Elohim Bijbel

Haggai 2

12

De heerlijkheid van het nieuwe huis en de zegen vanaf deze dag

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het huis lijkt als niets

1In de zevende maand, op de eenentwintigste dag van de maand, kwam het woord van Yahweh door Haggai, de profeet:
בַּשְּׁבִיעִ֕י
(bashevii)
in de zevende
בְּעֶשְׂרִ֥ים
(beesrim)
op twintig
וְאֶחָ֖ד
(veechad)
en een
לַחֹ֑דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הָיָה֙
(haya)
kwam
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
חַגַּ֥י
(chagay)
Haggai
הַנָּבִ֖יא
(hanavi)
de profeet
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zevende maand is Etanim of Tisjri, ongeveer september–oktober (uit het geheugen, niet gecontroleerd).

Het feest van de hutten valt in die maand, vanaf de vijftiende dag (Lev. 23:34).

2„Zeg toch tegen Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, de landvoogd van Juda, en tegen Jozua, de zoon van Jehozadak, de hogepriester, en tegen de overgeblevenen van het volk:
אֱמָר
(emar)
zeg
נָ֗א
(na)
toch
אֶל
(el)
tegen
זְרֻבָּבֶ֤ל
(zerubavel)
Zerubbabel
בֶּן
(ben)
zoon van
שַׁלְתִּיאֵל֙
(shaltiel)
Sjealtiël
פַּחַ֣ת
(pachat)
landvoogd van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וְאֶל
(veel)
en tegen
יְהוֹשֻׁ֥עַ
(yehoshua)
Jozua
בֶּן
(ben)
zoon van
יְהוֹצָדָ֖ק
(yehotsadaq)
Jehozadak
הַכֹּהֵ֣ן
(hakohen)
de priester
הַגָּד֑וֹל
(hagadol)
de grote
וְאֶל
(veel)
en tegen
שְׁאֵרִ֥ית
(sheerit)
de overgeblevenen van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאֵרִית הָעָם (she’erit ha’am), ‘de overgeblevenen van het volk’: zoals in 1:12 en 1:14.

Ook hier staat alles wat Haggai moet zeggen rood, omdat het Yahweh’s eigen woorden zijn. De woorden die Haggai tegen de leiders moet zeggen, staan binnen enkele aanhalingstekens en lopen door tot en met vers 9.

3‘Wie van jullie is nog overgebleven die dit huis in zijn eerste heerlijkheid heeft gezien? En hoe zien jullie het nu? Is het in jullie ogen niet als niets?
מִ֤י
(mi)
wie
בָכֶם֙
(bakhem)
onder jullie
הַנִּשְׁאָ֔ר
(hanishar)
de overgeblevene
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
רָאָה֙
(raa)
heeft gezien
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֣יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
בִּכְבוֹד֖וֹ
(bikhvodo)
in zijn heerlijkheid
הָרִאשׁ֑וֹן
(harishon)
de eerste
וּמָ֨ה
(uma)
en wat
אַתֶּ֜ם
(atem)
jullie
רֹאִ֤ים
(roim)
zien
אֹתוֹ֙
(oto)
het
עַ֔תָּה
(ata)
nu
הֲל֥וֹא
(halo)
niet waar
כָמֹ֛הוּ
(kamohu)
zoals het
כְּאַ֖יִן
(keayin)
als niets
בְּעֵינֵיכֶֽם
(beeineikhem)
in jullie ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַנִּשְׁאָר (hannish’ar), ‘de overgebleven’: wie de eerste tempel nog heeft gekend.

De eerste tempel werd rond 586 v.Chr. verwoest, dat is ongeveer zeventig jaar eerder (uit het geheugen, niet gecontroleerd).

Zie ook Ezra 3:12.

כְּמֹהוּ כְּאַיִן (kemohu ke’ayin), ‘zoals het, als niets’: letterlijk ‘is het niet als hetzelfde: als niets?’ De vraag verwacht het antwoord: ja, het lijkt op niets.

