Elohim Bijbel

Matteüs 20

12345678910111213141516171819202122232425262728

De arbeiders in de wijngaard, het lijden aangekondigd en de blinden bij Jericho

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De arbeiders in de wijngaard

1Want het koninkrijk van de hemelen is gelijk aan een man die landeigenaar was. Hij ging vroeg in de morgen uit om arbeiders in te huren voor zijn wijngaard.
Ὁμοία
(Homoia)
gelijk
γάρ
(gar)
want
ἐστιν
(estin)
is
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τῶν
(ton)
van de
οὐρανῶν
(ouranon)
hemelen
ἀνθρώπῳ
(anthropo)
aan een man
οἰκοδεσπότῃ
(oikodespote)
landeigenaar
ὅστις
(hostis)
die
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
ἅμα
(hama)
tegelijk
πρωῒ
(proi)
vroeg in de morgen
μισθώσασθαι
(misthosasthai)
in te huren
ἐργάτας
(ergatas)
arbeiders
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
ἀμπελῶνα
(ampelona)
wijngaard
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

οἰκοδεσπότης (oikodespotes), ‘heer van het huis’: de eigenaar van een huis met zijn land.

Wij schrijven ‘landeigenaar’.

De toespraak loopt door vanaf Matt. 19:30; ‘want’ verbindt de gelijkenis met de woorden over eersten en laatsten. De wijngaard is ook in Jes. 5:1–7 een beeld voor Israël.

Zie ook Matt. 19:30; 20:16.

2Hij kwam met de arbeiders een denarie per dag overeen en zond hen naar zijn wijngaard.
συμφωνήσας
(symphonesas)
overeengekomen
δὲ
(de)
maar
μετὰ
(meta)
met
τῶν
(ton)
de
ἐργατῶν
(ergaton)
arbeiders
ἐκ
(ek)
voor
δηναρίου
(denariou)
een denarie
τὴν
(ten)
de
ἡμέραν
(hemeran)
dag
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
αὐτοὺς
(autous)
hen
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
ἀμπελῶνα
(ampelona)
wijngaard
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

δηνάριον (denarion), ‘denarie’: een Romeinse zilveren munt van ongeveer 3,9 gram.

Het was in die tijd ongeveer het loon voor één dag werk.

3Rond het derde uur ging hij uit en zag anderen zonder werk op het marktplein staan.
καὶ
(kai)
en
ἐξελθὼν
(exelthon)
uitgaand
περὶ
(peri)
rond
τρίτην
(triten)
derde
ὥραν
(horan)
uur
εἶδεν
(eiden)
zag
ἄλλους
(allous)
anderen
ἑστῶτας
(hestotas)
staande
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
het
ἀγορᾷ
(agora)
marktplein
ἀργούς
(argous)
zonder werk
Bron: SBLGNT
Uitleg

De uren worden geteld vanaf zonsopgang.

Het derde uur is ongeveer 9 uur ’s morgens, het zesde ongeveer 12 uur ’s middags, het negende ongeveer 15 uur en het elfde ongeveer 17 uur.

ἀγορά (agora), ‘marktplein’: de plek in de stad waar men handel dreef en waar werklozen op werk wachtten. ἀργός (argos), ‘zonder werk’.

