Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Jeremia wordt vrijgelaten
1Dit is het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam, nadat Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, hem uit Rama had laten gaan. Hij had hem meegenomen terwijl hij met boeien gebonden was, te midden van alle ballingen van Jeruzalem en Juda die naar Babel werden weggevoerd.
הַדָּבָ֞ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הָיָ֤ה
(haya)
was
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֨הוּ֙
(yirmeyahu)
Jeremia
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אַחַ֣ר
(achar)
nadat
שַׁלַּ֣ח
(shalach)
hij had laten gaan
אֹת֗וֹ
(oto)
hem
נְבוּזַרְאֲדָ֛ן
(nevuzaradan)
Nebuzaradan
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִ֖ים
(tabachim)
de lijfwacht
מִן
(min)
uit
הָֽרָמָ֑ה
(harama)
Rama
בְּקַחְתּ֣וֹ
(beqachto)
toen hij nam
אֹת֗וֹ
(oto)
hem
וְהֽוּא
(vehu)
en hij
אָס֤וּר
(asur)
was gebonden
בָּֽאזִקִּים֙
(baziqim)
met boeien
בְּת֨וֹךְ
(betokh)
te midden van
כָּל
(kal)
heel
גָּל֤וּת
(galut)
de ballingen van
יְרוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushaliam)
Jeruzalem
וִֽיהוּדָ֔ה
(vihuda)
en Juda
הַמֻּגְלִ֖ים
(hamuglim)
die werden weggevoerd
בָּבֶֽלָה
(bavela)
naar Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.
De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker.
In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
Dit vers hoort bij 39:11–14, maar vertelt de vrijlating van Jeremia op een andere manier: hier is hij vastgebonden tussen de ballingen bij Rama en wordt hij daar door Nebuzaradan vrijgelaten.
Wij laten beide verslagen naast elkaar staan.
שִׁלַּח (shillach), ‘laten gaan’: het werkwoord kan ‘wegsturen’ en ‘vrijlaten’ betekenen. Dat het ‘woord van Yahweh’ hier niet meteen volgt, is opvallend; in 42:7–22 volgt een woord van Yahweh.
3Yahweh heeft het laten komen. Hij heeft gedaan zoals Hij gesproken heeft. Want jullie hebben tegen Yahweh gezondigd en niet naar Zijn stem geluisterd. Zo is deze zaak jullie overkomen.
וַיָּבֵ֥א
(vayave)
en hij heeft laten komen
וַיַּ֛עַשׂ
(vayaas)
en hij heeft gedaan
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
דִּבֵּ֑ר
(diber)
Hij sprak
כִּֽי
(ki)
want
חֲטָאתֶ֤ם
(chatatem)
jullie hebben gezondigd
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
tegen Yahweh
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שְׁמַעְתֶּ֣ם
(shematem)
jullie hebben geluisterd
בְּקוֹל֔וֹ
(beqolo)
naar Zijn stem
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en het is geweest
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is דבר zonder lidwoord, het qere is הַדָּבָר (hadavar), ‘de zaak’.
4Nu, zie, ik maak je vandaag los van de boeien aan je hand. Als het goed is in je ogen om met mij naar Babel te komen, kom dan. Dan houd ik mijn oog op je gericht. Maar als het slecht is in je ogen om met mij naar Babel te komen, laat het dan. Zie, heel het land ligt voor je. Ga erheen waar het goed en juist is in je ogen om te gaan.”
וְעַתָּ֞ה
(veata)
en nu
הִנֵּ֧ה
(hine)
zie
פִתַּחְתִּ֣יךָ
(pitachtikha)
ik maak je los
הַיּ֗וֹם
(hayom)
vandaag
מִֽן
(min)
van
הָאזִקִּים֮
(haziqim)
de boeien
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עַל
(al)
aan
יָדֶךָ֒
(yadekha)
je hand
אִם
(im)
als
ט֨וֹב
(tov)
goed
בְּעֵינֶ֜יךָ
(beeineikha)
in je ogen
לָב֧וֹא
(lavo)
om te komen
אִתִּ֣י
(iti)
met mij
בָבֶ֗ל
(bavel)
naar Babel
בֹּ֚א
(bo)
kom
וְאָשִׂ֤ים
(veasim)
en ik zal richten
אֶת
(et)
(obj.)