Wees sterk en werk

4En nu, wees sterk, Zerubbabel, godsspraak van Yahweh. Wees sterk, Jozua, zoon van Jehozadak, de hogepriester. Wees sterk, heel het volk van het land, godsspraak van Yahweh. En werk, want Ik ben met jullie, godsspraak van Yahweh van de legermachten.
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
חֲזַ֣ק
(chazaq)
wees sterk
זְרֻבָּבֶ֣ל
(zerubavel)
Zerubbabel
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֡ה
(Yahweh)
Yahweh
וַחֲזַ֣ק
(vachazaq)
en wees sterk
יְהוֹשֻׁ֣עַ
(yehoshua)
Jozua
בֶּן
(ben)
zoon van
יְהוֹצָדָק֩
(yehotsadaq)
Jehozadak
הַכֹּהֵ֨ן
(hakohen)
de priester
הַגָּד֜וֹל
(hagadol)
de grote
וַחֲזַ֨ק
(vachazaq)
en wees sterk
כָּל
(kal)
heel
עַ֥ם
(am)
het volk van
הָאָ֛רֶץ
(haarets)
het land
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַֽעֲשׂ֑וּ
(vaasu)
en werk
כִּֽי
(ki)
want
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
אִתְּכֶ֔ם
(itekhem)
met jullie
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲזַק (chazaq), ‘wees sterk’: het woord staat drie keer, tot Zerubbabel, tot Jozua en tot het hele volk.

Het is een bemoediging, zoals in Joz. 1:6.

עַם הָאָרֶץ (am ha’arets), ‘het volk van het land’: hier de gewone mensen van Juda. In Ezra 4:4 betekent dezelfde uitdrukking de bewoners van het land die het werk tegenwerkten.

וַעֲשׂוּ (va’asu), ‘en werk’: letterlijk ‘en doe’. De tekst noemt het werk niet; het gaat om de bouw van het huis.

5Het woord dat Ik met jullie sloot toen jullie uit Egypte trokken: Mijn Geest staat in jullie midden. Wees niet bang.
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֞ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
כָּרַ֤תִּי
(karati)
Ik sloot
אִתְּכֶם֙
(itekhem)
met jullie
בְּצֵאתְכֶ֣ם
(betsetkhem)
bij jullie uittocht
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וְרוּחִ֖י
(veruchi)
en Mijn Geest
עֹמֶ֣דֶת
(omedet)
staat
בְּתוֹכְכֶ֑ם
(betokhekhem)
in jullie midden
אַל
(al)
niet
תִּירָֽאוּ
(tirau)
wees bang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Het Hebreeuws heeft in de eerste helft van dit vers geen werkwoord: ‘het woord dat Ik met jullie sloot (כָּרַתִּי, karati, letterlijk ‘Ik sneed’) toen jullie uit Egypte trokken’.

Het is een verwijzing naar het verbond bij de Sinaï (Exod. 19:5–6; 24:7–8).

Het sluit aan bij ‘Ik ben met jullie’ in vers 4.

Wij laten het open en zetten een dubbele punt.

רוּחִי (ruchi), ‘Mijn Geest’: de Geest van Yahweh, die in hun midden blijft staan. Vergelijk Jes. 63:11 en Neh. 9:20.

Nog eenmaal schud Ik de hemel

6Want zo zegt Yahweh van de legermachten: Nog één keer, binnen korte tijd, schud Ik de hemel en de aarde, de zee en het droge.
כִּ֣י
(ki)
want
כֹ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
ע֥וֹד
(od)
nog
אַחַ֖ת
(achat)
eenmaal
מְעַ֣ט
(meat)
weinig
הִ֑יא
(hi)
het is
וַאֲנִ֗י
(vaani)
en Ik
מַרְעִישׁ֙
(marish)
schud
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׁמַ֣יִם
(hashamayim)
de hemel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הֶחָרָבָֽה
(hecharava)
het droge
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Zo zegt Yahweh van de legermachten’ staat hier midden in een rode rede en is daarom rood.