4Ook tegen hen zei hij: ‘Ga ook jullie naar de wijngaard, en wat rechtvaardig is, zal ik jullie geven.’
καὶ
(kai)
en
ἐκείνοις
(ekeinois)
aan hen
εἶπεν
(eipen)
zei
Ὑπάγετε
(Hypagete)
ga
καὶ
(kai)
ook
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
de
ἀμπελῶνα
(ampelona)
wijngaard
καὶ
(kai)
en
ὃ
(ho)
wat
ἐὰν
(ean)
als
ᾖ
(e)
is
δίκαιον
(dikaion)
rechtvaardig
δώσω
(doso)
zal ik geven
ὑμῖν
(hymin)
jullie
Bron: SBLGNT
5Zij gingen. Rond het zesde en het negende uur ging hij opnieuw uit en deed hetzelfde.
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἀπῆλθον
(apelthon)
gingen
πάλιν
(palin)
opnieuw
ἐξελθὼν
(exelthon)
uitgaand
περὶ
(peri)
rond
ἕκτην
(hekten)
zesde
καὶ
(kai)
en
ἐνάτην
(enaten)
negende
ὥραν
(horan)
uur
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
ὡσαύτως
(hosautos)
evenzo
Bron: SBLGNT
6Rond het elfde uur ging hij uit en vond anderen staan, en hij zei tegen hen: ‘Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?’
περὶ
(peri)
rond
δὲ
(de)
maar
τὴν
(ten)
het
ἑνδεκάτην
(hendekaten)
elfde
ἐξελθὼν
(exelthon)
uitgaand
εὗρεν
(heuren)
vond
ἄλλους
(allous)
anderen
ἑστῶτας
(hestotas)
staande
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Τί
(Ti)
waarom
ὧδε
(hode)
hier
ἑστήκατε
(hestekate)
staan jullie
ὅλην
(holen)
hele
τὴν
(ten)
de
ἡμέραν
(hemeran)
dag
ἀργοί
(argoi)
zonder werk
Bron: SBLGNT
7Zij zeiden tegen hem: ‘Niemand heeft ons ingehuurd.’ Hij zei tegen hen: ‘Ga ook jullie naar de wijngaard.’
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
αὐτῷ
(auto)
tot hem
Ὅτι
(Hoti)
dat
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
ἡμᾶς
(hemas)
ons
ἐμισθώσατο
(emisthosato)
huurde in
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Ὑπάγετε
(Hypagete)
ga
καὶ
(kai)
ook
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
de
ἀμπελῶνα
(ampelona)
wijngaard
Bron: SBLGNT
8Toen het avond werd, zei de heer van de wijngaard tegen zijn rentmeester: ‘Roep de arbeiders. Betaal hun het loon, te beginnen bij de laatsten tot en met de eersten.’
ὀψίας
(opsias)
avond
δὲ
(de)
maar
γενομένης
(genomenes)
geworden
λέγει
(legei)
zegt
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
heer
τοῦ
(tou)
van de
ἀμπελῶνος
(ampelonos)
wijngaard
τῷ
(to)
aan de
ἐπιτρόπῳ
(epitropo)
rentmeester
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Κάλεσον
(Kaleson)
roep
τοὺς
(tous)
de
ἐργάτας
(ergatas)
arbeiders
καὶ
(kai)
en
ἀπόδος
(apodos)
betaal
αὐτοῖς
(autois)
hun
τὸν
(ton)
het
μισθὸν
(misthon)
loon
ἀρξάμενος
(arxamenos)
beginnend
ἀπὸ
(apo)
bij
τῶν
(ton)
de
ἐσχάτων
(eschaton)
laatsten
ἕως
(heos)
tot
τῶν
(ton)
de
πρώτων
(proton)
eersten
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐπίτροπος (epitropos), ‘rentmeester’: iemand aan wie de eigenaar het beheer van zijn zaken toevertrouwt.

