְ הָאֱמֹרִי וְאִמֵּךְ חִתִּית noemt de oude bewoners van het land.
Vergelijk Gen. 15:19–21.
Jeruzalem had haar wortels niet in de vaderen van Israël, maar bij de volken van het land.
חִתִּית (chittit), ‘Hethitische’: de vrouwelijke vorm van ‘Hethiet’.
Het Hebreeuws zegt in het enkelvoud en met lidwoord ‘de Kanaäniet’ en ‘de Amoriet’. Het gaat om de volken als geheel.
4Wat je geboorte betreft: op de dag dat je werd geboren, werd je navelstreng niet doorgesneden. Je werd niet met water gewassen om je schoon te maken. Je werd helemaal niet met zout ingewreven en helemaal niet in doeken gewikkeld.
וּמוֹלְדוֹתַ֗יִךְ
(umoledotayikh)
en je geboorte
בְּי֨וֹם
(beyom)
op de dag van
הוּלֶּ֤דֶת
(huledet)
het geboren worden
אֹתָךְ֙
(otakh)
jou
לֹֽא
(lo)
niet
כָרַּ֣ת
(karat)
werd doorgesneden
שָׁרֵּ֔ךְ
(sharekh)
je navelstreng
וּבְמַ֥יִם
(uvemayim)
en met water
לֹֽא
(lo)
niet
רֻחַ֖צְתְּ
(ruchatst)
je werd gewassen
לְמִשְׁעִ֑י
(lemishi)
om schoon te zijn
וְהָמְלֵ֨חַ֙
(vehameleach)
en met zout
לֹ֣א
(lo)
niet
הֻמְלַ֔חַתְּ
(humlachat)
je werd ingewreven
וְהָחְתֵּ֖ל
(vehachtel)
en in doeken
לֹ֥א
(lo)
niet
חֻתָּֽלְתְּ
(chutalt)
je werd gewikkeld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׁרֵּךְ (shorrekh), ‘je navelstreng’: een zeldzaam woord, alleen hier.
Sommigen vertalen ‘je navel’.
לְמִשְׁעִי (lemish’i), ‘om schoon te zijn’: ook een zeldzaam woord. De tekst somt de zorgen op die een pasgeboren kind krijgt: de navelstreng doorsnijden, wassen, met zout inwrijven en in doeken wikkelen. Dat alles ontbrak.
וְהָמְלֵחַ לֹא הֻמְלַחַתְּ (vehamlach lo hummalachat): de werkwoordsvorm wordt herhaald om nadruk te geven: ‘helemaal niet’.
5Geen oog had medelijden met je, om je een van deze dingen te doen uit mededogen. Je werd op het open veld geworpen, omdat men je verafschuwde, op de dag dat je werd geboren.
לֹא
(lo)
niet
חָ֨סָה
(chasa)
had medelijden
עָלַ֜יִךְ
(alayikh)
met je
עַ֗יִן
(ayin)
oog
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
לָ֛ךְ
(lakh)
voor jou
אַחַ֥ת
(achat)
één
מֵאֵ֖לֶּה
(meele)
van deze
לְחֻמְלָ֣ה
(lechumla)
uit mededogen
עָלָ֑יִךְ
(alayikh)
met je
וַֽתֻּשְׁלְכִ֞י
(vatushlekhi)
en je werd geworpen
אֶל
(el)
naar
פְּנֵ֤י
(penei)
oppervlak van
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
het veld
בְּגֹ֣עַל
(begoal)
bij verafschuwing van
נַפְשֵׁ֔ךְ
(nafshekh)
je ziel
בְּי֖וֹם
(beyom)
op de dag van
הֻלֶּ֥דֶת
(huledet)
het geboren worden
אֹתָֽךְ
(otakh)
jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּגֹעַל נַפְשֵׁךְ (bego’al nafshekh), ‘omdat men je verafschuwde’: letterlijk ‘vanwege de verafschuwing van je ziel’.
Het woord נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’, staat hier voor de persoon zelf.
Het werkwoord גָּעַל (ga’al, met ajin) betekent ‘verafschuwen’.
Het is een ander woord dan גָּאַל (ga’al, met aleph), ‘verlossen’.
פְּנֵי הַשָּׂדֶה (penei hasadeh), ‘het open veld’: letterlijk ‘het oppervlak van het veld’.
6Ik ging langs je heen en zag je spartelen in je bloed. Ik zei tegen je, terwijl je in je bloed lag: ‘Leef!’ Ja, Ik zei tegen je, in je bloed: ‘Leef!’
וָאֶעֱבֹ֤ר
(vaeevor)
en Ik ging langs
עָלַ֨יִךְ֙
(alayikh)
over je
וָֽאֶרְאֵ֔ךְ
(vaerekh)
en Ik zag je
מִתְבּוֹסֶ֖סֶת
(mitboseset)
spartelend
בְּדָמָ֑יִךְ
(bedamayikh)
in je bloed
וָאֹ֤מַר
(vaomar)
en Ik zei
לָךְ֙
(lakh)
tegen je
בְּדָמַ֣יִךְ
(bedamayikh)
in je bloed
חֲיִ֔י
(chayi)
leef
וָאֹ֥מַר
(vaomar)
en Ik zei
לָ֖ךְ
(lakh)
tegen je
בְּדָמַ֥יִךְ
(bedamayikh)
in je bloed
חֲיִֽי
(chayi)
leef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִתְבּוֹסֶסֶת (mitbosesset), ‘spartelend’: het werkwoord בּוּס (bus) betekent ‘vertrappen’.
Hier beweegt het kind zich in zijn eigen bloed.
