Het volk trekt naar Egypte; Nebukadnezar in Tachpanches
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het volk weigert te luisteren
1Toen Jeremia klaar was met het spreken tot heel het volk, met alle woorden van Yahweh, hun Elohim, waarmee Yahweh, hun Elohim, hem naar hen had gestuurd, al deze woorden,
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
כְּכַלּ֨וֹת
(kekhalot)
toen was geëindigd
יִרְמְיָ֜הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
לְדַבֵּ֣ר
(ledaber)
met spreken
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵי֙
(divrei)
woorden van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶ֔ם
(eloheihem)
hun Elohim
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
waarmee
שְׁלָח֛וֹ
(shelacho)
had gestuurd hem
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶ֖ם
(eloheihem)
hun Elohim
אֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
naar hen
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De zin loopt door in vers 2: ‘Toen Jeremia klaar was … zeiden Azarja en Jochanan …’.
Jeremia had het hele antwoord van Yahweh doorgegeven (42:9–22).
2zeiden Azarja, de zoon van Hosjaja, Jochanan, de zoon van Kareach, en alle overmoedige mannen tegen Jeremia: „Je spreekt leugen. Yahweh, onze Elohim, heeft je niet gestuurd om te zeggen: ‘Jullie mogen niet naar Egypte komen om daar te wonen.’
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
עֲזַרְיָ֤ה
(azarya)
Azarja
בֶן
(ben)
zoon van
הוֹשַֽׁעְיָה֙
(hoshaya)
Hosjaja
וְיוֹחָנָ֣ן
(veyochanan)
en Jochanan
בֶּן
(ben)
zoon van
קָרֵ֔חַ
(qareach)
Kareach
וְכָל
(vekhal)
en alle
הָאֲנָשִׁ֖ים
(haanashim)
de mannen
הַזֵּדִ֑ים
(hazedim)
de overmoedigen
אֹמְרִ֣ים
(omerim)
zeggend
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֗הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
שֶׁ֚קֶר
(sheqer)
leugen
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
מְדַבֵּ֔ר
(medaber)
spreker
לֹ֣א
(lo)
niet
שְׁלָחֲךָ֞
(shelachakha)
heeft gestuurd jou
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֨ינוּ֙
(eloheinu)
onze Elohim
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
לֹֽא
(lo)
niet
תָבֹ֥אוּ
(tavou)
jullie zullen komen
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
naar Egypte
לָג֥וּר
(lagur)
om te wonen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
Azarja, de zoon van Hosjaja, staat hier voor Jezanja, de zoon van Hosjaja, uit 42:1.
Het kan dezelfde man zijn met twee namen, of een andere man.
Wij laten de namen staan zoals ze zijn.
הַזֵּדִים (hazzedim), ‘de overmoedige mannen’: mensen die zich trots en eigenzinnig verzetten. Het werkwoord ‘zei’ staat in het Hebreeuws in het enkelvoud, ‘en Azarja zei’, met daarna de anderen. Wij vertalen met een meervoud.
שֶׁקֶר אַתָּה מְדַבֵּר (sheqer attah medabber), ‘je spreekt leugen’: de beschuldiging dat Jeremia zijn eigen woorden doorgeeft. Vergelijk Jer. 28:15 en 29:31 voor het woord ‘leugen’ over een profeet.
3Maar Baruch, de zoon van Nerija, hitst je tegen ons op, om ons in de hand van de Chaldeeën te geven. Dan kunnen zij ons doden en ons naar Babel wegvoeren.”
כִּ֗י
(ki)
want
בָּרוּךְ֙
(barukh)
Baruch
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵ֣רִיָּ֔ה
(neriya)
Nerija
מַסִּ֥ית
(masit)
hitst op
אֹתְךָ֖
(otekha)
jou
בָּ֑נוּ
(banu)
tegen ons
לְמַעַן֩
(lemaan)
opdat
תֵּ֨ת
(tet)
om te geven
אֹתָ֤נוּ
(otanu)
ons
בְיַֽד
(beyad)
in de hand van
הַכַּשְׂדִּים֙
(hakasdim)
de Chaldeeën
לְהָמִ֣ית
(lehamit)
om te doden
אֹתָ֔נוּ
(otanu)
ons
וּלְהַגְל֥וֹת
(ulehaglot)
en om weg te voeren
אֹתָ֖נוּ
(otanu)
ons
בָּבֶֽל
(bavel)
naar Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
בָּרוּךְ בֶּן נֵרִיָּה (Barukh ben Neriyyah), ‘Baruch, de zoon van Nerija’: Jeremia’s schrijver.
Zie Jer. 32:12, 36:4 en 45:1.
מַסִּית (massit), ‘hitst op’: het werkwoord betekent ‘ophitsen, aanzetten’. Zij beschuldigen Baruch ervan Jeremia tegen hen te gebruiken.
