Elohim Bijbel

2 Koningen 23

12345678910111213141516171819202122232425

Josia sluit het verbond en ruimt de afgoderij op

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Josia sluit het verbond

1De koning stuurde bericht. Alle oudsten van Juda en Jeruzalem kwamen bij hem bijeen.
וַיִּשְׁלַ֖ח
(vayishlach)
en stuurde
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיַּאַסְפ֣וּ
(vayaasfu)
en zij verzamelden zich
אֵלָ֔יו
(elav)
bij hem
כָּל
(kal)
alle
זִקְנֵ֥י
(ziqnei)
oudsten van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וִירוּשָׁלִָֽם
(virushaliam)
en Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

In de tekst staat alleen ‘de koning stuurde’, zonder voorwerp.

Wij vertalen ‘stuurde bericht’ en voegen niets toe.

Zie ook 2 Kron. 34:29.

2De koning ging naar het huis van Yahweh. Alle mannen van Juda en alle inwoners van Jeruzalem gingen met hem mee, ook de priesters en de profeten. Zo ook heel het volk, van klein tot groot. Hij las hun alle woorden voor van het boek van het verbond dat in het huis van Yahweh was gevonden.
וַיַּ֣עַל
(vayaal)
en ging op
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בֵּית
(beit)
huis van
יְהוָ֡ה
(Yahweh)
Yahweh
וְכָל
(vekhal)
en alle
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
יְהוּדָה֩
(yehuda)
Juda
וְכָל
(vekhal)
en alle
יֹשְׁבֵ֨י
(yoshevei)
inwoners van
יְרוּשָׁלִַ֜ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
אִתּ֗וֹ
(ito)
met hem
וְהַכֹּֽהֲנִים֙
(vehakohanim)
en de priesters
וְהַנְּבִיאִ֔ים
(vehaneviim)
en de profeten
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לְמִקָּטֹ֣ן
(lemiqaton)
van klein
וְעַד
(vead)
en tot
גָּד֑וֹל
(gadol)
groot
וַיִּקְרָ֣א
(vayiqra)
en las
בְאָזְנֵיהֶ֗ם
(beazeneihem)
in hun oren
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵי֙
(divrei)
woorden van
סֵ֣פֶר
(sefer)
boek van
הַבְּרִ֔ית
(haberit)
het verbond
הַנִּמְצָ֖א
(hanimtsa)
dat gevonden is
בְּבֵ֥ית
(beveit)
in het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

סֵפֶר הַבְּרִית (sefer haberit), ‘het boek van het verbond’: in 2 Kon. 22:8 heet het gevonden boek ‘het boek van de wet’, hier ‘het boek van het verbond’.

Dezelfde woorden staan in Exod. 24:7.

De tekst zegt niet of het om hetzelfde boek gaat; wij vertalen beide namen letterlijk.

Zie ook 2 Kron. 34:30.

3De koning ging bij de zuil staan en sloot het verbond voor het aangezicht van Yahweh. Hij zou achter Yahweh aan gaan en Zijn geboden, Zijn getuigenissen en Zijn voorschriften houden, met heel zijn hart en heel zijn ziel. Zo zou hij de woorden van dit verbond laten gelden, die in dit boek geschreven staan. Heel het volk trad toe tot het verbond.
וַיַּעֲמֹ֣ד
(vayaamod)
en stond
הַ֠מֶּלֶךְ
(hamelekh)
de koning
עַֽל
(al)
op
הָ֨עַמּ֜וּד
(haamud)
de zuil
וַיִּכְרֹ֥ת
(vayikhrot)
en sloot
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַבְּרִ֣ית
(haberit)
het verbond
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לָלֶ֜כֶת
(lalekhet)
om te gaan
אַחַ֤ר
(achar)
achter
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְלִשְׁמֹ֨ר
(velishmor)
en om te houden
מִצְוֺתָ֜יו
(mitsvotav)
Zijn geboden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֵדְוֺתָ֤יו
(edevotav)
Zijn getuigenissen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֻקֹּתָיו֙
(chuqotav)
Zijn voorschriften
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לֵ֣ב
(lev)
hart
וּבְכָל
(uvekhal)
en met heel
נֶ֔פֶשׁ
(nefesh)
ziel
לְהָקִ֗ים
(lehaqim)
om te laten gelden
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵי֙
(divrei)
woorden van
הַבְּרִ֣ית
(haberit)
het verbond
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
הַכְּתֻבִ֖ים
(haketuvim)
die geschreven zijn
עַל
(al)
op
הַסֵּ֣פֶר
(hasefer)
het boek
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
וַיַּעֲמֹ֥ד
(vayaamod)
en stond
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
בַּבְּרִֽית
(baberit)
in het verbond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָעַמּוּד (ha’ammud), ‘de zuil’: de plaats in het huis van Yahweh waar de koning staat bij een plechtigheid.

Zie ook 2 Kon. 11:14.

עֵדְוֺת (edot), ‘getuigenissen’ en חֻקִּים (chuqqim), ‘voorschriften’: zoals in Deut. 6:17.

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het levende wezen met zijn verlangen en zijn leven. ‘Met heel zijn hart en heel zijn ziel’ staat ook in Deut. 6:5.

וַיַּעֲמֹד … בַּבְּרִית (vayya’amod … baberit), ‘stond in het verbond’: het volk trad toe tot het verbond. Wij vertalen ‘trad toe’.

De afgoderij wordt weggedaan

4De koning gaf een bevel aan Hilkia, de hogepriester, aan de priesters van de tweede rang en aan de wachters van de drempel. Zij moesten uit de tempel van Yahweh alle voorwerpen halen. Die waren gemaakt voor Baäl, voor de heilige paal en voor het hele leger van de hemel. Hij verbrandde ze buiten Jeruzalem, in de velden van Kidron. Hun as liet hij naar Betel brengen.
וַיְצַ֣ו
(vaytsav)
en gebood
הַמֶּ֡לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
חִלְקִיָּהוּ֩
(chilqiyahu)
Hilkia
הַכֹּהֵ֨ן
(hakohen)
de priester
הַגָּד֜וֹל
(hagadol)
de grote
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כֹּהֲנֵ֣י
(kohanei)
priesters van
הַמִּשְׁנֶה֮
(hamishne)
de tweede rang
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שֹׁמְרֵ֣י
(shomerei)
wachters van
הַסַּף֒
(hasaf)
de drempel
לְהוֹצִיא֙
(lehotsi)
om uit te brengen
מֵהֵיכַ֣ל
(meheikhal)
uit de tempel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַכֵּלִ֗ים
(hakelim)
de voorwerpen
הָֽעֲשׂוּיִם֙
(haasuyim)
die gemaakt waren
לַבַּ֣עַל
(labaal)
voor Baäl
וְלָֽאֲשֵׁרָ֔ה
(velaashera)
en voor de heilige paal
וּלְכֹ֖ל
(ulekhol)
en voor alle
צְבָ֣א
(tseva)
leger van
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
וַֽיִּשְׂרְפֵ֞ם
(vayisrefem)
en hij verbrandde ze
מִח֤וּץ
(michuts)
buiten
לִירוּשָׁלִַ֨ם֙
(lirushaliam)
Jeruzalem
בְּשַׁדְמ֣וֹת
(beshadmot)
in de velden van
קִדְר֔וֹן
(qidron)
Kidron
וְנָשָׂ֥א
(venasa)
en droeg
אֶת
(et)
(obj.)
עֲפָרָ֖ם
(afaram)
hun as
בֵּֽית
(beit)
Bet
אֵֽל
(el)
El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kidron: het dal ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg.

