Elohim Bijbel

1 Timotheüs 6

123456

Knechten en meesters, ander onderwijs en geldzucht, de goede wedstrijd en de rijken

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Knechten en meesters

1Alle knechten die onder een juk zijn, moeten hun eigen meesters alle eer waard achten, opdat de naam van Elohim en het onderwijs niet gelasterd worden.
Ὅσοι
(Hosoi)
allen die
εἰσὶν
(eisin)
zijn
ὑπὸ
(hypo)
onder
ζυγὸν
(zygon)
juk
δοῦλοι
(douloi)
knechten
τοὺς
(tous)
de
ἰδίους
(idious)
eigen
δεσπότας
(despotas)
meesters
πάσης
(pases)
van alle
τιμῆς
(times)
eer
ἀξίους
(axious)
waard
ἡγείσθωσαν
(hegeisthosan)
laten achten
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
τὸ
(to)
de
ὄνομα
(onoma)
naam
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
het
διδασκαλία
(didaskalia)
onderwijs
βλασφημῆται
(blasphemetai)
gelasterd wordt
Bron: SBLGNT
Uitleg

δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’, iemand die eigendom is van een meester. ὑπὸ ζυγόν (hypo zygon), ‘onder een juk’: het beeld van een trekdier; het wijst op dienstbaarheid. δεσπότης (despotes), ‘meester’: een heer met volledige macht over de huisgenoten; een ander woord dan κύριος, ‘heer’.

De tekst geeft een aanwijzing voor knechten in de gemeente en velt geen oordeel over slavernij zelf. τὸ ὄνομα τοῦ θεοῦ (to onoma tou theou), ‘de naam van Elohim’. βλασφημέω (blasfemeo), ‘lasteren’: zoals in 1:20.

Zie ook Ef. 6:5–8; Kol. 3:22–25; Tit. 2:9–10; Filem. 15–16.

2Wie gelovige meesters hebben, moeten niet op hen neerkijken omdat zij broers zijn. Zij moeten juist des te meer als knechten dienen, omdat zij gelovig en geliefd zijn, zij die zich aan het goede doen wijden. Onderwijs dit en spoor aan.
οἱ
(hoi)
die
δὲ
(de)
maar
πιστοὺς
(pistous)
gelovige
ἔχοντες
(echontes)
hebbend
δεσπότας
(despotas)
meesters
μὴ
(me)
niet
καταφρονείτωσαν
(kataphroneitosan)
laten neerkijken
ὅτι
(hoti)
omdat
ἀδελφοί
(adelphoi)
broers
εἰσιν
(eisin)
ze zijn
ἀλλὰ
(alla)
maar
μᾶλλον
(mallon)
juist
δουλευέτωσαν
(douleuetosan)
laten dienen als knechten
ὅτι
(hoti)
omdat
πιστοί
(pistoi)
gelovig
εἰσιν
(eisin)
ze zijn
καὶ
(kai)
en
ἀγαπητοὶ
(agapetoi)
geliefd
οἱ
(hoi)
zij die
τῆς
(tes)
van het
εὐεργεσίας
(euergesias)
weldoen
ἀντιλαμβανόμενοι
(antilambanomenoi)
zich wijden aan
Ταῦτα
(Tauta)
dit
δίδασκε
(didaske)
onderwijs
καὶ
(kai)
en
παρακάλει
(parakalei)
spoor aan
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: de meesters zijn gelovigen en dus broers.

Het slot van de zin is in het Grieks lastig: οἱ τῆς εὐεργεσίας ἀντιλαμβανόμενοι (hoi tes euergesias antilambanomenoi), ‘zij die zich aan het goede doen wijden’: ἀντιλαμβάνομαι kan ‘deelnemen aan’, ‘zich inzetten voor’ of ‘ontvangen’ betekenen, en εὐεργεσία is ‘weldaad’; wij vertalen ‘zich aan het goede doen wijden’.

Het Grieks laat open of ‘zij’ de meesters of de knechten zijn.

‘Onderwijs dit en spoor aan’ (Ταῦτα δίδασκε καὶ παρακάλει) sluit af zoals 4:11 (‘Draag dit op en onderwijs het’).

