Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het woord van Yahweh tegen Baësa
1Het woord van Yahweh kwam tot Jehu, de zoon van Chanani, over Baësa:
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
יֵה֣וּא
(yehu)
Jehu
בֶן
(ben)
zoon van
חֲנָ֔נִי
(chanani)
Chanani
עַל
(al)
over
בַּעְשָׁ֖א
(basha)
Baësa
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Yahweh spreekt hier zelf tot Jehu en geeft hem de boodschap voor Baësa.
Daarom staan de verzen 2–4 rood.
Jehu is een profeet; vers 7 en 12 noemen hem opnieuw.
2„Omdat Ik jou uit het stof heb verheven en jou tot leider heb gesteld over Mijn volk Israël, en omdat jij op de weg van Jerobeam bent gegaan, Mijn volk Israël hebt laten zondigen en Mij met hun zonden tot toorn hebt geprikkeld:
יַ֗עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
הֲרִימֹתִ֨יךָ֙
(harimotikha)
Ik verhief jou
מִן
(min)
uit
הֶ֣עָפָ֔ר
(heafar)
het stof
וָאֶתֶּנְךָ֣
(vaetenkha)
en Ik stelde jou
נָגִ֔יד
(nagid)
tot leider
עַ֖ל
(al)
over
עַמִּ֣י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַתֵּ֣לֶךְ
(vatelekh)
en je liep
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op de weg van
יָרָבְעָ֗ם
(yaraveam)
Jerobeam
וַֽתַּחֲטִא֙
(vatachati)
en liet zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֣י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לְהַכְעִיסֵ֖נִי
(lehakhiseni)
om Mij tot toorn te prikkelen
בְּחַטֹּאתָֽם
(bechatotam)
met hun zonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָגִיד (nagid), ‘leider’: zoals 1 Sam. 13:14 en 2 Sam. 5:2.
De woorden ‘uit het stof’ herinneren aan Baësa’s lage afkomst. Vergelijk Jerobeam in 14:7.
7Ook door de profeet Jehu, de zoon van Chanani, was het woord van Yahweh gekomen tot Baësa en tot zijn huis. Het ging om al het kwaad dat hij in de ogen van Yahweh had gedaan. Hij prikkelde Hem tot toorn met het werk van zijn handen, zodat hij werd als het huis van Jerobeam. Het ging ook om het feit dat hij hem had geslagen.
וְגַ֡ם
(vegam)
en ook
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
יֵה֨וּא
(yehu)
Jehu
בֶן
(ben)
zoon van
חֲנָ֜נִי
(chanani)
Chanani
הַנָּבִ֗יא
(hanavi)
de profeet
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֡ה
(Yahweh)
Yahweh
הָיָה֩
(haya)
was
אֶל
(el)
tot
בַּעְשָׁ֨א
(basha)
Baësa
וְאֶל
(veel)
en tot
בֵּית֜וֹ
(beito)
zijn huis
וְעַ֥ל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
al
הָרָעָ֣ה
(haraa)
het kwaad
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עָשָׂ֣ה
(asa)
hij deed
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהַכְעִיסוֹ֙
(lehakhiso)
om Hem tot toorn te prikkelen
בְּמַעֲשֵׂ֣ה
(bemaase)
met het werk van
יָדָ֔יו
(yadav)
zijn handen
לִהְי֖וֹת
(lihyot)
om te zijn
כְּבֵ֣ית
(keveit)
zoals het huis van
יָרָבְעָ֑ם
(yaraveam)
Jerobeam
וְעַ֥ל
(veal)
en over
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הִכָּ֖ה
(hika)
hij sloeg
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws zegt alleen ‘hem’ (אֹתוֹ): ‘omdat hij hem sloeg’.
8In het zesentwintigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Ela, de zoon van Baësa, koning over Israël in Tirza. Hij regeerde 2 jaar.
בִּשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar van
עֶשְׂרִ֤ים
(esrim)
twintig
וָשֵׁשׁ֙
(vashesh)
en zes
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לְאָסָ֖א
(leasa)
van Asa
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
מָ֠לַךְ
(malakh)
werd koning
אֵלָ֨ה
(ela)
Ela
בֶן
(ben)
zoon van
בַּעְשָׁ֧א
(basha)
Baësa
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
בְּתִרְצָ֖ה
(betirtsa)
in Tirza
שְׁנָתָֽיִם
(shenatayim)
twee jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Tirza: Tirza (Tirsa) was onder Jerobeam, Baësa en Omri een hoofdstad van het noordrijk.
Het wordt gezocht bij Tell el-Farah (Noord), ten noordoosten van Sichem.
9Zijn dienaar Zimri, de bevelhebber over de helft van de strijdwagens, smeedde een samenzwering tegen hem. Ela was in Tirza. Hij dronk zich dronken in het huis van Arza, die in Tirza over het huis was gesteld.
וַיִּקְשֹׁ֤ר
(vayiqshor)
en smeedde samenzwering
עָלָיו֙
(alav)
tegen hem
עַבְדּ֣וֹ
(avdo)
zijn dienaar
זִמְרִ֔י
(zimri)
Zimri
שַׂ֖ר
(sar)
bevelhebber van
מַחֲצִ֣ית
(machatsit)
de helft van
הָרָ֑כֶב
(harakhev)
de strijdwagens
וְה֤וּא
(vehu)
en hij
בְתִרְצָה֙
(betirtsa)
in Tirza
שֹׁתֶ֣ה
(shote)
drinkend
שִׁכּ֔וֹר
(shikor)
dronken
בֵּ֣ית
(beit)
in het huis van
אַרְצָ֔א
(artsa)
Arza
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עַל
(al)
over
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
בְּתִרְצָֽה
(betirtsa)
in Tirza
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Tirza: zie 15:21.
Uitleg
De ‘Ela’ in de tweede zin staat niet in het Hebreeuws.
Daar staat ‘hij’.
Het gaat om Ela, de koning.
אֲשֶׁר עַל־הַבַּיִת (asher al habayit), ‘die over het huis was gesteld’: de hofmeester, de man die over het koninklijk huis ging.
שִׂר מַחֲצִית הָרָכֶב (sar machatsit harakhev), ‘bevelhebber over de helft van de strijdwagens’: Zimri leidt de helft van het wagenkorps.
11Toen hij koning werd, zodra hij op zijn troon zat, sloeg hij heel het huis van Baësa. Hij liet niemand over die tegen de muur plast, ook niet zijn lossers en zijn vrienden.
וַיְהִ֨י
(vayhi)
en het was
בְמָלְכ֜וֹ
(bemalekho)
toen hij koning werd
כְּשִׁבְתּ֣וֹ
(keshivto)
zodra hij zat
עַל
(al)
op
כִּסְא֗וֹ
(kiso)
zijn troon
הִכָּה֙
(hika)
sloeg hij
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
בַּעְשָׁ֔א
(basha)
Baësa
לֹֽא
(lo)
niet
הִשְׁאִ֥יר
(hishir)
liet over
ל֖וֹ
(lo)
hem
מַשְׁתִּ֣ין
(mashtin)
iemand die plast
בְּקִ֑יר
(beqir)
tegen de muur
וְגֹאֲלָ֖יו
(vegoalav)
en zijn lossers
וְרֵעֵֽהוּ
(vereehu)
en zijn vrienden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גֹּאֲלָיו (go’alav), ‘zijn lossers’: de verwanten die voor een familie opkomen (zie Lev. 25:25).
Hier gaat het om hen die de bloedwraak kunnen uitvoeren.
מַשְׁתִּין בְּקִיר (mashtin beqir), ‘iemand die tegen de muur plast’: een gezegde voor een man. Zo ook 14:10 en 1 Sam. 25:22.
13Dat gebeurde vanwege alle zonden van Baësa en de zonden van Ela, zijn zoon. Zij zondigden zelf en lieten Israël zondigen. Zij prikkelden Yahweh, de Elohim van Israël, tot toorn met hun nietigheden.
