1 Timotheüs 6
Knechten en meesters, ander onderwijs en geldzucht, de goede wedstrijd en de rijken
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Knechten en meesters
δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’, iemand die eigendom is van een meester. ὑπὸ ζυγόν (hypo zygon), ‘onder een juk’: het beeld van een trekdier; het wijst op dienstbaarheid. δεσπότης (despotes), ‘meester’: een heer met volledige macht over de huisgenoten; een ander woord dan κύριος, ‘heer’.
De tekst geeft een aanwijzing voor knechten in de gemeente en velt geen oordeel over slavernij zelf. τὸ ὄνομα τοῦ θεοῦ (to onoma tou theou), ‘de naam van Elohim’. βλασφημέω (blasfemeo), ‘lasteren’: zoals in 1:20.
Zie ook Ef. 6:5–8; Kol. 3:22–25; Tit. 2:9–10; Filem. 15–16.
ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: de meesters zijn gelovigen en dus broers.
Het slot van de zin is in het Grieks lastig: οἱ τῆς εὐεργεσίας ἀντιλαμβανόμενοι (hoi tes euergesias antilambanomenoi), ‘zij die zich aan het goede doen wijden’: ἀντιλαμβάνομαι kan ‘deelnemen aan’, ‘zich inzetten voor’ of ‘ontvangen’ betekenen, en εὐεργεσία is ‘weldaad’; wij vertalen ‘zich aan het goede doen wijden’.
Het Grieks laat open of ‘zij’ de meesters of de knechten zijn.
‘Onderwijs dit en spoor aan’ (Ταῦτα δίδασκε καὶ παρακάλει) sluit af zoals 4:11 (‘Draag dit op en onderwijs het’).
Zie ook 1 Tim. 4:6; 1 Tim. 4:11.
Ander onderwijs en geldzucht
ἑτεροδιδασκαλέω (heterodidaskaleo), ‘ander onderwijs geven’: zoals in 1:3. ὑγιαίνοντες λόγοι (hygiainontes logoi), ‘gezonde woorden’: zoals ‘gezond onderwijs’ in 1:10.
‘De woorden van onze Heer Yeshua de Messias’: de woorden van Yeshua of de woorden over Hem; het Grieks heeft alleen de tweede naamval. εὐσέβεια (eusebeia), ‘vroomheid’; διδασκαλία (didaskalia), ‘onderwijs’.
Zie ook de ‘vroomheid’ in 3:16.
Zie ook 1 Tim. 1:3; 1 Tim. 1:10; 2 Tim. 1:13; Tit. 1:9.
τυφόομαι (typhoomai), ‘opgeblazen zijn’: zoals in 3:6. νοσέω (noseo), ‘ziek zijn’: het beeld van een zieke. ζήτησις (zetesis), ‘twistvraag’: een vraag waarover gestreden wordt; vergelijk ἐκζήτησις in 1:4. λογομαχία (logomachia), ‘woordenstrijd’. φθόνος (fthonos), ‘afgunst’; ἔρις (eris), ‘ruzie’; βλασφημία (blasfemia), ‘lastering’; ὑπόνοια (hyponoia), ‘verdenking’.
διαπαρατριβή (diaparatribe), ‘voortdurende wrijving’: een zeldzaam woord. διεφθαρμένος (diephtharmenos), ‘verdorven’. ἀπεστερημένος (apesteremenos), ‘beroofd’. πορισμός (porismos), ‘bron van winst’: iets wat gewin oplevert; het gaat om mensen die vroomheid als manier van inkomsten zien.
Het woord staat ook in vers 6.
Zie ook Tit. 1:11.
Bij ‘de vroomheid’ (τὴν εὐσέβειαν) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Het Grieks gebruikt hier hetzelfde woord πορισμός (porismos), ‘bron van winst’, als in vers 5, nu van de vroomheid met genoegzaamheid. αὐτάρκεια (autarkeia), ‘genoegzaamheid’: tevredenheid met wat men heeft.
Vergelijk αὐτάρκης (autarkes), ‘tevreden’, in Fil. 4:11.
Zie ook Fil. 4:11–12.
Het gezegde lijkt op Pred. 5:14 (NL 5:15).
De tekst noemt geen bron.
Zie ook Pred. 5:14.
Bij ‘omdat’ (ὅτι) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT en vertalen met ‘en … ook niet’.
διατροφή (diatrofe), ‘voedsel’; σκέπασμα (skepasma), ‘beschutting’: alles wat bedekt; kleding of onderdak, de tekst kiest niet. ἀρκέω (arkeo), ‘tevreden zijn’: genoeg hebben.
