Elohim Bijbel

1 Koningen 17

12345678910111213141516171819202122

Elia: de droogte, de raven en de weduwe van Zarefat

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Elia kondigt de droogte aan

1Elia, de Tisbiet, een bijwoner uit Gilead, zei tegen Achab: „Zo waar Yahweh leeft, de Elohim van Israël, voor wiens aangezicht ik sta! In deze jaren zal er geen dauw en geen regen zijn, behalve op mijn woord.”
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
אֵלִיָּ֨הוּ
(eliyahu)
Elia
הַתִּשְׁבִּ֜י
(hatishbi)
de Tisbiet
מִתֹּשָׁבֵ֣י
(mitoshavei)
uit de bijwoners van
גִלְעָד֮
(gilad)
Gilead
אֶל
(el)
tot
אַחְאָב֒
(achav)
Achab
חַי
(chay)
levend is
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
voor wie
עָמַ֣דְתִּי
(amadti)
ik sta
לְפָנָ֔יו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
אִם
(im)
als
יִהְיֶ֛ה
(yihye)
zal zijn
הַשָּׁנִ֥ים
(hashanim)
de jaren
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
טַ֣ל
(tal)
dauw
וּמָטָ֑ר
(umatar)
en regen
כִּ֖י
(ki)
maar
אִם
(im)
als
לְפִ֥י
(lefi)
op
דְבָרִֽי
(devari)
mijn woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gilead ligt ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië.

Dat is zeker.

De plaats Tisbe is onzeker.

Uitleg

אֵלִיָּהוּ (Eliyyahu), ‘Elia’: de naam betekent ‘mijn Elohim is Yahweh’.

מִתֹּשָׁבֵי (mittoshavei), ‘uit de bijwoners van’: een תּוֹשָׁב (toshav) is iemand die als gast zonder eigen grond ergens woont (zoals in Lev. 25:6). Daarom vertalen wij ‘een bijwoner uit Gilead’.

חַי יְהוָה (chai Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: een eedformule. ‘Voor wiens aangezicht ik sta’ betekent: ik dien Hem.

De droogte past bij Deut. 11:16–17, waar Yahweh waarschuwt dat de hemel gesloten wordt als Israël zich tot andere goden keert.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen ‘uit Tisbe in Gilead’ (מִתִּשְׁבֵּי, mittishbe).

Wij volgen de Masoretische tekst.

Bij de beek Kerit

2Het woord van Yahweh kwam tot hem:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het was
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֥יו
(elav)
tot hem
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3„Ga hier weg. Wend je naar het oosten en verberg je in de beek Kerit, die tegenover de Jordaan ligt.
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
מִזֶּ֔ה
(mize)
van hier
וּפָנִ֥יתָ
(ufanita)
en wend
לְּךָ֖
(lekha)
je
קֵ֑דְמָה
(qedema)
naar het oosten
וְנִסְתַּרְתָּ֙
(venistarta)
en verberg je
בְּנַ֣חַל
(benachal)
in de beek
כְּרִ֔ית
(kerit)
Kerit
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
עַל
(al)
voor
פְּנֵ֥י
(penei)
het gezicht van
הַיַּרְדֵּֽן
(hayarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De beek Kerit (כְּרִית, Kerit) lag ‘tegenover’ de Jordaan.

De ligging is onzeker.

Men zoekt haar ten oosten van de Jordaan en bij het Wadi Qelt, ten westen van de rivier.

Zie Beek Kerit (Wadi Yabis?; ligging onzeker): De beek Kerit lag volgens de tekst tegenover de Jordaan.

Een voorstel is het Wadi Yabis, ten oosten van de Jordaan.

Dit is niet zeker.

Zie Beek Kerit (Wadi Qelt?; ligging onzeker): Een ander voorstel voor de beek Kerit is het Wadi Qelt, ten westen van Jericho.

Dit is niet zeker.

Uitleg

Rood: Yahweh spreekt hier zelf tot Elia.

De verzen 3–4 zijn zijn woorden.

עַל־פְּנֵי (al penei), ‘tegenover’: letterlijk ‘op het gezicht van’. Het kan ‘ten oosten van’ betekenen.