9Zij die rond het elfde uur waren gekomen, kregen ieder een denarie.
καὶ
(kai)
en
ἐλθόντες
(elthontes)
gekomen
οἱ
(hoi)
zij
περὶ
(peri)
rond
τὴν
(ten)
het
ἑνδεκάτην
(hendekaten)
elfde
ὥραν
(horan)
uur
ἔλαβον
(elabon)
ontvingen
ἀνὰ
(ana)
elk
δηνάριον
(denarion)
denarie
Bron: SBLGNT
10Toen de eersten kwamen, dachten zij dat zij meer zouden krijgen. Ook zij kregen ieder een denarie.
καὶ
(kai)
en
ἐλθόντες
(elthontes)
gekomen
οἱ
(hoi)
de
πρῶτοι
(protoi)
eersten
ἐνόμισαν
(enomisan)
dachten
ὅτι
(hoti)
dat
πλεῖον
(pleion)
meer
λήμψονται
(lempsontai)
zullen ontvangen
καὶ
(kai)
en
ἔλαβον
(elabon)
ontvingen
τὸ
(to)
het
ἀνὰ
(ana)
elk
δηνάριον
(denarion)
denarie
καὶ
(kai)
ook
αὐτοί
(autoi)
zij
Bron: SBLGNT
11Toen zij het ontvingen, mopperden zij tegen de landeigenaar
λαβόντες
(labontes)
ontvangen hebbend
δὲ
(de)
maar
ἐγόγγυζον
(egongyzon)
mopperden
κατὰ
(kata)
tegen
τοῦ
(tou)
de
οἰκοδεσπότου
(oikodespotou)
landeigenaar
Bron: SBLGNT
12en zeiden: ‘Deze laatsten hebben één uur gewerkt. U hebt hen aan ons gelijkgemaakt, die de last van de dag en de hitte hebben gedragen.’
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Οὗτοι
(Houtoi)
deze
οἱ
(hoi)
de
ἔσχατοι
(eschatoi)
laatsten
μίαν
(mian)
één
ὥραν
(horan)
uur
ἐποίησαν
(epoiesan)
deden
καὶ
(kai)
en
ἴσους
(isous)
gelijk
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἡμῖν
(hemin)
aan ons
ἐποίησας
(epoiesas)
maakte u
τοῖς
(tois)
degenen
βαστάσασι
(bastasasi)
die gedragen hebben
τὸ
(to)
de
βάρος
(baros)
last
τῆς
(tes)
van de
ἡμέρας
(hemeras)
dag
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
de
καύσωνα
(kausona)
hitte
Bron: SBLGNT
13Hij antwoordde een van hen: ‘Vriend, ik doe je geen onrecht. Ben je niet een denarie met mij overeengekomen?
ὁ
(ho)
hij
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
ἑνὶ
(heni)
aan een
αὐτῶν
(auton)
van hen
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἑταῖρε
(Hetaire)
vriend
οὐκ
(ouk)
niet
ἀδικῶ
(adiko)
doe ik onrecht
σε
(se)
je
οὐχὶ
(ouchi)
niet
δηναρίου
(denariou)
een denarie
συνεφώνησάς
(synephonesas)
kwam je overeen
μοι
(moi)
met mij
Bron: SBLGNT
14Neem wat van jou is en ga. Ik wil aan deze laatste evenveel geven als aan jou.
ἆρον
(aron)
neem
τὸ
(to)
het
σὸν
(son)
jouwe
καὶ
(kai)
en
ὕπαγε
(hypage)
ga
θέλω
(thelo)
ik wil
δὲ
(de)
maar
τούτῳ
(touto)
aan deze
τῷ
(to)
de
ἐσχάτῳ
(eschato)
laatste
δοῦναι
(dounai)
geven
ὡς
(hos)
zoals
καὶ
(kai)
ook
σοί
(soi)
aan jou
Bron: SBLGNT
15Mag ik met het mijne niet doen wat ik wil? Of is je oog boos, omdat ik goed ben?’
οὐκ
(ouk)
niet
ἔξεστίν
(exestin)
is toegestaan
μοι
(moi)
mij
ὃ
(ho)
wat
θέλω
(thelo)
ik wil
ποιῆσαι
(poiesai)
doen
ἐν
(en)
met
τοῖς
(tois)
het
ἐμοῖς
(emois)
mijne
ἢ
(e)
of
ὁ
(ho)
het
ὀφθαλμός
(ophthalmos)
oog
σου
(sou)
je
πονηρός
(poneros)
boos
ἐστιν
(estin)
is
ὅτι
(hoti)
omdat
ἐγὼ
(ego)
ik
ἀγαθός
(agathos)
goed
εἰμι
(eimi)
ben
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὀφθαλμὸς πονηρός (ophthalmos poneros), ‘boos oog’: een afgunstige blik van iemand die een ander het goede niet gunt.

Zie Deut. 15:9; Spr. 23:6; 28:22.

