Elohim Bijbel

Numeri 6

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

De nazireeër en de zegen van de priesters

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De gelofte van een nazireeër

1Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tot hen: Stel dat een man of een vrouw een bijzondere gelofte aflegt. Dat is de gelofte van een nazireeër, om zich voor Yahweh af te zonderen.
דַּבֵּר֙
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאָמַרְתָּ֖
(veamarta)
en jij zult zeggen
אֲלֵהֶ֑ם
(alehem)
tot hen
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אֽוֹ
(o)
of
אִשָּׁ֗ה
(isha)
vrouw
כִּ֤י
(ki)
wanneer
יַפְלִא֙
(yafli)
hij doet iets bijzonders
לִנְדֹּר֙
(lindor)
om te beloven
נֶ֣דֶר
(neder)
gelofte van
נָזִ֔יר
(nazir)
nazireeër
לְהַזִּ֖יר
(lehazir)
om af te zonderen
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָזִיר (nazir), ‘nazireeër’: iemand die zich afzondert, van het werkwoord נָזַר (nazar), ‘zich afzonderen’.

Het woord ‘bijzondere gelofte’ vertaalt יַפְלִא (jafli), letterlijk ‘iets wonderlijks, uitzonderlijks doen’.

Ook een vrouw kan nazireeër worden.

Zie ook Richt. 13:5.

3Dan moet hij zich onthouden van wijn en sterke drank. Hij mag geen azijn van wijn en geen azijn van sterke drank drinken. Hij mag geen druivensap drinken en geen verse of gedroogde druiven eten.
מִיַּ֤יִן
(miyayin)
van wijn
וְשֵׁכָר֙
(veshekhar)
en sterke drank
יַזִּ֔יר
(yazir)
hij zal zich onthouden
חֹ֥מֶץ
(chomets)
azijn van
יַ֛יִן
(yayin)
wijn
וְחֹ֥מֶץ
(vechomets)
en azijn van
שֵׁכָ֖ר
(shekhar)
sterke drank
לֹ֣א
(lo)
niet
יִשְׁתֶּ֑ה
(yishte)
hij zal drinken
וְכָל
(vekhal)
en alles
מִשְׁרַ֤ת
(mishrat)
wat geweekt is van
עֲנָבִים֙
(anavim)
druiven
לֹ֣א
(lo)
niet
יִשְׁתֶּ֔ה
(yishte)
hij zal drinken
וַעֲנָבִ֛ים
(vaanavim)
en druiven
לַחִ֥ים
(lachim)
verse
וִיבֵשִׁ֖ים
(viveshim)
en gedroogde
לֹ֥א
(lo)
niet
יֹאכֵֽל
(yokhel)
hij zal eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֹמֶץ (chomets), ‘azijn’: zure wijn (Ruth 2:14).

Lezing

מִשְׁרַת (mishrat) komt maar één keer voor; wij vertalen ‘druivensap’, wat uit de zin volgt.

De precieze betekenis is niet zeker.

4Al de dagen van zijn nazireaat mag hij niets eten wat van de wijnstok gemaakt wordt, van de pitten tot de schil.
כֹּ֖ל
(kol)
alle
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
נִזְר֑וֹ
(nizro)
zijn nazireaat
מִכֹּל֩
(mikol)
van alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
יֵעָשֶׂ֜ה
(yease)
wordt gemaakt
מִגֶּ֣פֶן
(migefen)
van de wijnstok van
הַיַּ֗יִן
(hayayin)
de wijn
מֵחַרְצַנִּ֛ים
(mechartsanim)
van pitten
וְעַד
(vead)
en tot
זָ֖ג
(zag)
schil
לֹ֥א
(lo)
niet
יֹאכֵֽל
(yokhel)
hij zal eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַרְצַנִּים (chartsannim) en זָג (zag) komen alleen hier voor.

Wij vertalen ‘pitten’ en ‘schil’; de betekenis is niet helemaal zeker.