בְּדָמָיִךְ (bedamayikh), ‘in je bloed’: het meervoud wijst op bloed dat vergoten is, of op het bloed van de geboorte. De zin kan ook zo gelezen worden: ‘Ik zei tegen je: In je bloed, leef!’ Wij houden ‘in je bloed’ bij ‘Ik zei tegen je’.
חֲיִי (chayi), ‘leef’: een bevel van Yahweh dat leven geeft.
7Ik liet je tienduizendvoudig groeien, als het gewas van het veld. Je werd groot en kwam tot het mooiste sieraad. Je borsten werden rond en je haar groeide, maar je was naakt en bloot.
רְבָבָ֗ה
(revava)
tienduizendvoud
כְּצֶ֤מַח
(ketsemach)
als gewas van
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
het veld
נְתַתִּ֔יךְ
(netatikh)
Ik heb gegeven jou
וַתִּרְבִּי֙
(vatirbi)
en je werd veel
וַֽתִּגְדְּלִ֔י
(vatigdeli)
en je werd groot
וַתָּבֹ֖אִי
(vatavoi)
en je kwam
בַּעֲדִ֣י
(baadi)
tot sieraad van
עֲדָיִ֑ים
(adayim)
sieraden
שָׁדַ֤יִם
(shadayim)
borsten
נָכֹ֨נוּ֙
(nakhonu)
zijn gevormd
וּשְׂעָרֵ֣ךְ
(usearekh)
en je haar
צִמֵּ֔חַ
(tsimeach)
is gegroeid
וְאַ֖תְּ
(veat)
en jij
עֵרֹ֥ם
(erom)
naakt
וְעֶרְיָֽה
(veerya)
en bloot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רְבָבָה (revavah), ‘tienduizendvoud’: een zeer groot aantal.
בַּעֲדִי עֲדָיִים (ba’adi adayim), ‘tot het mooiste sieraad’: letterlijk ‘in sieraad van sieraden’. De betekenis is onzeker. Sommigen denken aan ‘tot de leeftijd van de volle bloei’. Sommige oude vertalingen lezen anders.
Het kind groeide en kwam tot volle ontwikkeling, maar het was nog naakt en bloot. Er was niemand die voor haar zorgde.
8Ik ging opnieuw langs je heen en zag je, en zie, je tijd was gekomen, de tijd van de liefde. Ik spreidde de slip van Mijn kleed over je uit en bedekte je naaktheid. Ik zwoer je een eed en ging een verbond met je aan, godsspraak van Heer Yahweh. Zo werd je van Mij.
וָאֶעֱבֹ֨ר
(vaeevor)
en Ik ging langs
עָלַ֜יִךְ
(alayikh)
over je
וָאֶרְאֵ֗ךְ
(vaerekh)
en Ik zag je
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
עִתֵּךְ֙
(itekh)
je tijd
עֵ֣ת
(et)
tijd van
דֹּדִ֔ים
(dodim)
liefdes
וָאֶפְרֹ֤שׂ
(vaefros)
en Ik spreidde uit
כְּנָפִי֙
(kenafi)
slip van Mijn kleed
עָלַ֔יִךְ
(alayikh)
over je
וָאֲכַסֶּ֖ה
(vaakhase)
en Ik bedekte
עֶרְוָתֵ֑ךְ
(ervatekh)
je naaktheid
וָאֶשָּׁ֣בַֽע
(vaeshava)
en Ik zwoer
לָ֠ךְ
(lakh)
je
וָאָב֨וֹא
(vaavo)
en Ik kwam
בִבְרִ֜ית
(bivrit)
in verbond
אֹתָ֗ךְ
(otakh)
met jou
נְאֻ֛ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתִּ֥הְיִי
(vatihyi)
en je werd
לִֽי
(li)
voor Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֵת דֹּדִים (et dodim), ‘de tijd van de liefde’: het woord דֹּדִים (dodim) betekent ‘liefde’ of ‘liefkozingen’.
Het staat ook in Hoogl. 1:2.
כָּנָף (kanaf), ‘slip van het kleed’: letterlijk ‘vleugel’. Het is de rand van een kleed. Zie Ruth 3:9: wie zijn kleed over een vrouw spreidt, neemt haar tot vrouw. Zo wordt de eed van trouw en het verbond een huwelijksverbond.
13Zo werd je versierd met goud en zilver. Je kleding was fijn linnen, zijde en geborduurd werk. Meelbloem, honing en olie at je. Je werd uitermate mooi en bracht het tot koninklijke waardigheid.
וַתַּעְדִּ֞י
(vatadi)
en je werd versierd
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
וָכֶ֗סֶף
(vakhesef)
en zilver
וּמַלְבּוּשֵׁךְ֙
(umalbushekh)
en je kleding
שֵׁ֤שׁ
(shesh)
fijn linnen
וָמֶ֨שִׁי֙
(vameshi)
en zijde
וְרִקְמָ֔ה
(veriqma)
en geborduurd werk
סֹ֧לֶת
(solet)
meelbloem
וּדְבַ֛שׁ
(udevash)
en honing
וָשֶׁ֖מֶן
(vashemen)
en olie
אָכָ֑לְתְּ
(akhalt)
je at
וַתִּ֨יפִי֙
(vatifi)
en je werd mooi
בִּמְאֹ֣ד
(bimod)
zeer
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וַֽתִּצְלְחִ֖י
(vatitslechi)
en je had voorspoed
לִמְלוּכָֽה
(limlukha)
tot koninklijke waardigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סֹלֶת (solet), ‘meelbloem’: het fijnste meel.