Zie ook 1 Kon. 2:37.

Betel ligt ongeveer 17 kilometer ten noorden van Jeruzalem, bij het huidige Beitin (Westelijke Jordaanoever).

Betel was de plaats van het gouden kalf (1 Kon. 12:29); de tekst zegt niet waarom de as daarheen wordt gebracht.

Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg.

Uitleg

אֲשֵׁרָה (asherah), ‘heilige paal’: een houten paal bij een heiligdom, gewijd aan de godin Asjera.

Manasse had zo’n paal in het huis van Yahweh gezet (2 Kon. 21:7).

Zie ook Richt. 6:25–30 en 1 Kon. 15:13.

צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘het leger van de hemel’: de zon, de maan en de sterren die als goden werden vereerd. Zie ook 2 Kon. 21:3.

כֹּהֲנֵי הַמִּשְׁנֶה (kohanei hamishneh), ‘priesters van de tweede rang’: letterlijk ‘priesters van de tweede’, de priesters onder de hogepriester. Zie ook 2 Kon. 25:18.

שַׁדְמוֹת (shadmot), ‘velden’: de betekenis van het woord is niet zeker; het kan ook om terrassen gaan.

הֵיכַל (hekal), ‘tempel’: hier wordt het woord ‘tempel’ van Yahweh gebruikt, elders ‘huis van Yahweh’.

5Hij zette de afgodspriesters af. De koningen van Juda hadden hen aangesteld om offerrook te laten opgaan op de hoogten in de steden van Juda en rondom Jeruzalem. Ook zette hij hen af die offerrook lieten opgaan. Dat was voor Baäl, voor de zon, voor de maan, voor de sterrenbeelden en voor het hele leger van de hemel.
וְהִשְׁבִּ֣ית
(vehishbit)
en liet ophouden
אֶת
(et)
(obj.)
הַכְּמָרִ֗ים
(hakemarim)
de afgodspriesters
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
נָֽתְנוּ֙
(natenu)
hadden aangesteld
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וַיְקַטֵּ֤ר
(vayqater)
en liet offerrook opgaan
בַּבָּמוֹת֙
(babamot)
op de hoogten
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
in steden van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וּמְסִבֵּ֖י
(umesibei)
en rondom
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַֽמְקַטְּרִ֣ים
(hamqaterim)
hen die offerrook lieten opgaan
לַבַּ֗עַל
(labaal)
voor Baäl
לַשֶּׁ֤מֶשׁ
(lashemesh)
voor de zon
וְלַיָּרֵ֨חַ֙
(velayareach)
en voor de maan
וְלַמַּזָּל֔וֹת
(velamazalot)
en voor de sterrenbeelden
וּלְכֹ֖ל
(ulekhol)
en voor alle
צְבָ֥א
(tseva)
leger van
הַשָּׁמָֽיִם
(hashamayim)
de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

כְּמָרִים (kemarim), ‘afgodspriesters’: een woord dat alleen voor priesters van andere goden wordt gebruikt.

Het staat ook in Hos. 10:5 en Zef. 1:4.

בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen buiten Jeruzalem op heuvels en bergen. Zie Deut. 12:2–14 en 1 Kon. 3:2.

מַזָּלוֹת (mazzalot), ‘sterrenbeelden’: de betekenis van het woord is niet zeker; het kan gaan om de tekens van de dierenriem of om planeten.

6Hij haalde de heilige paal uit het huis van Yahweh en bracht hem buiten Jeruzalem, naar de beek Kidron. Hij verbrandde hem in de beek Kidron en vermaalde hem tot stof. Het stof wierp hij op het graf van de gewone mensen.
וַיֹּצֵ֣א
(vayotse)
en bracht uit
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֲשֵׁרָה֩
(haashera)
de heilige paal
מִבֵּ֨ית
(mibeit)
uit het huis van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
מִח֤וּץ
(michuts)
buiten
לִירוּשָׁלִַ֨ם֙
(lirushaliam)
Jeruzalem
אֶל
(el)
naar
נַ֣חַל
(nachal)
beek
קִדְר֔וֹן
(qidron)
Kidron
וַיִּשְׂרֹ֥ף
(vayisrof)
en verbrandde
אֹתָ֛הּ
(otah)
haar
בְּנַ֥חַל
(benachal)
in de beek
קִדְר֖וֹן
(qidron)
Kidron
וַיָּ֣דֶק
(vayadeq)
en vermaalde
לְעָפָ֑ר
(leafar)
tot stof
וַיַּשְׁלֵךְ֙
(vayashlekh)
en wierp
אֶת
(et)
(obj.)
עֲפָרָ֔הּ
(afarah)
haar stof
עַל
(al)
op
קֶ֖בֶר
(qever)
graf van
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg.

Uitleg

בְּנֵי הָעָם (benei ha’am), ‘de gewone mensen’: letterlijk ‘de zonen van het volk’.

Het graf lag in het Kidrondal.

Zie ook Jer. 26:23.

De heilige paal was door Manasse in het huis geplaatst (2 Kon. 21:7). De beek Kidron is een droog dal dat alleen in de regentijd water voert (נַחַל, nachal).

7Hij brak de huizen van de mannelijke tempelhoeren af, die in het huis van Yahweh stonden. De vrouwen weefden daar huizen voor de heilige paal.
וַיִּתֹּץ֙
(vayitots)
en brak af
אֶת
(et)
(obj.)
בָּתֵּ֣י
(batei)
huizen van
הַקְּדֵשִׁ֔ים
(haqedeshim)
de mannelijke tempelhoeren
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
הַנָּשִׁ֗ים
(hanashim)
de vrouwen
אֹרְג֥וֹת
(oregot)
weefden
שָׁ֛ם
(sham)
daar
בָּתִּ֖ים
(batim)
huizen
לָאֲשֵׁרָֽה
(laashera)
voor de heilige paal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַקְּדֵשִׁים (haqedeshim), ‘de mannelijke tempelhoeren’: zoals in 1 Kon. 14:24, 15:12 en 22:47.

Lezing

בָּתִּים (battim), ‘huizen’: de betekenis is hier niet zeker.