נֵזֶר (nezer), ‘nazireaat’: letterlijk ‘afzondering’, ook het woord voor het gewijde teken op het hoofd (Exod. 29:6).

5Al de dagen van zijn nazireaatsgelofte mag er geen scheermes over zijn hoofd gaan. Tot de dagen vol zijn waarin hij zich voor Yahweh afzondert, moet hij heilig zijn. Hij moet de lokken van zijn hoofdhaar laten groeien.
כָּל
(kal)
alle
יְמֵי֙
(yemei)
dagen van
נֶ֣דֶר
(neder)
gelofte van
נִזְר֔וֹ
(nizro)
zijn nazireaat
תַּ֖עַר
(taar)
scheermes
לֹא
(lo)
niet
יַעֲבֹ֣ר
(yaavor)
zal gaan
עַל
(al)
over
רֹאשׁ֑וֹ
(rosho)
zijn hoofd
עַד
(ad)
tot
מְלֹ֨את
(melot)
het vol zijn van
הַיָּמִ֜ם
(hayamim)
de dagen
אֲשֶׁר
(asher)
waarin
יַזִּ֤יר
(yazir)
hij zich afzondert
לַיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
קָדֹ֣שׁ
(qadosh)
heilig
יִהְיֶ֔ה
(yihye)
hij zal zijn
גַּדֵּ֥ל
(gadel)
latende groeien
פֶּ֖רַע
(pera)
lokken van
שְׂעַ֥ר
(sear)
haar van
רֹאשֽׁוֹ
(rosho)
zijn hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het lange haar is het teken van de wijding.

Zie ook Richt. 13:5.

6Al de dagen dat hij zich voor Yahweh afzondert, mag hij niet bij een dode komen.
כָּל
(kal)
alle
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
הַזִּיר֖וֹ
(haziro)
zijn zich afzonderen
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
עַל
(al)
bij
נֶ֥פֶשׁ
(nefesh)
een persoon van
מֵ֖ת
(met)
dood
לֹ֥א
(lo)
niet
יָבֹֽא
(yavo)
hij zal komen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Voor zijn vader en zijn moeder, zijn broer en zijn zus mag hij zich niet onrein maken wanneer zij sterven. Want de wijding van zijn Elohim is op zijn hoofd.
לְאָבִ֣יו
(leaviv)
voor zijn vader
וּלְאִמּ֗וֹ
(uleimo)
en voor zijn moeder
לְאָחִיו֙
(leachiv)
voor zijn broer
וּלְאַ֣חֹת֔וֹ
(uleachoto)
en voor zijn zus
לֹא
(lo)
niet
יִטַּמָּ֥א
(yitama)
hij zal zich onrein maken
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
בְּמֹתָ֑ם
(bemotam)
bij hun sterven
כִּ֛י
(ki)
want
נֵ֥זֶר
(nezer)
wijding van
אֱלֹהָ֖יו
(elohav)
zijn Elohim
עַל
(al)
op
רֹאשֽׁוֹ
(rosho)
zijn hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een gewone priester mocht zich wel onrein maken voor zijn naaste familie (Lev. 21:1–3); de hogepriester niet (Lev. 21:11).

De nazireeër is hier aan de hogepriester gelijk.

8Al de dagen van zijn nazireaat is hij heilig voor Yahweh.
כֹּ֖ל
(kol)
alle
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
נִזְר֑וֹ
(nizro)
zijn nazireaat
קָדֹ֥שׁ
(qadosh)
heilig
ה֖וּא
(hu)
hij
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Wanneer een nazireeër onrein wordt

