Jullie zonden, onze klacht en de Verlosser voor Sion
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De hand van Yahweh is niet te kort
1Zie, de hand van Yahweh is niet te kort om te redden, en Zijn oor is niet te zwaar om te horen.
הֵ֛ן
(hen)
zie
לֹֽא
(lo)
niet
קָצְרָ֥ה
(qatsera)
is te kort
יַד
(yad)
de hand van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵֽהוֹשִׁ֑יעַ
(mehoshia)
om te redden
וְלֹא
(velo)
en niet
כָבְדָ֥ה
(kaveda)
is te zwaar
אָזְנ֖וֹ
(azeno)
Zijn oor
מִשְּׁמֽוֹעַ
(mishemoa)
om te horen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier spreekt de profeet, tot vers 19.
Zijn woorden staan zwart.
Pas in vers 20 en 21 spreekt Yahweh zelf; daar staat weer rood.
קָצְרָה יַד (qatsrah yad), ‘de hand is te kort’: een beeld voor onmacht. Zo ook in Num. 11:23.
כָבְדָה אָזְנוֹ (khavdah oznu), ‘Zijn oor is te zwaar’: Hij hoort slecht. Ook dat is een beeld; Yahweh is niet doof.
2Maar jullie ongerechtigheden zijn een scheiding geworden tussen jullie en jullie Elohim. Jullie zonden hebben Zijn aangezicht voor jullie verborgen, zodat Hij niet hoort.
כִּ֤י
(ki)
maar
אִם
(im)
juist
עֲוֺנֹֽתֵיכֶם֙
(avonoteikhem)
jullie ongerechtigheden
הָי֣וּ
(hayu)
zijn geworden
מַבְדִּלִ֔ים
(mavdilim)
scheidend
בֵּינֵכֶ֕ם
(beinekhem)
tussen jullie
לְבֵ֖ין
(levein)
en
אֱלֹֽהֵיכֶ֑ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
וְחַטֹּֽאותֵיכֶ֗ם
(vechatovteikhem)
en jullie zonden
הִסְתִּ֧ירוּ
(histiru)
hebben verborgen
פָנִ֛ים
(panim)
het aangezicht
מִכֶּ֖ם
(mikem)
voor jullie
מִשְּׁמֽוֹעַ
(mishemoa)
zodat Hij niet hoort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Niemand klaagt aan in gerechtigheid, en niemand pleit in betrouwbaarheid. Zij vertrouwen op leegte en spreken ijdele woorden. Zij worden zwanger van moeite en baren onheil.
אֵין
(ein)
niemand
קֹרֵ֣א
(qore)
roept aan
בְצֶ֔דֶק
(betsedeq)
in gerechtigheid
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
נִשְׁפָּ֖ט
(nishpat)
pleit
בֶּאֱמוּנָ֑ה
(beemuna)
in betrouwbaarheid
בָּט֤וֹחַ
(batoach)
vertrouwen
עַל
(al)
op
תֹּ֨הוּ֙
(tohu)
leegte
וְדַבֶּר
(vedaber)
en spreken
שָׁ֔וְא
(shave)
ijdele woorden
הָר֥וֹ
(haro)
zwanger worden
עָמָ֖ל
(amal)
van moeite
וְהוֹלֵ֥יד
(veholeid)
en baren
אָֽוֶן
(aven)
onheil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קֹרֵא בְצֶדֶק (qore betsedeq), ‘klaagt aan in gerechtigheid’: letterlijk ‘roept in gerechtigheid’.
Het werkwoord קָרָא (qara), ‘roepen’, kan ook betekenen: iemand voor het gerecht roepen.
נִשְׁפָּט (nishpat), ‘pleit’: een rechtszaak voeren.
אֱמוּנָה (emunah), ‘betrouwbaarheid’: wat vast en eerlijk is.
תֹּהוּ (tohu), ‘leegte’: hetzelfde woord als in Gen. 1:2.
הָרוֹ עָמָל וְהוֹלֵיד אָוֶן (haro amal veholed aven), ‘zwanger worden van moeite en baren onheil’: vergelijk Ps. 7:15.
5Zij broeden adderseieren uit en weven spinnenwebben. Wie van hun eieren eet, sterft. Wordt er een ei vertrapt, dan breekt er een giftige slang uit.