וַתִּצְלְחִי לִמְלוּכָה (vattitslechi limlukhah), ‘je bracht het tot koninklijke waardigheid’: letterlijk ‘je had voorspoed tot koningschap’.
Lezing
In de geschreven tekst staan ששי (shishi) en אכלתי (akhalti); de overlevering leest שֵׁשׁ (shesh) en אָכָלְתְּ (akhalt).
15Maar je vertrouwde op je schoonheid en hoereerde op grond van je faam. Je stortte je hoererij uit over ieder die voorbijkwam: hij kon je hebben.
וַתִּבְטְחִ֣י
(vativtechi)
en je vertrouwde
בְיָפְיֵ֔ךְ
(beyafeyekh)
op je schoonheid
וַתִּזְנִ֖י
(vatizni)
en je hoereerde
עַל
(al)
op grond van
שְׁמֵ֑ךְ
(shemekh)
je naam
וַתִּשְׁפְּכִ֧י
(vatishpekhi)
en je stortte uit
אֶת
(et)
(obj.)
תַּזְנוּתַ֛יִךְ
(taznutayikh)
je hoererijen
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
elke
עוֹבֵ֖ר
(over)
voorbijganger
לוֹ
(lo)
voor hem
יֶֽהִי
(yehi)
moge het zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זֹנוֹת (zenut), ‘hoererij’: het beeld van ontrouw aan Yahweh, zoals in Hos. 1:2.
Hier gaat het om afgoderij en om de verbonden met andere volken.
לוֹ יֶהִי (lo yehi), ‘hij kon je hebben’: letterlijk ‘voor hem moge het zijn’. Het slot van het vers is kort en moeilijk. Sommige oude vertalingen lezen anders.
18Je nam je geborduurde kleren en bedekte ze ermee. Mijn olie en Mijn wierook zette je hun voor.
וַתִּקְחִ֛י
(vatiqchi)
en je nam
אֶת
(et)
(obj.)
בִּגְדֵ֥י
(bigdei)
kleren van
רִקְמָתֵ֖ךְ
(riqmatekh)
je geborduurd werk
וַתְּכַסִּ֑ים
(vatekhasim)
en je bedekte hen
וְשַׁמְנִי֙
(veshamni)
en Mijn olie
וּקְטָרְתִּ֔י
(uqetarti)
en Mijn wierook
נָתַ֖תְּ
(natat)
je gaf
לִפְנֵיהֶֽם
(lifneihem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
In de geschreven tekst staat נָתַתִּי (natati), ‘Ik gaf’; de overlevering leest נָתַתְּ (natatt), ‘je gaf’.
Wij volgen de lezing.
19Mijn brood heb Ik je gegeven: meelbloem, olie en honing, waarmee Ik je voedde. Dat zette je hun voor als een aangename geur. Zo is het gebeurd, godsspraak van Heer Yahweh.
וְלַחְמִי֩
(velachmi)
en Mijn brood
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָתַ֨תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
לָ֜ךְ
(lakh)
aan jou
סֹ֣לֶת
(solet)
meelbloem
וָשֶׁ֤מֶן
(vashemen)
en olie
וּדְבַשׁ֙
(udevash)
en honing
הֶֽאֱכַלְתִּ֔יךְ
(heekhaltikh)
Ik heb je laten eten
וּנְתַתִּ֧יהוּ
(unetatihu)
en je gaf het
לִפְנֵיהֶ֛ם
(lifneihem)
voor hen
לְרֵ֥יחַ
(lereiach)
tot geur van
נִיחֹ֖חַ
(nichoach)
aangenaamheid
וַיֶּ֑הִי
(vayehi)
en het was
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְרֵיחַ נִיחֹחַ (lereach nichoach), ‘als een aangename geur’: de vaste uitdrukking voor een offer dat Yahweh behaagt, zoals in Lev. 1:9.
Hier worden Zijn gaven aan afgoden geofferd.
וַיֶּהִי (vayhi), ‘zo is het gebeurd’: een korte afsluiting.
25Aan het begin van elke weg bouwde je je hoogte. Je maakte je schoonheid tot een gruwel, spreidde je benen voor ieder die voorbijkwam en maakte je hoererij groot.
אֶל
(el)
aan
כָּל
(kal)
elk
רֹ֣אשׁ
(rosh)
begin van
דֶּ֗רֶךְ
(derekh)
weg
בָּנִית֙
(banit)
je bouwde
רָֽמָתֵ֔ךְ
(ramatekh)
je hoogte
וַתְּתַֽעֲבִי֙
(vatetaavi)
en je maakte tot gruwel
אֶת
(et)
(obj.)
יָפְיֵ֔ךְ
(yafeyekh)
je schoonheid
וַתְּפַשְּׂקִ֥י
(vatefaseqi)
en je spreidde
אֶת
(et)
(obj.)
רַגְלַ֖יִךְ
(raglayikh)
je benen
לְכָל
(lekhal)
voor elke
עוֹבֵ֑ר
(over)
voorbijganger
וַתַּרְבִּ֖י
(vatarbi)
en je vermeerderde
אֶת
(et)
(obj.)
תַּזְנוּתָֽיִךְ
(taznutayikh)
je hoererij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
In de geschreven tekst staat תַּזְנֻתֵךְ (taznatekh); de overlevering leest תַּזְנוּתָיִךְ (taznutayikh), ‘je hoererijen’.
27Zie, Ik heb Mijn hand tegen je uitgestrekt en je toegemeten deel verminderd. Ik heb je overgegeven aan de begeerte van je haters, de dochters van de Filistijnen, die zich schamen voor je schandelijke weg.