9Stel dat er plotseling, ineens iemand bij hem sterft en hij zijn gewijde hoofd onrein maakt. Dan moet hij zijn hoofd scheren op de dag dat hij rein wordt. Op de zevende dag moet hij het scheren.
וְכִֽי
(vekhi)
en wanneer
יָמ֨וּת
(yamut)
sterft
מֵ֤ת
(met)
een dode
עָלָיו֙
(alav)
bij hem
בְּפֶ֣תַע
(befeta)
plotseling
פִּתְאֹ֔ם
(pitom)
ineens
וְטִמֵּ֖א
(vetime)
en hij maakt onrein
רֹ֣אשׁ
(rosh)
het hoofd van
נִזְר֑וֹ
(nizro)
zijn nazireaat
וְגִלַּ֤ח
(vegilach)
en hij zal scheren
רֹאשׁוֹ֙
(rosho)
zijn hoofd
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
טָהֳרָת֔וֹ
(tahorato)
zijn reiniging
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִ֖י
(hashevii)
de zevende
יְגַלְּחֶֽנּוּ
(yegalechenu)
hij zal het scheren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Op de achtste dag moet hij twee tortelduiven of twee jonge duiven naar de priester brengen, naar de ingang van de tent van samenkomst.
וּבַיּ֣וֹם
(uvayom)
en op de dag
הַשְּׁמִינִ֗י
(hashemini)
de achtste
יָבִא֙
(yavi)
hij zal brengen
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
תֹרִ֔ים
(torim)
tortelduiven
א֥וֹ
(o)
of
שְׁנֵ֖י
(shenei)
twee
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יוֹנָ֑ה
(yona)
duif
אֶל
(el)
naar
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
אֶל
(el)
naar
פֶּ֖תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֥הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Voor tortelduiven en jonge duiven als offer van wie weinig heeft, zie Lev. 5:7.

11De priester moet er één als zondoffer maken en één als brandoffer, en voor hem verzoening doen voor wat hij bij de dode gezondigd heeft. Op diezelfde dag moet hij zijn hoofd heiligen.
וְעָשָׂ֣ה
(veasa)
en zal maken
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
אֶחָ֤ד
(echad)
één
לְחַטָּאת֙
(lechatat)
als zondoffer
וְאֶחָ֣ד
(veechad)
en één
לְעֹלָ֔ה
(leola)
als brandoffer
וְכִפֶּ֣ר
(vekhiper)
en zal verzoening doen
עָלָ֔יו
(alav)
voor hem
מֵאֲשֶׁ֥ר
(measher)
van wat
חָטָ֖א
(chata)
hij zondigde
עַל
(al)
bij
הַנָּ֑פֶשׁ
(hanafesh)
de dode
וְקִדַּ֥שׁ
(veqidash)
en zal heiligen
אֶת
(et)
(obj.)
רֹאשׁ֖וֹ
(rosho)
zijn hoofd
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַהֽוּא
(hahu)
dezelfde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Hij moet zich voor Yahweh afzonderen voor de dagen van zijn nazireaat en een lam van een jaar als schuldoffer brengen. De eerdere dagen vervallen, want zijn nazireaat is onrein geworden.
וְהִזִּ֤יר
(vehizir)
en hij zal afzonderen
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
נִזְר֔וֹ
(nizro)
zijn nazireaat
וְהֵבִ֛יא
(vehevi)
en hij zal brengen
כֶּ֥בֶשׂ
(keves)
lam
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁנָת֖וֹ
(shenato)
zijn jaar
לְאָשָׁ֑ם
(leasham)
als schuldoffer
וְהַיָּמִ֤ים
(vehayamim)
en de dagen
הָרִאשֹׁנִים֙
(harishonim)
de eerdere
יִפְּל֔וּ
(yipelu)
zullen vervallen
כִּ֥י
(ki)
want
טָמֵ֖א
(tame)
onrein werd
נִזְרֽוֹ
(nizro)
zijn nazireaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het schuldoffer (אָשָׁם, asham) hoort bij een verbroken wijding, zoals bij Lev. 14:12.