בֵּיצֵ֤י
(beitsei)
eieren van
צִפְעוֹנִי֙
(tsifoni)
adders
בִּקֵּ֔עוּ
(biqeu)
zij broeden uit
וְקוּרֵ֥י
(vequrei)
en draden van
עַכָּבִ֖ישׁ
(akavish)
spin
יֶאֱרֹ֑גוּ
(yeerogu)
zij weven
הָאֹכֵ֤ל
(haokhel)
wie eet
מִבֵּֽיצֵיהֶם֙
(mibeitseihem)
van hun eieren
יָמ֔וּת
(yamut)
sterft
וְהַזּוּרֶ֖ה
(vehazure)
en wat vertrapt wordt
תִּבָּקַ֥ע
(tibaqa)
breekt open
אֶפְעֶֽה
(efe)
een giftige slang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צִפְעוֹנִי (tsif’oni), ‘adder’, en אֶפְעֶה (efeh), ‘giftige slang’: twee soorten slangen.
וְהַזּוּרֶה (vehazzureh), ‘wat vertrapt wordt’: letterlijk ‘het geperste’. Bedoeld is een ei dat wordt stukgedrukt. Het Hebreeuws is kort; de zin betekent dat er dan een giftige slang uitkomt.
6Hun webben worden geen kleed, en met wat zij maken kunnen zij zich niet bedekken. Hun werken zijn werken van onheil, en daden van geweld zijn in hun handen.
קֽוּרֵיהֶם֙
(qureihem)
hun webben
לֹא
(lo)
niet
יִהְי֣וּ
(yihyu)
worden
לְבֶ֔גֶד
(leveged)
tot een kleed
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִתְכַּסּ֖וּ
(yitkasu)
zij bedekken zich
בְּמַֽעֲשֵׂיהֶ֑ם
(bemaaseihem)
met hun werk
מַֽעֲשֵׂיהֶם֙
(maaseihem)
hun werken
מַֽעֲשֵׂי
(maasei)
werken van
אָ֔וֶן
(aven)
onheil
וּפֹ֥עַל
(ufoal)
en daad van
חָמָ֖ס
(chamas)
geweld
בְּכַפֵּיהֶֽם
(bekhapeihem)
in hun handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Hun voeten rennen naar het kwaad en haasten zich om onschuldig bloed te vergieten. Hun gedachten zijn gedachten van onheil. Verwoesting en ondergang liggen op hun banen.
רַגְלֵיהֶם֙
(ragleihem)
hun voeten
לָרַ֣ע
(lara)
naar het kwaad
יָרֻ֔צוּ
(yarutsu)
rennen
וִֽימַהֲר֔וּ
(vimaharu)
en zij haasten zich
לִשְׁפֹּ֖ךְ
(lishpokh)
om te vergieten
דָּ֣ם
(dam)
bloed
נָקִ֑י
(naqi)
onschuldig
מַחְשְׁבֽוֹתֵיהֶם֙
(machshevoteihem)
hun gedachten
מַחְשְׁב֣וֹת
(machshevot)
gedachten van
אָ֔וֶן
(aven)
onheil
שֹׁ֥ד
(shod)
verwoesting
וָשֶׁ֖בֶר
(vashever)
en ondergang
בִּמְסִלּוֹתָֽם
(bimsilotam)
op hun banen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De eerste zin is bijna gelijk aan Spr. 1:16; daarom gebruiken wij dezelfde woorden.
8De weg van de vrede kennen zij niet, en er is geen recht in hun sporen. Hun paden hebben zij voor zichzelf krom gemaakt. Wie erop treedt, kent geen vrede.
דֶּ֤רֶךְ
(derekh)
de weg van
שָׁלוֹם֙
(shalom)
vrede
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדָ֔עוּ
(yadau)
kennen zij
וְאֵ֥ין
(veein)
en er is niet
מִשְׁפָּ֖ט
(mishpat)
recht
בְּמַעְגְּלוֹתָ֑ם
(bemagelotam)
in hun sporen
נְתִיבֽוֹתֵיהֶם֙
(netivoteihem)
hun paden
עִקְּשׁ֣וּ
(iqeshu)
hebben zij krom gemaakt
לָהֶ֔ם
(lahem)
voor zichzelf
כֹּ֚ל
(kol)
ieder
דֹּרֵ֣ךְ
(dorekh)
die treedt
בָּ֔הּ
(bah)
erop
לֹ֥א
(lo)
niet
יָדַ֖ע
(yada)
kent
שָׁלֽוֹם
(shalom)
vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַעְגְּלוֹת (ma’gelot), ‘sporen’: de sporen van een wagenwiel, de vaste paden.