Het kan gaan om tentjes of om kleden.

Sommige oude vertalingen lezen een ander woord.

Wij vertalen letterlijk.

8Hij liet alle priesters uit de steden van Juda komen. Hij maakte de hoogten onrein waar de priesters offerrook hadden laten opgaan, van Geba tot Beër-Sjeba. Hij brak de hoogten van de poorten af. Die stonden bij de ingang van de poort van Jozua, de stadsoverste, aan de linkerhand van een man bij de poort van de stad.
וַיָּבֵ֤א
(vayave)
en bracht
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַכֹּֽהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
מֵעָרֵ֣י
(mearei)
uit steden van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וַיְטַמֵּ֣א
(vaytame)
en maakte onrein
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּמ֗וֹת
(habamot)
de hoogten
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waar
קִטְּרוּ
(qiteru)
hadden laten opgaan
שָׁ֨מָּה֙
(shama)
daar
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
מִגֶּ֖בַע
(migeva)
van Geba
עַד
(ad)
tot
בְּאֵ֣ר
(beer)
Beër
שָׁ֑בַע
(shava)
Sjeba
וְנָתַ֞ץ
(venatats)
en brak af
אֶת
(et)
(obj.)
בָּמ֣וֹת
(bamot)
hoogten van
הַשְּׁעָרִ֗ים
(hashearim)
de poorten
אֲשֶׁר
(asher)
die
פֶּ֜תַח
(petach)
ingang van
שַׁ֤עַר
(shaar)
poort van
יְהוֹשֻׁ֨עַ֙
(yehoshua)
Jozua
שַׂר
(sar)
overste van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
אֲשֶֽׁר
(asher)
die
עַל
(al)
op
שְׂמֹ֥אול
(semovl)
linkerhand
אִ֖ישׁ
(ish)
man
בְּשַׁ֥עַר
(beshaar)
in poort van
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Geba (nu Jaba) lag in Benjamin, ten noorden van Jeruzalem.

Beër-Sjeba lag in het zuiden van Juda, bij het huidige Beër-Sjeva (Israël).

‘Van Geba tot Beër-Sjeba’ betekent het hele land Juda, van noord tot zuid.

Zie ook 1 Kon. 15:22 en 1 Kon. 19:3.

Uitleg

בָּמוֹת הַשְּׁעָרִים (bamot hasha’arim), ‘hoogten van de poorten’: de Masoretische tekst heeft ‘poorten’.

Sommige oude vertalingen lezen hier een ander woord.

Wij volgen de Masoretische tekst.

שַׂר הָעִיר (sar ha’ir), ‘stadsoverste’: zoals in 1 Kon. 22:26.

9Alleen gingen de priesters van de hoogten niet op naar het altaar van Yahweh in Jeruzalem. Zij aten wel ongezuurde broden te midden van hun broeders.
אַ֗ךְ
(akh)
alleen
לֹ֤א
(lo)
niet
יַֽעֲלוּ֙
(yaalu)
gingen op
כֹּהֲנֵ֣י
(kohanei)
priesters van
הַבָּמ֔וֹת
(habamot)
de hoogten
אֶל
(el)
naar
מִזְבַּ֥ח
(mizbach)
altaar van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
כִּ֛י
(ki)
maar
אִם
(im)
wel
אָכְל֥וּ
(akhelu)
aten
מַצּ֖וֹת
(matsot)
ongezuurde broden
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
te midden van
אֲחֵיהֶֽם
(acheihem)
hun broeders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מַצּוֹת (matsot), ‘ongezuurde broden’: zoals in Deut. 16:3.

De tekst zegt niet waarom de priesters van de hoogten niet opgingen naar het altaar.

Zie ook Deut. 18:6–8 over de Levieten van buiten Jeruzalem.

10Hij maakte Tofet onrein, dat in het dal van Ben-Hinnom ligt. Zo kon niemand meer zijn zoon of zijn dochter door het vuur laten gaan voor Molech.
וְטִמֵּ֣א
(vetime)
en maakte onrein
אֶת
(et)
(obj.)
הַתֹּ֔פֶת
(hatofet)
Tofet
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
בְּגֵ֣י
(begei)
in het dal van
בֶן
(ben)
zoon van
הִנֹּ֑ם
(hinom)
Hinnom
לְבִלְתִּ֗י
(levilti)
zodat niet
לְהַעֲבִ֨יר
(lehaavir)
liet doorgaan
אִ֜ישׁ
(ish)
man
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנ֧וֹ
(beno)
zijn zoon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בִּתּ֛וֹ
(bito)
zijn dochter
בָּאֵ֖שׁ
(baesh)
door het vuur
לַמֹּֽלֶךְ
(lamolekh)
voor Molech
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tofet lag in het dal van Ben-Hinnom, ten zuiden en westen van Jeruzalem (Joz. 15:8).

De precieze plek is niet bekend.

Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem.

Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin.

Uitleg

תֹּפֶת (tofet), ‘Tofet’: de naam van de plaats waar kinderen aan Molech werden geofferd.

De betekenis van de naam is onzeker.

Zie ook Lev. 18:21, Lev. 20:2–5 en Deut. 18:10.

Molech: zie 1 Kon. 11:7.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘de zonen van Hinnom’ (בני), het qere ‘de zoon van Hinnom’ (בֶן).

Wij volgen het qere, zoals in Joz. 15:8.

11Hij schafte de paarden af die de koningen van Juda aan de zon hadden gegeven. Dat was van de ingang van het huis van Yahweh tot de kamer van Netan-Melech, de hofdienaar, in de Parvarim. De wagens van de zon verbrandde hij met vuur.
וַיַּשְׁבֵּ֣ת
(vayashbet)
en maakte een einde aan
אֶת
(et)
(obj.)
הַסּוּסִ֗ים
(hasusim)
de paarden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נָתְנוּ֩
(natenu)
hadden gegeven
מַלְכֵ֨י
(malkhei)
koningen van
יְהוּדָ֤ה
(yehuda)
Juda
לַשֶּׁ֨מֶשׁ֙
(lashemesh)
aan de zon
מִבֹּ֣א
(mibo)
van de ingang van
בֵית
(beit)
huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
לִשְׁכַּת֙
(lishkat)
kamer van
נְתַן
(netan)
Netan
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
Melech
הַסָּרִ֔יס
(hasaris)
de hofdienaar
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בַּפַּרְוָרִ֑ים
(baparvarim)
in de Parvarim
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַרְכְּב֥וֹת
(markevot)
wagens van
הַשֶּׁ֖מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
שָׂרַ֥ף
(saraf)
verbrandde hij
בָּאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tekst zegt niet hoe de paarden aan de zon werden gewijd.

Zij stonden ‘van de ingang van het huis van Yahweh tot de kamer van Netan-Melech’.

סָרִיס (saris), ‘hofdienaar’: zoals in 1 Kon. 22:9.