4Je zult uit de beek drinken. De raven heb Ik opdracht gegeven om je daar te voeden.”
וְהָיָ֖ה
(vehaya)
en het zal zijn
מֵהַנַּ֣חַל
(mehanachal)
uit de beek
תִּשְׁתֶּ֑ה
(tishte)
zul je drinken
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעֹרְבִ֣ים
(haorevim)
de raven
צִוִּ֔יתִי
(tsiviti)
Ik heb geboden
לְכַלְכֶּלְךָ֖
(lekhalkelkha)
om je te voeden
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָעֹרְבִים (ha’orvim), ‘de raven’: dit woord wordt zo gelezen door de klinkertekens.

De medeklinkers (הערבים) zonder klinkers kunnen ook ‘de Arabieren’ betekenen.

Wij volgen de klinkers van de Masoretische tekst.

כִּלְכֵּל (kilkel), ‘voeden’: voor iemands onderhoud zorgen. Dit werkwoord staat ook in vers 9.

5Hij ging en deed naar het woord van Yahweh. Hij ging en bleef bij de beek Kerit, die tegenover de Jordaan ligt.
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
וַיַּ֖עַשׂ
(vayaas)
en deed
כִּדְבַ֣ר
(kidvar)
naar het woord van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֵּ֗לֶךְ
(vayelekh)
en ging
וַיֵּ֨שֶׁב֙
(vayeshev)
en bleef
בְּנַ֣חַל
(benachal)
bij de beek
כְּרִ֔ית
(kerit)
Kerit
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
עַל
(al)
voor
פְּנֵ֥י
(penei)
het gezicht van
הַיַּרְדֵּֽן
(hayarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Beek Kerit (Wadi Yabis?; ligging onzeker): De beek Kerit lag volgens de tekst tegenover de Jordaan.

Een voorstel is het Wadi Yabis, ten oosten van de Jordaan.

Dit is niet zeker.

Zie Beek Kerit (Wadi Qelt?; ligging onzeker): Een ander voorstel voor de beek Kerit is het Wadi Qelt, ten westen van Jericho.

Dit is niet zeker.

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

6De raven brachten hem ’s morgens brood en vlees en ’s avonds brood en vlees. Uit de beek dronk hij.
וְהָעֹרְבִ֗ים
(vehaorevim)
en de raven
מְבִיאִ֨ים
(meviim)
brengend
ל֜וֹ
(lo)
voor hem
לֶ֤חֶם
(lechem)
brood
וּבָשָׂר֙
(uvasar)
en vlees
בַּבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de morgen
וְלֶ֥חֶם
(velechem)
en brood
וּבָשָׂ֖ר
(uvasar)
en vlees
בָּעָ֑רֶב
(baarev)
in de avond
וּמִן
(umin)
en uit
הַנַּ֖חַל
(hanachal)
de beek
יִשְׁתֶּֽה
(yishte)
dronk hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het brood en het vlees komen ’s morgens en ’s avonds.

Dat doet denken aan de manna en de kwartels in Exod. 16:8, 12.

7Na enige tijd droogde de beek op, want er was geen regen in het land.
וַיְהִ֛י
(vayhi)
en het was
מִקֵּ֥ץ
(miqets)
aan het einde van
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
וַיִּיבַ֣שׁ
(vayivash)
en droogde op
הַנָּ֑חַל
(hanachal)
de beek
כִּ֛י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
הָיָ֥ה
(haya)
was
גֶ֖שֶׁם
(geshem)
regen
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
in het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִקֵּץ יָמִים (miqqets yamim), ‘na enige tijd’: letterlijk ‘aan het einde van dagen’.

Het kan ook een jaar zijn (zoals Gen. 4:3).

Het Hebreeuws zegt niet hoe lang.

Bij de weduwe in Zarefat

8Het woord van Yahweh kwam tot hem:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het was
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֥יו
(elav)
tot hem
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9„Sta op, ga naar Zarefat, dat bij Sidon hoort, en blijf daar. Zie, Ik heb daar een weduwe opdracht gegeven om je te voeden.”
ק֣וּם
(qum)
sta op
לֵ֤ךְ
(lekh)
ga
צָרְפַ֨תָה֙
(tsarefata)
naar Zarefat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לְצִיד֔וֹן
(letsidon)
bij Sidon
וְיָשַׁבְתָּ֖
(veyashavta)
en blijf
שָׁ֑ם
(sham)
daar
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
צִוִּ֥יתִי
(tsiviti)
Ik heb geboden
שָׁ֛ם
(sham)
daar
אִשָּׁ֥ה
(isha)
een vrouw
אַלְמָנָ֖ה
(almana)
weduwe
לְכַלְכְּלֶֽךָ
(lekhalkelekha)
om je te voeden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zarefat (צָרְפַת, Tsarefat) ligt bij Sarafand, ongeveer 13 km ten zuiden van Sidon (Libanon).

