Elia: de droogte, de raven en de weduwe van Zarefat
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Elia kondigt de droogte aan
1Elia, de Tisbiet, een bijwoner uit Gilead, zei tegen Achab: „Zo waar Yahweh leeft, de Elohim van Israël, voor wiens aangezicht ik sta! In deze jaren zal er geen dauw en geen regen zijn, behalve op mijn woord.”
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
אֵלִיָּ֨הוּ
(eliyahu)
Elia
הַתִּשְׁבִּ֜י
(hatishbi)
de Tisbiet
מִתֹּשָׁבֵ֣י
(mitoshavei)
uit de bijwoners van
גִלְעָד֮
(gilad)
Gilead
אֶל
(el)
tot
אַחְאָב֒
(achav)
Achab
חַי
(chay)
levend is
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
voor wie
עָמַ֣דְתִּי
(amadti)
ik sta
לְפָנָ֔יו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
אִם
(im)
als
יִהְיֶ֛ה
(yihye)
zal zijn
הַשָּׁנִ֥ים
(hashanim)
de jaren
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
טַ֣ל
(tal)
dauw
וּמָטָ֑ר
(umatar)
en regen
כִּ֖י
(ki)
maar
אִם
(im)
als
לְפִ֥י
(lefi)
op
דְבָרִֽי
(devari)
mijn woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gilead ligt ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië.
Dat is zeker.
De plaats Tisbe is onzeker.
Uitleg
אֵלִיָּהוּ (Eliyyahu), ‘Elia’: de naam betekent ‘mijn Elohim is Yahweh’.
מִתֹּשָׁבֵי (mittoshavei), ‘uit de bijwoners van’: een תּוֹשָׁב (toshav) is iemand die als gast zonder eigen grond ergens woont (zoals in Lev. 25:6). Daarom vertalen wij ‘een bijwoner uit Gilead’.
חַי יְהוָה (chai Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: een eedformule. ‘Voor wiens aangezicht ik sta’ betekent: ik dien Hem.
De droogte past bij Deut. 11:16–17, waar Yahweh waarschuwt dat de hemel gesloten wordt als Israël zich tot andere goden keert.
Lezing
Sommige oude vertalingen lezen ‘uit Tisbe in Gilead’ (מִתִּשְׁבֵּי, mittishbe).
10Hij stond op en ging naar Zarefat. Hij kwam bij de poort van de stad. Zie, daar was een weduwe die hout aan het sprokkelen was. Hij riep haar en zei: „Haal toch een beetje water voor mij in een vat, zodat ik kan drinken.”
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
צָרְפַ֗תָה
(tsarefata)
naar Zarefat
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
אֶל
(el)
tot
פֶּ֣תַח
(petach)
de ingang van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וְהִנֵּֽה
(vehine)
en zie
שָׁ֛ם
(sham)
daar
אִשָּׁ֥ה
(isha)
een vrouw
אַלְמָנָ֖ה
(almana)
weduwe
מְקֹשֶׁ֣שֶׁת
(meqosheshet)
sprokkelend
עֵצִ֑ים
(etsim)
hout
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en hij riep
אֵלֶ֨יהָ֙
(eleiha)
tot haar
וַיֹּאמַ֔ר
(vayomar)
en zei
קְחִי
(qechi)
neem
נָ֨א
(na)
toch
לִ֧י
(li)
voor mij
מְעַט
(meat)
een weinig
מַ֛יִם
(mayim)
water
בַּכְּלִ֖י
(bakeli)
in een vat
וְאֶשְׁתֶּֽה
(veeshte)
zodat ik drink
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Zarefat (Sarafand): Zarefat lag aan de kust tussen Tyrus en Sidon, bij het huidige Sarafand in Libanon.
12Zij zei: „Zo waar Yahweh, uw Elohim, leeft: ik heb geen koek. Ik heb alleen een handvol meel in de kruik en een beetje olie in het flesje. Zie, ik ben twee stukken hout aan het sprokkelen. Dan ga ik naar binnen en maak ik het klaar voor mij en mijn zoon. Wij eten het en dan sterven wij.”