16Zo zullen de laatsten eersten zijn en de eersten laatsten.”
οὕτως
(houtos)
zo
ἔσονται
(esontai)
zullen zijn
οἱ
(hoi)
de
ἔσχατοι
(eschatoi)
laatsten
πρῶτοι
(protoi)
eersten
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
πρῶτοι
(protoi)
eersten
ἔσχατοι
(eschatoi)
laatsten
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 19:30; Mark. 10:31; Luc. 13:30.

Lezing

In sommige handschriften volgt hier nog: ‘Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.’

Dat staat niet in de SBLGNT; wij vertalen het niet.

Vergelijk Matt. 22:14.

Yeshua kondigt Zijn lijden aan

17Toen Yeshua opging naar Jeruzalem, nam Hij de twaalf leerlingen apart. Onderweg zei Hij tegen hen:
Καὶ
(Kai)
en
ἀναβαίνων
(anabainon)
opgaand
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἰς
(eis)
naar
Ἱεροσόλυμα
(Hierosolyma)
Jeruzalem
παρέλαβεν
(parelaben)
nam mee
τοὺς
(tous)
de
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
κατ’
(kat’)
volgens
ἰδίαν
(idian)
eigen
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
de
ὁδῷ
(hodo)
weg
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Zie ook Mark. 10:32–34; Luc. 18:31–34.

18„Zie, wij gaan op naar Jeruzalem. De Mensenzoon zal worden overgeleverd aan de hogepriesters en schriftgeleerden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen.
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
ἀναβαίνομεν
(anabainomen)
gaan op
εἰς
(eis)
naar
Ἱεροσόλυμα
(Hierosolyma)
Jeruzalem
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
παραδοθήσεται
(paradothesetai)
zal worden overgeleverd
τοῖς
(tois)
aan de
ἀρχιερεῦσιν
(archiereusin)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
γραμματεῦσιν
(grammateusin)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
κατακρινοῦσιν
(katakrinousin)
zullen veroordelen
αὐτὸν
(auton)
Hem
θανάτῳ
(thanato)
tot de dood
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

19Zij zullen Hem overleveren aan de volken om Hem te bespotten, te geselen en te kruisigen, en op de derde dag zal Hij worden opgewekt.”
καὶ
(kai)
en
παραδώσουσιν
(paradosousin)
zullen overleveren
αὐτὸν
(auton)
Hem
τοῖς
(tois)
aan de
ἔθνεσιν
(ethnesin)
volken
εἰς
(eis)
tot
τὸ
(to)
het
ἐμπαῖξαι
(empaixai)
bespotten
καὶ
(kai)
en
μαστιγῶσαι
(mastigosai)
geselen
καὶ
(kai)
en
σταυρῶσαι
(staurosai)
kruisigen
καὶ
(kai)
en
τῇ
(te)
op de
τρίτῃ
(trite)
derde
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
ἐγερθήσεται
(egerthesetai)
zal worden opgewekt
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἔθνη (ethne), ‘volken’: hier de niet-Joden.

Het verzoek van de moeder van de zonen van Zebedeüs

20Toen kwam de moeder van de zonen van Zebedeüs met haar zonen naar Hem toe. Zij boog zich neer en vroeg Hem iets.
Τότε
(Tote)
toen
προσῆλθεν
(proselthen)
kwam naar
αὐτῷ
(auto)
Hem
ἡ
(he)
de
μήτηρ
(meter)
moeder
τῶν
(ton)
van de
υἱῶν
(huion)
zonen
Ζεβεδαίου
(Zebedaiou)
van Zebedeüs
μετὰ
(meta)
met
τῶν
(ton)
de
υἱῶν
(huion)
zonen
αὐτῆς
(autes)
haar
προσκυνοῦσα
(proskynousa)
zich neerbuigend
καὶ
(kai)
en
αἰτοῦσά
(aitousa)
vragend
τι
(ti)
iets
παρ’
(par’)
van
αὐτοῦ
(autou)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zebedeüs was de vader van Jakobus en Johannes (Matt. 4:21). προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’: zich diep buigen voor iemand met gezag.

Zie ook Mark. 10:35–45; daar vragen de zonen het zelf.