פַּרְוָרִים (parvarim), ‘de Parvarim’: een plaats of gebouw bij het huis van Yahweh. De betekenis van het woord is onzeker. Het lijkt op het woord ‘Parbar’ in 1 Kron. 26:18. Wij schrijven ‘Parvarim’.

12De koning brak de altaren af die op het dak stonden, de bovenkamer van Achaz, die de koningen van Juda hadden gemaakt. Hij brak ook de altaren af die Manasse had gemaakt in de twee voorhoven van het huis van Yahweh. Hij rende daar vandaan en wierp hun stof in de beek Kidron.
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
הַֽמִּזְבְּח֡וֹת
(hamizbechot)
de altaren
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
הַגָּג֩
(hagag)
het dak
עֲלִיַּ֨ת
(aliyat)
bovenkamer van
אָחָ֜ז
(achaz)
Achaz
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשׂ֣וּ
(asu)
maakten
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַֽמִּזְבְּחוֹת֙
(hamizbechot)
de altaren
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשָׂ֣ה
(asa)
maakte
מְנַשֶּׁ֔ה
(menashe)
Manasse
בִּשְׁתֵּ֛י
(bishtei)
in twee
חַצְר֥וֹת
(chatsrot)
voorhoven van
בֵּית
(beit)
huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
נָתַ֣ץ
(natats)
brak af
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיָּ֣רָץ
(vayarats)
en rende
מִשָּׁ֔ם
(misham)
vandaan
וְהִשְׁלִ֥יךְ
(vehishlikh)
en wierp
אֶת
(et)
(obj.)
עֲפָרָ֖ם
(afaram)
hun stof
אֶל
(el)
naar
נַ֥חַל
(nachal)
beek
קִדְרֽוֹן
(qidron)
Kidron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg.

Uitleg

De altaren op het dak van de bovenkamer van Achaz zijn niet eerder genoemd.

Voor de altaren van Manasse in de voorhoven zie 2 Kon. 21:5.

Lezing

וַיָּרָץ (vayyarats), ‘hij rende’: het werkwoord is ongewoon bij het afbreken van altaren.

Sommige oude vertalingen lezen een ander werkwoord.

Wij volgen de Masoretische tekst en vertalen letterlijk.

13De koning maakte de hoogten onrein die tegenover Jeruzalem lagen, rechts van de Berg van het Verderf. Salomo, de koning van Israël, had ze gebouwd voor Astarte, de gruwel van de Sidoniërs, en voor Kemosj, de gruwel van Moab. Ook voor Milkom, de afschuw van de zonen van Ammon, had Salomo ze gebouwd.
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
הַבָּמ֞וֹת
(habamot)
de hoogten
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
אֲשֶׁר֮
(asher)
die
מִימִ֣ין
(mimin)
rechts van
לְהַר
(lehar)
de berg van
הַמַּשְׁחִית֒
(hamashchit)
het verderf
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בָּ֠נָה
(bana)
bouwde
שְׁלֹמֹ֨ה
(shelomo)
Salomo
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
לְעַשְׁתֹּ֣רֶת
(leashtoret)
voor Astarte
שִׁקֻּ֣ץ
(shiquts)
gruwel van
צִידֹנִ֗ים
(tsidonim)
de Sidoniërs
וְלִכְמוֹשׁ֙
(velikhmosh)
en voor Kemosj
שִׁקֻּ֣ץ
(shiquts)
gruwel van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וּלְמִלְכֹּ֖ם
(ulemilkom)
en voor Milkom
תּוֹעֲבַ֣ת
(toavat)
afschuw van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
עַמּ֑וֹן
(amon)
Ammon
טִמֵּ֖א
(time)
maakte onrein
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Berg van het Verderf (הַר הַמַּשְׁחִית, har hamashchit): letterlijk ‘berg van de verderver’ of ‘berg van het verderf’.

Het is waarschijnlijk de berg tegenover Jeruzalem uit 1 Kon. 11:7.

Vaak wordt gedacht aan de Olijfberg, ten oosten van Jeruzalem.

Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Uitleg

שִׁקֻּץ (shiqquts), ‘gruwel’, en תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘afschuw’: twee woorden voor wat Yahweh verafschuwt.

Wij maken het verschil zichtbaar.

Zie ook 1 Kon. 11:5–7.

14Hij verbrijzelde de gewijde stenen en hakte de heilige palen om. Hij vulde hun plaats met botten van mensen.
וְשִׁבַּר֙
(veshibar)
en verbrijzelde
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּצֵּב֔וֹת
(hamatsevot)
de gewijde stenen
וַיִּכְרֹ֖ת
(vayikhrot)
en hakte om
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֲשֵׁרִ֑ים
(haasherim)
de heilige palen
וַיְמַלֵּ֥א
(vaymale)
en vulde
אֶת
(et)
(obj.)
מְקוֹמָ֖ם
(meqomam)
hun plaats
עַצְמ֥וֹת
(atsmot)
botten van
אָדָֽם
(adam)
mensen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַצֵּבוֹת (matsevot), ‘gewijde stenen’: rechtopstaande stenen bij een heiligdom.

Zie ook Exod. 23:24 en Deut. 12:3.

אֲשֵׁרִים (asherim), ‘heilige palen’: het meervoud van asherah. Zie bij vers 4 en 1 Kon. 14:23.

Botten van mensen maken onrein (Num. 19:16).

Betel en Samaria

15Ook het altaar in Betel: de hoogte die Jerobeam, de zoon van Nebat, had gemaakt, hij die Israël liet zondigen. Ook dat altaar en die hoogte brak hij af. Hij verbrandde de hoogte, vermaalde haar tot stof en verbrandde de heilige paal.
וְגַ֨ם
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּזְבֵּ֜חַ
(hamizbeach)
het altaar
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בְּבֵֽית
(beveit)
in Bet
אֵ֗ל
(el)
El
הַבָּמָה֙
(habama)
de hoogte
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
עָשָׂ֜ה
(asa)
maakte
יָרָבְעָ֤ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָט֙
(nevat)
Nebat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הֶחֱטִ֣יא
(hecheti)
liet zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
גַּ֣ם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּזְבֵּ֧חַ
(hamizbeach)
het altaar
הַה֛וּא
(hahu)
dat
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַבָּמָ֖ה
(habama)
de hoogte
נָתָ֑ץ
(natats)
brak af
וַיִּשְׂרֹ֧ף
(vayisrof)
en verbrandde
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּמָ֛ה
(habama)
de hoogte
הֵדַ֥ק
(hedaq)
vermaalde
לְעָפָ֖ר
(leafar)
tot stof
וְשָׂרַ֥ף
(vesaraf)
en verbrandde
אֲשֵׁרָֽה
(ashera)
heilige paal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

Jerobeam maakte het altaar en de hoogte in Betel (1 Kon. 12:28–33).

‘Die Israël liet zondigen’ staat vaker bij Jerobeam.