Zie ook 1 Tim. 4:6; 1 Tim. 4:11.

Ander onderwijs en geldzucht

3Als iemand ander onderwijs geeft en zich niet voegt naar gezonde woorden, die van onze Heer Yeshua de Messias, en naar het onderwijs dat bij vroomheid past,
εἴ
(ei)
als
τις
(tis)
iemand
ἑτεροδιδασκαλεῖ
(heterodidaskalei)
ander onderwijs geeft
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
προσέρχεται
(proserchetai)
zich voegt naar
ὑγιαίνουσι
(hygiainousi)
gezonde
λόγοις
(logois)
woorden
τοῖς
(tois)
die
τοῦ
(tou)
van de
κυρίου
(kyriou)
Heer
ἡμῶν
(hemon)
onze
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
Χριστοῦ
(Christou)
de Messias
καὶ
(kai)
en
τῇ
(te)
naar het
κατ’
(kat’)
volgens
εὐσέβειαν
(eusebeian)
vroomheid
διδασκαλίᾳ
(didaskalia)
onderwijs
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἑτεροδιδασκαλέω (heterodidaskaleo), ‘ander onderwijs geven’: zoals in 1:3. ὑγιαίνοντες λόγοι (hygiainontes logoi), ‘gezonde woorden’: zoals ‘gezond onderwijs’ in 1:10.

‘De woorden van onze Heer Yeshua de Messias’: de woorden van Yeshua of de woorden over Hem; het Grieks heeft alleen de tweede naamval. εὐσέβεια (eusebeia), ‘vroomheid’; διδασκαλία (didaskalia), ‘onderwijs’.

Zie ook de ‘vroomheid’ in 3:16.

Zie ook 1 Tim. 1:3; 1 Tim. 1:10; 2 Tim. 1:13; Tit. 1:9.

4dan is hij opgeblazen en weet hij niets, maar is hij ziek van twistvragen en woordenstrijd. Daaruit ontstaan afgunst, ruzie, lasteringen, kwade verdenkingen,
τετύφωται
(tetyphotai)
is opgeblazen
μηδὲν
(meden)
niets
ἐπιστάμενος
(epistamenos)
wetend
ἀλλὰ
(alla)
maar
νοσῶν
(noson)
ziek
περὶ
(peri)
aan
ζητήσεις
(zeteseis)
twistvragen
καὶ
(kai)
en
λογομαχίας
(logomachias)
woordenstrijd
ἐξ
(ex)
uit
ὧν
(hon)
welke
γίνεται
(ginetai)
ontstaat
φθόνος
(phthonos)
afgunst
ἔρις
(eris)
ruzie
βλασφημίαι
(blasphemiai)
lasteringen
ὑπόνοιαι
(hyponoiai)
verdenkingen
πονηραί
(ponerai)
kwade
Bron: SBLGNT
Uitleg

τυφόομαι (typhoomai), ‘opgeblazen zijn’: zoals in 3:6. νοσέω (noseo), ‘ziek zijn’: het beeld van een zieke. ζήτησις (zetesis), ‘twistvraag’: een vraag waarover gestreden wordt; vergelijk ἐκζήτησις in 1:4. λογομαχία (logomachia), ‘woordenstrijd’. φθόνος (fthonos), ‘afgunst’; ἔρις (eris), ‘ruzie’; βλασφημία (blasfemia), ‘lastering’; ὑπόνοια (hyponoia), ‘verdenking’.

5voortdurende wrijvingen tussen mensen met een verdorven verstand, die van de waarheid beroofd zijn en menen dat de vroomheid een bron van winst is.
διαπαρατριβαὶ
(diaparatribai)
voortdurende wrijvingen
διεφθαρμένων
(diephtharmenon)
van verdorven
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
τὸν
(ton)
het
νοῦν
(noun)
verstand
καὶ
(kai)
en
ἀπεστερημένων
(apesteremenon)
beroofd
τῆς
(tes)
van de
ἀληθείας
(aletheias)
waarheid
νομιζόντων
(nomizonton)
menend
πορισμὸν
(porismon)
winstmiddel
εἶναι
(einai)
te zijn
τὴν
(ten)
de
εὐσέβειαν
(eusebeian)
vroomheid
Bron: SBLGNT
Uitleg

διαπαρατριβή (diaparatribe), ‘voortdurende wrijving’: een zeldzaam woord. διεφθαρμένος (diephtharmenos), ‘verdorven’. ἀπεστερημένος (apesteremenos), ‘beroofd’. πορισμός (porismos), ‘bron van winst’: iets wat gewin oplevert; het gaat om mensen die vroomheid als manier van inkomsten zien.

Het woord staat ook in vers 6.

Zie ook Tit. 1:11.

Lezing

Bij ‘de vroomheid’ (τὴν εὐσέβειαν) markeert de SBLGNT een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

6Maar de vroomheid met genoegzaamheid is wel een grote bron van winst.
ἔστιν
(estin)
is
δὲ
(de)
maar
πορισμὸς
(porismos)
winstmiddel
μέγας
(megas)
groot
ἡ
(he)
de
εὐσέβεια
(eusebeia)
vroomheid
μετὰ
(meta)
met
αὐταρκείας
(autarkeias)
genoegzaamheid
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks gebruikt hier hetzelfde woord πορισμός (porismos), ‘bron van winst’, als in vers 5, nu van de vroomheid met genoegzaamheid. αὐτάρκεια (autarkeia), ‘genoegzaamheid’: tevredenheid met wat men heeft.

Vergelijk αὐτάρκης (autarkes), ‘tevreden’, in Fil. 4:11.

Zie ook Fil. 4:11–12.

7Want wij hebben niets in de wereld binnengebracht, en wij kunnen er ook niets uit meenemen.
οὐδὲν
(ouden)
niets
γὰρ
(gar)
want
εἰσηνέγκαμεν
(eisenenkamen)
brachten wij binnen
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
κόσμον
(kosmon)
wereld
ὅτι
(hoti)
omdat
οὐδὲ
(oude)
ook niet
ἐξενεγκεῖν
(exenenkein)
uit te dragen
τι
(ti)
iets
δυνάμεθα
(dynametha)
kunnen wij
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het gezegde lijkt op Pred. 5:14 (NL 5:15).

De tekst noemt geen bron.

Zie ook Pred. 5:14.

Lezing

Bij ‘omdat’ (ὅτι) markeert de SBLGNT een variant.

Wij volgen de SBLGNT en vertalen met ‘en … ook niet’.

Zie ookPred 5:14
8Maar als wij voedsel en beschutting hebben, zullen wij daarmee tevreden zijn.
ἔχοντες
(echontes)
hebbend
δὲ
(de)
maar
διατροφὰς
(diatrophas)
voedsel
καὶ
(kai)
en
σκεπάσματα
(skepasmata)
beschutting
τούτοις
(toutois)
hiermee
ἀρκεσθησόμεθα
(arkesthesometha)
zullen wij tevreden zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

διατροφή (diatrofe), ‘voedsel’; σκέπασμα (skepasma), ‘beschutting’: alles wat bedekt; kleding of onderdak, de tekst kiest niet. ἀρκέω (arkeo), ‘tevreden zijn’: genoeg hebben.

9Wie rijk willen worden, vallen in beproeving, in een strik en in vele onverstandige en schadelijke begeerten. Die laten de mensen wegzinken in verderf en ondergang.
οἱ
(hoi)
die
δὲ
(de)
maar
βουλόμενοι
(boulomenoi)
willend
πλουτεῖν
(ploutein)
rijk worden
ἐμπίπτουσιν
(empiptousin)
vallen
εἰς
(eis)
in
πειρασμὸν
(peirasmon)
beproeving
καὶ
(kai)
en
παγίδα
(pagida)
strik
καὶ
(kai)
en
ἐπιθυμίας
(epithymias)
begeerten
πολλὰς
(pollas)
vele
ἀνοήτους
(anoetous)
onverstandige
καὶ
(kai)
en
βλαβεράς
(blaberas)
schadelijke
αἵτινες
(haitines)
die
βυθίζουσι
(bythizousi)
laten wegzinken
τοὺς
(tous)
de
ἀνθρώπους
(anthropous)
mensen
εἰς
(eis)
in
ὄλεθρον
(olethron)
verderf
καὶ
(kai)
en
ἀπώλειαν
(apoleian)
ondergang
Bron: SBLGNT
Uitleg