Het einde van het nazireaat

13Dit is de wet voor de nazireeër. Op de dag dat de dagen van zijn nazireaat vol zijn, moet hij naar de ingang van de tent van samenkomst gebracht worden.
וְזֹ֥את
(vezot)
en dit
תּוֹרַ֖ת
(torat)
wet van
הַנָּזִ֑יר
(hanazir)
de nazireeër
בְּי֗וֹם
(beyom)
op de dag
מְלֹאת֙
(melot)
van het vol zijn van
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
נִזְר֔וֹ
(nizro)
zijn nazireaat
יָבִ֣יא
(yavi)
hij zal brengen
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
אֶל
(el)
naar
פֶּ֖תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֥הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookHand 21:26
14Hij moet zijn offergave aan Yahweh brengen: een lam van een jaar zonder gebrek als brandoffer. Ook moet hij een vrouwelijk lam van een jaar zonder gebrek als zondoffer brengen. Ook moet hij een ram zonder gebrek als vredeoffer brengen.
וְהִקְרִ֣יב
(vehiqriv)
en hij zal brengen
אֶת
(et)
(obj.)
קָרְבָּנ֣וֹ
(qarbano)
zijn offergave
לַיהוָ֡ה
(laYahweh)
aan Yahweh
כֶּבֶשׂ֩
(keves)
lam
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁנָת֨וֹ
(shenato)
zijn jaar
תָמִ֤ים
(tamim)
zonder gebrek
אֶחָד֙
(echad)
één
לְעֹלָ֔ה
(leola)
als brandoffer
וְכַבְשָׂ֨ה
(vekhavsa)
en vrouwelijk lam
אַחַ֧ת
(achat)
één
בַּת
(bat)
dochter van
שְׁנָתָ֛הּ
(shenatah)
haar jaar
תְּמִימָ֖ה
(temima)
zonder gebrek
לְחַטָּ֑את
(lechatat)
als zondoffer
וְאַֽיִל
(veayil)
en ram
אֶחָ֥ד
(echad)
één
תָּמִ֖ים
(tamim)
zonder gebrek
לִשְׁלָמִֽים
(lishlamim)
als vredeoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Ook moet hij een mand met ongezuurde broden van fijn meel brengen. Dat zijn koeken gemengd met olie en ongezuurde wafels besmeerd met olie, met hun graanoffer en hun plengoffers.
וְסַ֣ל
(vesal)
en een mand van
מַצּ֗וֹת
(matsot)
ongezuurde broden
סֹ֤לֶת
(solet)
fijn meel van
חַלֹּת֙
(chalot)
koeken
בְּלוּלֹ֣ת
(belulot)
gemengd
בַּשֶּׁ֔מֶן
(bashemen)
met olie
וּרְקִיקֵ֥י
(ureqiqei)
en wafels van
מַצּ֖וֹת
(matsot)
ongezuurde broden
מְשֻׁחִ֣ים
(meshuchim)
besmeerd
בַּשָּׁ֑מֶן
(bashamen)
met olie
וּמִנְחָתָ֖ם
(uminchatam)
en hun graanoffer
וְנִסְכֵּיהֶֽם
(veniskeihem)
en hun plengoffers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Voor de ongezuurde broden, koeken en wafels zie Exod. 29:2.