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en zei
חַי
(chay)
levend is
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
uw Elohim
אִם
(im)
als
יֶשׁ
(yesh)
er is
לִ֣י
(li)
voor mij
מָע֔וֹג
(maog)
een koek
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
מְלֹ֤א
(melo)
een volheid van
כַף
(kaf)
handpalm
קֶ֨מַח֙
(qemach)
meel
בַּכַּ֔ד
(bakad)
in de kruik
וּמְעַט
(umeat)
en een weinig
שֶׁ֖מֶן
(shemen)
olie
בַּצַּפָּ֑חַת
(batsapachat)
in het flesje
וְהִנְנִ֨י
(vehinni)
en zie mij
מְקֹשֶׁ֜שֶׁת
(meqosheshet)
sprokkelend
שְׁנַ֣יִם
(shenayim)
twee
עֵצִ֗ים
(etsim)
houtjes
וּבָ֨אתִי֙
(uvati)
en ik zal komen
וַעֲשִׂיתִ֨יהוּ֙
(vaasitihu)
en ik zal het klaarmaken
לִ֣י
(li)
voor mij
וְלִבְנִ֔י
(velivni)
en voor mijn zoon
וַאֲכַלְנֻ֖הוּ
(vaakhalnuhu)
en wij zullen het eten
וָמָֽתְנוּ
(vamatenu)
en wij zullen sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָעוֹג (ma’og), ‘koek’: een gebakken brood of koek.
Het woord komt weinig voor.
כַד (kad), ‘kruik’, en צַפַּחַת (tsappachat), ‘flesje’: kleine voorraadvaten voor meel en olie.
De vrouw noemt Yahweh ‘uw Elohim’ en spreekt Elia aan met ‘u’. Zij gelooft nog niet in Yahweh als haar eigen Elohim.
13Elia zei tegen haar: „Wees niet bang. Ga en doe wat je gezegd hebt. Maar maak eerst daarvan een klein rond brood voor mij en breng het naar mij. Daarna maak je iets voor jou en je zoon.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלֶ֤יהָ
(eleiha)
tot haar
אֵלִיָּ֨הוּ֙
(eliyahu)
Elia
אַל
(al)
niet
תִּ֣ירְאִ֔י
(tirei)
wees bang
בֹּ֖אִי
(boi)
ga
עֲשִׂ֣י
(asi)
doe
כִדְבָרֵ֑ךְ
(kidvarekh)
zoals je woord
אַ֣ךְ
(akh)
alleen
עֲשִׂי
(asi)
maak
לִ֣י
(li)
voor mij
מִ֠שָּׁם
(misham)
daarvan
עֻגָ֨ה
(uga)
een rond brood
קְטַנָּ֤ה
(qetana)
klein
בָרִאשֹׁנָה֙
(barishona)
eerst
וְהוֹצֵ֣אתְ
(vehotset)
en breng uit
לִ֔י
(li)
naar mij
וְלָ֣ךְ
(velakh)
en voor jou
וְלִבְנֵ֔ךְ
(velivnekh)
en voor je zoon
תַּעֲשִׂ֖י
(taasi)
maak je
בָּאַחֲרֹנָֽה
(baacharona)
daarna
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Elia’s woorden ‘Zo zegt Yahweh’ staan zwart, tussen enkele aanhalingstekens.
Elia citeert Yahweh; het zijn geen woorden van Yahweh in het verhaal zelf.
עֻגָה (ugah), ‘rond brood’: een klein plat brood, gebakken op hete as of stenen.
14Want zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘De kruik met meel zal niet leeg raken. Het flesje met olie zal niet opraken, tot de dag dat Yahweh regen geeft op het oppervlak van de grond.’”