πλουτέω (plouteo), ‘rijk worden’: het werkwoord staat in de tegenwoordige tijd van een voortdurend streven. πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: het Griekse woord betekent zowel ‘beproeving’ als ‘verzoeking’; wij houden ‘beproeving’ aan, zoals in Jak. 1:2 en Matt. 6:13. παγίς (pagis), ‘strik’: zoals in 3:7. ἐπιθυμία (epithymia), ‘begeerte’. ἀνόητος (anoetos), ‘onverstandig’; βλαβερός (blaberos), ‘schadelijk’. βυθίζω (bythizo), ‘laten wegzinken’: het beeld van een schip dat zinkt; vergelijk ‘schipbreuk’ in 1:19. ὄλεθρος (olethros), ‘verderf’; ἀπώλεια (apoleia), ‘ondergang’.
Zie ook Jak. 1:2; Matt. 6:13; 1 Tim. 1:19; 1 Tim. 3:7.
ῥίζα (riza), ‘wortel’: het woord staat zonder lidwoord.
Het Grieks zegt dus ‘een wortel’, niet ‘de wortel’; ‘van alle kwaden’ kan ook ‘van alle soorten kwaad’ betekenen. φιλαργυρία (filargyria), ‘geldzucht’: letterlijk ‘liefde voor zilver’; vergelijk ἀφιλάργυρος in 3:3. ὀρέγομαι (oregomai), ‘verlangen’: zoals in 3:1. ἀποπλανάομαι (apoplanaomai), ‘afdwalen’. περιπείρω (peripeiro), ‘doorboren’: letterlijk ‘doorsteken’. ὀδύνη (odyne), ‘pijn’.
‘Van het geloof’ (ἀπὸ τῆς πίστεως): zoals in 4:1.
Zie ook 1 Tim. 3:1; 1 Tim. 4:1; Luc. 16:13–14.
De goede wedstrijd van het geloof
ἄνθρωπε θεοῦ (anthrope theou), ‘mens van Elohim’: een titel die in het Oude Testament voor een profeet of dienaar van Elohim staat, zoals voor Mozes in Deut. 33:1 en voor Elia in 1 Kon. 17:18; onze vertaling van het Oude Testament heeft daar ‘man van Elohim’. φεύγω (feugo), ‘vluchten’; διώκω (dioko), ‘najagen’.
De zes zaken: δικαιοσύνη (dikaiosyne), ‘gerechtigheid’; εὐσέβεια (eusebeia), ‘vroomheid’; πίστις (pistis), ‘geloof’; ἀγάπη (agape), ‘liefde’; ὑπομονή (hypomone), ‘volharding’; πραϋπαθία (praupathia), ‘zachtmoedigheid’.
Zie ook Deut. 33:1; 1 Kon. 17:18; 2 Tim. 2:22; 2 Tim. 3:17.
Bij ‘van Elohim’ (θεοῦ) en bij ‘zachtmoedigheid’ (πραϋπαθίαν) markeert de SBLGNT varianten.
Wij volgen de SBLGNT.
ἀγωνίζομαι (agonizomai), ‘strijden’: zoals een atleet in een wedstrijd; ἀγών (agon), ‘wedstrijd’.
In 1:18 staat de ‘goede veldtocht’ (στρατεία): een ander beeld, het van een soldaat. ἐπιλαμβάνομαι (epilambanomai), ‘grijpen’. ὁμολογία (homologia), ‘belijdenis’: Timoteüs heeft de goede belijdenis afgelegd; de tekst zegt niet wanneer. ἐκλήθης (eklethes), ‘je bent geroepen’.
Zie ook 1 Tim. 1:18; 2 Tim. 4:7; Fil. 3:12–14.
ζῳογονέω (zoogoneo), ‘leven geven’: levend maken, in leven houden. μαρτυρέω (martyreo), ‘getuigen’: ἐπὶ Ποντίου Πιλάτου (epi Pontiou Pilatou), ‘onder Pontius Pilatus’: ook ‘voor’ of ‘in de tijd van’; Yeshua heeft de goede belijdenis getuigd, zie Joh. 18:33–37.
Pontius Pilatus is de Romeinse stadhouder uit de evangeliën.
Zie ook Joh. 18:33–37; Luc. 3:1; Hand. 4:27.
Bij ‘die alles leven geeft’ (ζῳογονοῦντος) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ἐντολή (entole), ‘gebod’: de opdracht van vers 13, of het gebod in het algemeen; het Grieks zegt niet welk. ἄσπιλος (aspilos), ‘vlekkeloos’; ἀνεπίλημπτος (anepilemptos), ‘onberispelijk’: zoals in 3:2 en 5:7. ἐπιφάνεια (epifaneia), ‘verschijning’: het zichtbaar worden in glans, zoals in 2 Tess. 2:8.
Zie ook 1 Tim. 3:2; 1 Tim. 5:7; 2 Tess. 2:8; 2 Tim. 4:1; Tit. 2:13.
ἣν (hen), ‘welke’: verwijst naar de ‘verschijning’ (ἐπιφάνεια) van vers 14.
De verzen 15–16 vormen een lofprijzing.