9Daarom is het recht ver van ons, en bereikt gerechtigheid ons niet. Wij hopen op licht, en zie: duisternis; op heldere stralen, maar wij wandelen in diepe duisternis.
עַל
(al)
daarom
כֵּ֗ן
(ken)
zo
רָחַ֤ק
(rachaq)
is ver
מִשְׁפָּט֙
(mishpat)
het recht
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
van ons
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תַשִּׂיגֵ֖נוּ
(tasigenu)
bereikt ons
צְדָקָ֑ה
(tsedaqa)
gerechtigheid
נְקַוֶּ֤ה
(neqave)
wij hopen
לָאוֹר֙
(laor)
op licht
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
חֹ֔שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
לִנְגֹה֖וֹת
(lingohot)
op heldere stralen
בָּאֲפֵל֥וֹת
(baafelot)
in diepe duisternis
נְהַלֵּֽךְ
(nehalekh)
wij wandelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier spreekt de profeet in de wij-vorm.
Hij rekent zichzelf bij het volk.
נְגֹהוֹת (negohot), ‘heldere stralen’: het stralende licht van de dag. אֲפֵלוֹת (afelot), ‘diepe duisternis’.
10Wij tasten langs de muur als blinden, wij tasten als wie geen ogen heeft. Wij struikelen op de middag alsof het schemer is. Tussen de sterken zijn wij als doden.
נְגַֽשְׁשָׁ֤ה
(negashsha)
wij tasten
כַֽעִוְרִים֙
(kaivrim)
als blinden
קִ֔יר
(qir)
langs de muur
וּכְאֵ֥ין
(ukheein)
en als wie niet heeft
עֵינַ֖יִם
(einayim)
ogen
נְגַשֵּׁ֑שָׁה
(negashesha)
wij tasten
כָּשַׁ֤לְנוּ
(kashalnu)
wij struikelen
בַֽצָּהֳרַ֨יִם֙
(batsahorayim)
op de middag
כַּנֶּ֔שֶׁף
(kaneshef)
als in de schemering
בָּאַשְׁמַנִּ֖ים
(baashmanim)
tussen de sterken
כַּמֵּתִֽים
(kametim)
als doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶשֶׁף (neshef), ‘schemering’: de tijd van de avond of de ochtend.
Het is dan niet helemaal licht.
בָּאַשְׁמַנִּים (ba’ashmannim), ‘tussen de sterken’: het woord is zeldzaam en onzeker. Het kan ook ‘in donkere plaatsen’ betekenen.
12Want onze overtredingen zijn talrijk voor U, en onze zonden getuigen tegen ons. Want onze overtredingen zijn bij ons, en onze ongerechtigheden kennen wij:
כִּֽי
(ki)
want
רַבּ֤וּ
(rabu)
zijn talrijk
פְשָׁעֵ֨ינוּ֙
(peshaeinu)
onze overtredingen
נֶגְדֶּ֔ךָ
(negdekha)
voor U
וְחַטֹּאותֵ֖ינוּ
(vechatovteinu)
en onze zonden
עָ֣נְתָה
(aneta)
getuigen
בָּ֑נוּ
(banu)
tegen ons
כִּֽי
(ki)
want
פְשָׁעֵ֣ינוּ
(peshaeinu)
onze overtredingen
אִתָּ֔נוּ
(itanu)
zijn bij ons
וַעֲוֺנֹתֵ֖ינוּ
(vaavonoteinu)
en onze ongerechtigheden
יְדַֽעֲנֽוּם
(yedaanum)
wij kennen ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier spreekt de profeet tot Yahweh; daarom staat er ‘U’.
עָנְתָה בָּנוּ (anetah banu), ‘getuigen tegen ons’: letterlijk ‘antwoorden in ons’. Het werkwoord betekent hier: als getuige optreden.
13overtreden en Yahweh verloochenen, ons afkeren van onze Elohim, spreken van onderdrukking en opstand, zwanger worden van leugenwoorden en ze uit het hart prevelen.
פָּשֹׁ֤עַ
(pashoa)
overtreden
וְכַחֵשׁ֙
(vekhachesh)
en verloochenen
בַּֽיהוָ֔ה
(baYahweh)
Yahweh
וְנָס֖וֹג
(venasog)
en ons afkeren
מֵאַחַ֣ר
(meachar)
van achter
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
דַּבֶּר
(daber)
spreken van
עֹ֣שֶׁק
(osheq)
onderdrukking
וְסָרָ֔ה
(vesara)
en opstand
הֹר֧וֹ
(horo)
zwanger worden
וְהֹג֛וֹ
(vehogo)
en prevelen
מִלֵּ֖ב
(milev)
uit het hart
דִּבְרֵי
(divrei)
woorden van
שָֽׁקֶר
(shaqer)
leugen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws heeft in dit vers werkwoorden in de onbepaalde wijs: ‘overtreden’, ‘verloochenen’, ‘zich afkeren’.
Wij laten dat zo.
Het vers somt op wat in vers 12 wordt beleden.
כָּחֵשׁ (kachesh), ‘verloochenen’: ontkennen of liegen over iemand.
סָרָה (sarah), ‘opstand’: letterlijk ‘afwijking’. Zo ook Deut. 13:6.
16Hij zag dat er niemand was en was ontzet dat er niemand tussenbeide kwam. Toen bracht Zijn eigen arm Hem redding, en Zijn gerechtigheid, die steunde Hem.
וַיַּרְא֙
(vayar)
en Hij zag
כִּֽי
(ki)
dat
אֵ֣ין
(ein)
niet was
אִ֔ישׁ
(ish)
iemand
וַיִּשְׁתּוֹמֵ֖ם
(vayishtomem)
en Hij was ontzet
כִּ֣י
(ki)
dat
אֵ֣ין
(ein)
niet was
מַפְגִּ֑יעַ
(mafgia)
een tussenbeider
וַתּ֤וֹשַֽׁע
(vatosha)
en bracht redding
לוֹ֙
(lo)
Hem
זְרֹע֔וֹ
(zeroo)
Zijn arm
וְצִדְקָת֖וֹ
(vetsidqato)
en Zijn gerechtigheid
הִ֥יא
(hi)
zij
סְמָכָֽתְהוּ
(semakhatehu)
steunde Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַפְגִּיעַ (mafgia), ‘tussenbeider’: iemand die tussenbeide komt om recht te doen.
Vergelijk Jes. 63:5 en Ezech. 22:30.
וַתּוֹשַׁע לוֹ זְרֹעוֹ (vattoshea lo zero’o), ‘toen bracht Zijn eigen arm Hem redding’: letterlijk ‘en redde voor Hem Zijn arm’. Yahweh grijpt zelf in.
17Hij trok gerechtigheid aan als een pantser, en een helm van redding op Zijn hoofd. Hij trok kleren van wraak aan als gewaad en hulde Zich in ijver als in een mantel.
וַיִּלְבַּ֤שׁ
(vayilbash)
en Hij trok aan
צְדָקָה֙
(tsedaqa)
gerechtigheid
כַּשִּׁרְיָ֔ן
(kashiryan)
als een pantser
וְכ֥וֹבַע
(vekhova)
en een helm van
יְשׁוּעָ֖ה
(yeshua)
redding
בְּרֹאשׁ֑וֹ
(berosho)
op Zijn hoofd
וַיִּלְבַּ֞שׁ
(vayilbash)
en Hij trok aan
בִּגְדֵ֤י
(bigdei)
kleren van
נָקָם֙
(naqam)
wraak
תִּלְבֹּ֔שֶׁת
(tilboshet)
als gewaad
וַיַּ֥עַט
(vayaat)
en Hij hulde Zich
כַּמְעִ֖יל
(kamil)
als in een mantel
קִנְאָֽה
(qina)
ijver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Yahweh wordt hier beschreven als een krijger met pantser en helm.
Vergelijk Ef. 6:14–17 en 1 Thess. 5:8.
נָקָם (naqam), ‘wraak’: het herstellen van het recht door te straffen. קִנְאָה (qin’ah), ‘ijver’: vurige inzet voor wat Hem toebehoort.
18Naar wat zij verdienen, zo zal Hij betalen: gloeiende toorn voor Zijn tegenstanders, vergelding voor Zijn vijanden. Ook de eilanden zal Hij vergelding betalen.