πλουτέω (plouteo), ‘rijk worden’: het werkwoord staat in de tegenwoordige tijd van een voortdurend streven. πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: het Griekse woord betekent zowel ‘beproeving’ als ‘verzoeking’; wij houden ‘beproeving’ aan, zoals in Jak. 1:2 en Matt. 6:13. παγίς (pagis), ‘strik’: zoals in 3:7. ἐπιθυμία (epithymia), ‘begeerte’. ἀνόητος (anoetos), ‘onverstandig’; βλαβερός (blaberos), ‘schadelijk’. βυθίζω (bythizo), ‘laten wegzinken’: het beeld van een schip dat zinkt; vergelijk ‘schipbreuk’ in 1:19. ὄλεθρος (olethros), ‘verderf’; ἀπώλεια (apoleia), ‘ondergang’.

Zie ook Jak. 1:2; Matt. 6:13; 1 Tim. 1:19; 1 Tim. 3:7.

10Want een wortel van alle kwaad is de geldzucht. Sommigen zijn, doordat zij ernaar verlangden, van het geloof afgedwaald en hebben zichzelf met veel pijn doorboord.
ῥίζα
(rhiza)
wortel
γὰρ
(gar)
want
πάντων
(panton)
van alle
τῶν
(ton)
de
κακῶν
(kakon)
kwaden
ἐστιν
(estin)
is
ἡ
(he)
de
φιλαργυρία
(philargyria)
geldzucht
ἧς
(hes)
waarnaar
τινες
(tines)
sommigen
ὀρεγόμενοι
(oregomenoi)
verlangend
ἀπεπλανήθησαν
(apeplanethesan)
zijn afgedwaald
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
het
πίστεως
(pisteos)
geloof
καὶ
(kai)
en
ἑαυτοὺς
(heautous)
zichzelf
περιέπειραν
(periepeiran)
doorboorden
ὀδύναις
(odynais)
met pijnen
πολλαῖς
(pollais)
vele
Bron: SBLGNT
Uitleg

ῥίζα (riza), ‘wortel’: het woord staat zonder lidwoord.

Het Grieks zegt dus ‘een wortel’, niet ‘de wortel’; ‘van alle kwaden’ kan ook ‘van alle soorten kwaad’ betekenen. φιλαργυρία (filargyria), ‘geldzucht’: letterlijk ‘liefde voor zilver’; vergelijk ἀφιλάργυρος in 3:3. ὀρέγομαι (oregomai), ‘verlangen’: zoals in 3:1. ἀποπλανάομαι (apoplanaomai), ‘afdwalen’. περιπείρω (peripeiro), ‘doorboren’: letterlijk ‘doorsteken’. ὀδύνη (odyne), ‘pijn’.

‘Van het geloof’ (ἀπὸ τῆς πίστεως): zoals in 4:1.

Zie ook 1 Tim. 3:1; 1 Tim. 4:1; Luc. 16:13–14.

De goede wedstrijd van het geloof

11Maar jij, mens van Elohim, vlucht hiervoor weg. Jaag na: gerechtigheid, vroomheid, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid.
Σὺ
(Sy)
jij
δέ
(de)
maar
ὦ
(o)
o
ἄνθρωπε
(anthrope)
mens
θεοῦ
(theou)
van Elohim
ταῦτα
(tauta)
dit
φεῦγε
(pheuge)
vlucht
δίωκε
(dioke)
jaag na
δὲ
(de)
maar
δικαιοσύνην
(dikaiosynen)
gerechtigheid
εὐσέβειαν
(eusebeian)
vroomheid
πίστιν
(pistin)
geloof
ἀγάπην
(agapen)
liefde
ὑπομονήν
(hypomonen)
volharding
πραϋπαθίαν
(praupathian)
zachtmoedigheid
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄνθρωπε θεοῦ (anthrope theou), ‘mens van Elohim’: een titel die in het Oude Testament voor een profeet of dienaar van Elohim staat, zoals voor Mozes in Deut. 33:1 en voor Elia in 1 Kon. 17:18; onze vertaling van het Oude Testament heeft daar ‘man van Elohim’. φεύγω (feugo), ‘vluchten’; διώκω (dioko), ‘najagen’.