Zie ook 1 Kon. 13:1–3.

16Josia wendde zich om en zag de graven die daar op de berg waren. Hij liet de botten uit de graven halen en verbrandde ze op het altaar. Zo maakte hij het onrein, volgens het woord van Yahweh dat de man van Elohim had uitgeroepen, hij die deze woorden had uitgeroepen.
וַיִּ֣פֶן
(vayifen)
en keerde zich om
יֹאשִׁיָּ֗הוּ
(yoshiyahu)
Josia
וַיַּ֨רְא
(vayar)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
הַקְּבָרִ֤ים
(haqevarim)
de graven
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׁם֙
(sham)
daar
בָּהָ֔ר
(bahar)
op de berg
וַיִּשְׁלַ֗ח
(vayishlach)
en stuurde
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽעֲצָמוֹת֙
(haatsamot)
de botten
מִן
(min)
uit
הַקְּבָרִ֔ים
(haqevarim)
de graven
וַיִּשְׂרֹ֥ף
(vayisrof)
en verbrandde
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
וַֽיְטַמְּאֵ֑הוּ
(vaytameehu)
en maakte het onrein
כִּדְבַ֣ר
(kidvar)
volgens het woord van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
קָרָא֙
(qara)
riep uit
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
קָרָ֔א
(qara)
riep uit
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Josia wordt al in 1 Kon. 13:2 bij naam genoemd.

De man van Elohim uit Juda riep daar uit dat op het altaar de botten van mensen zouden worden verbrand.

Hier gebeurt dat.

Zie ook 1 Kon. 13:1–3.

In de tekst staat letterlijk ‘hij stuurde en nam’. Wij vertalen ‘liet halen’.

17Hij zei: „Wat is dat voor een gedenkteken dat ik zie?” De mannen van de stad zeiden tegen hem: „Dat is het graf van de man van Elohim die uit Juda kwam. Hij riep deze dingen uit, die jij hebt gedaan tegen het altaar van Betel.”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
מָ֚ה
(ma)
wat
הַצִּיּ֣וּן
(hatsiyun)
het gedenkteken
הַלָּ֔ז
(halaz)
dat
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat daar
אֲנִ֣י
(ani)
ik
רֹאֶ֑ה
(roe)
zie
וַיֹּאמְר֨וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵלָ֜יו
(elav)
tot hem
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
הָעִ֗יר
(hair)
de stad
הַקֶּ֤בֶר
(haqever)
het graf
אִישׁ
(ish)
man van
הָֽאֱלֹהִים֙
(haElohim)
Elohim
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֣א
(ba)
kwam
מִֽיהוּדָ֔ה
(mihuda)
uit Juda
וַיִּקְרָ֗א
(vayiqra)
en riep uit
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֤ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֨לֶּה֙
(haele)
deze
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשִׂ֔יתָ
(asita)
je hebt gedaan
עַ֖ל
(al)
tegen
הַמִּזְבַּ֥ח
(hamizbach)
het altaar
בֵּֽית
(beit)
Bet
אֵֽל
(el)
El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron.

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

צִיּוּן (tsiyyun), ‘gedenkteken’: een teken of steen bij een graf.

De mannen van de stad zeggen dat dit het graf is van de man van Elohim uit 1 Kon. 13.

18Hij zei: „Laat hem rusten. Niemand mag zijn botten verplaatsen.” Zij spaarden zijn botten, samen met de botten van de profeet die uit Samaria was gekomen.
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
הַנִּ֣יחוּ
(hanichu)
laat rusten
ל֔וֹ
(lo)
hem
אִ֖ישׁ
(ish)
man
אַל
(al)
niet
יָנַ֣ע
(yana)
mag verplaatsen
עַצְמֹתָ֑יו
(atsmotav)
zijn botten
וַֽיְמַלְּטוּ֙
(vaymaletu)
en zij spaarden
עַצְמֹתָ֔יו
(atsmotav)
zijn botten
אֵ֚ת
(et)
met
עַצְמ֣וֹת
(atsmot)
botten van
הַנָּבִ֔יא
(hanavi)
de profeet
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֖א
(ba)
kwam
מִשֹּׁמְרֽוֹן
(mishomeron)
uit Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

‘De profeet die uit Samaria was gekomen’ is de oude profeet uit Betel, die naast de man van Elohim begraven werd (1 Kon. 13:11 en 13:29–31).

De stad Samaria werd pas later gebouwd (1 Kon. 16:24).

Hier staat ‘Samaria’ voor het gebied van het noordrijk.

וַיְמַלְּטוּ (vayemalletu), ‘zij spaarden’: letterlijk ‘zij lieten ontkomen’.

19Ook alle huizen van de hoogten in de steden van Samaria verwijderde Josia. De koningen van Israël hadden ze gemaakt om Yahweh tot toorn te prikkelen. Hij deed met hen precies wat hij in Betel had gedaan.
וְגַם֩
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
בָּתֵּ֨י
(batei)
huizen van
הַבָּמ֜וֹת
(habamot)
de hoogten
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
in steden van
שֹׁמְר֗וֹן
(shomeron)
Samaria
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
עָשׂ֜וּ
(asu)
maakten
מַלְכֵ֤י
(malkhei)
koningen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לְהַכְעִ֔יס
(lehakhis)
om tot toorn te prikkelen
הֵסִ֖יר
(hesir)
verwijderde
יֹֽאשִׁיָּ֑הוּ
(yoshiyahu)
Josia
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en deed
לָהֶ֔ם
(lahem)
met hen
כְּכָל
(kekhal)
volgens alle
הַֽמַּעֲשִׂ֔ים
(hamaasim)
de daden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשָׂ֖ה
(asa)
hij deed
בְּבֵֽית
(beveit)
in Bet
אֵֽל
(el)
El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria (streek): Samaria is hier de naam van de streek rond de stad, het bergland van het noordrijk Israël.

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

לְהַכְעִיס (lehakh’is), ‘tot toorn te prikkelen’: de tekst heeft geen voorwerp.

Wij vullen ‘Yahweh’ aan.

Voor de huizen van de hoogten in de steden van Samaria zie 2 Kon. 17:29.

20Hij slachtte op de altaren alle priesters van de hoogten die daar waren. Hij verbrandde er botten van mensen op. Toen keerde hij terug naar Jeruzalem.
וַ֠יִּזְבַּח
(vayizbach)
en slachtte
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
כֹּהֲנֵ֨י
(kohanei)
priesters van
הַבָּמ֤וֹת
(habamot)
de hoogten
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׁם֙
(sham)
daar
עַל
(al)
op
הַֽמִּזְבְּח֔וֹת
(hamizbechot)
de altaren
וַיִּשְׂרֹ֛ף
(vayisrof)
en verbrandde
אֶת
(et)
(obj.)
עַצְמ֥וֹת
(atsmot)
botten van
אָדָ֖ם
(adam)
mensen
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
op hen
וַיָּ֖שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

וַיִּזְבַּח (vayizbach), ‘hij slachtte’: het werkwoord dat bij offers hoort.