Dat is waarschijnlijk.

Het hoort bij het gebied van Sidon, dus buiten Israël: het land van Izebel (16:31).

Uitleg

Rood: Yahweh spreekt hier opnieuw zelf tot Elia.

10Hij stond op en ging naar Zarefat. Hij kwam bij de poort van de stad. Zie, daar was een weduwe die hout aan het sprokkelen was. Hij riep haar en zei: „Haal toch een beetje water voor mij in een vat, zodat ik kan drinken.”
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
צָרְפַ֗תָה
(tsarefata)
naar Zarefat
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
אֶל
(el)
tot
פֶּ֣תַח
(petach)
de ingang van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וְהִנֵּֽה
(vehine)
en zie
שָׁ֛ם
(sham)
daar
אִשָּׁ֥ה
(isha)
een vrouw
אַלְמָנָ֖ה
(almana)
weduwe
מְקֹשֶׁ֣שֶׁת
(meqosheshet)
sprokkelend
עֵצִ֑ים
(etsim)
hout
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en hij riep
אֵלֶ֨יהָ֙
(eleiha)
tot haar
וַיֹּאמַ֔ר
(vayomar)
en zei
קְחִי
(qechi)
neem
נָ֨א
(na)
toch
לִ֧י
(li)
voor mij
מְעַט
(meat)
een weinig
מַ֛יִם
(mayim)
water
בַּכְּלִ֖י
(bakeli)
in een vat
וְאֶשְׁתֶּֽה
(veeshte)
zodat ik drink
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Zarefat (Sarafand): Zarefat lag aan de kust tussen Tyrus en Sidon, bij het huidige Sarafand in Libanon.

Het hoorde bij Sidon.

Uitleg

כְּלִי (keli), ‘vat’: een gebruiksvoorwerp.

Hier is het een kruik of beker.

11Zij ging het halen. Hij riep haar na en zei: „Neem toch een stuk brood voor mij mee, in je hand.”
וַתֵּ֖לֶךְ
(vatelekh)
en ging
לָקַ֑חַת
(laqachat)
om te halen
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en hij riep
אֵלֶ֨יהָ֙
(eleiha)
tot haar
וַיֹּאמַ֔ר
(vayomar)
en zei
לִֽקְחִי
(liqchi)
neem
נָ֥א
(na)
toch
לִ֛י
(li)
voor mij
פַּת
(pat)
een stuk van
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
בְּיָדֵֽךְ
(beyadekh)
in je hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Zij zei: „Zo waar Yahweh, uw Elohim, leeft: ik heb geen koek. Ik heb alleen een handvol meel in de kruik en een beetje olie in het flesje. Zie, ik ben twee stukken hout aan het sprokkelen. Dan ga ik naar binnen en maak ik het klaar voor mij en mijn zoon. Wij eten het en dan sterven wij.”
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en zei
חַי
(chay)
levend is
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
uw Elohim
אִם
(im)
als
יֶשׁ
(yesh)
er is
לִ֣י
(li)
voor mij
מָע֔וֹג
(maog)
een koek
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
מְלֹ֤א
(melo)
een volheid van
כַף
(kaf)
handpalm
קֶ֨מַח֙
(qemach)
meel
בַּכַּ֔ד
(bakad)
in de kruik
וּמְעַט
(umeat)
en een weinig
שֶׁ֖מֶן
(shemen)
olie
בַּצַּפָּ֑חַת
(batsapachat)
in het flesje
וְהִנְנִ֨י
(vehinni)
en zie mij
מְקֹשֶׁ֜שֶׁת
(meqosheshet)
sprokkelend
שְׁנַ֣יִם
(shenayim)
twee
עֵצִ֗ים
(etsim)
houtjes
וּבָ֨אתִי֙
(uvati)
en ik zal komen
וַעֲשִׂיתִ֨יהוּ֙
(vaasitihu)
en ik zal het klaarmaken
לִ֣י
(li)
voor mij
וְלִבְנִ֔י
(velivni)
en voor mijn zoon
וַאֲכַלְנֻ֖הוּ
(vaakhalnuhu)
en wij zullen het eten
וָמָֽתְנוּ
(vamatenu)
en wij zullen sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָעוֹג (ma’og), ‘koek’: een gebakken brood of koek.

Het woord komt weinig voor.

כַד (kad), ‘kruik’, en צַפַּחַת (tsappachat), ‘flesje’: kleine voorraadvaten voor meel en olie.