אֶ֚ל
(el)
vanwege
כָּל
(kal)
alle
חַטֹּ֣אות
(chatovt)
zonden van
בַּעְשָׁ֔א
(basha)
Baësa
וְחַטֹּ֖אות
(vechatovt)
en de zonden van
אֵלָ֣ה
(ela)
Ela
בְנ֑וֹ
(beno)
zijn zoon
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חָטְא֗וּ
(chateu)
zij zondigden
וַאֲשֶׁ֤ר
(vaasher)
en waarmee
הֶחֱטִ֨יאוּ֙
(hechetiu)
zij lieten zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לְהַכְעִ֗יס
(lehakhis)
om tot toorn te prikkelen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּהַבְלֵיהֶֽם
(behavleihem)
met hun nietigheden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14De rest van de geschiedenis van Ela en alles wat hij deed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Israël?
וְיֶ֛תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
אֵלָ֖ה
(ela)
Ela
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֑ה
(asa)
hij deed
הֲלֽוֹא
(halo)
is het niet
הֵ֣ם
(hem)
zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
op
סֵ֛פֶר
(sefer)
het boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
van de koningen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Omri wordt koning
15In het zevenentwintigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Zimri koning. Hij regeerde 7 dagen in Tirza. Het volk lag in kamp tegen Gibbeton, dat van de Filistijnen was.
בִּשְׁנַת֩
(bishnat)
in het jaar van
עֶשְׂרִ֨ים
(esrim)
twintig
וָשֶׁ֜בַע
(vasheva)
en zeven
שָׁנָ֗ה
(shana)
jaar
לְאָסָא֙
(leasa)
van Asa
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
מָלַ֥ךְ
(malakh)
werd koning
זִמְרִ֛י
(zimri)
Zimri
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
בְּתִרְצָ֑ה
(betirtsa)
in Tirza
וְהָעָ֣ם
(vehaam)
en het volk
חֹנִ֔ים
(chonim)
kampend
עַֽל
(al)
tegen
גִּבְּת֖וֹן
(gibeton)
Gibbeton
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
לַפְּלִשְׁתִּֽים
(lapelishtim)
van de Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gibbeton: zie 15:27.
Zie Tirza: Tirza (Tirsa) was onder Jerobeam, Baësa en Omri een hoofdstad van het noordrijk.
Het wordt gezocht bij Tell el-Farah (Noord), ten noordoosten van Sichem.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
16Het volk dat in kamp lag, hoorde zeggen: „Zimri heeft een samenzwering gesmeed. Hij heeft ook de koning neergeslagen.” En heel Israël maakte Omri, de bevelhebber van het leger, op die dag in het kamp koning over Israël.
וַיִּשְׁמַ֤ע
(vayishma)
en hoorde
הָעָם֙
(haam)
het volk
הַחֹנִ֣ים
(hachonim)
dat in kamp lag
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
קָשַׁ֣ר
(qashar)
heeft samengezworen
זִמְרִ֔י
(zimri)
Zimri
וְגַ֖ם
(vegam)
en ook
הִכָּ֣ה
(hika)
heeft neergeslagen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיַּמְלִ֣כוּ
(vayamlikhu)
en maakten tot koning
כָֽל
(kal)
heel
יִ֠שְׂרָאֵל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
עָמְרִ֨י
(ameri)
Omri
שַׂר
(sar)
bevelhebber van
צָבָ֧א
(tsava)
het leger
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
בַּֽמַּחֲנֶֽה
(bamachane)
in het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שַׂר צָבָא (sar tsava), ‘bevelhebber van het leger’: zoals Joab bij David (2 Sam. 2:8).
18Toen Zimri zag dat de stad was ingenomen, ging hij naar de burcht van het huis van de koning. Hij stak het huis van de koning boven zich in brand en stierf.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
כִּרְא֤וֹת
(kirot)
toen zag
זִמְרִי֙
(zimri)
Zimri
כִּֽי
(ki)
dat
נִלְכְּדָ֣ה
(nilkeda)
was ingenomen
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en ging
אֶל
(el)
naar
אַרְמ֣וֹן
(armon)
de burcht van
בֵּית
(beit)
het huis van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיִּשְׂרֹ֨ף
(vayisrof)
en verbrandde
עָלָ֧יו
(alav)
boven zich
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּֽית
(beit)
het huis van
מֶ֛לֶךְ
(melekh)
koning
בָּאֵ֖שׁ
(baesh)
met vuur
וַיָּמֹֽת
(vayamot)
en stierf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַרְמוֹן (armon), ‘burcht’: het sterkste deel van het paleis.