Hebr. 12:26 haalt dit vers aan.

עוֹד אַחַת מְעַט הִיא (od achat me’at hi), ‘nog eenmaal, het is weinig’: letterlijk ‘nog eenmaal, een kleinigheid is het’. Het Hebreeuws zegt niet wat er ‘weinig’ is; wij nemen dat als ‘korte tijd’.

חָרָבָה (charavah), ‘het droge’: het droge land, tegenover de zee. Zie ook Exod. 14:21.

7Ik zal alle volken schudden. De kostbaarheden van alle volken zullen komen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vullen, zegt Yahweh van de legermachten.
וְהִרְעַשְׁתִּי֙
(vehirashti)
en Ik zal schudden
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
וּבָ֖אוּ
(uvau)
en zij zullen komen
חֶמְדַּ֣ת
(chemdat)
het kostbaarste van
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִ֑ם
(hagoyim)
de volken
וּמִלֵּאתִ֞י
(umileti)
en Ik zal vullen
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֤יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּה֙
(haze)
dit
כָּב֔וֹד
(kavod)
met heerlijkheid
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶמְדַּת כָּל הַגּוֹיִם (chemdat kol haggoyim), ‘het kostbaarste van alle volken’: het zelfstandig naamwoord staat in het enkelvoud, het werkwoord ‘zullen komen’ in het meervoud.

Daarom lezen wij ‘de kostbaarheden’ (de schatten die de volken brengen; vergelijk vers 8).

Sommige lezers verstaan het woord als een persoon, ‘het Begeerde van alle volken’.

De tekst zegt dat niet.

Wij laten het open.

כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’: de zichtbare grootheid van Yahweh. Hij vult het huis, zoals in Exod. 40:34–35 en 1 Kon. 8:10–11.

8Van Mij is het zilver en van Mij is het goud, godsspraak van Yahweh van de legermachten.
לִ֥י
(li)
van Mij
הַכֶּ֖סֶף
(hakesef)
het zilver
וְלִ֣י
(veli)
en van Mij
הַזָּהָ֑ב
(hazahav)
het goud
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9De laatste heerlijkheid van dit huis zal groter zijn dan de eerste, zegt Yahweh van de legermachten. Op deze plaats zal Ik vrede geven, godsspraak van Yahweh van de legermachten.’”
גָּד֣וֹל
(gadol)
groot
יִֽהְיֶ֡ה
(yihye)
zal zijn
כְּבוֹד֩
(kevod)
de heerlijkheid van
הַבַּ֨יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּ֤ה
(haze)
dit
הָאַֽחֲרוֹן֙
(haacharon)
de laatste
מִן
(min)
meer dan
הָ֣רִאשׁ֔וֹן
(harishon)
de eerste
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וּבַמָּק֤וֹם
(uvamaqom)
en op de plaats
הַזֶּה֙
(haze)
deze
אֶתֵּ֣ן
(eten)
Ik zal geven
שָׁל֔וֹם
(shalom)
vrede
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאַחֲרוֹן (ha’acharon), ‘de laatste’: het woord staat na ‘dit huis’ en kan bij ‘heerlijkheid’ staan of bij ‘huis’.

Wij vertalen ‘de laatste heerlijkheid van dit huis’.

De andere lezing is: ‘de heerlijkheid van dit laatste huis’.

Het verschil is klein: het gaat om het huis dat nu wordt gebouwd, tegenover het eerste.

שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: heelheid en welzijn, niet alleen de afwezigheid van oorlog.