De vrouw noemt Yahweh ‘uw Elohim’ en spreekt Elia aan met ‘u’. Zij gelooft nog niet in Yahweh als haar eigen Elohim.

13Elia zei tegen haar: „Wees niet bang. Ga en doe wat je gezegd hebt. Maar maak eerst daarvan een klein rond brood voor mij en breng het naar mij. Daarna maak je iets voor jou en je zoon.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלֶ֤יהָ
(eleiha)
tot haar
אֵלִיָּ֨הוּ֙
(eliyahu)
Elia
אַל
(al)
niet
תִּ֣ירְאִ֔י
(tirei)
wees bang
בֹּ֖אִי
(boi)
ga
עֲשִׂ֣י
(asi)
doe
כִדְבָרֵ֑ךְ
(kidvarekh)
zoals je woord
אַ֣ךְ
(akh)
alleen
עֲשִׂי
(asi)
maak
לִ֣י
(li)
voor mij
מִ֠שָּׁם
(misham)
daarvan
עֻגָ֨ה
(uga)
een rond brood
קְטַנָּ֤ה
(qetana)
klein
בָרִאשֹׁנָה֙
(barishona)
eerst
וְהוֹצֵ֣אתְ
(vehotset)
en breng uit
לִ֔י
(li)
naar mij
וְלָ֣ךְ
(velakh)
en voor jou
וְלִבְנֵ֔ךְ
(velivnekh)
en voor je zoon
תַּעֲשִׂ֖י
(taasi)
maak je
בָּאַחֲרֹנָֽה
(baacharona)
daarna
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Elia’s woorden ‘Zo zegt Yahweh’ staan zwart, tussen enkele aanhalingstekens.

Elia citeert Yahweh; het zijn geen woorden van Yahweh in het verhaal zelf.

עֻגָה (ugah), ‘rond brood’: een klein plat brood, gebakken op hete as of stenen.

14Want zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘De kruik met meel zal niet leeg raken. Het flesje met olie zal niet opraken, tot de dag dat Yahweh regen geeft op het oppervlak van de grond.’”
כִּ֣י
(ki)
want
כֹה֩
(ko)
zo
אָמַ֨ר
(amar)
zegt
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
כַּ֤ד
(kad)
de kruik van
הַקֶּ֨מַח֙
(haqemach)
het meel
לֹ֣א
(lo)
niet
תִכְלָ֔ה
(tikhla)
zal leeg raken
וְצַפַּ֥חַת
(vetsapachat)
en het flesje van
הַשֶּׁ֖מֶן
(hashemen)
de olie
לֹ֣א
(lo)
niet
תֶחְסָ֑ר
(techsar)
zal opraken
עַ֠ד
(ad)
tot
י֧וֹם
(yom)
de dag
תֵּת
(tet)
geeft
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
גֶּ֖שֶׁם
(geshem)
regen
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het oppervlak van
הָאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft een andere vorm van het werkwoord (תתן, titten).

Het qere heeft ‘תֵּת’ (tet), ‘geven’.

De betekenis is gelijk.

Wij volgen het qere.

15Zij ging en deed naar het woord van Elia. Zij at, en hij en haar huis, dagenlang.
וַתֵּ֥לֶךְ
(vatelekh)
en ging
וַתַּעֲשֶׂ֖ה
(vataase)
en deed
כִּדְבַ֣ר
(kidvar)
naar het woord van
אֵלִיָּ֑הוּ
(eliyahu)
Elia
וַתֹּ֧אכַל
(vatokhal)
en at
הוא
(hu)
hij
הִֽיא
(hi)
zij
וָה֛וּא
(vahu)
en hij
וּבֵיתָ֖הּ
(uveitah)
en haar huis
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘en zij’ (וְהִיא).

Het qere heeft ‘zij en hij’ (הִיא וָהוּא).

In de tekst staat bovendien nog het woord ‘hij’ (הוא) zonder klinkers.

Wij volgen het qere en vertalen ‘zij at, en hij en haar huis’.