19Dat gebeurde vanwege zijn zonden, die hij beging door te doen wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Hij liep op de weg van Jerobeam en in zijn zonde, die hij deed om Israël te laten zondigen.
עַל
(al)
vanwege
חַטֹּאתָיו֙
(chatotav)
zijn zonden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חָטָ֔א
(chata)
hij zondigde
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
door te doen
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לָלֶ֨כֶת֙
(lalekhet)
door te lopen
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op de weg van
יָרָבְעָ֔ם
(yaraveam)
Jerobeam
וּבְחַטָּאתוֹ֙
(uvechatato)
en in zijn zonde
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשָׂ֔ה
(asa)
hij deed
לְהַחֲטִ֖יא
(lehachati)
om te laten zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘zijn zonde’ (enkelvoud).
21Toen werd het volk van Israël in tweeën verdeeld. De ene helft van het volk volgde Tibni, de zoon van Ginat, om hem koning te maken. De andere helft volgde Omri.
אָ֧ז
(az)
toen
יֵחָלֵ֛ק
(yechaleq)
werd verdeeld
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לַחֵ֑צִי
(lachetsi)
in twee helften
חֲצִ֨י
(chatsi)
de helft van
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
הָ֠יָה
(haya)
was
אַחֲרֵ֨י
(acharei)
achter
תִבְנִ֤י
(tivni)
Tibni
בֶן
(ben)
zoon van
גִּינַת֙
(ginat)
Ginat
לְהַמְלִיכ֔וֹ
(lehamlikho)
om hem koning te maken
וְהַחֲצִ֖י
(vehachatsi)
en de helft
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
עָמְרִֽי
(ameri)
Omri
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Een deel van het volk wilde Tibni, het andere deel Omri.
24Hij kocht de berg Samaria van Semer voor 2 talent zilver. Hij bouwde op de berg. Hij noemde de stad die hij bouwde naar de naam van Semer, de heer van de berg: Samaria.
וַיִּ֜קֶן
(vayiqen)
en kocht
אֶת
(et)
(obj.)
הָהָ֥ר
(hahar)
de berg
שֹׁמְר֛וֹן
(shomeron)
Samaria
מֵ֥אֶת
(meet)
van
שֶׁ֖מֶר
(shemer)
Semer
בְּכִכְּרַ֣יִם
(bekhikerayim)
voor twee talenten
כָּ֑סֶף
(kasef)
zilver
וַיִּ֨בֶן֙
(vayiven)
en bouwde
אֶת
(et)
(obj.)
הָהָ֔ר
(hahar)
de berg
וַיִּקְרָ֗א
(vayiqra)
en noemde
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֤ם
(shem)
de naam van
הָעִיר֙
(hair)
de stad
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בָּנָ֔ה
(bana)
hij had gebouwd
עַ֣ל
(al)
naar
שֶׁם
(shem)
de naam van
שֶׁ֔מֶר
(shemer)
Semer
אֲדֹנֵ֖י
(adonei)
de heer van
הָהָ֥ר
(hahar)
de berg
שֹׁמְרֽוֹן
(shomeron)
Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Samaria ligt bij het huidige Sebastiya, ongeveer 11 km ten noordwesten van Sichem (Westelijke Jordaanoever).
Dat is zeker.
Uitleg
שֹׁמְרוֹן (shomron), ‘Samaria’, en שֶׁמֶר (shemer), ‘Semer’: de stad draagt de naam van de man van wie Omri de berg kocht.
כִּכָּרַיִם (kikkarayim), ‘2 talent’: een talent is ongeveer 34 kg (3.000 sikkel van ongeveer 11,4 gram). 2 talent zilver is dus ongeveer 68 kg.
וַיִּבֶן אֶת־הָהָר (wayyiven et-hahar), ‘hij bouwde de berg’: letterlijk ‘hij bouwde de berg’. Wij vertalen ‘hij bouwde op de berg’, want de stad werd er gebouwd.