Zo was het ook uitgeroepen in 1 Kon. 13:2.

Het Pesach van Josia

21De koning gaf het hele volk een bevel: „Vier het Pesach voor Yahweh, jullie Elohim, zoals geschreven staat in dit boek van het verbond.”
וַיְצַ֤ו
(vaytsav)
en gebood
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
עֲשׂ֣וּ
(asu)
viert
פֶ֔סַח
(pesach)
Pesach
לַֽיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶ֑ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
כַּכָּת֕וּב
(kakatuv)
zoals het geschrevene
עַ֛ל
(al)
op
סֵ֥פֶר
(sefer)
boek van
הַבְּרִ֖ית
(haberit)
het verbond
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֶּסַח (pesach), ‘Pesach’: het feest van de bevrijding uit Egypte.

Zie Exod. 12:1–28 en Deut. 16:1–8.

Zie ook 2 Kron. 35:1–19.

22Want zo’n Pesach was niet gevierd sinds de dagen van de rechters die Israël richtten. Ook niet in al de dagen van de koningen van Israël en de koningen van Juda.
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
נַֽעֲשָׂה֙
(naasa)
was gevierd
כַּפֶּ֣סַח
(kapesach)
zoals dit Pesach
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
מִימֵי֙
(mimei)
sinds de dagen van
הַשֹּׁ֣פְטִ֔ים
(hashofetim)
de rechters
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
שָׁפְט֖וּ
(shafetu)
richtten
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְכֹ֗ל
(vekhol)
en in alle
יְמֵ֛י
(yemei)
dagen van
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
koningen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וּמַלְכֵ֥י
(umalkhei)
en koningen van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tekst zegt dat zo’n Pesach niet was gevierd.

Hij zegt niet dat er in al die jaren geen Pesach was.

Zie ook 2 Kron. 35:18.

23Alleen in het achttiende jaar van koning Josia werd dit Pesach voor Yahweh gevierd in Jeruzalem.
כִּ֗י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
בִּשְׁמֹנֶ֤ה
(bishmone)
in acht
עֶשְׂרֵה֙
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לַמֶּ֖לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
יֹֽאשִׁיָּ֑הוּ
(yoshiyahu)
Josia
נַעֲשָׂ֞ה
(naasa)
werd gevierd
הַפֶּ֧סַח
(hapesach)
het Pesach
הַזֶּ֛ה
(haze)
dit
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Josia, een koning zonder gelijke

24Ook de dodengeesten, de waarzeggers, de huisgoden, de afgoden en alle gruwelen ruimde Josia op. Die waren te zien in het land Juda en in Jeruzalem. Zo wilde hij de woorden van de wet laten gelden. Die staan geschreven in het boek dat Hilkia, de priester, in het huis van Yahweh had gevonden.
וְגַ֣ם
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֹב֣וֹת
(haovot)
de dodengeesten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַ֠יִּדְּעֹנִים
(hayideonim)
de waarzeggers
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַתְּרָפִ֨ים
(haterafim)
de huisgoden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַגִּלֻּלִ֜ים
(hagilulim)
de afgoden
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַשִּׁקֻּצִ֗ים
(hashiqutsim)
de gruwelen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
נִרְאוּ֙
(niru)
werden gezien
בְּאֶ֤רֶץ
(beerets)
in het land
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וּבִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(uvirushaliam)
en in Jeruzalem
בִּעֵ֖ר
(bier)
ruimde op
יֹֽאשִׁיָּ֑הוּ
(yoshiyahu)
Josia
לְ֠מַעַן
(lemaan)
opdat
הָקִ֞ים
(haqim)
te laten gelden
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֤י
(divrei)
woorden van
הַתּוֹרָה֙
(hatora)
de wet
הַכְּתֻבִ֣ים
(haketuvim)
die geschreven zijn
עַל
(al)
op
הַסֵּ֔פֶר
(hasefer)
het boek
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
מָצָ֛א
(matsa)
vond
חִלְקִיָּ֥הוּ
(chilqiyahu)
Hilkia
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

אֹבוֹת (ovot), ‘dodengeesten’, en יִדְּעֹנִים (yidde’onim), ‘waarzeggers’: zie Lev. 19:31, Lev. 20:6 en Deut. 18:11.

תְּרָפִים (terafim), ‘huisgoden’: beeldjes die in huis werden bewaard (Gen. 31:19; Richt. 17:5).

גִּלֻּלִים (gillulim), ‘afgoden’: zoals in Lev. 26:30 en 1 Kon. 21:26.

בִּעֵר (bi’er), ‘ruimde op’: het werkwoord betekent letterlijk ‘wegbranden’.

25Voor hem was er geen koning zoals hij. Hij keerde zich tot Yahweh met heel zijn hart, met heel zijn ziel en met heel zijn kracht, volgens de hele wet van Mozes. Na hem is niemand opgestaan zoals hij.
וְכָמֹהוּ֩
(vekhamohu)
en zoals hij
לֹֽא
(lo)
niet
הָיָ֨ה
(haya)
was
לְפָנָ֜יו
(lefanav)
vóór hem
מֶ֗לֶךְ
(melekh)
koning
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׁ֤ב
(shav)
keerde terug
אֶל
(el)
naar
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לְבָב֤וֹ
(levavo)
zijn hart
וּבְכָל
(uvekhal)
en met heel
נַפְשׁוֹ֙
(nafsho)
zijn ziel
וּבְכָל
(uvekhal)
en met heel
מְאֹד֔וֹ
(meodo)
zijn kracht
כְּכֹ֖ל
(kekhol)
volgens heel
תּוֹרַ֣ת
(torat)
wet van
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
וְאַחֲרָ֖יו
(veacharav)
en na hem
לֹֽא
(lo)
niet
קָ֥ם
(qam)
stond op
כָּמֹֽהוּ
(kamohu)
zoals hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְאֹדוֹ (me’odo), ‘zijn kracht’: letterlijk ‘zijn veel’.

‘Met heel je hart, heel je ziel en heel je kracht’ staat in Deut. 6:5.

Een vergelijkbare lof staat bij Hizkia in 2 Kon. 18:5.