21Hij zei tegen haar: „Wat wil je?” Zij zei tegen Hem: „Zeg dat deze twee zonen van mij in Uw koninkrijk mogen zitten, de een aan Uw rechterhand en de ander aan Uw linkerhand.”
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῇ
(aute)
tot haar
Τί
(Ti)
wat
θέλεις
(theleis)
wil je
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Εἰπὲ
(Eipe)
zeg
ἵνα
(hina)
dat
καθίσωσιν
(kathisosin)
zouden zitten
οὗτοι
(houtoi)
deze
οἱ
(hoi)
de
δύο
(dyo)
twee
υἱοί
(huioi)
zonen
μου
(mou)
mijn
εἷς
(heis)
een
ἐκ
(ek)
uit
δεξιῶν
(dexion)
rechterhand
σου
(sou)
Uw
καὶ
(kai)
en
εἷς
(heis)
een
ἐξ
(ex)
uit
εὐωνύμων
(euonymon)
linkerhand
σου
(sou)
Uw
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
βασιλείᾳ
(basileia)
koninkrijk
σου
(sou)
Uw
Bron: SBLGNT
Uitleg

εὐώνυμος (euonymos), ‘links’: letterlijk ‘goed benoemd’, een vriendelijke omschrijving voor de linkerkant.

De plaatsen rechts en links van een koning waren de eervolste.

22Yeshua antwoordde: „Jullie weten niet wat jullie vragen. Kunnen jullie de beker drinken die Ik ga drinken?” Zij zeiden tegen Hem: „Wij kunnen het.”
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
Οὐκ
(Ouk)
niet
οἴδατε
(oidate)
weten jullie
τί
(ti)
wat
αἰτεῖσθε
(aiteisthe)
vragen jullie
δύνασθε
(dynasthe)
kunnen jullie
πιεῖν
(piein)
drinken
τὸ
(to)
de
ποτήριον
(poterion)
beker
ὃ
(ho)
die
ἐγὼ
(ego)
Ik
μέλλω
(mello)
sta op het punt
πίνειν
(pinein)
te drinken
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Δυνάμεθα
(Dynametha)
wij kunnen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ποτήριον (poterion), ‘beker’: een beeld voor het lot dat Elohim iemand te drinken geeft, hier het lijden.

Zie Jes. 51:17; Jer. 25:15; Ps. 75:9 (in de Nederlandse telling is dit 75:8); Matt. 26:39.

Lezing

In sommige handschriften volgt hier nog: ‘en gedoopt worden met de doop waarmee Ik gedoopt word’.

Dat staat niet in de SBLGNT; wij vertalen het niet.

23Hij zei tegen hen: „Mijn beker zullen jullie drinken. Maar zitten aan Mijn rechterhand en aan Mijn linkerhand is niet aan Mij om te geven. Het is voor hen voor wie het bereid is door Mijn Vader.”
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Τὸ
(To)
de
μὲν
(men)
wel
ποτήριόν
(poterion)
beker
μου
(mou)
Mijn
πίεσθε
(piesthe)
zullen drinken jullie
τὸ
(to)
het
δὲ
(de)
maar
καθίσαι
(kathisai)
zitten
ἐκ
(ek)
uit
δεξιῶν
(dexion)
rechterhand
μου
(mou)
Mijn
καὶ
(kai)
en
ἐξ
(ex)
uit
εὐωνύμων
(euonymon)
linkerhand
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
ἐμὸν
(emon)
het Mijne
δοῦναι
(dounai)
geven
ἀλλ’
(all’)
maar
οἷς
(hois)
aan wie
ἡτοίμασται
(hetoimastai)
is bereid
ὑπὸ
(hypo)
door
τοῦ
(tou)
de
πατρός
(patros)
Vader
μου
(mou)
Mijn
Bron: SBLGNT
24Toen de 10 dit hoorden, werden zij verontwaardigd over de twee broers.
Καὶ
(Kai)
en
ἀκούσαντες
(akousantes)
gehoord hebbend
οἱ
(hoi)
de
δέκα
(deka)
tien
ἠγανάκτησαν
(eganaktesan)
werden verontwaardigd
περὶ
(peri)
over
τῶν
(ton)
de
δύο
(dyo)
twee
ἀδελφῶν
(adelphon)
broers
Bron: SBLGNT