De priesters en de onreinheid

10Op de vierentwintigste dag van de negende maand, in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van Yahweh tot Haggai, de profeet:
בְּעֶשְׂרִ֤ים
(beesrim)
op twintig
וְאַרְבָּעָה֙
(vearbaa)
en vier
לַתְּשִׁיעִ֔י
(lateshii)
van de negende
בִּשְׁנַ֥ת
(bishnat)
in het jaar
שְׁתַּ֖יִם
(shetayim)
twee
לְדָרְיָ֑וֶשׁ
(ledareyavesh)
van Darius
הָיָה֙
(haya)
kwam
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
חַגַּ֥י
(chagay)
Haggai
הַנָּבִ֖יא
(hanavi)
de profeet
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De negende maand is Kislev, ongeveer november–december (uit het geheugen, niet gecontroleerd).

De datum ligt twee maanden na het woord van 2:1 en dezelfde dag als de grondlegging die in 2:18 wordt genoemd.

11Zo zegt Yahweh van de legermachten: „Vraag toch de priesters naar de wet:
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
שְׁאַל
(sheal)
vraag
נָ֧א
(na)
toch
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֹּהֲנִ֛ים
(hakohanim)
de priesters
תּוֹרָ֖ה
(tora)
wet
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderricht’.

Hier gaat het om een uitspraak van de priesters over wat heilig en onrein is.

Zie Lev. 10:10–11, waar de priesters die taak hebben, en Deut. 17:8–11.

12‘Als iemand heilig vlees draagt in de slip van zijn kleed, en met zijn slip brood aanraakt, of gekookt gerecht, wijn, olie of enig ander voedsel: wordt dat dan heilig?’” De priesters antwoordden en zeiden: „Nee.”
הֵ֣ן
(hen)
zie
יִשָּׂא
(yisa)
draagt
אִ֨ישׁ
(ish)
een man
בְּשַׂר
(besar)
vlees
קֹ֜דֶשׁ
(qodesh)
heilig
בִּכְנַ֣ף
(bikhnaf)
in de slip van
בִּגְד֗וֹ
(bigdo)
zijn kleed
וְנָגַ֣ע
(venaga)
en raakt aan
בִּ֠כְנָפוֹ
(bikhnafo)
met zijn slip
אֶל
(el)
aan
הַלֶּ֨חֶם
(halechem)
het brood
וְאֶל
(veel)
en aan
הַנָּזִ֜יד
(hanazid)
het gekookte gerecht
וְאֶל
(veel)
en aan
הַיַּ֧יִן
(hayayin)
de wijn
וְאֶל
(veel)
en aan
שֶׁ֛מֶן
(shemen)
olie
וְאֶל
(veel)
en aan
כָּל
(kal)
alle
מַאֲכָ֖ל
(maakhal)
voedsel
הֲיִקְדָּ֑שׁ
(hayiqdash)
wordt het heilig
וַיַּעֲנ֧וּ
(vayaanu)
en antwoordden
הַכֹּהֲנִ֛ים
(hakohanim)
de priesters
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zeiden
לֹֽא
(lo)
nee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּשַׂר קֹדֶשׁ (besar qodesh), ‘heilig vlees’: vlees van een offerdier dat aan Yahweh is gewijd.

Vergelijk Lev. 6:20 (NL 6:27), over wat het vlees van het offer aanraakt.

De priesters antwoorden: nee.

De heiligheid van het vlees gaat niet over op wat de slip van het kleed raakt.

נָזִיד (nazid), ‘gekookt gerecht’: zoals in Gen. 25:29–34.

13Haggai zei: „Als iemand die onrein is door een dode, iets van dit alles aanraakt, wordt het dan onrein?” De priesters antwoordden en zeiden: „Het wordt onrein.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
חַגַּ֔י
(chagay)
Haggai
אִם
(im)
als
יִגַּ֧ע
(yiga)
aanraakt
טְמֵא
(teme)
onrein
נֶ֛פֶשׁ
(nefesh)
door een dode
בְּכָל
(bekhal)
in alles
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit
הֲיִטְמָ֑א
(hayitma)
wordt het onrein
וַיַּעֲנ֧וּ
(vayaanu)
en antwoordden
הַכֹּהֲנִ֛ים
(hakohanim)
de priesters
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zeiden
יִטְמָֽא
(yitma)
het wordt onrein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טְמֵא נֶפֶשׁ (teme nefesh), ‘onrein door een dode’: letterlijk ‘onrein van een ziel’.