Yahweh houdt Zijn woede vast

26Toch keerde Yahweh niet terug van de gloed van Zijn grote toorn. Zijn toorn was ontbrand tegen Juda, om alles waarmee Manasse Hem tot toorn had geprikkeld.
אַ֣ךְ
(akh)
alleen
לֹֽא
(lo)
niet
שָׁ֣ב
(shav)
keerde terug
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵחֲר֤וֹן
(mecharon)
van de gloed van
אַפּוֹ֙
(apo)
Zijn toorn
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
de grote
אֲשֶׁר
(asher)
die
חָרָ֥ה
(chara)
was ontbrand
אַפּ֖וֹ
(apo)
Zijn toorn
בִּֽיהוּדָ֑ה
(bihuda)
tegen Juda
עַ֚ל
(al)
om
כָּל
(kal)
alle
הַכְּעָסִ֔ים
(hakeasim)
de prikkelingen tot toorn
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הִכְעִיס֖וֹ
(hikhiso)
prikkelde Hem tot toorn
מְנַשֶּֽׁה
(menashe)
Manasse
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De woede van Yahweh blijft, ondanks Josia’s trouw.

De reden is Manasse.

Zie 2 Kon. 21:10–15 en 2 Kon. 24:3.

27Yahweh zei: „Ook Juda zal Ik van Mijn aangezicht wegdoen, zoals Ik Israël heb weggedaan. Ik zal deze stad verwerpen die Ik gekozen heb, Jeruzalem, en het huis waarvan Ik gezegd heb: ‘Mijn naam zal daar zijn.’”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
גַּ֤ם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
אָסִיר֙
(asir)
zal Ik wegdoen
מֵעַ֣ל
(meal)
van
פָּנַ֔י
(panay)
Mijn aangezicht
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
הֲסִרֹ֖תִי
(hasiroti)
Ik heb weggedaan
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וּ֠מָאַסְתִּי
(umaasti)
en Ik zal verwerpen
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֨יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֤את
(hazot)
deze
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּחַ֨רְתִּי֙
(bacharti)
Ik heb gekozen
אֶת
(et)
(obj.)
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אָמַ֔רְתִּי
(amarti)
Ik heb gezegd
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
שְׁמִ֖י
(shemi)
Mijn naam
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Dit zijn woorden die Yahweh zelf spreekt (‘Yahweh zei’).

Daarom staan ze in rood.

‘Mijn naam zal daar zijn’: zie 1 Kon. 8:29 en 2 Kon. 21:7. Dat Yahweh Israël van Zijn aangezicht heeft weggedaan, staat in 2 Kon. 17:18–23.

28De rest van de geschiedenis van Josia en alles wat hij deed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda?
וְיֶ֛תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
zaken van
יֹאשִׁיָּ֖הוּ
(yoshiyahu)
Josia
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֑ה
(asa)
deed
הֲלֹא
(halo)
niet
הֵ֣ם
(hem)
zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
op
סֵ֛פֶר
(sefer)
boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
voor koningen van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דִּבְרֵי הַיָּמִים (divrei hayamim), ‘dagboek’: letterlijk ‘woorden van de dagen’.

Zie 1 Kon. 14:19.

De dood van Josia

29In zijn dagen trok farao Necho, de koning van Egypte, op naar de koning van Assyrië, aan de rivier de Eufraat. Koning Josia ging hem tegemoet. Necho doodde hem bij Megiddo, zodra hij hem zag.
בְּיָמָ֡יו
(beyamav)
in zijn dagen
עָלָה֩
(ala)
trok op
פַרְעֹ֨ה
(paro)
Farao
נְכֹ֧ה
(nekho)
Necho
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֛יִם
(mitsrayim)
Egypte
עַל
(al)
naar
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֖וּר
(ashur)
Assyrië
עַל
(al)
aan
נְהַר
(nehar)
rivier
פְּרָ֑ת
(perat)
Eufraat
וַיֵּ֨לֶךְ
(vayelekh)
en ging
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
koning
יֹאשִׁיָּ֨הוּ֙
(yoshiyahu)
Josia
לִקְרָאת֔וֹ
(liqrato)
hem tegemoet
וַיְמִיתֵ֨הוּ֙
(vaymitehu)
en doodde hem
בִּמְגִדּ֔וֹ
(bimgido)
bij Megiddo
כִּרְאֹת֖וֹ
(kiroto)
toen hij zag
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Megiddo lag in de vlakte van Jizreël, bij Tel Megiddo (Israël).

Zie 1 Kon. 9:15.

De Eufraat is de grote rivier in het noorden, in Syrië en Irak.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

עַל (al), ‘naar’: het voorzetsel kan ook ‘tegen’ betekenen.

De tekst zegt niet of Necho tegen de koning van Assyrië optrok of naar hem toe.

Wij vertalen ‘naar’.

In de tekst staat alleen ‘hij doodde hem’. Wij schrijven ‘Necho’. Een uitgebreider verslag staat in 2 Kron. 35:20–24.

30Zijn dienaren vervoerden hem dood, vanuit Megiddo. Zij brachten hem naar Jeruzalem en begroeven hem in zijn graf. Het volk van het land nam Joachaz, de zoon van Josia. Zij zalfden hem en maakten hem koning in de plaats van zijn vader.
וַיַּרְכִּבֻ֨הוּ
(vayarkivuhu)
en lieten hem rijden
עֲבָדָ֥יו
(avadav)
zijn dienaren
מֵת֙
(met)
dood
מִמְּגִדּ֔וֹ
(mimegido)
vanuit Megiddo
וַיְבִאֻ֨הוּ֙
(vayviuhu)
en brachten hem
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
וַֽיִּקְבְּרֻ֖הוּ
(vayiqberuhu)
en begroeven hem
בִּקְבֻֽרָת֑וֹ
(biqvurato)
in zijn graf
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
עַם
(am)
volk van
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
אֶת
(et)
(obj.)
יְהֽוֹאָחָז֙
(yehoachaz)
Joachaz
בֶּן
(ben)
zoon van
יֹ֣אשִׁיָּ֔הוּ
(yoshiyahu)
Josia
וַיִּמְשְׁח֥וּ
(vayimshechu)
en zalfden
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
וַיַּמְלִ֥יכוּ
(vayamlikhu)
en maakten koning
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
תַּ֥חַת
(tachat)
in de plaats van
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Megiddo: Megiddo (Tel Megiddo) lag aan de rand van de vlakte van Jizreël, aan de weg van de kust naar het noorden.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

וַיַּרְכִּבֻהוּ (vayarkivuhu), ‘zij lieten hem rijden’: waarschijnlijk in een wagen.

Wij vertalen ‘vervoerden’.

עַם הָאָרֶץ (am ha’arets), ‘het volk van het land’: de burgers van Juda, zoals bij het koningschap van Josia in 2 Kon. 21:24.

יְהוֹאָחָז (Yeho’achaz), ‘Joachaz’: heet in 1 Kron. 3:15 Sjallum.

Joachaz, koning van Juda

31Joachaz was 23 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 3 maanden in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Chamutal, de dochter van Jeremia, uit Libna.
בֶּן
(ben)
zoon van
עֶשְׂרִ֨ים
(esrim)
twintig
וְשָׁלֹ֤שׁ
(veshalosh)
en drie
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
יְהוֹאָחָ֣ז
(yehoachaz)
Joachaz
בְּמָלְכ֔וֹ
(bemalekho)
bij zijn koning worden
וּשְׁלֹשָׁ֣ה
(ushelosha)
en drie
חֳדָשִׁ֔ים
(chodashim)
maanden
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en naam van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
חֲמוּטַ֥ל
(chamutal)
Chamutal
בַּֽת
(bat)
dochter van
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
מִלִּבְנָֽה
(milivna)
uit Libna
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Libna: zie Joz. 10:29.