Groot zijn is dienen

25Yeshua riep hen bij Zich. Hij zei: „Jullie weten dat de heersers van de volken hen overheersen en dat de groten macht over hen laten gelden.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
προσκαλεσάμενος
(proskalesamenos)
bij Zich roepend
αὐτοὺς
(autous)
hen
εἶπεν
(eipen)
zei
Οἴδατε
(Oidate)
weten jullie
ὅτι
(hoti)
dat
οἱ
(hoi)
de
ἄρχοντες
(archontes)
heersers
τῶν
(ton)
van de
ἐθνῶν
(ethnon)
volken
κατακυριεύουσιν
(katakyrieuousin)
overheersen
αὐτῶν
(auton)
hen
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
μεγάλοι
(megaloi)
groten
κατεξουσιάζουσιν
(katexousiazousin)
laten macht gelden over
αὐτῶν
(auton)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Mark. 10:41–45; Luc. 22:24–27.

26Zo zal het onder jullie niet zijn. Maar wie onder jullie groot wil worden, zal jullie dienaar zijn.
οὐχ
(ouch)
niet
οὕτως
(houtos)
zo
ἔσται
(estai)
zal zijn
ἐν
(en)
onder
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἀλλ’
(all’)
maar
ὃς
(hos)
wie
ἂν
(an)
ook
θέλῃ
(thele)
wil
ἐν
(en)
onder
ὑμῖν
(hymin)
jullie
μέγας
(megas)
groot
γενέσθαι
(genesthai)
worden
ἔσται
(estai)
zal zijn
ὑμῶν
(hymon)
jullie
διάκονος
(diakonos)
dienaar
Bron: SBLGNT
27En wie onder jullie de eerste wil zijn, zal jullie knecht zijn,
καὶ
(kai)
en
ὃς
(hos)
wie
ἂν
(an)
ook
θέλῃ
(thele)
wil
ἐν
(en)
onder
ὑμῖν
(hymin)
jullie
εἶναι
(einai)
zijn
πρῶτος
(protos)
eerste
ἔσται
(estai)
zal zijn
ὑμῶν
(hymon)
jullie
δοῦλος
(doulos)
knecht
Bron: SBLGNT
Uitleg

διάκονος (diakonos), ‘dienaar’ (vers 26), en δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk iemand die van zijn heer is, een slaaf.

Het tweede woord is het sterkste.

Zie ookMat 20:26
28zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn leven te geven als losgeld voor velen.”
ὥσπερ
(hosper)
zoals
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
οὐκ
(ouk)
niet
ἦλθεν
(elthen)
is gekomen
διακονηθῆναι
(diakonethenai)
gediend te worden
ἀλλὰ
(alla)
maar
διακονῆσαι
(diakonesai)
te dienen
καὶ
(kai)
en
δοῦναι
(dounai)
te geven
τὴν
(ten)
het
ψυχὴν
(psychen)
leven
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
λύτρον
(lytron)
losgeld
ἀντὶ
(anti)
voor
πολλῶν
(pollon)
velen
Bron: SBLGNT
Uitleg

λύτρον (lytron), ‘losgeld’: de prijs om iemand vrij te kopen of vrij te laten.

Zie Exod. 21:30; Ps. 49:8–9; Jes. 53:10–12, waar ook ‘de velen’ voorkomen. ψυχή (psyche), ‘leven’: het Hebreeuwse נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel, leven’.

Zie ook Mark. 10:45.

Twee blinden bij Jericho

29Toen zij Jericho verlieten, volgde een grote menigte Hem.
Καὶ
(Kai)
en
ἐκπορευομένων
(ekporeuomenon)
uittrekkend
αὐτῶν
(auton)
zij
ἀπὸ
(apo)
uit
Ἰεριχὼ
(Iericho)
Jericho
ἠκολούθησεν
(ekolouthesen)
volgde
αὐτῷ
(auto)
Hem
ὄχλος
(ochlos)
menigte
πολύς
(polys)
grote
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

Zie ook Mark. 10:46–52; Luc. 18:35–43.