Het woord נֶפֶשׁ (nefesh) staat hier voor een dode, zoals in Num. 19:11–13.

Wie een dode aanraakt, is zeven dagen onrein (Num. 19:11).

De priesters antwoorden: ja. Onreinheid gaat wél over op wat iemand aanraakt (Num. 19:22).

14Haggai antwoordde en zei: „Zo is dit volk, en zo is deze natie voor Mijn aangezicht, godsspraak van Yahweh. Zo is al het werk van hun handen, en wat zij daar offeren, is onrein.
וַיַּ֨עַן
(vayaan)
en antwoordde
חַגַּ֜י
(chagay)
Haggai
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
כֵּ֣ן
(ken)
zo
הָֽעָם
(haam)
het volk
הַ֠זֶּה
(haze)
dit
וְכֵן
(vekhen)
en zo
הַגּ֨וֹי
(hagoy)
de natie
הַזֶּ֤ה
(haze)
deze
לְפָנַי֙
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְכֵ֖ן
(vekhen)
en zo
כָּל
(kal)
al
מַעֲשֵׂ֣ה
(maase)
het werk van
יְדֵיהֶ֑ם
(yedeihem)
hun handen
וַאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en wat
יַקְרִ֛יבוּ
(yaqrivu)
zij brengen
שָׁ֖ם
(sham)
daar
טָמֵ֥א
(tame)
onrein
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְפָנַי (lefanai), ‘voor Mijn aangezicht’: het Hebreeuws heeft hier de eerste persoon: Yahweh spreekt zelf, door de mond van Haggai.

Daarom staat vanaf ‘Zo is dit volk’ alles rood tot en met vers 19.

הָעָם הַזֶּה וְהַגּוֹי הַזֶּה (ha’am hazzeh vehaggoy hazzeh), ‘dit volk en deze natie’: het kan het volk van Juda zijn, of de mensen uit het land die zich bij het werk hadden gevoegd (Ezra 4:1–3). De tekst zegt het niet.

שָׁם (sham), ‘daar’: waarschijnlijk op het altaar, dat al stond (Ezra 3:2–3). Het kan ook de plaats van het huis zijn.

Let goed op: vanaf deze dag zal Ik zegenen

15En nu, let toch goed op, van deze dag terug naar de tijd voordat er steen op steen werd gelegd in de tempel van Yahweh.
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
שִֽׂימוּ
(simu)
richt
נָ֣א
(na)
toch
לְבַבְכֶ֔ם
(levavkhem)
jullie hart
מִן
(min)
vanaf
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
וָמָ֑עְלָה
(vamaela)
en verder
מִטֶּ֧רֶם
(miterem)
van voordat
שֽׂוּם
(sum)
het leggen van
אֶ֛בֶן
(even)
steen
אֶל
(el)
op
אֶ֖בֶן
(even)
steen
בְּהֵיכַ֥ל
(beheikhal)
in de tempel van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וָמַעְלָה (uma’alah), ‘en omhoog’: het woord betekent ‘verder’ in de tijd, vooruit of ook terug.

In vers 15 kijkt Yahweh terug, naar de tijd vóór de grondlegging.

In vers 18 en 19 kijkt Hij vooruit, vanaf de grondlegging.

Wij vertalen in vers 15 ‘terug’ en in vers 18 ‘verder’.

הֵיכַל (hekhal), ‘tempel’: hetzelfde woord als in vers 18. In dit boek heet de tempel ook ‘huis’ (1:2, 1:8).