5Jochanan, de zoon van Kareach, en alle legeroversten namen alle overgeblevenen van Juda mee. Zij waren teruggekeerd uit alle volken waarheen zij verdreven waren, om in het land Juda te wonen:
וַיִּקַּ֞ח
(vayiqach)
en nam
יוֹחָנָ֤ן
(yochanan)
Jochanan
בֶּן
(ben)
zoon van
קָרֵ֨חַ֙
(qareach)
Kareach
וְכָל
(vekhal)
en alle
שָׂרֵ֣י
(sarei)
oversten van
הַחֲיָלִ֔ים
(hachayalim)
de troepen
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
שְׁאֵרִ֣ית
(sheerit)
overgeblevenen van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׁ֗בוּ
(shavu)
waren teruggekeerd
מִכָּל
(mikal)
uit alle
הַגּוֹיִם֙
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarheen
נִדְּחוּ
(nidechu)
zij waren verdreven
שָׁ֔ם
(sham)
daarheen
לָג֖וּר
(lagur)
om te wonen
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
6de mannen, de vrouwen, de kinderen, de dochters van de koning en alle personen die Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, bij Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, had laten blijven, en ook de profeet Jeremia en Baruch, de zoon van Nerija.
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַ֠גְּבָרִים
(hagevarim)
de mannen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנָּשִׁ֣ים
(hanashim)
de vrouwen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַטַּף֮
(hataf)
de kinderen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנ֣וֹת
(benot)
dochters van
הַמֶּלֶךְ֒
(hamelekh)
de koning
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַנֶּ֗פֶשׁ
(hanefesh)
personen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הִנִּ֨יחַ֙
(hiniach)
had laten blijven
נְבוּזַרְאֲדָ֣ן
(nevuzaradan)
Nebuzaradan
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִ֔ים
(tabachim)
de lijfwacht
אֶת
(et)
(obj.)
גְּדַלְיָ֖הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיקָ֣ם
(achiqam)
Achikam
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁפָ֑ן
(shafan)
Safan
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
יִרְמְיָ֣הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הַנָּבִ֔יא
(hanavi)
de profeet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּר֖וּךְ
(barukh)
Baruch
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵרִיָּֽהוּ
(neriyahu)
Nerija
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִנִּיחַ (hinniach), ‘had laten blijven’: zoals in 2 Kon. 25:22, waar de koning van Babel het volk liet blijven.
Hier wordt Nebuzaradan genoemd die het volk aan Gedalja toevertrouwde (40:7, 41:10).
Jeremia en Baruch worden meegenomen. De tekst zegt niet of zij dat vrijwillig deden.
8Het woord van Yahweh kwam tot Jeremia in Tachpanches:
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
בְּתַחְפַּנְחֵ֖ס
(betachpanches)
in Tachpanches
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Tachpanches (Tell Defenneh): Tachpanches (Tafnes, Daphne) was een grensvesting in het oostelijke Nijldelta, bij het huidige Tell Defenneh, waar Judese vluchtelingen zich vestigden.
9„Neem grote stenen in je hand. Verberg ze in de mortel, in het plaveisel bij de ingang van het huis van farao in Tachpanches, voor de ogen van Judese mannen.
קַ֣ח
(qach)
neem
בְּיָדְךָ֞
(beyadekha)
in je hand
אֲבָנִ֣ים
(avanim)
stenen
גְּדֹל֗וֹת
(gedolot)
grote
וּטְמַנְתָּ֤ם
(utemantam)
en verberg ze
בַּמֶּ֨לֶט֙
(bamelet)
in de mortel
בַּמַּלְבֵּ֔ן
(bamalben)
in het plaveisel
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
dat
בְּפֶ֥תַח
(befetach)
bij de ingang van
בֵּית
(beit)
het huis van
פַּרְעֹ֖ה
(paro)
farao
בְּתַחְפַּנְחֵ֑ס
(betachpanches)
in Tachpanches
לְעֵינֵ֖י
(leeinei)
voor de ogen van
אֲנָשִׁ֥ים
(anashim)
mannen
יְהוּדִֽים
(yehudim)
Judese
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Tachpanches (Tell Defenneh): Tachpanches (Tafnes, Daphne) was een grensvesting in het oostelijke Nijldelta, bij het huidige Tell Defenneh, waar Judese vluchtelingen zich vestigden.
Uitleg
בַּמֶּלֶט (bammelet), ‘in de mortel’, en בַּמַּלְבֵּן (bammalben), ‘in het plaveisel’: de betekenis van het tweede woord is niet zeker.
Het kan baksteenwerk of een plaveisel van bakstenen zijn.
Het woord komt ook voor in 2 Sam. 12:31 en Nah. 3:14.
בֵּית פַּרְעֹה (beit Par’oh), ‘het huis van farao’: het paleis van de koning van Egypte, hier in Tachpanches.
10Zeg tegen hen: ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: Zie, Ik zend, en Ik zal Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht, nemen. Ik zal zijn troon boven deze stenen zetten die Ik heb verborgen. Hij zal zijn baldakijn over hen spannen.
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵיהֶ֡ם
(aleihem)
tot hen
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֩
(amar)
zegt
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֜וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
הִנְנִ֤י
(hinni)
zie Mij
שֹׁלֵ֨חַ֙
(sholeach)
zendend
וְ֠לָקַחְתִּי
(velaqachti)
en Ik zal nemen
אֶת
(et)
(obj.)