16De priester moet het voor het aangezicht van Yahweh brengen en zijn zondoffer en zijn brandoffer maken.
וְהִקְרִ֥יב
(vehiqriv)
en hij zal brengen
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְעָשָׂ֥ה
(veasa)
en hij zal maken
אֶת
(et)
(obj.)
חַטָּאת֖וֹ
(chatato)
zijn zondoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֹלָתֽוֹ
(olato)
zijn brandoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17De ram moet hij als vredeoffer voor Yahweh maken, samen met de mand met ongezuurde broden. De priester moet ook zijn graanoffer en zijn plengoffer maken.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאַ֜יִל
(haayil)
de ram
יַעֲשֶׂ֨ה
(yaase)
hij zal maken
זֶ֤בַח
(zevach)
slachtoffer van
שְׁלָמִים֙
(shelamim)
vredeoffer
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
עַ֖ל
(al)
op
סַ֣ל
(sal)
de mand van
הַמַּצּ֑וֹת
(hamatsot)
de ongezuurde broden
וְעָשָׂה֙
(veasa)
en hij zal maken
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
מִנְחָת֖וֹ
(minchato)
zijn graanoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
נִסְכּֽוֹ
(nisko)
zijn plengoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18De nazireeër moet bij de ingang van de tent van samenkomst zijn gewijde hoofd scheren. Hij moet het haar van zijn gewijde hoofd nemen en op het vuur leggen dat onder het vredeoffer is.
וְגִלַּ֣ח
(vegilach)
en hij zal scheren
הַנָּזִ֗יר
(hanazir)
de nazireeër
פֶּ֛תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֥הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֖ד
(moed)
samenkomst
אֶת
(et)
(obj.)
רֹ֣אשׁ
(rosh)
het hoofd van
נִזְר֑וֹ
(nizro)
zijn nazireaat
וְלָקַ֗ח
(velaqach)
en hij zal nemen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׂעַר֙
(sear)
het haar van
רֹ֣אשׁ
(rosh)
het hoofd van
נִזְר֔וֹ
(nizro)
zijn nazireaat
וְנָתַן֙
(venatan)
en hij zal leggen
עַל
(al)
op
הָאֵ֔שׁ
(haesh)
het vuur
אֲשֶׁר
(asher)
dat
תַּ֖חַת
(tachat)
onder
זֶ֥בַח
(zevach)
het slachtoffer van
הַשְּׁלָמִֽים
(hashelamim)
het vredeoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19De priester moet de gekookte schouder van de ram nemen, één ongezuurde koek uit de mand en één ongezuurde wafel. Hij moet ze op de handen van de nazireeër leggen nadat hij zijn nazireaat heeft afgeschoren.
וְלָקַ֨ח
(velaqach)
en hij zal nemen
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
הַזְּרֹ֣עַ
(hazeroa)
de schouder
בְּשֵׁלָה֮
(beshela)
gekookt
מִן
(min)
van
הָאַיִל֒
(haayil)
de ram
וְֽחַלַּ֨ת
(vechalat)
en koek van
מַצָּ֤ה
(matsa)
ongezuurd brood
אַחַת֙
(achat)
één
מִן
(min)
uit
הַסַּ֔ל
(hasal)
de mand
וּרְקִ֥יק
(ureqiq)
en wafel van
מַצָּ֖ה
(matsa)
ongezuurd brood
אֶחָ֑ד
(echad)
één
וְנָתַן֙
(venatan)
en hij zal leggen
עַל
(al)
op
כַּפֵּ֣י
(kapei)
de handpalmen van
הַנָּזִ֔יר
(hanazir)
de nazireeër
אַחַ֖ר
(achar)
nadat
הִֽתְגַּלְּח֥וֹ
(hitgalecho)
zijn afscheren
אֶת
(et)
(obj.)
נִזְרֽוֹ
(nizro)
zijn nazireaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20De priester moet ze als beweegoffer voor het aangezicht van Yahweh zwaaien. Het is heilig voor de priester, samen met de borst van het beweegoffer en de dij van de heffing. Daarna mag de nazireeër wijn drinken.
וְהֵנִיף֩
(vehenif)
en hij zal zwaaien
אוֹתָ֨ם
(otam)
hen
הַכֹּהֵ֥ן
(hakohen)
de priester
תְּנוּפָה֮
(tenufa)
beweegoffer
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
קֹ֤דֶשׁ
(qodesh)
heilig
הוּא֙
(hu)
het is
לַכֹּהֵ֔ן
(lakohen)
voor de priester
עַ֚ל
(al)
op
חֲזֵ֣ה
(chaze)
de borst van
הַתְּנוּפָ֔ה
(hatenufa)
het beweegoffer
וְעַ֖ל
(veal)
en op
שׁ֣וֹק
(shoq)
de dij van
הַתְּרוּמָ֑ה
(hateruma)
de heffing
וְאַחַ֛ר
(veachar)
en daarna
יִשְׁתֶּ֥ה
(yishte)
hij mag drinken
הַנָּזִ֖יר
(hanazir)
de nazireeër
יָֽיִן
(yayin)
wijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De borst en de dij zijn het deel van de priester bij een vredeoffer (Lev. 7:30–34).