16Sinds die tijd: kwam iemand bij een hoop van twintig, dan waren het er tien. Kwam iemand bij de wijnkuip om er vijftig maten te scheppen, dan waren het er twintig.
מִֽהְיוֹתָ֥ם
(mihyotam)
vanaf hun zijn
בָּא֙
(ba)
kwam
אֶל
(el)
naar
עֲרֵמַ֣ת
(aremat)
een hoop van
עֶשְׂרִ֔ים
(esrim)
twintig
וְהָיְתָ֖ה
(vehayeta)
en het was
עֲשָׂרָ֑ה
(asara)
tien
בָּ֣א
(ba)
kwam
אֶל
(el)
naar
הַיֶּ֗קֶב
(hayeqev)
de wijnkuip
לַחְשֹׂף֙
(lachsof)
om te scheppen
חֲמִשִּׁ֣ים
(chamishim)
vijftig
פּוּרָ֔ה
(pura)
purah
וְהָיְתָ֖ה
(vehayeta)
en het was
עֶשְׂרִֽים
(esrim)
twintig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֵהֱיוֹתָם (mehhyotam), ‘sinds die tijd’: letterlijk ‘vanaf hun zijn’.

Het gaat om de tijd tot de grondlegging.

Het getal staat bij ‘een hoop’ en bij ‘de kuip’; het Hebreeuws noemt geen maat.

פּוּרָה (purah), ‘maten’: het woord betekent ‘wijnpers’ of ‘vat’ (Jes. 63:3). Hier staat het als maat achter ‘vijftig’. De betekenis is onzeker. Wij schrijven ‘maten’.

יֶקֶב (yeqev), ‘wijnkuip’: de kuip waarin de wijn uit de pers loopt.

17Ik sloeg jullie en al het werk van jullie handen met korenbrand, meeldauw en hagel. Maar niemand van jullie kwam tot Mij, godsspraak van Yahweh.
הִכֵּ֨יתִי
(hikeiti)
Ik sloeg
אֶתְכֶ֜ם
(etkhem)
jullie
בַּשִּׁדָּפ֤וֹן
(bashidafon)
met korenbrand
וּבַיֵּֽרָקוֹן֙
(uvayeraqon)
en met meeldauw
וּבַבָּרָ֔ד
(uvabarad)
en met hagel
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
מַעֲשֵׂ֣ה
(maase)
het werk van
יְדֵיכֶ֑ם
(yedeikhem)
jullie handen
וְאֵין
(veein)
en niet is
אֶתְכֶ֥ם
(etkhem)
met jullie
אֵלַ֖י
(elay)
tot Mij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁדָּפוֹן (shiddafon), ‘korenbrand’, יֵרָקוֹן (yeraqon), ‘meeldauw’, בָּרָד (barad), ‘hagel’: de plagen van graan en oogst, zoals in Amos 4:9.

Vergelijk Deut. 28:22.

וְאֵין אֶתְכֶם אֵלָי (ve’en etkhem elay), ‘maar niemand van jullie kwam tot Mij’: het Hebreeuws heeft geen werkwoord. In Amos 4:9 staat: ‘toch zijn jullie niet tot Mij teruggekeerd’. Wij nemen hier ‘kwam tot’.

18Let toch goed op, vanaf deze dag en verder: vanaf de vierentwintigste dag van de negende maand, vanaf de dag dat de tempel van Yahweh werd gegrondvest. Let goed op.
שִׂימוּ
(simu)
richt
נָ֣א
(na)
toch
לְבַבְכֶ֔ם
(levavkhem)
jullie hart
מִן
(min)
vanaf
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
וָמָ֑עְלָה
(vamaela)
en verder
מִיּוֹם֩
(miyom)
vanaf de dag
עֶשְׂרִ֨ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבָּעָ֜ה
(vearbaa)
en vier
לַתְּשִׁיעִ֗י
(lateshii)
van de negende
לְמִן
(lemin)
vanaf
הַיּ֛וֹם
(hayom)
de dag
אֲשֶׁר
(asher)
dat
יֻסַּ֥ד
(yusad)
werd gegrondvest
הֵֽיכַל
(heikhal)
de tempel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
שִׂ֥ימוּ
(simu)
richt
לְבַבְכֶֽם
(levavkhem)
jullie hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יֻסַּד (yussad), ‘werd gegrondvest’: de grondlegging van de tempel.