16De kruik met meel raakte niet leeg. Het flesje met olie raakte niet op, naar het woord van Yahweh dat Hij door Elia had gesproken.
כַּ֤ד
(kad)
de kruik van
הַקֶּ֨מַח֙
(haqemach)
het meel
לֹ֣א
(lo)
niet
כָלָ֔תָה
(kalata)
raakte leeg
וְצַפַּ֥חַת
(vetsapachat)
en het flesje van
הַשֶּׁ֖מֶן
(hashemen)
de olie
לֹ֣א
(lo)
niet
חָסֵ֑ר
(chaser)
raakte op
כִּדְבַ֣ר
(kidvar)
naar het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֖ר
(diber)
Hij sprak
בְּיַ֥ד
(beyad)
door de hand van
אֵלִיָּֽהוּ
(eliyahu)
Elia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De zoon van de weduwe

17Na deze gebeurtenissen werd de zoon van de vrouw, de bezitster van het huis, ziek. Zijn ziekte werd zeer ernstig, zo erg dat er geen adem meer in hem overbleef.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
אַחַר֙
(achar)
na
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de gebeurtenissen
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
חָלָ֕ה
(chala)
werd ziek
בֶּן
(ben)
de zoon van
הָאִשָּׁ֖ה
(haisha)
de vrouw
בַּעֲלַ֣ת
(baalat)
bezitster van
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
חָלְיוֹ֙
(chaleyo)
zijn ziekte
חָזָ֣ק
(chazaq)
sterk
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
עַ֛ד
(ad)
tot
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
נֽוֹתְרָה
(notera)
was overgebleven
בּ֖וֹ
(bo)
in hem
נְשָׁמָֽה
(neshama)
adem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְשָׁמָה (neshamah), ‘adem’: het kind ademde niet meer.

De vrouw is de ‘bezitster van het huis’ (בַּעֲלַת הַבַּיִת, ba’alat habayit): zij is de vrouw des huizes.

18Zij zei tegen Elia: „Wat heb ik met u te maken, man van Elohim? U bent bij mij gekomen om mijn schuld in herinnering te brengen en mijn zoon te laten sterven.”
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
אֵ֣לִיָּ֔הוּ
(eliyahu)
Elia
מַה
(ma)
wat
לִּ֥י
(li)
voor mij
וָלָ֖ךְ
(valakh)
en voor u
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
de Elohim
בָּ֧אתָ
(bata)
bent gekomen
אֵלַ֛י
(elay)
tot mij
לְהַזְכִּ֥יר
(lehazkir)
om te herinneren
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺנִ֖י
(avoni)
mijn schuld
וּלְהָמִ֥ית
(ulehamit)
en om te doden
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנִֽי
(beni)
mijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Wat heb ik met u te maken’ (מַה־לִּי וָלָךְ, mah-li valakh): letterlijk ‘wat is er voor mij en voor u?’.

Het betekent: wat hebben wij met elkaar te maken?

Zij ziet de ziekte van haar zoon als gevolg van haar schuld.

אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish haElohim), ‘man van Elohim’: een titel voor een profeet (zoals Deut. 33:1).

עָוֹן (avon), ‘schuld’: haar eigen zonde.

19Hij zei tegen haar: „Geef mij je zoon.” Hij nam hem uit haar schoot, bracht hem naar de bovenkamer waar hij zelf verbleef en legde hem op zijn bed.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלֶ֖יהָ
(eleiha)
tot haar
תְּנִֽי
(teni)
geef
לִ֣י
(li)
aan mij
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֑ךְ
(benekh)
je zoon
וַיִּקָּחֵ֣הוּ
(vayiqachehu)
en nam hem
מֵחֵיקָ֗הּ
(mecheiqah)
uit haar schoot
וַֽיַּעֲלֵ֨הוּ֙
(vayaalehu)
en bracht hem omhoog
אֶל
(el)
naar
הָעֲלִיָּ֗ה
(haaliya)
de bovenkamer
אֲשֶׁר
(asher)
waar
הוּא֙
(hu)
hij
יֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
verbleef
שָׁ֔ם
(sham)
daar
וַיַּשְׁכִּבֵ֖הוּ
(vayashkivehu)
en legde hem neer
עַל
(al)
op
מִטָּתֽוֹ
(mitato)
zijn bed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲלִיָּה (aliyyah), ‘bovenkamer’: een kamer op het platte dak of op de eerste verdieping, zoals in Richt. 3:20.