26Hij liep op de hele weg van Jerobeam, de zoon van Nebat, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had laten zondigen. Zo prikkelde hij Yahweh, de Elohim van Israël, tot toorn met hun nietigheden.
וַיֵּ֗לֶךְ
(vayelekh)
en liep
בְּכָל
(bekhal)
op de hele
דֶּ֨רֶךְ֙
(derekh)
weg van
יָרָבְעָ֣ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָ֔ט
(nevat)
Nebat
וּבְחַטָּאת֔וֹ
(uvechatato)
en in zijn zonde
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarmee
הֶחֱטִ֖יא
(hecheti)
hij had laten zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
לְהַכְעִ֗יס
(lehakhis)
om tot toorn te prikkelen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּהַבְלֵיהֶֽם
(behavleihem)
met hun nietigheden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘in zijn zonden’ (meervoud).
27De rest van de geschiedenis van Omri, wat hij deed en zijn macht, die hij uitoefende: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Israël?
וְיֶ֨תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֤י
(divrei)
de geschiedenis van
עָמְרִי֙
(ameri)
Omri
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשָׂ֔ה
(asa)
hij deed
וּגְבוּרָת֖וֹ
(ugevurato)
en zijn macht
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשָׂ֑ה
(asa)
hij uitoefende
הֲלֹֽא
(halo)
is het niet
הֵ֣ם
(hem)
zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
op
סֵ֛פֶר
(sefer)
het boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
van de koningen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Omri ging liggen bij zijn vaderen en werd begraven in Samaria. Zijn zoon Achab werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֤ב
(vayishkav)
en ging liggen
עָמְרִי֙
(ameri)
Omri
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaderen
וַיִּקָּבֵ֖ר
(vayiqaver)
en werd begraven
בְּשֹׁמְר֑וֹן
(beshomeron)
in Samaria
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
אַחְאָ֥ב
(achav)
Achab
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Achab, koning van Israël
29Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israël in het achtendertigste jaar van Asa, de koning van Juda. Achab, de zoon van Omri, regeerde 22 jaar over Israël in Samaria.
וְאַחְאָ֣ב
(veachav)
en Achab
בֶּן
(ben)
zoon van
עָמְרִ֗י
(ameri)
Omri
מָלַךְ֙
(malakh)
werd koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בִּשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar van
שְׁלֹשִׁ֤ים
(sheloshim)
dertig
וּשְׁמֹנֶה֙
(ushemone)
en acht
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לְאָסָ֖א
(leasa)
van Asa
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַ֠יִּמְלֹךְ
(vayimlokh)
en regeerde
אַחְאָ֨ב
(achav)
Achab
בֶּן
(ben)
zoon van
עָמְרִ֤י
(ameri)
Omri
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
בְּשֹׁ֣מְר֔וֹן
(beshomeron)
in Samaria
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וּשְׁתַּ֖יִם
(ushtayim)
en twee
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
30Achab, de zoon van Omri, deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh, meer dan allen die vóór hem waren.
וַיַּ֨עַשׂ
(vayaas)
en deed
אַחְאָ֧ב
(achav)
Achab
בֶּן
(ben)
zoon van
עָמְרִ֛י
(ameri)
Omri
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
מִכֹּ֖ל
(mikol)
meer dan allen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לְפָנָֽיו
(lefanav)
vóór hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Was het voor hem een kleine zaak om in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, te lopen? Hij nam Izebel, de dochter van Etbaäl, de koning van de Sidoniërs, tot vrouw. Hij ging heen, diende de Baäl en boog zich voor hem neer.
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
הֲנָקֵ֣ל
(hanaqel)
was het te licht
לֶכְתּ֔וֹ
(lekhto)
zijn lopen
בְּחַטֹּ֖אות
(bechatovt)
in de zonden van
יָרָבְעָ֣ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָ֑ט
(nevat)
Nebat
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
אִשָּׁ֜ה
(isha)
tot vrouw
אֶת
(et)
(obj.)
אִיזֶ֗בֶל
(izevel)
Izebel
בַּת
(bat)
dochter van
אֶתְבַּ֨עַל֙
(etbaal)
Etbaäl
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
צִידֹנִ֔ים
(tsidonim)
de Sidoniërs
וַיֵּ֨לֶךְ֙
(vayelekh)
en ging
וַֽיַּעֲבֹ֣ד
(vayaavod)
en diende
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֔עַל
(habaal)
de Baäl
וַיִּשְׁתַּ֖חוּ
(vayishtachu)
en boog zich neer
לֽוֹ
(lo)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Sidon is het huidige Saida (Libanon).
Dat is zeker.
Uitleg
אֶתְבַּעַל (etba’al), ‘Etbaäl’: de naam betekent ‘met Baäl’.
Hij was koning van de Sidoniërs.
Izebel is Achabs vrouw, de dochter van een buitenlandse koning.
Zij brengt de dienst van Baäl in het land.
הַבַּעַל (habaal), ‘de Baäl’: de god van de Kanaänieten en Feniciërs. Het verhaal van Elia in 17–18 draait om de vraag wie regen geeft.
De zin begint met een vraag: ‘Was het te licht voor hem?’ De verteller laat zo zien hoe ver Achab ging: de zonden van Jerobeam waren hem nog te weinig.
33Achab maakte de heilige paal. Achab deed nog meer om Yahweh, de Elohim van Israël, tot toorn te prikkelen, meer dan alle koningen van Israël die vóór hem waren.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en maakte
אַחְאָ֖ב
(achav)
Achab
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֲשֵׁרָ֑ה
(haashera)
de heilige paal
וַיּ֨וֹסֶף
(vayosef)
en voegde toe
אַחְאָ֜ב
(achav)
Achab
לַעֲשׂ֗וֹת
(laasot)
om te doen
לְהַכְעִיס֙
(lehakhis)
om tot toorn te prikkelen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהֹוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מִכֹּ֨ל
(mikol)
meer dan alle
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הָי֖וּ
(hayu)
waren
לְפָנָֽיו
(lefanav)
vóór hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָאֲשֵׁרָה (ha’asherah), ‘de heilige paal’: een houten paal bij een heiligdom, gewijd aan de godin Asjera.
34In zijn dagen bouwde Hiël, de Betelieter, Jericho op. Ten koste van Abiram, zijn eerstgeborene, legde hij het fundament. Ten koste van Segub, zijn jongste, plaatste hij de poorten. Het gebeurde naar het woord van Yahweh dat Hij had gesproken door Jozua, de zoon van Nun.
בְּיָמָ֞יו
(beyamav)
in zijn dagen
בָּנָ֥ה
(bana)
bouwde
חִיאֵ֛ל
(chiel)
Hiël
בֵּ֥ית
(beit)
de Betel-
הָאֱלִ֖י
(haeli)
-iet
אֶת
(et)
(obj.)
יְרִיחֹ֑ה
(yericho)
Jericho
בַּאֲבִירָ֨ם
(baaviram)
ten koste van Abiram
בְּכֹר֜וֹ
(bekhoro)
zijn eerstgeborene
יִסְּדָ֗הּ
(yisedah)
legde hij het fundament
וּבִשְׂג֤וּב
(uvisguv)
en ten koste van Segub
צְעִירוֹ֙
(tseiro)
zijn jongste
הִצִּ֣יב
(hitsiv)
plaatste hij
דְּלָתֶ֔יהָ
(delateiha)
haar poorten
כִּדְבַ֣ר
(kidvar)
naar het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֔ר
(diber)
Hij sprak
בְּיַ֖ד
(beyad)
door de hand van
יְהוֹשֻׁ֥עַ
(yehoshua)
Jozua
בִּן
(bin)
zoon van
נֽוּן
(nun)
Nun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Jericho ligt bij Tell es-Sultan, in de Jordaanvallei (Westelijke Jordaanoever).
Dat is zeker.
Betel ligt bij Beitin (Westelijke Jordaanoever).
Uitleg
בְּאֲבִירָם (be’aviram), ‘ten koste van Abiram’: het voorzetsel kan ‘in’ of ‘ten koste van’ betekenen.
Wij lezen: het kostte hem zijn eerstgeborene en zijn jongste zoon.
Zo vervult zich de vloek van Joz. 6:26.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft de naam ‘Segib’ (שגיב).