De ‘eigen tijden’ (καιροὶ ἴδιοι) zijn dezelfde als in 2:6. μακάριος (makarios), ‘gelukkig’: zoals in 1:11. δυνάστης (dynastes), ‘Heerser’: wie macht heeft. ὁ βασιλεὺς τῶν βασιλευόντων καὶ κύριος τῶν κυριευόντων: letterlijk ‘de Koning van hen die koning zijn en Heer van hen die heer zijn’; de tegenwoordige deelwoorden duiden op wie nu heerst.
Of de gelukkige en enige Heerser hier Elohim de Vader of Yeshua is, zegt de tekst niet met zoveel woorden; het volgende vers noemt Hem ‘die als enige onsterfelijkheid heeft’.
Wij vertalen letterlijk en kiezen niet.
Zie ook 1 Tim. 1:17; 1 Tim. 2:6; Openb. 17:14; Openb. 19:16.
ἀθανασία (athanasia), ‘onsterfelijkheid’. φῶς οἰκῶν ἀπρόσιτον (fos oikon aprositon), ‘woont in ontoegankelijk licht’.
‘Die geen mens ooit gezien heeft’: vergelijk Exod. 33:20 en Joh. 1:18. κράτος (kratos), ‘macht’: kracht die bedwingt.
De lofprijs sluit af met ἀμήν (amen).
Zie ook Exod. 33:20; Joh. 1:18; 1 Joh. 4:12; Ps. 104:2.
De rijken
ὑψηλοφρονέω (hypselofroneo), ‘hooghartig zijn’: hoog van denken. πλοῦτος (ploutos), ‘rijkdom’; ἀδηλότης (adelotes), ‘onzekerheid’: het onzichtbare, het onduidelijke.
‘De tegenwoordige eeuw’ (ὁ νῦν αἰών): de tijd van nu, tegenover de komende (zie 4:8). ἀπόλαυσις (apolausis), ‘genieten’.
Zie ook 1 Tim. 4:8; Luc. 12:15–21; Ps. 62:11.
Bij ‘op’ (ἐπί) en bij ‘Elohim’ (θεῷ) markeert de SBLGNT varianten.
Wij volgen de SBLGNT.
ἀγαθοεργέω (agathoergeo), ‘goed doen’: het woord is samengesteld uit ‘goed’ en ‘werken’. εὐμετάδοτος (eumetadotos), ‘gul’: gul in het geven. κοινωνικός (koinonikos), ‘bereid te delen’: genegen tot gemeenschap; verwant met κοινωνία (koinonia), ‘gemeenschap’.
ἀποθησαυρίζω (apothesaurizo), ‘wegleggen’: als in een schatkamer opbergen. θεμέλιον (themelion), ‘fundament’. ἐπιλαμβάνομαι (epilambanomai), ‘grijpen’: zoals in vers 12.
‘Het werkelijke leven’ (ἡ ὄντως ζωή): het echte leven; vergelijk ‘echte weduwe’ (ὄντως χήρα) in 5:3.
Wij vertalen ὄντως hier met ‘werkelijk’.
Zie ook Matt. 6:19–21; Luc. 12:33; 1 Tim. 6:12; 1 Tim. 5:3.
Bij ‘werkelijke’ (ὄντως) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Bewaar het toevertrouwde goed
παραθήκη (paratheke), ‘toevertrouwd goed’: wat iemand in bewaring is gegeven; zoals in 1:18 ‘toevertrouwen’ (παρατίθεμαι).
Het Grieks zegt niet wat het toevertrouwde goed is: het onderwijs, de goede boodschap of het ambt van Timoteüs. ἐκτρέπομαι (ektrepomai), ‘zich afkeren’: zoals in 1:6. κενοφωνία (kenofonia), ‘holle praat’: lege woorden. ἀντίθεσις (antithesis), ‘tegenstelling’: tegenwerpingen. ψευδώνυμος (pseudonymos), ‘ten onrechte zo genoemd’: letterlijk ‘met een valse naam’. γνῶσις (gnosis), ‘kennis’.
Zie ook 1 Tim. 1:6; 1 Tim. 1:18; 2 Tim. 1:12; 2 Tim. 1:14; 2 Tim. 2:16.
ἐπαγγέλλομαι (epangellomai), ‘belijden’: zoals in 2:10. ἀστοχέω (astocheo), ‘het doel missen’: zoals in 1:6.
‘De genade zij met jullie’: de groet staat in het meervoud (ὑμῶν), hoewel de brief aan Timoteüs gericht is; de tekst zegt niet wie behalve Timoteüs bedoeld is.
Het Grieks heeft geen werkwoord: ‘De genade met jullie’.
Zie ook 1 Tim. 1:6; 1 Tim. 2:10; 2 Tim. 4:22; Tit. 3:15.
Bij ‘met jullie’ (μεθ’ ὑμῶν) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT.