Elohim Bijbel

Jona 4

1234

Jona is woedend en Yahweh stelt een vraag

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jona is woedend

1Maar het was Jona een groot kwaad, en hij werd woedend.
וַיֵּ֥רַע
(vayera)
en het was kwaad
אֶל
(el)
voor
יוֹנָ֖ה
(yona)
Jona
רָעָ֣ה
(raa)
een kwaad
גְדוֹלָ֑ה
(gedola)
groot
וַיִּ֖חַר
(vayichar)
en hij werd woedend
לֽוֹ
(lo)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָעָה (ra’ah), ‘kwaad’: dit is hetzelfde woord als ‘het kwaad’ in 3:10, waar Elohim het kwaad laat rouwen.

Wat Elohim niet doet, is voor Jona zelf een groot kwaad.

Wij laten het woord gelijk.

וַיִּחַר (vayyichar), ‘werd woedend’: letterlijk ‘het brandde hem’. Het werkwoord (חָרָה, charah) hoort bij ‘brandende toorn’ (חֲרוֹן, charon) in 3:9. Het staat ook in de verzen 4 en 9 (twee keer).

2Hij bad tot Yahweh en zei: „Ach, Yahweh, was dit niet wat ik zei toen ik nog in mijn land was? Daarom was ik er snel bij om naar Tarsis te vluchten. Want ik wist dat U een genadige en barmhartige El bent, langzaam tot toorn, rijk aan trouw, en Die Zich het kwaad laat rouwen.
וַיִּתְפַּלֵּ֨ל
(vayitpalel)
en bad
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּאמַ֗ר
(vayomar)
en zei
אָנָּ֤ה
(ana)
ach
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
הֲלוֹא
(halo)
was niet
זֶ֣ה
(ze)
dit
דְבָרִ֗י
(devari)
mijn woord
עַד
(ad)
toen
הֱיוֹתִי֙
(heyoti)
ik was
עַל
(al)
op
אַדְמָתִ֔י
(admati)
mijn land
עַל
(al)
daarom
כֵּ֥ן
(ken)
(zo)
קִדַּ֖מְתִּי
(qidamti)
was ik er snel bij
לִבְרֹ֣חַ
(livroach)
om te vluchten
תַּרְשִׁ֑ישָׁה
(tarshisha)
naar Tarsis
כִּ֣י
(ki)
want
יָדַ֗עְתִּי
(yadati)
ik wist
כִּ֤י
(ki)
dat
אַתָּה֙
(ata)
U
אֵֽל
(el)
El
חַנּ֣וּן
(chanun)
genadig
וְרַח֔וּם
(verachum)
en barmhartig
אֶ֤רֶךְ
(erekh)
langzaam van
אַפַּ֨יִם֙
(apayim)
toorn
וְרַב
(verav)
en rijk aan
חֶ֔סֶד
(chesed)
trouw
וְנִחָ֖ם
(venicham)
en Die Zich laat rouwen
עַל
(al)
over
הָרָעָֽה
(haraa)
het kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker.

Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië.

Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld.

Uitleg

אָנָּה (annah), ‘ach’: een smeekwoord, ‘toe, alsjeblieft’.

Hier met een verwijtende klank.

קִדַּמְתִּי (qiddamti), ‘was ik er snel bij’: letterlijk ‘ik kwam voor, ik was eerder’. Jona verwijst naar zijn vlucht in Jona 1:3.

אַדְמָתִי (admati), ‘mijn land’: letterlijk ‘mijn grond’, het land waar hij vandaan komt.

חַנּוּן וְרַחוּם … (channun verachum …), ‘genadig en barmhartig, langzaam tot toorn en rijk aan trouw’: dit is de belijdenis van Yahweh uit Exod. 34:6, die ook in Num. 14:18 en Ps. 103:8 klinkt. Jona haalt haar aan als reden voor zijn woede.

וְנִחָם עַל הָרָעָה (venicham al hara’ah), ‘en Die Zich het kwaad laat rouwen’: zoals in 3:10 en Exod. 32:14.

3En nu, Yahweh, neem toch mijn ziel van mij weg, want mijn dood is beter dan mijn leven.”
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
קַח
(qach)
neem
נָ֥א
(na)
toch
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
mijn ziel
מִמֶּ֑נִּי
(mimeni)
van mij
כִּ֛י
(ki)
want
ט֥וֹב
(tov)
goed
מוֹתִ֖י
(moti)
mijn dood
מֵחַיָּֽי
(mechayay)
meer dan mijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier het leven van Jona zelf.

Vergelijk Elia in 1 Kon. 19:4, die ook om de dood vraagt.

Het Hebreeuws zegt in dit vers ‘mijn ziel’ en ‘mijn leven’ (חַיַּי, chayyay) naast elkaar.

4Yahweh zei: „Is het goed dat je woedend bent?”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הַהֵיטֵ֖ב
(haheitev)
is het goed
חָ֥רָה
(chara)
dat hij werd woedend
לָֽךְ
(lakh)
voor jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֲהֵיטֵב (hehetev), ‘is het goed’: het kan ook zijn ‘heb je daar recht op’ of ‘is het terecht’.

Yahweh geeft geen oordeel, maar stelt een vraag.

Dezelfde vraag klinkt in vers 9.

De wonderboom

5Jona ging de stad uit en ging ten oosten van de stad zitten. Daar maakte hij zich een hut. Hij zat eronder in de schaduw, totdat hij zou zien wat er in de stad zou gebeuren.
וַיֵּצֵ֤א
(vayetse)
en ging uit
יוֹנָה֙
(yona)
Jona
מִן
(min)
van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וַיֵּ֖שֶׁב
(vayeshev)
en ging zitten
מִקֶּ֣דֶם
(miqedem)
ten oosten van
לָעִ֑יר
(lair)
de stad
וַיַּעַשׂ֩
(vayaas)
en maakte
ל֨וֹ
(lo)
voor zich
שָׁ֜ם
(sham)
daar
סֻכָּ֗ה
(suka)
een hut
וַיֵּ֤שֶׁב
(vayeshev)
en zat
תַּחְתֶּ֨יהָ֙
(tachteiha)
onder haar
בַּצֵּ֔ל
(batsel)
in de schaduw
עַ֚ד
(ad)
totdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
יִרְאֶ֔ה
(yire)
hij zou zien
מַה
(ma)
wat
יִּהְיֶ֖ה
(yihye)
zou zijn
בָּעִֽיר
(bair)
in de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִקֶּדֶם לָעִיר (miqqedem la’ir), ‘ten oosten van de stad’: Jona zoekt een plek met uitzicht op Nineve.

סֻכָּה (sukkah), ‘hut’: een hut van takken, zoals in Lev. 23:42.

6Yahweh Elohim liet een wonderboom komen. Die groeide omhoog boven Jona, als schaduw boven zijn hoofd, om hem te redden van zijn kwaad. En Jona verheugde zich met grote vreugde over de wonderboom.
וַיְמַ֣ן
(vayman)
en liet komen
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
אֱ֠לֹהִים
(Elohim)
Elohim
קִיקָי֞וֹן
(qiqayon)
een wonderboom
וַיַּ֣עַל
(vayaal)
en die groeide
מֵעַ֣ל
(meal)
boven
לְיוֹנָ֗ה
(leyona)
over Jona
לִֽהְי֥וֹת
(lihyot)
om te zijn
צֵל֙
(tsel)
schaduw
עַל
(al)
boven
רֹאשׁ֔וֹ
(rosho)
zijn hoofd
לְהַצִּ֥יל
(lehatsil)
om te redden
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
מֵרָֽעָת֑וֹ
(meraato)
van zijn kwaad
וַיִּשְׂמַ֥ח
(vayismach)
en was blij
יוֹנָ֛ה
(yona)
Jona
עַל
(al)
over
הַקִּֽיקָי֖וֹן
(haqiqayon)
de wonderboom
שִׂמְחָ֥ה
(simcha)
een vreugde
גְדוֹלָֽה
(gedola)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קִיקָיוֹן (qiqajon), ‘wonderboom’: een snelgroeiende plant met grote bladeren.

Het woord komt alleen hier voor.

Vaak wordt gedacht aan de ricinus, maar dat is onzeker.

וַיְמַן (vayman), ‘liet komen’: het werkwoord (מָנָה, manah) betekent ‘aanwijzen, aanstellen’. Het staat ook voor de grote vis (Jona 2:1), en in dit hoofdstuk voor de wonderboom, de worm en de oostenwind.

מֵרָעָתוֹ (mera’ato), ‘van zijn kwaad’: het woord ra’ah heeft hier de betekenis van ongemak of ellende. Het kan ook zijn boosheid zijn. Wij laten het woord staan.

7Bij het opkomen van de dageraad, de volgende dag, liet Elohim een worm komen. Die trof de wonderboom, en hij verdorde.
וַיְמַ֤ן
(vayman)
en liet komen
הָֽאֱלֹהִים֙
(haElohim)
Elohim
תּוֹלַ֔עַת
(tolaat)
een worm
בַּעֲל֥וֹת
(baalot)
bij het opkomen van
הַשַּׁ֖חַר
(hashachar)
de dageraad
לַֽמָּחֳרָ֑ת
(lamachorat)
de volgende dag
וַתַּ֥ךְ
(vatakh)
en trof
אֶת
(et)
(obj.)
הַקִּֽיקָי֖וֹן
(haqiqayon)
de wonderboom
וַיִּיבָֽשׁ
(vayivash)
en hij verdorde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹלַעַת (tola’at), ‘worm’: een kleine made of worm, zoals in Exod. 16:20.

וַיַּךְ (vayyak), ‘trof’: het werkwoord (נָכָה, nakah) betekent ‘slaan, treffen’. In vers 8 staat het weer, nu voor de zon: wij vertalen daar ‘stak’.

8Toen de zon opkwam, liet Elohim een hete oostenwind komen. De zon stak op het hoofd van Jona, en hij raakte uitgeput. Hij vroeg voor zijn ziel om te sterven. Hij zei: „Beter is mijn dood dan mijn leven.”
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
כִּזְרֹ֣חַ
(kizroach)
bij het opkomen van
הַשֶּׁ֗מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
וַיְמַ֨ן
(vayman)
en liet komen
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
ר֤וּחַ
(ruach)
een wind van
קָדִים֙
(qadim)
oost
חֲרִישִׁ֔ית
(charishit)
hete
וַתַּ֥ךְ
(vatakh)
en stak
הַשֶּׁ֛מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
עַל
(al)
op
רֹ֥אשׁ
(rosh)
het hoofd van
יוֹנָ֖ה
(yona)
Jona
וַיִּתְעַלָּ֑ף
(vayitalaf)
en hij raakte uitgeput
וַיִּשְׁאַ֤ל
(vayishal)
en vroeg
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשׁוֹ֙
(nafsho)
voor zijn ziel
לָמ֔וּת
(lamut)
om te sterven
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
ט֥וֹב
(tov)
goed
מוֹתִ֖י
(moti)
mijn dood
מֵחַיָּֽי
(mechayay)
meer dan mijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲרִישִׁית (charishit), ‘hete’: de betekenis is onzeker.

Het kan ‘verzengend’ of ‘drukkend’ zijn, of verband houden met ‘stil’.

קָדִים (qadim), ‘oost’: de oostenwind komt uit de woestijn en is droog en heet.

וַיִּשְׁאַל אֶת נַפְשׁוֹ לָמוּת (vayyish’al et nafsho lamut), ‘vroeg voor zijn ziel om te sterven’: zoals Jona in vers 3 en Elia in 1 Kon. 19:4.

9Elohim zei tegen Jona: „Is het goed dat je woedend bent over de wonderboom?” Hij zei: „Het is goed dat ik woedend ben, tot de dood toe.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
יוֹנָ֔ה
(yona)
Jona
הַהֵיטֵ֥ב
(haheitev)
is het goed
חָרָֽה
(chara)
dat hij werd woedend
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
עַל
(al)
over
הַקִּֽיקָי֑וֹן
(haqiqayon)
de wonderboom
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הֵיטֵ֥ב
(heitev)
goed
חָֽרָה
(chara)
dat hij werd woedend
לִ֖י
(li)
voor mij
עַד
(ad)
tot
מָֽוֶת
(mavet)
de dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Elohim herhaalt de vraag van vers 4, nu met de wonderboom erbij.

Jona antwoordt met ‘tot de dood toe’ (עַד מָוֶת, ad mavet).

De vraag van Yahweh

10Yahweh zei: „Jij hebt medelijden gehad met de wonderboom. Jij hebt er niet voor gezwoegd en hebt hem niet laten groeien. In één nacht ontstond hij, en in één nacht kwam hij om.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
חַ֨סְתָּ֙
(chasta)
had medelijden
עַל
(al)
over
הַקִּ֣יקָי֔וֹן
(haqiqayon)
de wonderboom
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
עָמַ֥לְתָּ
(amalta)
zwoegde
בּ֖וֹ
(bo)
aan hem
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
גִדַּלְתּ֑וֹ
(gidalto)
liet hem groeien
שֶׁבִּן
(shebin)
die als zoon van
לַ֥יְלָה
(layla)
een nacht
הָיָ֖ה
(haya)
was
וּבִן
(uvin)
en als zoon van
לַ֥יְלָה
(layla)
een nacht
אָבָֽד
(avad)
kwam om
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַסְתָּ (chasta), ‘had medelijden’: het werkwoord (חוּס, chus) betekent ook ‘sparen’.

Wij gebruiken ‘medelijden hebben (met)’ in de verzen 10 en 11.

עָמַלְתָּ (amalta), ‘gezwoegd’: hard werken voor iets.

בֶּן־לַיְלָה (ben layla), ‘zoon van een nacht’: een uitdrukking voor iets dat in één nacht ontstaat en weer verdwijnt.

11En Ik, zou Ik geen medelijden hebben met Nineve, de grote stad? Er zijn in haar meer dan 120.000 mensen die hun rechterhand niet van hun linkerhand kunnen onderscheiden, en veel dieren.”
וַֽאֲנִי֙
(vaani)
en ik
לֹ֣א
(lo)
niet
אָח֔וּס
(achus)
zal medelijden hebben
עַל
(al)
over
נִינְוֵ֖ה
(nineve)
Nineve
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַגְּדוֹלָ֑ה
(hagedola)
de grote
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarin
יֶשׁ
(yesh)
er zijn
בָּ֡הּ
(bah)
in haar
הַרְבֵּה֩
(harbe)
meer
מִֽשְׁתֵּים
(mishteim)
dan twee
עֶשְׂרֵ֨ה
(esre)
tien
רִבּ֜וֹ
(ribo)
tienduizendtallen
אָדָ֗ם
(adam)
mensen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יָדַע֙
(yada)
weten
בֵּין
(bein)
tussen
יְמִינ֣וֹ
(yemino)
zijn rechterhand
לִשְׂמֹאל֔וֹ
(lismolo)
en zijn linkerhand
וּבְהֵמָ֖ה
(uvehema)
en dieren
רַבָּֽה
(raba)
veel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak.

Uitleg

רִבּוֹ (ribbo), ‘tienduizendtal’: ‘twaalf maal tienduizend’ is 120.000.

De tekst zegt niet wie de mensen zijn die ‘hun rechterhand niet van hun linkerhand kennen’.

Vaak denkt men aan kleine kinderen, of aan mensen die nog geen weg weten.

Wij laten het open.

Het boek eindigt met deze vraag van Yahweh. Het antwoord van Jona staat er niet bij.