נְבוּכַדְרֶאצַּ֤ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
עַבְדִּ֔י
(avdi)
Mijn knecht
וְשַׂמְתִּ֣י
(vesamti)
en Ik zal zetten
כִסְא֔וֹ
(kiso)
zijn troon
מִמַּ֛עַל
(mimaal)
van boven
לָאֲבָנִ֥ים
(laavanim)
op de stenen
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
טָמָ֑נְתִּי
(tamanti)
Ik heb verborgen
וְנָטָ֥ה
(venata)
en hij zal spannen
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁפְרִיר֖וֹ
(shafriro)
zijn baldakijn
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
over hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
Vanaf hier tot en met vers 13 spreekt Yahweh in de eerste persoon; de woorden staan rood.
De boodschap voor de Judese mannen staat binnen enkele aanhalingstekens.
הִנְנִי שֹׁלֵחַ (hineni shole’ach), ‘Zie, Ik zend’: het Hebreeuws noemt geen voorwerp. Vergelijk Jer. 25:9: ‘Ik zend en neem alle families van het noorden … en Ik zend naar Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht’.
עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: Nebukadnezar wordt hier knecht van Yahweh genoemd, omdat hij Zijn plan uitvoert. Zie ook Jer. 25:9 en 27:6. Het woord is geen titel; daarom staat ‘knecht’ met kleine letter.
שַׁפְרִיר (shafrir), ‘baldakijn’: een woord dat alleen hier voorkomt. De betekenis is niet zeker; het kan een tent, een baldakijn of een schaduwdak zijn.
Het geschreven woord (ketiv) heeft een andere spelling, שפרור (shaprur), zonder verschil in betekenis; wij volgen de voorgelezen vorm (qere).
11Hij zal komen en het land Egypte slaan. Wie voor de dood bestemd is, gaat naar de dood. Wie voor gevangenschap bestemd is, gaat naar gevangenschap. En wie voor het zwaard bestemd is, gaat naar het zwaard.
וּבָ֕א
(uva)
en hij zal komen
וְהִכָּ֖ה
(vehika)
en hij zal slaan
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
wie
לַמָּ֣וֶת
(lamavet)
voor de dood
לַמָּ֗וֶת
(lamavet)
naar de dood
וַאֲשֶׁ֤ר
(vaasher)
en wie
לַשְּׁבִי֙
(lashevi)
voor gevangenschap
לַשֶּׁ֔בִי
(lashevi)
naar gevangenschap
וַאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en wie
לַחֶ֖רֶב
(lacherev)
voor het zwaard
לֶחָֽרֶב
(lecharev)
naar het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
Een vergelijkbare opsomming, met vier leden (dood, zwaard, honger, gevangenschap), staat in Jer. 15:2.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is ובאה (uva’ah), met een uitgang die op een vrouwelijke vorm lijkt; het qere is וּבָא (uva), ‘en hij zal komen’.
12Ik steek vuur aan in de huizen van de goden van Egypte. Hij zal de huizen verbranden en de goden gevangen wegvoeren. Hij zal zich in het land Egypte hullen zoals een herder zich in zijn mantel hult. Dan zal hij vandaar in vrede vertrekken.
וְהִצַּ֣תִּי
(vehitsati)
en Ik zal aansteken
אֵ֗שׁ
(esh)
vuur
בְּבָתֵּי֙
(bevatei)
in de huizen van
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de goden van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וּשְׂרָפָ֖ם
(userafam)
en hij zal ze verbranden
וְשָׁבָ֑ם
(veshavam)
en hij zal ze gevangen wegvoeren
וְעָטָה֩
(veata)
en hij zal zich hullen in
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֨רֶץ
(erets)
het land van
מִצְרַ֜יִם
(mitsrayim)
Egypte
כַּאֲשֶׁר
(kaasher)
zoals
יַעְטֶ֤ה
(yate)
zich hult
הָֽרֹעֶה֙
(haroe)
de herder
אֶת
(et)
(obj.)
בִּגְד֔וֹ
(bigdo)
zijn mantel
וְיָצָ֥א
(veyatsa)
en hij zal vertrekken
מִשָּׁ֖ם
(misham)
vandaar
בְּשָׁלֽוֹם
(beshalom)
in vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
שְׂרָפָם (seraffam), ‘hij zal ze verbranden’, en שָׁבָם (shavam), ‘hij zal ze gevangen wegvoeren’: de goden van Egypte worden in brand gestoken of als buit weggevoerd.
Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij zal ze verbranden en ze gevangen wegvoeren’.
Wij nemen aan dat ‘ze’ de huizen en de goden zijn: de huizen worden verbrand en de goden worden weggevoerd.
וְעָטָה (ve’atah), ‘en hij zal zich hullen in’: zoals een herder zich in zijn mantel hult. Het beeld zegt dat Nebukadnezar het land zo gemakkelijk inneemt als een herder zijn mantel omslaat.