De ligging is niet zeker; men zoekt Libna in de Sefela, het heuvelland in het zuidwesten van Juda.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Dezelfde moeder, Chamutal, de dochter van Jeremia uit Libna, staat bij Zedekia in 2 Kon. 24:18.

Zedekia is dus waarschijnlijk een broer van Joachaz.

32Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh, helemaal zoals zijn vaderen hadden gedaan.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwaad
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
zoals alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשׂ֖וּ
(asu)
deden
אֲבֹתָֽיו
(avotav)
zijn vaderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Farao Necho zette hem gevangen in Ribla in het land Chamat, zodat hij niet meer koning was in Jeruzalem. Hij legde het land een boete op van 100 talent zilver en 1 talent goud.
וַיַּאַסְרֵהוּ֩
(vayaasrehu)
en bond hem
פַרְעֹ֨ה
(paro)
Farao
נְכֹ֤ה
(nekho)
Necho
בְרִבְלָה֙
(berivla)
in Ribla
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
חֲמָ֔ת
(chamat)
Chamat
מִמְּלֹ֖ךְ
(mimelokh)
van regeren
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en legde
עֹ֨נֶשׁ֙
(onesh)
een boete
עַל
(al)
op
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
כִכַּר
(kikar)
talent
כֶּ֖סֶף
(kesef)
zilver
וְכִכַּ֥ר
(vekhikar)
en een talent
זָהָֽב
(zahav)
goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ribla lag aan de rivier Orontes in het land Chamat, bij het huidige Ribleh in Libanon.

Zie ook 2 Kon. 25:6.

Chamat is het huidige Hama in Syrië.

Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

כִּכָּר (kikkar), ‘talent’: een gewicht van ongeveer 34 kilo. 100 talent zilver is dus ongeveer 3,4 ton en 1 talent goud ongeveer 34 kilo.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘toen hij koning was in Jeruzalem’ (בְּמְלֹךְ), het qere ‘zodat hij niet meer regeerde’ (מִמְּלֹךְ).

Wij volgen het qere.

Jojakim, koning van Juda

34Farao Necho maakte Eljakim, de zoon van Josia, koning in de plaats van zijn vader Josia. Hij veranderde zijn naam in Jojakim. Joachaz nam hij mee. Die kwam in Egypte en stierf daar.
וַיַּמְלֵךְ֩
(vayamlekh)
en maakte koning
פַּרְעֹ֨ה
(paro)
Farao
נְכֹ֜ה
(nekho)
Necho
אֶת
(et)
(obj.)
אֶלְיָקִ֣ים
(elyaqim)
Eljakim
בֶּן
(ben)
zoon van
יֹאשִׁיָּ֗הוּ
(yoshiyahu)
Josia
תַּ֚חַת
(tachat)
in de plaats van
יֹאשִׁיָּ֣הוּ
(yoshiyahu)
Josia
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
וַיַּסֵּ֥ב
(vayasev)
en veranderde
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
יְהוֹיָקִ֑ים
(yehoyaqim)
Jojakim
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יְהוֹאָחָ֣ז
(yehoachaz)
Joachaz
לָקָ֔ח
(laqach)
nam hij
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en kwam
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
וַיָּ֥מָת
(vayamat)
en stierf
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

אֶלְיָקִים (Elyaqim), ‘Eljakim’, betekent ‘Elohim richt op’.

יְהוֹיָקִים (Yehoyaqim), ‘Jojakim’, betekent ‘Yahweh richt op’.

Een nieuwe naam geven toont gezag over iemand, zoals bij Zedekia in 2 Kon. 24:17.

Joachaz stierf in Egypte. Zie ook Jer. 22:11–12.

35Jojakim gaf het zilver en het goud aan farao. Wel schatte hij het land aan, om het zilver te geven op bevel van farao. Van ieder man eiste hij het zilver en het goud op, naar zijn schatting. Zo eiste hij het van het volk van het land, om het aan farao Necho te geven.
וְהַכֶּ֣סֶף
(vehakesef)
en het zilver
וְהַזָּהָ֗ב
(vehazahav)
en het goud
נָתַ֤ן
(natan)
gaf
יְהוֹיָקִים֙
(yehoyaqim)
Jojakim
לְפַרְעֹ֔ה
(lefaro)
aan Farao
אַ֚ךְ
(akh)
wel
הֶעֱרִ֣יךְ
(heerikh)
schatte aan
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
לָתֵ֥ת
(latet)
om te geven
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֖סֶף
(hakesef)
het zilver
עַל
(al)
op
פִּ֣י
(pi)
bevel van
פַרְעֹ֑ה
(paro)
Farao
אִ֣ישׁ
(ish)
man
כְּעֶרְכּ֗וֹ
(keerko)
naar zijn schatting
נָגַ֞שׂ
(nagas)
eiste op
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֤סֶף
(hakesef)
het zilver
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַזָּהָב֙
(hazahav)
het goud
אֶת
(et)
(obj.)
עַ֣ם
(am)
volk van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
לָתֵ֖ת
(latet)
om te geven
לְפַרְעֹ֥ה
(lefaro)
aan Farao
נְכֹֽה
(nekho)
Necho
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֶרְכּוֹ (erko), ‘zijn schatting’: het bedrag waarop ieder man wordt aangeslagen.

36Jojakim was 25 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 11 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Zebuda, de dochter van Pedaja, uit Ruma.
בֶּן
(ben)
zoon van
עֶשְׂרִ֨ים
(esrim)
twintig
וְחָמֵ֤שׁ
(vechamesh)
en vijf
שָׁנָ֨ה
(shana)
jaar
יְהוֹיָקִ֣ים
(yehoyaqim)
Jojakim
בְּמָלְכ֔וֹ
(bemalekho)
bij zijn koning worden
וְאַחַ֤ת
(veachat)
en een
עֶשְׂרֵה֙
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en naam van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
זְבוּדָּ֥ה
(zevuda)
Zebuda
בַת
(bat)
dochter van
פְּדָיָ֖ה
(pedaya)
Pedaja
מִן
(min)
uit
רוּמָֽה
(ruma)
Ruma
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De ligging van Ruma is niet zeker.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘Zebida’ (זבידה), het qere ‘Zebuda’ (זְבוּדָּה).

Wij volgen het qere.

37Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh, helemaal zoals zijn vaderen hadden gedaan.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwaad
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
zoals alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשׂ֖וּ
(asu)
deden
אֲבֹתָֽיו
(avotav)
zijn vaderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)