De zes zaken: δικαιοσύνη (dikaiosyne), ‘gerechtigheid’; εὐσέβεια (eusebeia), ‘vroomheid’; πίστις (pistis), ‘geloof’; ἀγάπη (agape), ‘liefde’; ὑπομονή (hypomone), ‘volharding’; πραϋπαθία (praupathia), ‘zachtmoedigheid’.

Zie ook Deut. 33:1; 1 Kon. 17:18; 2 Tim. 2:22; 2 Tim. 3:17.

Lezing

Bij ‘van Elohim’ (θεοῦ) en bij ‘zachtmoedigheid’ (πραϋπαθίαν) markeert de SBLGNT varianten.

Wij volgen de SBLGNT.

12Strijd de goede wedstrijd van het geloof. Grijp het eeuwige leven. Daartoe ben je geroepen, en je hebt de goede belijdenis afgelegd ten overstaan van vele getuigen.
ἀγωνίζου
(agonizou)
strijd
τὸν
(ton)
de
καλὸν
(kalon)
goede
ἀγῶνα
(agona)
wedstrijd
τῆς
(tes)
van het
πίστεως
(pisteos)
geloof
ἐπιλαβοῦ
(epilabou)
grijp
τῆς
(tes)
het
αἰωνίου
(aioniou)
eeuwige
ζωῆς
(zoes)
leven
εἰς
(eis)
tot
ἣν
(hen)
welke
ἐκλήθης
(eklethes)
je werd geroepen
καὶ
(kai)
en
ὡμολόγησας
(homologesas)
je legde af
τὴν
(ten)
de
καλὴν
(kalen)
goede
ὁμολογίαν
(homologian)
belijdenis
ἐνώπιον
(enopion)
ten overstaan van
πολλῶν
(pollon)
vele
μαρτύρων
(martyron)
getuigen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀγωνίζομαι (agonizomai), ‘strijden’: zoals een atleet in een wedstrijd; ἀγών (agon), ‘wedstrijd’.

In 1:18 staat de ‘goede veldtocht’ (στρατεία): een ander beeld, het van een soldaat. ἐπιλαμβάνομαι (epilambanomai), ‘grijpen’. ὁμολογία (homologia), ‘belijdenis’: Timoteüs heeft de goede belijdenis afgelegd; de tekst zegt niet wanneer. ἐκλήθης (eklethes), ‘je bent geroepen’.

Zie ook 1 Tim. 1:18; 2 Tim. 4:7; Fil. 3:12–14.

13Ik draag je op, ten overstaan van Elohim, die alles leven geeft, en van Yeshua de Messias, die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis getuigd heeft,
παραγγέλλω
(parangello)
ik draag op
σοι
(soi)
aan jou
ἐνώπιον
(enopion)
ten overstaan van
τοῦ
(tou)
de
θεοῦ
(theou)
Elohim
τοῦ
(tou)
die
ζῳογονοῦντος
(zoogonountos)
levend maakt
τὰ
(ta)
het
πάντα
(panta)
alles
καὶ
(kai)
en
Χριστοῦ
(Christou)
van de Messias
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
τοῦ
(tou)
die
μαρτυρήσαντος
(martyresantos)
getuigd heeft
ἐπὶ
(epi)
onder
Ποντίου
(Pontiou)
Pontius
Πιλάτου
(Pilatou)
Pilatus
τὴν
(ten)
de
καλὴν
(kalen)
goede
ὁμολογίαν
(homologian)
belijdenis
Bron: SBLGNT
Uitleg

ζῳογονέω (zoogoneo), ‘leven geven’: levend maken, in leven houden. μαρτυρέω (martyreo), ‘getuigen’: ἐπὶ Ποντίου Πιλάτου (epi Pontiou Pilatou), ‘onder Pontius Pilatus’: ook ‘voor’ of ‘in de tijd van’; Yeshua heeft de goede belijdenis getuigd, zie Joh. 18:33–37.