כְּעַ֤ל
(keal)
naar
גְּמֻלוֹת֙
(gemulot)
wat zij verdienen
כְּעַ֣ל
(keal)
zo
יְשַׁלֵּ֔ם
(yeshalem)
zal Hij betalen
חֵמָ֣ה
(chema)
gloeiende toorn
לְצָרָ֔יו
(letsarav)
voor Zijn tegenstanders
גְּמ֖וּל
(gemul)
vergelding
לְאֹֽיְבָ֑יו
(leoyevav)
voor Zijn vijanden
לָאִיִּ֖ים
(laiyim)
voor de eilanden
גְּמ֥וּל
(gemul)
vergelding
יְשַׁלֵּֽם
(yeshalem)
zal Hij betalen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גְּמֻלוֹת (gemulot), ‘wat zij verdienen’: letterlijk ‘vergeldingen’.
Het woord gemul, ‘vergelding’, komt in dit vers twee keer voor.
אִיִּים (iyyim), ‘eilanden’: verre kustlanden over zee.
19Dan zal men de naam van Yahweh vrezen vanuit het westen, en Zijn heerlijkheid vanuit het oosten. Want Hij komt als een samengeperste rivier, die de adem van Yahweh voortdrijft.
וְיִֽירְא֤וּ
(veyireu)
en zij zullen vrezen
מִֽמַּעֲרָב֙
(mimaarav)
vanuit het westen
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֣ם
(shem)
de naam van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּמִמִּזְרַח
(umimizrach)
en vanuit de opgang van
שֶׁ֖מֶשׁ
(shemesh)
de zon
אֶת
(et)
(obj.)
כְּבוֹד֑וֹ
(kevodo)
Zijn heerlijkheid
כִּֽי
(ki)
want
יָב֤וֹא
(yavo)
Hij komt
כַנָּהָר֙
(kanahar)
als een rivier
צָ֔ר
(tsar)
samengeperste
ר֥וּחַ
(ruach)
de adem van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
נֹ֥סְסָה
(nosesa)
drijft voort
בֽוֹ
(bo)
haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het tweede deel van dit vers is moeilijk.
צָר (tsar) betekent ‘eng’, ‘benauwd’, en ook ‘tegenstander’.
נֹסְסָה (nosesah) kan ‘voortdrijven’ betekenen, maar ook ‘een banier opheffen’ (nes, ‘banier’).
Wij vertalen: ‘Want Hij komt als een samengeperste rivier, die de adem van Yahweh voortdrijft.’ Een andere mogelijkheid is: ‘Wanneer de tegenstander komt als een rivier, heft de adem van Yahweh een banier tegen hem op.’
21En wat Mij betreft: dit is Mijn verbond met hen, zegt Yahweh. Mijn Geest, die op je is, en Mijn woorden, die Ik in je mond gelegd heb, zullen niet wijken uit je mond. Ook niet uit de mond van je nageslacht en niet uit de mond van het nageslacht van je nageslacht, zegt Yahweh, van nu af en voor eeuwig.”
וַאֲנִ֗י
(vaani)
en Ik
זֹ֣את
(zot)
dit
בְּרִיתִ֤י
(beriti)
is Mijn verbond
אוֹתָם֙
(otam)
met hen
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
רוּחִי֙
(ruchi)
Mijn Geest
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָלֶ֔יךָ
(aleikha)
op je is
וּדְבָרַ֖י
(udevaray)
en Mijn woorden
אֲשֶׁר
(asher)
die
שַׂ֣מְתִּי
(samti)
Ik heb gelegd
בְּפִ֑יךָ
(befikha)
in je mond
לֹֽא
(lo)
niet
יָמ֡וּשׁוּ
(yamushu)
zullen wijken
מִפִּיךָ֩
(mipikha)
uit je mond
וּמִפִּ֨י
(umipi)
en uit de mond van
זַרְעֲךָ֜
(zarakha)
je nageslacht
וּמִפִּ֨י
(umipi)
en uit de mond van
זֶ֤רַע
(zera)
het nageslacht van
זַרְעֲךָ֙
(zarakha)
je nageslacht
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵעַתָּ֖ה
(meata)
van nu af
וְעַד
(vead)
en tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De ‘je’ is enkelvoud.
Het kan Sion zijn, het volk of de profeet.
De tekst zegt het niet.
עוֹלָם (olam), ‘voor eeuwig’: zoals elders in ons boek.
Vergelijk Jes. 55:3 en 61:8 voor het eeuwige verbond.