Ezra 3:10 vertelt van een eerdere grondlegging; Ezra 5:16 noemt Sjesbassar die de fundamenten legde.

Hier gaat het om de dag waarop het werk onder Zerubbabel en Jozua begon.

Wij vertalen alleen wat er staat.

שִׂימוּ לְבַבְכֶם (simu levavkhem): het refrein, zie de uitleg bij 1:5. In dit vers staat het twee keer, aan het begin en aan het slot.

19Is er nog zaad in de graanschuur? En tot nu toe hebben de wijnstok, de vijgenboom, de granaatappelboom en de olijfboom niet gedragen. Vanaf deze dag zal Ik zegenen.”
הַע֤וֹד
(haod)
is nog
הַזֶּ֨רַע֙
(hazera)
het zaad
בַּמְּגוּרָ֔ה
(bamegura)
in de schuur
וְעַד
(vead)
en tot nu toe
הַגֶּ֨פֶן
(hagefen)
de wijnstok
וְהַתְּאֵנָ֧ה
(vehateena)
en de vijgenboom
וְהָרִמּ֛וֹן
(veharimon)
en de granaatappel
וְעֵ֥ץ
(veets)
en de boom van
הַזַּ֖יִת
(hazayit)
de olijf
לֹ֣א
(lo)
niet
נָשָׂ֑א
(nasa)
heeft gedragen
מִן
(min)
vanaf
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
אֲבָרֵֽךְ
(avarekh)
Ik zal zegenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַעוֹד הַזֶּרַע בַּמְּגוּרָה (ha’od hazzera bammegurah), ‘is er nog zaad in de graanschuur?’: een vraag die het antwoord ‘nee’ verwacht.

Het zaad is gezaaid of op, en de bomen hebben nog niet gedragen.

Zie ook Joël 1:17.

וְעַד (ve’ad), ‘en tot nu toe’: of ‘en zelfs’. Wij kiezen ‘tot nu toe’.

אֲבָרֵךְ (avarekh), ‘Ik zal zegenen’: het slotwoord van de toespraak. Het is de wending: tot nu toe vloek (1:6, 1:9–11), vanaf deze dag zegen.

Zerubbabel, Mijn zegelring

20Het woord van Yahweh kwam een tweede keer tot Haggai, op de vierentwintigste dag van de maand:
וַיְהִ֨י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
שֵׁנִית֙
(shenit)
een tweede keer
אֶל
(el)
tot
חַגַּ֔י
(chagay)
Haggai
בְּעֶשְׂרִ֧ים
(beesrim)
op twintig
וְאַרְבָּעָ֛ה
(vearbaa)
en vier
לַחֹ֖דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het is dezelfde dag als in 2:10: de vierentwintigste van de negende maand.

Het woord van Yahweh komt voor de tweede keer op die dag (שֵׁנִית, shenit, ‘een tweede keer’).

21„Zeg tegen Zerubbabel, de landvoogd van Juda: ‘Ik schud de hemel en de aarde.
אֱמֹ֕ר
(emor)
zeg
אֶל
(el)
tegen
זְרֻבָּבֶ֥ל
(zerubavel)
Zerubbabel
פַּֽחַת
(pachat)
landvoogd van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
מַרְעִ֔ישׁ
(marish)
schud
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is de tweede rede van die dag, alleen voor Zerubbabel.