30En zie: twee blinden die langs de weg zaten, hoorden dat Yeshua voorbijkwam en riepen: „Heer, ontferm U over ons, Zoon van David!”
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
δύο
(dyo)
twee
τυφλοὶ
(typhloi)
blinden
καθήμενοι
(kathemenoi)
zittend
παρὰ
(para)
langs
τὴν
(ten)
de
ὁδόν
(hodon)
weg
ἀκούσαντες
(akousantes)
gehoord hebbend
ὅτι
(hoti)
dat
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
παράγει
(paragei)
voorbijkomt
ἔκραξαν
(ekraxan)
riepen
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Κύριε
(Kyrie)
Heer
ἐλέησον
(eleeson)
ontferm U
ἡμᾶς
(hemas)
over ons
υἱὸς
(huios)
Zoon
Δαυίδ
(Dauid)
van David
Bron: SBLGNT
Uitleg

υἱὸς Δαυίδ (hyios David), ‘Zoon van David’: een titel voor de Messias, de beloofde nakomeling van David (Matt. 1:1).

Matteüs noemt twee blinden; zie ook Matt. 9:27.

ἐλέησον (eleeson), ‘ontferm U’: zie Matt. 15:22 en 17:15.

31De menigte bestrafte hen: zij moesten zwijgen. Maar zij riepen nog harder: „Heer, ontferm U over ons, Zoon van David!”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ὄχλος
(ochlos)
menigte
ἐπετίμησεν
(epetimesen)
bestrafte
αὐτοῖς
(autois)
hen
ἵνα
(hina)
opdat
σιωπήσωσιν
(siopesosin)
zouden zwijgen
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
μεῖζον
(meizon)
harder
ἔκραξαν
(ekraxan)
riepen
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Κύριε
(Kyrie)
Heer
ἐλέησον
(eleeson)
ontferm U
ἡμᾶς
(hemas)
over ons
υἱὸς
(huios)
Zoon
Δαυίδ
(Dauid)
van David
Bron: SBLGNT
32Yeshua bleef staan, riep hen en zei: „Wat willen jullie dat Ik voor jullie doe?”
καὶ
(kai)
en
στὰς
(stas)
stilstaand
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐφώνησεν
(ephonesen)
riep
αὐτοὺς
(autous)
hen
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
Τί
(Ti)
wat
θέλετε
(thelete)
willen jullie
ποιήσω
(poieso)
dat Ik doe
ὑμῖν
(hymin)
voor jullie
Bron: SBLGNT
33Zij zeiden tegen Hem: „Heer, dat onze ogen geopend worden.”
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Κύριε
(Kyrie)
Heer
ἵνα
(hina)
dat
ἀνοιγῶσιν
(anoigosin)
geopend worden
οἱ
(hoi)
de
ὀφθαλμοὶ
(ophthalmoi)
ogen
ἡμῶν
(hemon)
onze
Bron: SBLGNT
34Yeshua kreeg medelijden en raakte hun ogen aan. Meteen konden zij weer zien, en zij volgden Hem.
σπλαγχνισθεὶς
(splanchnistheis)
medelijden krijgend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἥψατο
(hepsato)
raakte aan
τῶν
(ton)
de
ὀμμάτων
(ommaton)
ogen
αὐτῶν
(auton)
hun
καὶ
(kai)
en
εὐθέως
(eutheos)
meteen
ἀνέβλεψαν
(aneblepsan)
konden zien
καὶ
(kai)
en
ἠκολούθησαν
(ekolouthesan)
volgden
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

σπλαγχνισθείς (splanchnistheis), ‘medelijden krijgend’: van σπλάγχνα (splanchna), ‘ingewanden’, de plaats van diepe gevoelens.

Zie ook Matt. 14:14.

Zie ookMat 14:14