21Dit is de wet voor de nazireeër die een gelofte aflegt: zijn offergave aan Yahweh voor zijn nazireaat, behalve wat hij verder kan opbrengen. Zoals hij zijn gelofte aflegt, zo moet hij doen, volgens de wet van zijn nazireaat.”
זֹ֣את
(zot)
dit
תּוֹרַ֣ת
(torat)
wet van
הַנָּזִיר֮
(hanazir)
de nazireeër
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יִדֹּר֒
(yidor)
zal beloven
קָרְבָּנ֤וֹ
(qarbano)
zijn offergave
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
aan Yahweh
עַל
(al)
voor
נִזְר֔וֹ
(nizro)
zijn nazireaat
מִלְּבַ֖ד
(milevad)
behalve
אֲשֶׁר
(asher)
wat
תַּשִּׂ֣יג
(tasig)
kan bereiken
יָד֑וֹ
(yado)
zijn hand
כְּפִ֤י
(kefi)
naar
נִדְרוֹ֙
(nidro)
zijn gelofte
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יִדֹּ֔ר
(yidor)
hij zal beloven
כֵּ֣ן
(ken)
zo
יַעֲשֶׂ֔ה
(yaase)
hij zal doen
עַ֖ל
(al)
volgens
תּוֹרַ֥ת
(torat)
de wet van
נִזְרֽוֹ
(nizro)
zijn nazireaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De zegen van de priesters

22Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23„Spreek tot Aäron en zijn zonen: Zo moeten jullie de zonen van Israël zegenen. Zeg tot hen:
דַּבֵּ֤ר
(daber)
spreek
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
וְאֶל
(veel)
en tot
בָּנָ֣יו
(banav)
zijn zonen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
כֹּ֥ה
(ko)
zo
תְבָרֲכ֖וּ
(tevarakhu)
jullie zullen zegenen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אָמ֖וֹר
(amor)
zeg
לָהֶֽם
(lahem)
tot hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zegen heeft drie regels van 3, 5 en 7 woorden in het Hebreeuws.

Het is de zegen die de priesters over Israël uitspreken.

24‘Moge Yahweh je zegenen en je behoeden.
יְבָרֶכְךָ֥
(yevarekhkha)
hij zegene je
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְיִשְׁמְרֶֽךָ
(veyishmerekha)
en hij behoede je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Moge Yahweh Zijn aangezicht over je laten lichten en je gunst bewijzen.
יָאֵ֨ר
(yaer)
hij laat lichten
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
פָּנָ֛יו
(panav)
Zijn aangezicht
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
naar jou
וִֽיחֻנֶּֽךָּ
(vichuneka)
en hij bewijze je gunst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אוֹר פָּנִים (or panim), ‘het aangezicht laten lichten’: vriendelijk kijken.

חָנַן (chanan), ‘gunst bewijzen’, hoort bij חֵן (chen), ‘gunst’.

26Moge Yahweh Zijn aangezicht naar je opheffen en je vrede geven.’
יִשָּׂ֨א
(yisa)
hij hefte op
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
פָּנָיו֙
(panav)
Zijn aangezicht
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
naar jou
וְיָשֵׂ֥ם
(veyasem)
en hij geve
לְךָ֖
(lekha)
je
שָׁלֽוֹם
(shalom)
vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָשָׂא פָּנִים (nasa panim), ‘het aangezicht opheffen’: iemand vol aandacht aankijken.

27Zo moeten zij Mijn naam op de zonen van Israël leggen, en Ik zal hen zegenen.”
וְשָׂמ֥וּ
(vesamu)
en zij zullen leggen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמִ֖י
(shemi)
Mijn naam
עַל
(al)
op
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַאֲנִ֖י
(vaani)
en Ik
אֲבָרֲכֵֽם
(avarakhem)
zal hen zegenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De naam van Yahweh op Israël leggen betekent dat Israël Zijn volk is.

Zie ook Deut. 28:10.