Pontius Pilatus is de Romeinse stadhouder uit de evangeliën.

Zie ook Joh. 18:33–37; Luc. 3:1; Hand. 4:27.

Lezing

Bij ‘die alles leven geeft’ (ζῳογονοῦντος) markeert de SBLGNT een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

14dat je het gebod vlekkeloos en onberispelijk bewaart tot de verschijning van onze Heer Yeshua de Messias.
τηρῆσαί
(teresai)
te bewaren
σε
(se)
jou
τὴν
(ten)
het
ἐντολὴν
(entolen)
gebod
ἄσπιλον
(aspilon)
vlekkeloos
ἀνεπίλημπτον
(anepilempton)
onberispelijk
μέχρι
(mechri)
tot
τῆς
(tes)
de
ἐπιφανείας
(epiphaneias)
verschijning
τοῦ
(tou)
van de
κυρίου
(kyriou)
Heer
ἡμῶν
(hemon)
onze
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
Χριστοῦ
(Christou)
de Messias
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐντολή (entole), ‘gebod’: de opdracht van vers 13, of het gebod in het algemeen; het Grieks zegt niet welk. ἄσπιλος (aspilos), ‘vlekkeloos’; ἀνεπίλημπτος (anepilemptos), ‘onberispelijk’: zoals in 3:2 en 5:7. ἐπιφάνεια (epifaneia), ‘verschijning’: het zichtbaar worden in glans, zoals in 2 Tess. 2:8.

Zie ook 1 Tim. 3:2; 1 Tim. 5:7; 2 Tess. 2:8; 2 Tim. 4:1; Tit. 2:13.

15welke de gelukkige en enige Heerser op de eigen tijden zal tonen: de Koning van de koningen en Heer van de heren,
ἣν
(hen)
welke
καιροῖς
(kairois)
op tijden
ἰδίοις
(idiois)
eigen
δείξει
(deixei)
zal tonen
ὁ
(ho)
de
μακάριος
(makarios)
gelukkige
καὶ
(kai)
en
μόνος
(monos)
enige
δυνάστης
(dynastes)
Heerser
ὁ
(ho)
de
βασιλεὺς
(basileus)
Koning
τῶν
(ton)
van hen die
βασιλευόντων
(basileuonton)
koning zijn
καὶ
(kai)
en
κύριος
(kyrios)
Heer
τῶν
(ton)
van hen die
κυριευόντων
(kyrieuonton)
heer zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἣν (hen), ‘welke’: verwijst naar de ‘verschijning’ (ἐπιφάνεια) van vers 14.

De verzen 15–16 vormen een lofprijzing.

De ‘eigen tijden’ (καιροὶ ἴδιοι) zijn dezelfde als in 2:6. μακάριος (makarios), ‘gelukkig’: zoals in 1:11. δυνάστης (dynastes), ‘Heerser’: wie macht heeft. ὁ βασιλεὺς τῶν βασιλευόντων καὶ κύριος τῶν κυριευόντων: letterlijk ‘de Koning van hen die koning zijn en Heer van hen die heer zijn’; de tegenwoordige deelwoorden duiden op wie nu heerst.

Of de gelukkige en enige Heerser hier Elohim de Vader of Yeshua is, zegt de tekst niet met zoveel woorden; het volgende vers noemt Hem ‘die als enige onsterfelijkheid heeft’.

Wij vertalen letterlijk en kiezen niet.

Zie ook 1 Tim. 1:17; 1 Tim. 2:6; Openb. 17:14; Openb. 19:16.

16Hij die als enige onsterfelijkheid heeft en woont in ontoegankelijk licht, die geen mens ooit gezien heeft of kan zien. Aan Hem zij eer en eeuwige macht. Amen.
ὁ
(ho)
die
μόνος
(monos)
enige
ἔχων
(echon)
hebbend
ἀθανασίαν
(athanasian)
onsterfelijkheid
φῶς
(phos)
licht
οἰκῶν
(oikon)
wonend
ἀπρόσιτον
(aprositon)
ontoegankelijk
ὃν
(hon)
wie
εἶδεν
(eiden)
zag
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
ἀνθρώπων
(anthropon)
van mensen
οὐδὲ
(oude)
noch
ἰδεῖν
(idein)
te zien
δύναται
(dynatai)
kan
ᾧ
(ho)
aan wie
τιμὴ
(time)
eer
καὶ
(kai)
en
κράτος
(kratos)
macht
αἰώνιον
(aionion)
eeuwige
ἀμήν
(amen)
amen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀθανασία (athanasia), ‘onsterfelijkheid’. φῶς οἰκῶν ἀπρόσιτον (fos oikon aprositon), ‘woont in ontoegankelijk licht’.