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
נָטִ֤יתִי
(natiti)
Ik heb uitgestrekt
יָדִי֙
(yadi)
Mijn hand
עָלַ֔יִךְ
(alayikh)
tegen je
וָאֶגְרַ֖ע
(vaegra)
en Ik heb verminderd
חֻקֵּ֑ךְ
(chuqekh)
je toegemeten deel
וָאֶתְּנֵ֞ךְ
(vaetenekh)
en Ik heb je gegeven
בְּנֶ֤פֶשׁ
(benefesh)
aan de begeerte van
שֹׂנְאוֹתַ֨יִךְ֙
(soneotayikh)
je haters
בְּנ֣וֹת
(benot)
dochters van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
הַנִּכְלָמ֖וֹת
(hanikhlamot)
de beschaamden
מִדַּרְכֵּ֥ךְ
(midarkekh)
over je weg
זִמָּֽה
(zima)
schandelijke
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֻקֵּךְ (choqekh), ‘je toegemeten deel’: wat je als rantsoen kreeg, vergelijk Spr. 30:8.
Yahweh heeft haar deel verminderd.
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘begeerte’: hier de begeerte van de Filistijnse vrouwen, die haar haten.
דֶּרֶךְ זִמָּה (derekh zimmah), ‘schandelijke weg’: זִמָּה (zimmah) is ontucht, een schandelijk gedrag.
29Je vermeerderde je hoererij met het land Kanaän, tot in het land van de Chaldeeën. Maar ook daarmee was je niet verzadigd.
וַתַּרְבִּ֧י
(vatarbi)
en je vermeerderde
אֶת
(et)
(obj.)
תַּזְנוּתֵ֛ךְ
(taznutekh)
je hoererij
אֶל
(el)
naar
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
כְּנַ֖עַן
(kenaan)
Kanaän
כַּשְׂדִּ֑ימָה
(kasdima)
naar de Chaldeeën
וְגַם
(vegam)
en ook
בְּזֹ֖את
(bezot)
hiermee
לֹ֥א
(lo)
niet
שָׂבָֽעַתְּ
(savaat)
je was verzadigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.
Uitleg
אֶרֶץ כְּנַעַן (erets Kena’an), ‘het land Kanaän’: het woord כְּנַעַן (Kena’an) betekent ook ‘koopman’.
De tekst wijst hier op het land zelf.
כַּשְׂדִּימָה (kasdimah), ‘naar het land van de Chaldeeën’: het gebied van Babel.
33Aan alle hoeren geeft men een loon, maar jij gaf jouw geschenken aan al je minnaars. Je kocht hen om, zodat zij van overal naar je toe kwamen voor je hoererij.
לְכָל
(lekhal)
aan alle
זֹנ֖וֹת
(zonot)
hoeren
יִתְּנוּ
(yitenu)
zij geven
נֵ֑דֶה
(nede)
geschenk
וְאַ֨תְּ
(veat)
maar jij
נָתַ֤תְּ
(natat)
je hebt gegeven
אֶת
(et)
(obj.)
נְדָנַ֨יִךְ֙
(nedanayikh)
je geschenken
לְכָל
(lekhal)
aan alle
מְאַֽהֲבַ֔יִךְ
(meahavayikh)
je minnaars
וַתִּשְׁחֳדִ֣י
(vatishchodi)
en je kocht om
אוֹתָ֗ם
(otam)
hen
לָב֥וֹא
(lavo)
om te komen
אֵלַ֛יִךְ
(elayikh)
naar jou
מִסָּבִ֖יב
(misaviv)
van rondom
בְּתַזְנוּתָֽיִךְ
(betaznutayikh)
in je hoererij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֵדֶה (nedeh), ‘loon’: het woord komt alleen hier voor.
נְדָנַיִךְ (nidnayikh), ‘je geschenken’, komt ook alleen hier voor.
Beide woorden betekenen geschenken of betaling.
מְאַהֲבַיִךְ (me’ahavayikh), ‘je minnaars’: de volken met wie Jeruzalem verbonden aangaat.
34Bij jou gebeurde in je hoererij het omgekeerde van andere vrouwen. Niemand hoereerde je achterna. Jij gaf loon, maar kreeg geen loon: zo werd je het omgekeerde.
וַיְהִי
(vayhi)
en het was
בָ֨ךְ
(bakh)
bij jou
הֵ֤פֶךְ
(hefekh)
omgekeerde
מִן
(min)
van
הַנָּשִׁים֙
(hanashim)
de vrouwen
בְּתַזְנוּתַ֔יִךְ
(betaznutayikh)
in je hoererij
וְאַחֲרַ֖יִךְ
(veacharayikh)
en na jou
לֹ֣א
(lo)
niet
זוּנָּ֑ה
(zuna)
is gehoereerd
וּבְתִתֵּ֣ךְ
(uvetitekh)
en door je geven
אֶתְנָ֗ן
(etnan)
loon
וְאֶתְנַ֛ן
(veetnan)
en loon
לֹ֥א
(lo)
niet
נִתַּן
(nitan)
is gegeven
לָ֖ךְ
(lakh)
aan jou
וַתְּהִ֥י
(vatehi)
en je was
לְהֶֽפֶךְ
(lehefekh)
het omgekeerde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֵפֶךְ (hefekh), ‘omgekeerde’: bij Jeruzalem was het tegenovergestelde van wat bij andere hoeren gebeurt.
De hoer wordt geoordeeld
35Daarom, hoer, hoor het woord van Yahweh.
לָכֵ֣ן
(lakhen)
daarom
זוֹנָ֔ה
(zona)
hoer
שִׁמְעִ֖י
(shimi)
hoor
דְּבַר
(devar)
woord van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier begint het tweede deel van de toespraak: de aanklacht en het oordeel.
‘Hoor het woord van Yahweh’ draagt Yahweh de profeet op uit te roepen.
36Zo zegt Heer Yahweh: Omdat je koper is uitgestort en je naaktheid is ontbloot in je hoererij met je minnaars, en met al je gruwelijke mestgoden, en vanwege het bloed van je zonen die je aan hen hebt gegeven,
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהֹוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֣עַן
(yaan)
omdat
הִשָּׁפֵ֤ךְ
(hishafekh)
is uitgestort
נְחֻשְׁתֵּךְ֙
(nechushtekh)
je koper
וַתִּגָּלֶ֣ה
(vatigale)
en is ontbloot
עֶרְוָתֵ֔ךְ
(ervatekh)
je naaktheid
בְּתַזְנוּתַ֖יִךְ
(betaznutayikh)
in je hoererij
עַל
(al)
met
מְאַהֲבָ֑יִךְ
(meahavayikh)
je minnaars
וְעַל֙
(veal)
en met
כָּל
(kal)
alle
גִּלּוּלֵ֣י
(gilulei)
mestgoden van
תוֹעֲבוֹתַ֔יִךְ
(toavotayikh)
je gruwelen
וְכִדְמֵ֣י
(vekhidmei)
en volgens het bloed van
בָנַ֔יִךְ
(banayikh)
je zonen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָתַ֖תְּ
(natat)
je hebt gegeven
לָהֶֽם
(lahem)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְחֻשְׁתֵּךְ (nechushtekh), ‘je koper’: het woord komt alleen hier voor en is onzeker.
Het kan ‘koper’ of ‘brons’ betekenen, of ‘je lust’ of ‘je schaamte’.
Wij vertalen ‘je koper’.
גִּלּוּלֵי תוֹעֲבוֹתַיִךְ (gilluley to’avotayikh), ‘de mestgoden van je gruwelen’: zie Ezech. 6:4.
דְּמֵי בָנַיִךְ (demei vanayikh), ‘het bloed van je zonen’: de kinderoffers van vers 20 en 21.
37daarom, zie, Ik verzamel al je minnaars, die je aangenaam waren, en allen die je liefhad, samen met allen die je haatte. Ik verzamel hen van overal tegen je en ontbloot je naaktheid voor hen. Zij zullen heel je naaktheid zien.
לָ֠כֵן
(lakhen)
daarom
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
מְקַבֵּ֤ץ
(meqabets)
verzamel
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
מְאַהֲבַ֨יִךְ֙
(meahavayikh)
je minnaars
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָרַ֣בְתְּ
(aravt)
je vond aangenaam
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
bij hen
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אָהַ֔בְתְּ
(ahavt)
je liefhad
עַ֖ל
(al)
met
כָּל
(kal)
alle
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שָׂנֵ֑את
(sanet)
je haatte
וְקִבַּצְתִּי֩
(veqibatsti)
en Ik zal verzamelen
אֹתָ֨ם
(otam)
hen
עָלַ֜יִךְ
(alayikh)
tegen je
מִסָּבִ֗יב
(misaviv)
van rondom
וְגִלֵּיתִ֤י
(vegileiti)
en Ik zal ontbloten
עֶרְוָתֵךְ֙
(ervatekh)
je naaktheid
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
aan hen
וְרָא֖וּ
(verau)
en zij zullen zien
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
עֶרְוָתֵֽךְ
(ervatekh)
je naaktheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָרַבְתְּ (aravt), ‘je vond aangenaam’: het werkwoord עָרַב (arav) betekent ‘aangenaam zijn’, zoals in Spr. 20:17.
Haar minnaars, de volken, worden nu tegen haar verzameld.
39Ik geef je in hun hand. Zij breken je verhoging af en slopen je hoogten. Zij ontdoen je van je kleren, nemen je sieraden af en laten je naakt en bloot achter.
וְנָתַתִּ֨י
(venatati)
en Ik zal geven
אוֹתָ֜ךְ
(otakh)
jou
בְּיָדָ֗ם
(beyadam)
in hun hand
וְהָרְס֤וּ
(veharesu)
en zij zullen afbreken
גַבֵּךְ֙
(gabekh)
je verhoging
וְנִתְּצ֣וּ
(venitetsu)
en zij zullen slopen
רָמֹתַ֔יִךְ
(ramotayikh)
je hoogten
וְהִפְשִׁ֤יטוּ
(vehifshitu)
en zij zullen uitkleden
אוֹתָךְ֙
(otakh)
jou
בְּגָדַ֔יִךְ
(begadayikh)
je kleren
וְלָקְח֖וּ
(velaqechu)
en zij zullen nemen
כְּלֵ֣י
(kelei)
voorwerpen van
תִפְאַרְתֵּ֑ךְ
(tifartekh)
je pracht
וְהִנִּיח֖וּךְ
(vehinichukh)
en zij zullen je laten
עֵירֹ֥ם
(eirom)
naakt
וְעֶרְיָֽה
(veerya)
en bloot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גַבֵּךְ (gabbekh) en רָמֹתַיִךְ (ramotayikh): de verhoging en de hoogten van vers 24.
41Zij verbranden je huizen met vuur en voeren vonnissen over je uit voor de ogen van veel vrouwen. Ik maak een einde aan je hoererij, en je zult geen hoerenloon meer geven.
וְשָׂרְפ֤וּ
(vesarefu)
en zij zullen verbranden
בָתַּ֨יִךְ֙
(batayikh)
je huizen
בָּאֵ֔שׁ
(baesh)
met vuur
וְעָשׂוּ
(veasu)
en zij zullen doen
בָ֣ךְ
(bakh)
aan jou
שְׁפָטִ֔ים
(shefatim)
oordelen
לְעֵינֵ֖י
(leeinei)
voor de ogen van
נָשִׁ֣ים
(nashim)
vrouwen
רַבּ֑וֹת
(rabot)
vele
וְהִשְׁבַּתִּיךְ֙
(vehishbatikh)
en Ik zal doen ophouden jou
מִזּוֹנָ֔ה
(mizona)
van hoereren
וְגַם
(vegam)
en ook
אֶתְנַ֖ן
(etnan)
hoerenloon
לֹ֥א
(lo)
niet
תִתְּנִי
(titeni)
zul je geven
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְעֵינֵי נָשִׁים רַבּוֹת (le’einei nashim rabbot), ‘voor de ogen van veel vrouwen’: het oordeel is een openbare waarschuwing voor andere steden.
43Omdat je niet hebt gedacht aan de dagen van je jeugd en Mij met dit alles hebt getergd, zie, ook Ik laat je weg op je hoofd neerkomen, godsspraak van Heer Yahweh. Heb je niet bovenop al je gruwelen de ontucht bedreven?
יַ֗עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
זָכַרְתְּ֙
(zakhart)
je hebt gedacht
אֶת
(et)
(obj.)
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
נְעוּרַ֔יִךְ
(neurayikh)
je jeugd
וַתִּרְגְּזִי
(vatirgezi)
en je tergde
לִ֖י
(li)
Mij
בְּכָל
(bekhal)
in al
אֵ֑לֶּה
(ele)
deze dingen
וְגַם
(vegam)
en ook
אֲנִ֨י
(ani)
Ik
הֵ֜א
(he)
zie
דַּרְכֵּ֣ךְ
(darkekh)
je weg
בְּרֹ֣אשׁ
(berosh)
op het hoofd
נָתַ֗תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
נְאֻם֙
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
עָשִׂית֙
(asit)
je hebt gedaan
אֶת
(et)
(obj.)
הַזִּמָּ֔ה
(hazima)
de ontucht
עַ֖ל
(al)
boven
כָּל
(kal)
alle
תּוֹעֲבֹתָֽיִךְ
(toavotayikh)
je gruwelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַתִּרְגְּזִי לִי (vattirgezi li), ‘en je tergde Mij’: letterlijk ‘je werd onrustig tegen Mij’.
דַּרְכֵּךְ בְּרֹאשׁ נָתַתִּי (darkekh berosh natatti), ‘Ik laat je weg op je hoofd neerkomen’: de gevolgen van haar daden komen over haar. Zie ook 9:10, 11:21 en 22:31.
הַזִּמָּה (hazzimmah), ‘de ontucht’: zie vers 27.
Lezing
In de geschreven tekst staan זכרתי (zakharti) en עשיתי (asiti); de overlevering leest זָכַרְתְּ (zakhart) en עָשִׂית (asit).
45Je bent de dochter van je moeder, die haar man en haar kinderen verafschuwde. Je bent de zuster van je zusters, die hun mannen en hun kinderen verafschuwden. Jullie moeder was een Hethitische en jullie vader een Amoriet.
בַּת
(bat)
dochter van
אִמֵּ֣ךְ
(imekh)
je moeder
אַ֔תְּ
(at)
jij
גֹּעֶ֥לֶת
(goelet)
die verafschuwt
אִישָׁ֖הּ
(ishah)
haar man
וּבָנֶ֑יהָ
(uvaneiha)
en haar kinderen
וַאֲח֨וֹת
(vaachot)
en zuster van
אֲחוֹתֵ֜ךְ
(achotekh)
je zusters
אַ֗תְּ
(at)
jij
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
גָּֽעֲ֨לוּ֙
(gaalu)
verafschuwden
אַנְשֵׁיהֶ֣ן
(ansheihen)
hun mannen
וּבְנֵיהֶ֔ן
(uveneihen)
en hun kinderen
אִמְּכֶ֣ן
(imekhen)
jullie moeder
חִתִּ֔ית
(chitit)
Hethitische
וַאֲבִיכֶ֖ן
(vaavikhen)
en jullie vader
אֱמֹרִֽי
(emori)
Amoriet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גֹּעֶלֶת (go’elet), ‘die verafschuwt’: het werkwoord is hetzelfde als in vers 5.
Moeder en zusters hebben hun man en kinderen verafschuwd, en zo is Jeruzalem hun dochter en zuster.
47Je bent niet alleen op hun wegen gegaan en hebt niet alleen hun gruwelen gedaan. Dat was bijna te weinig, want je werd in al je wegen verdorvener dan zij.
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
בְדַרְכֵיהֶן֙
(bedarkheihen)
op hun wegen
הָלַ֔כְתְּ
(halakht)
je bent gegaan
וּבְתוֹעֲבֽוֹתֵיהֶ֖ן
(uvetoavoteihen)
en volgens hun gruwelen
עָשִׂ֑ית
(asit)
je deed
כִּמְעַ֣ט
(kimat)
bijna
קָ֔ט
(qat)
te weinig
וַתַּשְׁחִ֥תִי
(vatashchiti)
en je werd verdorven
מֵהֵ֖ן
(mehen)
meer dan zij
בְּכָל
(bekhal)
in al
דְּרָכָֽיִךְ
(derakhayikh)
je wegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כִּמְעַט קָט (kim’at qat), ‘bijna te weinig’: de zin is kort en moeilijk.
Het kan ook betekenen: ‘het was een kleinigheid’.
Lezing
In de geschreven tekst staat עשיתי (asiti); de overlevering leest עָשִׂית (asit).
49Zie, dit was de schuld van Sodom, je zuster: hoogmoed, volop brood en zorgeloze rust had zij met haar dochters. De hand van de ellendige en de arme hield zij niet vast.
הִנֵּה
(hine)
zie
זֶ֣ה
(ze)
dit
הָיָ֔ה
(haya)
was
עֲוֺ֖ן
(avon)
schuld van
סְדֹ֣ם
(sedom)
Sodom
אֲחוֹתֵ֑ךְ
(achotekh)
je zuster
גָּא֨וֹן
(gaon)
hoogmoed
שִׂבְעַת
(sivat)
verzadiging met
לֶ֜חֶם
(lechem)
brood
וְשַׁלְוַ֣ת
(veshalvat)
en zorgeloosheid van
הַשְׁקֵ֗ט
(hashqet)
rust
הָ֤יָה
(haya)
was
לָהּ֙
(lah)
voor haar
וְלִבְנוֹתֶ֔יהָ
(velivnoteiha)
en voor haar dochters
וְיַד
(veyad)
en hand van
עָנִ֥י
(ani)
ellendige
וְאֶבְי֖וֹן
(veevyon)
en arme
לֹ֥א
(lo)
niet
הֶחֱזִֽיקָה
(hecheziqa)
zij hield vast
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.
Uitleg
גָּאוֹן (ga’on), ‘hoogmoed’: Sodom was hoogmoedig en onverschillig voor de armen.
Het verhaal van Sodom staat in Gen. 19.
שִׂבְעַת לֶחֶם (sav’at lechem), ‘volop brood’: letterlijk ‘verzadiging van brood’.
51Samaria heeft niet de helft van je zonden begaan. Je hebt je gruwelen groter gemaakt dan zij, en je hebt je zusters rechtvaardig doen lijken door al je gruwelen die je hebt gedaan.
וְשֹׁ֣מְר֔וֹן
(veshomeron)
en Samaria
כַּחֲצִ֥י
(kachatsi)
als de helft van
חַטֹּאתַ֖יִךְ
(chatotayikh)
je zonden
לֹ֣א
(lo)
niet
חָטָ֑אָה
(chataa)
heeft gezondigd
וַתַּרְבִּ֤י
(vatarbi)
en je vermeerderde
אֶת
(et)
(obj.)
תּוֹעֲבוֹתַ֨יִךְ֙
(toavotayikh)
je gruwelen
מֵהֵ֔נָּה
(mehena)
meer dan zij
וַתְּצַדְּקִי֙
(vatetsadeqi)
en je deed rechtvaardig lijken
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחוֹתַ֔יִךְ
(achotayikh)
je zusters
בְּכָל
(bekhal)
door al
תּוֹעֲבוֹתַ֖יִךְ
(toavotayikh)
je gruwelen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשִֽׂית
(asit)
je hebt gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Uitleg
וַתְּצַדְּקִי (vattetsaddeqi), ‘je hebt rechtvaardig doen lijken’: het werkwoord צִדֵּק (tsiddeq) betekent hier ‘rechtvaardig doen lijken’.
Door haar grotere gruwelen leken haar zusters, vergeleken met haar, rechtvaardig.
Lezing
In de geschreven tekst staan אֲחוֹתֵךְ (achotekh), ‘je zuster’, en עשיתי (asiti); de overlevering leest אֲחוֹתַיִךְ (achotayikh), ‘je zusters’, en עָשִׂית (asit).
52Draag ook jij je schande, jij die voor je zuster hebt gepleit. Door je zonden, waarmee je gruwelijker was dan zij, zijn zij rechtvaardiger dan jij. Ook jij, wees beschaamd en draag je schande, omdat je je zusters rechtvaardig hebt doen lijken.
גַּם
(gam)
ook
אַ֣תְּ
(at)
jij
שְׂאִ֣י
(sei)
draag
כְלִמָּתֵ֗ךְ
(kelimatekh)
je schande
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
פִּלַּלְתְּ֙
(pilalt)
je hebt gepleit
לַֽאֲחוֹתֵ֔ךְ
(laachotekh)
voor je zuster
בְּחַטֹּאתַ֛יִךְ
(bechatotayikh)
door je zonden
אֲשֶׁר
(asher)
die
הִתְעַ֥בְתְּ
(hitavt)
je hebt gruwelijk gemaakt
מֵהֵ֖ן
(mehen)
meer dan zij
תִּצְדַּ֣קְנָה
(titsdaqna)
zijn rechtvaardiger
מִמֵּ֑ךְ
(mimekh)
dan jij
וְגַם
(vegam)
en ook
אַ֥תְּ
(at)
jij
בּ֨וֹשִׁי֙
(boshi)
schaam je
וּשְׂאִ֣י
(usei)
en draag
כְלִמָּתֵ֔ךְ
(kelimatekh)
je schande
בְּצַדֶּקְתֵּ֖ךְ
(betsadeqtekh)
in je rechtvaardig doen lijken
אַחְיוֹתֵֽךְ
(achyotekh)
je zusters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פִּלַּלְתְּ (pillalt), ‘je hebt gepleit’: het werkwoord פָּלַל (palal) betekent ‘bemiddelen, een uitspraak doen’.
Jeruzalem heeft door haar gedrag haar zusters verontschuldigd.
55Je zusters, Sodom en haar dochters, zullen terugkeren naar hun vroegere staat. Samaria en haar dochters zullen terugkeren naar hun vroegere staat. Ook jij en je dochters zullen terugkeren naar jullie vroegere staat.