עֵינִי֙
(eini)
mijn oog
עָלֶ֔יךָ
(aleikha)
op jou
וְאִם
(veim)
en als
רַ֧ע
(ra)
slecht
בְּעֵינֶ֛יךָ
(beeineikha)
in je ogen
לָבֽוֹא
(lavo)
om te komen
אִתִּ֥י
(iti)
met mij
בָבֶ֖ל
(bavel)
naar Babel
חֲדָ֑ל
(chadal)
houd op
רְאֵה֙
(ree)
zie
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
לְפָנֶ֔יךָ
(lefaneikha)
voor je
אֶל
(el)
naar
ט֨וֹב
(tov)
het goede
וְאֶל
(veel)
en naar
הַיָּשָׁ֧ר
(hayashar)
het juiste
בְּעֵינֶ֛יךָ
(beeineikha)
in je ogen
לָלֶ֥כֶת
(lalekhet)
om te gaan
שָׁ֖מָּה
(shama)
daarheen
לֵֽךְ
(lekh)
ga
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
פִּתַּחְתִּיךָ (pittachticha), ‘ik maak je los’: letterlijk ‘ik open je’.
טוֹב בְּעֵינֶיךָ (tov be’einekha), ‘goed in je ogen’: wat je goed vindt. Zo ook in vers 5.
וְאָשִׂים אֶת עֵינִי עָלֶיךָ (ve’asim et eini alekha), ‘en ik zal mijn oog op je richten’: zoals in Jer. 39:12, ‘ik zal voor je zorgen’.
5Jeremia was nog niet teruggekeerd. Toen zei Nebuzaradan: „Keer terug naar Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan. De koning van Babel heeft hem over de steden van Juda aangesteld. Woon bij hem te midden van het volk. Of ga naar elke plaats waar het goed is in je ogen om te gaan.” Toen gaf de bevelhebber van de lijfwacht hem een toelage en een geschenk, en hij liet hem gaan.
וְעוֹדֶ֣נּוּ
(veodenu)
en nog
לֹֽא
(lo)
niet
יָשׁ֗וּב
(yashuv)
keerde hij terug
וְשֻׁ֡בָה
(veshuva)
keer terug
אֶל
(el)
naar
גְּדַלְיָ֣ה
(gedalya)
Gedalja
בֶן
(ben)
zoon van
אֲחִיקָ֣ם
(achiqam)
Achikam
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁפָ֡ן
(shafan)
Safan
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
הִפְקִ֨יד
(hifqid)
heeft aangesteld
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֜ל
(bavel)
Babel
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
over de steden van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וְשֵׁ֤ב
(veshev)
en woon
אִתּוֹ֙
(ito)
bij hem
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
te midden van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
א֠וֹ
(o)
of
אֶל
(el)
naar
כָּל
(kal)
alles
הַיָּשָׁ֧ר
(hayashar)
wat goed is
בְּעֵינֶ֛יךָ
(beeineikha)
in je ogen
לָלֶ֖כֶת
(lalekhet)
om te gaan
לֵ֑ךְ
(lekh)
ga
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en hij gaf
ל֧וֹ
(lo)
hem
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִ֛ים
(tabachim)
de lijfwacht
אֲרֻחָ֥ה
(arucha)
een toelage
וּמַשְׂאֵ֖ת
(umaset)
en een geschenk
וַֽיְשַׁלְּחֵֽהוּ
(vayshalechehu)
en hij liet hem gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
Uitleg
Het Hebreeuws van het eerste deel is moeilijk: ‘En nog was hij niet teruggekeerd.