‘Die geen mens ooit gezien heeft’: vergelijk Exod. 33:20 en Joh. 1:18. κράτος (kratos), ‘macht’: kracht die bedwingt.

De lofprijs sluit af met ἀμήν (amen).

Zie ook Exod. 33:20; Joh. 1:18; 1 Joh. 4:12; Ps. 104:2.

De rijken

17Draag de rijken in de tegenwoordige eeuw op niet hooghartig te zijn en hun hoop niet te vestigen op de onzekerheid van rijkdom, maar op Elohim, die ons alles rijkelijk geeft om van te genieten,
Τοῖς
(Tois)
aan de
πλουσίοις
(plousiois)
rijken
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
νῦν
(nyn)
nu
αἰῶνι
(aioni)
eeuw
παράγγελλε
(parangelle)
draag op
μὴ
(me)
niet
ὑψηλοφρονεῖν
(hypselophronein)
hooghartig te zijn
μηδὲ
(mede)
noch
ἠλπικέναι
(elpikenai)
gehoopt te hebben
ἐπὶ
(epi)
op
πλούτου
(ploutou)
van rijkdom
ἀδηλότητι
(adeloteti)
onzekerheid
ἀλλ’
(all’)
maar
ἐπὶ
(epi)
op
θεῷ
(theo)
Elohim
τῷ
(to)
die
παρέχοντι
(parechonti)
verschaft
ἡμῖν
(hemin)
ons
πάντα
(panta)
alles
πλουσίως
(plousios)
rijkelijk
εἰς
(eis)
tot
ἀπόλαυσιν
(apolausin)
genieten
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὑψηλοφρονέω (hypselofroneo), ‘hooghartig zijn’: hoog van denken. πλοῦτος (ploutos), ‘rijkdom’; ἀδηλότης (adelotes), ‘onzekerheid’: het onzichtbare, het onduidelijke.

‘De tegenwoordige eeuw’ (ὁ νῦν αἰών): de tijd van nu, tegenover de komende (zie 4:8). ἀπόλαυσις (apolausis), ‘genieten’.

Zie ook 1 Tim. 4:8; Luc. 12:15–21; Ps. 62:11.

Lezing

Bij ‘op’ (ἐπί) en bij ‘Elohim’ (θεῷ) markeert de SBLGNT varianten.

Wij volgen de SBLGNT.

18goed te doen, rijk te zijn in goede werken, gul te geven en bereid te delen,
ἀγαθοεργεῖν
(agathoergein)
goed te doen
πλουτεῖν
(ploutein)
rijk te zijn
ἐν
(en)
in
ἔργοις
(ergois)
werken
καλοῖς
(kalois)
goede
εὐμεταδότους
(eumetadotous)
gul
εἶναι
(einai)
te zijn
κοινωνικούς
(koinonikous)
bereid te delen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀγαθοεργέω (agathoergeo), ‘goed doen’: het woord is samengesteld uit ‘goed’ en ‘werken’. εὐμετάδοτος (eumetadotos), ‘gul’: gul in het geven. κοινωνικός (koinonikos), ‘bereid te delen’: genegen tot gemeenschap; verwant met κοινωνία (koinonia), ‘gemeenschap’.

19en zo voor zichzelf een goed fundament weg te leggen voor de toekomst, opdat zij het werkelijke leven grijpen.
ἀποθησαυρίζοντας
(apothesaurizontas)
wegleggend
ἑαυτοῖς
(heautois)
voor zichzelf
θεμέλιον
(themelion)
fundament
καλὸν
(kalon)
goed
εἰς
(eis)
voor
τὸ
(to)
het
μέλλον
(mellon)
toekomstige
ἵνα
(hina)
opdat
ἐπιλάβωνται
(epilabontai)
zij grijpen
τῆς
(tes)
het
ὄντως
(ontos)
werkelijke
ζωῆς
(zoes)
leven
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀποθησαυρίζω (apothesaurizo), ‘wegleggen’: als in een schatkamer opbergen. θεμέλιον (themelion), ‘fundament’. ἐπιλαμβάνομαι (epilambanomai), ‘grijpen’: zoals in vers 12.

‘Het werkelijke leven’ (ἡ ὄντως ζωή): het echte leven; vergelijk ‘echte weduwe’ (ὄντως χήρα) in 5:3.

Wij vertalen ὄντως hier met ‘werkelijk’.

Zie ook Matt. 6:19–21; Luc. 12:33; 1 Tim. 6:12; 1 Tim. 5:3.

Lezing

Bij ‘werkelijke’ (ὄντως) markeert de SBLGNT een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

Bewaar het toevertrouwde goed

20O Timoteüs, bewaar het toevertrouwde goed. Keer je af van de ongewijde holle praat en de tegenstellingen van de ten onrechte zo genoemde kennis,
Ὦ
(O)
o
Τιμόθεε
(Timothee)
Timoteüs
τὴν
(ten)
het
παραθήκην
(paratheken)
toevertrouwde goed
φύλαξον
(phylaxon)
bewaar
ἐκτρεπόμενος
(ektrepomenos)
zich afkerend van
τὰς
(tas)
de
βεβήλους
(bebelous)
ongewijde
κενοφωνίας
(kenophonias)
holle praat
καὶ
(kai)
en
ἀντιθέσεις
(antitheseis)
tegenstellingen
τῆς
(tes)
van de
ψευδωνύμου
(pseudonymou)
ten onrechte zo genoemde
γνώσεως
(gnoseos)
kennis
Bron: SBLGNT
Uitleg

παραθήκη (paratheke), ‘toevertrouwd goed’: wat iemand in bewaring is gegeven; zoals in 1:18 ‘toevertrouwen’ (παρατίθεμαι).

Het Grieks zegt niet wat het toevertrouwde goed is: het onderwijs, de goede boodschap of het ambt van Timoteüs. ἐκτρέπομαι (ektrepomai), ‘zich afkeren’: zoals in 1:6. κενοφωνία (kenofonia), ‘holle praat’: lege woorden. ἀντίθεσις (antithesis), ‘tegenstelling’: tegenwerpingen. ψευδώνυμος (pseudonymos), ‘ten onrechte zo genoemd’: letterlijk ‘met een valse naam’. γνῶσις (gnosis), ‘kennis’.

Zie ook 1 Tim. 1:6; 1 Tim. 1:18; 2 Tim. 1:12; 2 Tim. 1:14; 2 Tim. 2:16.

21die sommigen beleden hebben en zo, wat het geloof betreft, het doel hebben gemist. De genade zij met jullie.
ἥν
(hen)
die
τινες
(tines)
sommigen
ἐπαγγελλόμενοι
(epangellomenoi)
belijdend
περὶ
(peri)
wat betreft
τὴν
(ten)
het
πίστιν
(pistin)
geloof
ἠστόχησαν
(estochesan)
misten het doel
Ἡ
(He)
de
χάρις
(charis)
genade
μεθ’
(meth’)
met
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐπαγγέλλομαι (epangellomai), ‘belijden’: zoals in 2:10. ἀστοχέω (astocheo), ‘het doel missen’: zoals in 1:6.

‘De genade zij met jullie’: de groet staat in het meervoud (ὑμῶν), hoewel de brief aan Timoteüs gericht is; de tekst zegt niet wie behalve Timoteüs bedoeld is.

Het Grieks heeft geen werkwoord: ‘De genade met jullie’.

Zie ook 1 Tim. 1:6; 1 Tim. 2:10; 2 Tim. 4:22; Tit. 3:15.

Lezing

Bij ‘met jullie’ (μεθ’ ὑμῶν) markeert de SBLGNT een variant.

Wij volgen de SBLGNT.