20Hij riep tot Yahweh. Hij zei: „Yahweh, mijn Elohim, hebt U ook over de weduwe, bij wie ik als gast verblijf, kwaad gebracht door haar zoon te laten sterven?”
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en riep
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֔י
(elohay)
mijn Elohim
הֲ֠גַם
(hagam)
ook
עַל
(al)
over
הָאַלְמָנָ֞ה
(haalmana)
de weduwe
אֲשֶׁר
(asher)
bij wie
אֲנִ֨י
(ani)
ik
מִתְגּוֹרֵ֥ר
(mitgorer)
verblijf als gast
עִמָּ֛הּ
(imah)
met haar
הֲרֵע֖וֹתָ
(hareota)
hebt U kwaad gedaan
לְהָמִ֥ית
(lehamit)
door te laten sterven
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנָֽהּ
(benah)
haar zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִתְגּוֹרֵר (mitgorer), ‘als gast verblijven’: wonen als vreemdeling.

21Hij strekte zich drie keer over het kind uit. Hij riep tot Yahweh en zei: „Yahweh, mijn Elohim, laat toch de ziel van dit kind in hem terugkeren.”
וַיִּתְמֹדֵ֤ד
(vayitmoded)
en strekte zich uit
עַל
(al)
over
הַיֶּ֨לֶד֙
(hayeled)
het kind
שָׁלֹ֣שׁ
(shalosh)
drie
פְּעָמִ֔ים
(peamim)
keer
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en riep
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֔י
(elohay)
mijn Elohim
תָּ֥שָׁב
(tashav)
laat terugkeren
נָ֛א
(na)
toch
נֶֽפֶשׁ
(nefesh)
de ziel van
הַיֶּ֥לֶד
(hayeled)
het kind
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
עַל
(al)
in
קִרְבּֽוֹ
(qirbo)
zijn binnenste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּתְמֹדֵד (wayyitmoded), ‘hij strekte zich uit’: hij legde zich met zijn hele lichaam over het kind.

Vergelijk 2 Kon. 4:34.

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het leven van het kind. Wij vertalen ‘ziel’, zoals in Gen. 35:18.

קֶרֶב (qerev), ‘binnenste’: het lichaam.

22Yahweh luisterde naar de stem van Elia. De ziel van het kind keerde in hem terug en hij leefde.
וַיִּשְׁמַ֥ע
(vayishma)
en luisterde
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
אֵלִיָּ֑הוּ
(eliyahu)
Elia
וַתָּ֧שָׁב
(vatashav)
en keerde terug
נֶֽפֶשׁ
(nefesh)
de ziel van
הַיֶּ֛לֶד
(hayeled)
het kind
עַל
(al)
in
קִרְבּ֖וֹ
(qirbo)
zijn binnenste
וַיֶּֽחִי
(vayechi)
en hij leefde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt: ‘de ziel van het kind keerde in zijn binnenste terug’.

Vergelijk Gen. 35:18, waar de ziel uitgaat.

23Elia nam het kind en bracht hem van de bovenkamer naar beneden, het huis in. Hij gaf hem aan zijn moeder. Elia zei: „Kijk, je zoon leeft.”
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
אֵלִיָּ֜הוּ
(eliyahu)
Elia
אֶת
(et)
(obj.)
הַיֶּ֗לֶד
(hayeled)
het kind
וַיֹּרִדֵ֤הוּ
(vayoridehu)
en bracht hem naar beneden
מִן
(min)
van
הָעֲלִיָּה֙
(haaliya)
de bovenkamer
הַבַּ֔יְתָה
(habayta)
het huis in
וַֽיִּתְּנֵ֖הוּ
(vayitenehu)
en gaf hem
לְאִמּ֑וֹ
(leimo)
aan zijn moeder
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
אֵ֣לִיָּ֔הוּ
(eliyahu)
Elia
רְאִ֖י
(rei)
zie
חַ֥י
(chay)
leeft
בְּנֵֽךְ
(benekh)
je zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24De vrouw zei tegen Elia: „Nu weet ik hierdoor dat u een man van Elohim bent. Het woord van Yahweh in uw mond is waarheid.”
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en zei
הָֽאִשָּׁה֙
(haisha)
de vrouw
אֶל
(el)
tot
אֵ֣לִיָּ֔הוּ
(eliyahu)
Elia
עַתָּה֙
(ata)
nu
זֶ֣ה
(ze)
hierdoor
יָדַ֔עְתִּי
(yadati)
weet ik
כִּ֛י
(ki)
dat
אִ֥ישׁ
(ish)
man van
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אָ֑תָּה
(ata)
u
וּדְבַר
(udevar)
en het woord van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּפִ֖יךָ
(befikha)
in uw mond
אֱמֶֽת
(emet)
waarheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Waarheid’ (אֱמֶת, emet): het woord van Yahweh in zijn mond blijkt betrouwbaar.

Vergelijk de toets van een profeet in Deut. 18:21–22.