כִּ֣י
(ki)
want
כֹה֩
(ko)
zo
אָמַ֨ר
(amar)
zegt
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
כַּ֤ד
(kad)
de kruik van
הַקֶּ֨מַח֙
(haqemach)
het meel
לֹ֣א
(lo)
niet
תִכְלָ֔ה
(tikhla)
zal leeg raken
וְצַפַּ֥חַת
(vetsapachat)
en het flesje van
הַשֶּׁ֖מֶן
(hashemen)
de olie
לֹ֣א
(lo)
niet
תֶחְסָ֑ר
(techsar)
zal opraken
עַ֠ד
(ad)
tot
י֧וֹם
(yom)
de dag
תֵּת
(tet)
geeft
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
גֶּ֖שֶׁם
(geshem)
regen
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het oppervlak van
הָאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft een andere vorm van het werkwoord (תתן, titten).
17Na deze gebeurtenissen werd de zoon van de vrouw, de bezitster van het huis, ziek. Zijn ziekte werd zeer ernstig, zo erg dat er geen adem meer in hem overbleef.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
אַחַר֙
(achar)
na
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de gebeurtenissen
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
חָלָ֕ה
(chala)
werd ziek
בֶּן
(ben)
de zoon van
הָאִשָּׁ֖ה
(haisha)
de vrouw
בַּעֲלַ֣ת
(baalat)
bezitster van
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
חָלְיוֹ֙
(chaleyo)
zijn ziekte
חָזָ֣ק
(chazaq)
sterk
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
עַ֛ד
(ad)
tot
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
נֽוֹתְרָה
(notera)
was overgebleven
בּ֖וֹ
(bo)
in hem
נְשָׁמָֽה
(neshama)
adem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְשָׁמָה (neshamah), ‘adem’: het kind ademde niet meer.
De vrouw is de ‘bezitster van het huis’ (בַּעֲלַת הַבַּיִת, ba’alat habayit): zij is de vrouw des huizes.
18Zij zei tegen Elia: „Wat heb ik met u te maken, man van Elohim? U bent bij mij gekomen om mijn schuld in herinnering te brengen en mijn zoon te laten sterven.”
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
אֵ֣לִיָּ֔הוּ
(eliyahu)
Elia
מַה
(ma)
wat
לִּ֥י
(li)
voor mij
וָלָ֖ךְ
(valakh)
en voor u
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
de Elohim
בָּ֧אתָ
(bata)
bent gekomen
אֵלַ֛י
(elay)
tot mij
לְהַזְכִּ֥יר
(lehazkir)
om te herinneren
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺנִ֖י
(avoni)
mijn schuld
וּלְהָמִ֥ית
(ulehamit)
en om te doden
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנִֽי
(beni)
mijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Wat heb ik met u te maken’ (מַה־לִּי וָלָךְ, mah-li valakh): letterlijk ‘wat is er voor mij en voor u?’.
Het betekent: wat hebben wij met elkaar te maken?
Zij ziet de ziekte van haar zoon als gevolg van haar schuld.
אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish haElohim), ‘man van Elohim’: een titel voor een profeet (zoals Deut. 33:1).
20Hij riep tot Yahweh. Hij zei: „Yahweh, mijn Elohim, hebt U ook over de weduwe, bij wie ik als gast verblijf, kwaad gebracht door haar zoon te laten sterven?”
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en riep
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֔י
(elohay)
mijn Elohim
הֲ֠גַם
(hagam)
ook
עַל
(al)
over
הָאַלְמָנָ֞ה
(haalmana)
de weduwe
אֲשֶׁר
(asher)
bij wie
אֲנִ֨י
(ani)
ik
מִתְגּוֹרֵ֥ר
(mitgorer)
verblijf als gast
עִמָּ֛הּ
(imah)
met haar
הֲרֵע֖וֹתָ
(hareota)
hebt U kwaad gedaan
לְהָמִ֥ית
(lehamit)
door te laten sterven
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנָֽהּ
(benah)
haar zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִתְגּוֹרֵר (mitgorer), ‘als gast verblijven’: wonen als vreemdeling.