וַאֲחוֹתַ֗יִךְ
(vaachotayikh)
en je zusters
סְדֹ֤ם
(sedom)
Sodom
וּבְנוֹתֶ֨יהָ֙
(uvenoteiha)
en haar dochters
תָּשֹׁ֣בְןָ
(tashovena)
zullen terugkeren
לְקַדְמָתָ֔ן
(leqadmatan)
naar hun vroegere staat
וְשֹֽׁמְרוֹן֙
(veshomeron)
en Samaria
וּבְנוֹתֶ֔יהָ
(uvenoteiha)
en haar dochters
תָּשֹׁ֖בְןָ
(tashovena)
zullen terugkeren
לְקַדְמָתָ֑ן
(leqadmatan)
naar hun vroegere staat
וְאַתְּ֙
(veat)
en jij
וּבְנוֹתַ֔יִךְ
(uvenotayikh)
en je dochters
תְּשֻׁבֶ֖ינָה
(teshuveina)
zullen terugkeren
לְקַדְמַתְכֶֽן
(leqadmatkhen)
naar jullie vroegere staat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Uitleg
לְקַדְמָתָן (leqadmatan), ‘naar hun vroegere staat’: letterlijk ‘naar hun voortijd’.
57voordat je kwaad werd ontbloot, zoals in de tijd van de smaad van de dochters van Aram en van al haar omgeving, de dochters van de Filistijnen, die je overal verachten.
בְּטֶרֶם֮
(beterem)
voordat
תִּגָּלֶ֣ה
(tigale)
wordt ontbloot
רָעָתֵךְ֒
(raatekh)
je kwaad
כְּמ֗וֹ
(kemo)
zoals
עֵ֚ת
(et)
tijd van
חֶרְפַּ֣ת
(cherpat)
smaad van
בְּנוֹת
(benot)
dochters van
אֲרָ֔ם
(aram)
Aram
וְכָל
(vekhal)
en alle
סְבִיבוֹתֶ֖יהָ
(sevivoteiha)
haar omgeving
בְּנ֣וֹת
(benot)
dochters van
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
Filistijnen
הַשָּׁאט֥וֹת
(hashatot)
de verachtenden
אוֹתָ֖ךְ
(otakh)
jou
מִסָּבִֽיב
(misaviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Uitleg
Het begin van dit vers is moeilijk.
Letterlijk staat er: ‘voordat je kwaad werd ontbloot, zoals de tijd van de smaad van de dochters van Aram’.
Sommige oude vertalingen lezen aan het begin van het vers anders.
הַשָּׁאטוֹת (hasha’tot), ‘die verachten’: een zeldzaam werkwoord dat ‘verachten’ betekent.
61Dan zul je aan je wegen terugdenken en je schamen, wanneer je je zusters aanneemt, de oudere dan jij en de jongere dan jij. Ik geef ze je als dochters, maar niet op grond van je verbond.
וְזָכַ֣רְתְּ
(vezakhart)
en je zult gedenken
אֶת
(et)
(obj.)
דְּרָכַיִךְ֮
(derakhayikh)
je wegen
וְנִכְלַמְתְּ֒
(venikhlamt)
en je zult beschaamd zijn
בְּקַחְתֵּ֗ךְ
(beqachtekh)
bij je nemen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחוֹתַ֨יִךְ֙
(achotayikh)
je zusters
הַגְּדֹל֣וֹת
(hagedolot)
de grotere
מִמֵּ֔ךְ
(mimekh)
dan jij
אֶל
(el)
tot
הַקְּטַנּ֖וֹת
(haqetanot)
de kleinere
מִמֵּ֑ךְ
(mimekh)
dan jij
וְנָתַתִּ֨י
(venatati)
en Ik zal geven
אֶתְהֶ֥ן
(ethen)
hen
לָ֛ךְ
(lakh)
aan jou
לְבָנ֖וֹת
(levanot)
tot dochters
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
מִבְּרִיתֵֽךְ
(miberitekh)
van je verbond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְלֹא מִבְּרִיתֵךְ (velo mibriteikh), ‘maar niet op grond van je verbond’: de zusters worden als dochters aan Jeruzalem gegeven door Yahweh’s eigen genade, niet omdat Jeruzalem het verbond hield.
63opdat je terugdenkt en je schaamt en vanwege je schande je mond niet meer kunt opendoen, wanneer Ik voor je verzoening doe voor alles wat je hebt gedaan, godsspraak van Heer Yahweh.”
לְמַ֤עַן
(lemaan)
opdat
תִּזְכְּרִי֙
(tizkeri)
je terugdenkt
וָבֹ֔שְׁתְּ
(vavosht)
en schaamte
וְלֹ֨א
(velo)
en niet
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לָּ֥ךְ
(lakh)
voor jou
עוֹד֙
(od)
meer
פִּתְח֣וֹן
(pitchon)
opening van
פֶּ֔ה
(pe)
mond
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
vanwege
כְּלִמָּתֵ֑ךְ
(kelimatekh)
je schande
בְּכַפְּרִי
(bekhaperi)
bij Mijn verzoenen
לָךְ֙
(lakh)
voor jou
לְכָל
(lekhal)
voor alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשִׂ֔ית
(asit)
je hebt gedaan
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּכַפְּרִי־לָךְ (bekhapperi lakh), ‘wanneer Ik voor je verzoening doe’: het werkwoord כִּפֵּר (kipper) betekent ‘verzoenen’, zoals in Lev. 16.
פִּתְחוֹן פֶּה (pitchon peh), ‘het openen van de mond’: zij kan zich niet meer verdedigen of op zichzelf roemen.