Keer terug …’.
Het Hebreeuws noemt geen onderwerp bij ‘zei’.
Wij nemen aan dat Nebuzaradan nog eens tot Jeremia spreekt voordat die weggaat, en schrijven daarom ‘Toen zei Nebuzaradan’.
אֲרֻחָה (aruchah), ‘toelage’: een vast deel aan voedsel (zoals 2 Kon. 25:30).
מַשְׂאֵת (mas’et), ‘geschenk’: iets dat gegeven wordt.
7Alle legeroversten die in het veld waren, zij en hun mannen, hoorden dat de koning van Babel Gedalja, de zoon van Achikam, over het land had aangesteld. Ook hoorden zij dat hij hem mannen, vrouwen en kinderen had toevertrouwd, uit de armsten van het land, van hen die niet naar Babel waren weggevoerd.
וַיִּשְׁמְעוּ֩
(vayishmeu)
en zij hoorden
כָל
(kal)
alle
שָׂרֵ֨י
(sarei)
oversten van
הַחֲיָלִ֜ים
(hachayalim)
de troepen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּשָּׂדֶ֗ה
(basade)
in het veld waren
הֵ֚מָּה
(hema)
zij
וְאַנְשֵׁיהֶ֔ם
(veansheihem)
en hun mannen
כִּֽי
(ki)
dat
הִפְקִ֧יד
(hifqid)
had aangesteld
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֛ל
(bavel)
Babel
אֶת
(et)
(obj.)
גְּדַלְיָ֥הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
בֶן
(ben)
zoon van
אֲחִיקָ֖ם
(achiqam)
Achikam
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
over het land
וְכִ֣י
(vekhi)
en dat
הִפְקִ֣יד
(hifqid)
hij had toevertrouwd
אִתּ֗וֹ
(ito)
aan hem
אֲנָשִׁ֤ים
(anashim)
mannen
וְנָשִׁים֙
(venashim)
en vrouwen
וָטָ֔ף
(vataf)
en kinderen
וּמִדַּלַּ֣ת
(umidalat)
en uit de armsten van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
מֵאֲשֶׁ֥ר
(measher)
van hen die
לֹֽא
(lo)
niet
הָגְל֖וּ
(hagelu)
waren weggevoerd
בָּבֶֽלָה
(bavela)
naar Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
Zie 2 Kon. 25:22–23 voor dezelfde gebeurtenis.
Hier staat er meer: de legeroversten waren ‘in het veld’ en Gedalja kreeg mannen, vrouwen en kinderen toevertrouwd.
הִפְקִיד (hifqid), ‘aanstellen, toevertrouwen’: het werkwoord kan een taak of mensen geven. Wij vertalen bij Gedalja zelf ‘aanstellen’ (zoals 2 Kon. 25:23) en bij de mensen ‘toevertrouwen’.
דַּלַּת הָאָרֶץ (dallat ha’arets), ‘de armsten van het land’: zoals in 2 Kon. 25:12 en Jer. 39:10.
8Zij kwamen naar Gedalja in Mizpa: Jisjmaël, de zoon van Netanja, Jochanan en Jonatan, de zonen van Kareach, Seraja, de zoon van Tanchumet, de zonen van Efai de Netofatiet, en Jezanja, de zoon van de Maächatiet, zij en hun mannen.
וַיָּבֹ֥אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
גְּדַלְיָ֖ה
(gedalya)
Gedalja
הַמִּצְפָּ֑תָה
(hamitspata)
naar Mizpa
וְיִשְׁמָעֵ֣אל
(veyishmael)
en Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
נְתַנְיָ֡הוּ
(netanyahu)
Netanja
וְיוֹחָנָ֣ן
(veyochanan)
en Jochanan
וְיוֹנָתָ֣ן
(veyonatan)
en Jonatan
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
קָ֠רֵחַ
(qareach)
Kareach
וּשְׂרָיָ֨ה
(useraya)
en Seraja
בֶן
(ben)
zoon van
תַּנְחֻ֜מֶת
(tanchumet)
Tanchumet
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
עֵיפַ֣י
(eifay)
Efai
הַנְּטֹפָתִ֗י
(hanetofati)
de Netofatiet
וִֽיזַנְיָ֨הוּ֙
(vizanyahu)
en Jezanja
בֶּן
(ben)
zoon van
הַמַּ֣עֲכָתִ֔י
(hamaakhati)
de Maächatiet
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
וְאַנְשֵׁיהֶֽם
(veansheihem)
en hun mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.