Wat Haggai tegen Zerubbabel moet zeggen, staat binnen enkele aanhalingstekens in de rode rede, zoals in vers 2.

22Ik zal de troon van koninkrijken omverwerpen en de kracht van de koninkrijken van de volken vernietigen. Ik zal de wagen omverwerpen met wie erin rijden. Paarden en hun ruiters zullen neerstorten, ieder door het zwaard van zijn broer.
וְהָֽפַכְתִּי֙
(vehafakhti)
en Ik zal omverwerpen
כִּסֵּ֣א
(kise)
de troon van
מַמְלָכ֔וֹת
(mamlakhot)
koninkrijken
וְהִ֨שְׁמַדְתִּ֔י
(vehishmadti)
en Ik zal vernietigen
חֹ֖זֶק
(chozeq)
de kracht van
מַמְלְכ֣וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken
הַגּוֹיִ֑ם
(hagoyim)
de volken
וְהָפַכְתִּ֤י
(vehafakhti)
en Ik zal omverwerpen
מֶרְכָּבָה֙
(merkava)
de wagen
וְרֹ֣כְבֶ֔יהָ
(verokheveiha)
en zijn berijders
וְיָרְד֤וּ
(veyaredu)
en zullen neerstorten
סוּסִים֙
(susim)
paarden
וְרֹ֣כְבֵיהֶ֔ם
(verokheveihem)
en hun ruiters
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
בְּחֶ֥רֶב
(becherev)
door het zwaard van
אָחִֽיו
(achiv)
zijn broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָפַךְ (hafakh), ‘omverwerpen’: hetzelfde werkwoord als voor Sodom en Gomorra (Deut. 29:22, NL 29:23).

Hier gaat het om de macht van koninkrijken.

אִישׁ בְּחֶרֶב אָחִיו (ish becherev achiv), ‘ieder door het zwaard van zijn broer’: vergelijk Richt. 7:22 en 2 Kron. 20:23, waar vijanden elkaar doden.

23Op die dag, godsspraak van Yahweh van de legermachten, zal Ik je nemen, Zerubbabel, zoon van Sjealtiël, Mijn knecht, godsspraak van Yahweh. Ik zal je maken tot een zegelring. Want jou heb Ik gekozen, godsspraak van Yahweh van de legermachten.’”
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op dag
הַה֣וּא
(hahu)
die
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֡וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֶ֠קָּחֲךָ
(eqachakha)
Ik zal je nemen
זְרֻבָּבֶ֨ל
(zerubavel)
Zerubbabel
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁאַלְתִּיאֵ֤ל
(shealtiel)
Sjealtiël
עַבְדִּי֙
(avdi)
Mijn knecht
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְשַׂמְתִּ֖יךָ
(vesamtikha)
en Ik zal je maken
כַּֽחוֹתָ֑ם
(kachotam)
als een zegelring
כִּֽי
(ki)
want
בְךָ֣
(bekha)
jou
בָחַ֔רְתִּי
(bacharti)
heb Ik gekozen
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חוֹתָם (chotam), ‘zegelring’: de ring waarmee een koning zijn bevelen bezegelt.

Hij is een teken van gezag en van wie het gezag draagt.

Jer. 22:24 zegt over Jojachin, de grootvader van Zerubbabel (zie 1 Kron. 3:17–19): ‘ook al was hij een zegelring aan Mijn rechterhand, toch zou Ik hem daar vandaan rukken’.

Hier wordt Zerubbabel tot zegelring gemaakt.

עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: Yahweh noemt Zerubbabel zo. Wij schrijven ‘knecht’ met een kleine letter, omdat het geen titel is. Vergelijk Zach. 3:8.

בָּחַרְתִּי (bacharti), ‘Ik heb gekozen’: hetzelfde werkwoord als voor Israël (Deut. 7:6) en voor David (1 Kon. 8:16).