In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.
Uitleg
De namen zijn bijna gelijk aan 2 Kon. 25:23, met enkele verschillen: hier staan ook Jonatan en de zonen van Efai, en de laatste man heet in het Hebreeuws Jezanja (יְזַנְיָהוּ), in 2 Kon. 25:23 Jaäzanja (יַאֲזַנְיָהוּ).
Wij houden beide spellingen aan.
Zie ook Jer. 42:1 (Jezanja, de zoon van Hosjaja).
יִשְׁמָעֵאל (Yishma’el), ‘Jisjmaël’: dezelfde letters als ‘Ismaël’; wij schrijven ‘Jisjmaël’ zoals in 2 Kon. 25:23.
הַנְּטֹפָתִי (hanetofati), ‘de Netofatiet’: iemand uit Netofa, bij Betlehem.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is עופי (Ofai); het qere is עֵיפַי (Efai).
9Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, zwoer hun en hun mannen een eed. Hij zei: „Wees niet bang om de Chaldeeën te dienen. Blijf in het land en dien de koning van Babel. Dan zal het goed met jullie gaan.
וַיִּשָּׁבַ֨ע
(vayishava)
en hij zwoer
לָהֶ֜ם
(lahem)
aan hen
גְּדַלְיָ֨הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
בֶן
(ben)
zoon van
אֲחִיקָ֤ם
(achiqam)
Achikam
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁפָן֙
(shafan)
Safan
וּלְאַנְשֵׁיהֶ֣ם
(uleansheihem)
en aan hun mannen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
אַל
(al)
niet
תִּֽירְא֖וּ
(tireu)
wees bang
מֵעֲב֣וֹד
(meavod)
om te dienen
הַכַּשְׂדִּ֑ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
שְׁב֣וּ
(shevu)
blijf
בָאָ֗רֶץ
(baarets)
in het land
וְעִבְד֛וּ
(veivdu)
en dien
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
וְיִיטַ֥ב
(veyitav)
en het zal goed zijn
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
Dit vers is bijna gelijk aan 2 Kon. 25:24, met één verschil.
Daar staat ‘Wees niet bang voor de dienaren van de Chaldeeën’ (מֵעַבְדֵי, me’avdei).
Hier staat מֵעֲבוֹד (me’avod), ‘om te dienen’: ‘Wees niet bang om de Chaldeeën te dienen’.
10Ik zelf, zie, ik blijf in Mizpa om te staan voor de Chaldeeën die naar ons toe komen. Maar jullie: verzamel wijn, zomerfruit en olie. Doe het in jullie vaten en woon in jullie steden die jullie hebben ingenomen.”
וַאֲנִ֗י
(vaani)
en ik
הִנְנִ֤י
(hinni)
zie mij
יֹשֵׁב֙
(yoshev)
blijvend
בַּמִּצְפָּ֔ה
(bamitspa)
in Mizpa
לַֽעֲמֹד֙
(laamod)
om te staan
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
הַכַּשְׂדִּ֔ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָבֹ֖אוּ
(yavou)
zullen komen
אֵלֵ֑ינוּ
(eleinu)
naar ons
וְאַתֶּ֡ם
(veatem)
en jullie
אִסְפוּ֩
(isfu)
verzamel
יַ֨יִן
(yayin)
wijn
וְקַ֜יִץ
(veqayits)
en zomerfruit
וְשֶׁ֗מֶן
(veshemen)
en olie
וְשִׂ֨מוּ֙
(vesimu)
en doe het
בִּכְלֵיכֶ֔ם
(bikhleikhem)
in jullie vaten
וּשְׁב֖וּ
(ushevu)
en woon
בְּעָרֵיכֶ֥ם
(beareikhem)
in jullie steden
אֲשֶׁר
(asher)
die
תְּפַשְׂתֶּֽם
(tefastem)
jullie hebben ingenomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.
In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.
Uitleg
לַעֲמֹד לִפְנֵי (la’amod lifnei), ‘te staan voor’: Gedalja vertegenwoordigt het volk bij de Chaldeeën, de Babylonische ambtenaren.
קַיִץ (qayits), ‘zomerfruit’: zoals in Amos 8:1–2.
אֲשֶׁר תְּפַשְׂתֶּם (asher tefastem), ‘die jullie hebben ingenomen’: de steden waar zij zich hadden gevestigd.
11Ook alle Judeeërs die in Moab, bij de zonen van Ammon, in Edom en in alle landen waren, hoorden dat de koning van Babel aan Juda overgeblevenen had gelaten. Zij hoorden ook dat hij Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, over hen had aangesteld.
וְגַ֣ם
(vegam)
en ook
כָּֽל
(kal)
alle
הַיְּהוּדִ֡ים
(hayehudim)
Judeeërs
אֲשֶׁר
(asher)
die
בְּמוֹאָ֣ב
(bemoav)
in Moab
וּבִבְנֵֽי
(uvivnei)
en bij de zonen van
עַמּ֨וֹן
(amon)
Ammon
וּבֶאֱד֜וֹם
(uveedom)
en in Edom
וַאֲשֶׁ֤ר
(vaasher)
en die
בְּכָל
(bekhal)
in alle
הָֽאֲרָצוֹת֙
(haaratsot)
landen
שָֽׁמְע֔וּ
(shameu)
hoorden
כִּֽי
(ki)
dat
נָתַ֧ן
(natan)
had gegeven
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֛ל
(bavel)
Babel
שְׁאֵרִ֖ית
(sheerit)
overgeblevenen
לִֽיהוּדָ֑ה
(lihuda)
aan Juda
וְכִי֙
(vekhi)
en dat
הִפְקִ֣יד
(hifqid)
hij had aangesteld
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
over hen
אֶת
(et)
(obj.)
גְּדַלְיָ֖הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיקָ֥ם
(achiqam)
Achikam
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁפָֽן
(shafan)
Safan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
שְׁאֵרִית (she’erit), ‘de overgeblevenen’: de rest die na de ondergang overbleef.
Het woord staat nog in 40:15, 42:2, 42:15 en 44:12.
הַיְּהוּדִים (hayehudim), ‘de Judeeërs’: mensen uit Juda, zoals in 2 Kon. 25:25.
12Alle Judeeërs keerden terug uit alle plaatsen waarheen zij verdreven waren. Zij kwamen in het land Juda, bij Gedalja in Mizpa. Zij verzamelden veel wijn en zomerfruit, zeer veel.
וַיָּשֻׁ֣בוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
כָל
(kal)
alle
הַיְּהוּדִ֗ים
(hayehudim)
Judeeërs
מִכָּל
(mikal)
uit alle
הַמְּקֹמוֹת֙
(hameqomot)
plaatsen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarheen
נִדְּחוּ
(nidechu)
zij waren verdreven
שָׁ֔ם
(sham)
daarheen
וַיָּבֹ֧אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
אֶֽרֶץ
(erets)
in het land van
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
אֶל
(el)
naar
גְּדַלְיָ֖הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
הַמִּצְפָּ֑תָה
(hamitspata)
naar Mizpa
וַיַּאַסְפ֛וּ
(vayaasfu)
en zij verzamelden
יַ֥יִן
(yayin)
wijn
וָקַ֖יִץ
(vaqayits)
en zomerfruit
הַרְבֵּ֥ה
(harbe)
overvloedig
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.
In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.
Uitleg
De Judeeërs die eerder uit het land waren gevlucht of verdreven, kwamen terug.
De oogst van wijn en zomerfruit laat zien dat het land weer bewoond en bewerkt werd.
14Zij zeiden tegen hem: „Weet je wel zeker dat Baälis, de koning van de zonen van Ammon, Jisjmaël, de zoon van Netanja, heeft gestuurd om je dood te slaan?” Maar Gedalja, de zoon van Achikam, geloofde hun niet.
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
הֲיָדֹ֤עַ
(hayadoa)
weet je wel
תֵּדַע֙
(teda)
je weet
כִּ֞י
(ki)
dat
בַּעֲלִ֣יס
(baalis)
Baälis
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
עַמּ֗וֹן
(amon)
Ammon
שָׁלַח֙
(shalach)
heeft gestuurd
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׁמָעֵ֣אל
(yishmael)
Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
נְתַנְיָ֔ה
(netanya)
Netanja
לְהַכֹּתְךָ֖
(lehakotekha)
om je te slaan
נָ֑פֶשׁ
(nafesh)
het leven
וְלֹא
(velo)
en niet
הֶאֱמִ֣ין
(heemin)
geloofde
לָהֶ֔ם
(lahem)
hen
גְּדַלְיָ֖הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיקָֽם
(achiqam)
Achikam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Uitleg
בַּעֲלִיס (Ba’alis), ‘Baälis’: de naam van de koning van de Ammonieten, verder niet bekend.
Het is niet zeker waarom hij Gedalja wilde laten doden.
לְהַכֹּתְךָ נָפֶשׁ (lehakkotkha nafesh), ‘om je dood te slaan’: letterlijk ‘om je een ziel te slaan’, dat wil zeggen ‘om je het leven te nemen’.
15Jochanan, de zoon van Kareach, zei in het geheim in Mizpa tegen Gedalja: „Laat mij toch gaan en Jisjmaël, de zoon van Netanja, doodslaan. Niemand zal het weten. Waarom zou hij je dood slaan? Dan wordt heel Juda dat zich bij je heeft verzameld, verspreid, en de overgeblevenen van Juda gaan verloren.”
וְיוֹחָנָ֣ן
(veyochanan)
en Jochanan
בֶּן
(ben)
zoon van
קָרֵ֡חַ
(qareach)
Kareach
אָמַ֣ר
(amar)
zei
אֶל
(el)
tot
גְּדַלְיָהוּ֩
(gedalyahu)
Gedalja
בַסֵּ֨תֶר
(baseter)
in het geheim
בַּמִּצְפָּ֜ה
(bamitspa)
in Mizpa
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggend
אֵ֤לְכָה
(elekha)
laat mij gaan
נָּא֙
(na)
toch
וְאַכֶּה֙
(veake)
en ik zal slaan
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׁמָעֵ֣אל
(yishmael)
Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
נְתַנְיָ֔ה
(netanya)
Netanja
וְאִ֖ישׁ
(veish)
en niemand
לֹ֣א
(lo)
niet
יֵדָ֑ע
(yeda)
zal het weten
לָ֧מָּה
(lama)
waarom
יַכֶּ֣כָּה
(yakeka)
zal hij je slaan
נֶּ֗פֶשׁ
(nefesh)
het leven
וְנָפֹ֨צוּ֙
(venafotsu)
en zullen verspreid worden
כָּל
(kal)
heel
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
הַנִּקְבָּצִ֣ים
(haniqbatsim)
die verzameld zijn
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
bij je
וְאָבְדָ֖ה
(veaveda)
en zal verloren gaan
שְׁאֵרִ֥ית
(sheerit)
de overgeblevenen van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.
In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.
Uitleg
בַּסֵּתֶר (bassether), ‘in het geheim’: Jochanan wil Gedalja alleen spreken.