Elohim Bijbel

Genesis 31

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Jakob verlaat Laban; Gilead

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jakob wil terug

1Jakob hoorde de woorden van de zonen van Laban. Zij zeiden: „Jakob heeft alles genomen wat van onze vader was. Van wat van onze vader was heeft hij al deze rijkdom gemaakt.”
וַיִּשְׁמַ֗ע
(vayishma)
en hij hoorde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דִּבְרֵ֤י
(divrei)
woorden van
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
לָבָן֙
(lavan)
Laban
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
לָקַ֣ח
(laqach)
heeft genomen
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
לְאָבִ֑ינוּ
(leavinu)
van onze vader
וּמֵאֲשֶׁ֣ר
(umeasher)
en van wat
לְאָבִ֔ינוּ
(leavinu)
van onze vader
עָשָׂ֕ה
(asa)
heeft gemaakt
אֵ֥ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
הַכָּבֹ֖ד
(hakavod)
de rijkdom
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הכבד הזה (hakavod hazeh), ‘al deze rijkdom’: kavod betekent letterlijk ‘gewicht’ en ook ‘eer’.

Aanvullend

Jasher 31:35 zegt dat de zonen van Laban Jakob zijn eer misgunden.

2Jakob zag het gezicht van Laban, en zie, het stond hem niet meer zo gunstig als vroeger.
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en hij zag
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
פְּנֵ֣י
(penei)
gezicht van
לָבָ֑ן
(lavan)
Laban
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
אֵינֶ֛נּוּ
(einenu)
niet
עִמּ֖וֹ
(imo)
jegens hem
כִּתְמ֥וֹל
(kitmol)
zoals gisteren
שִׁלְשֽׁוֹם
(shilshom)
eergisteren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Yahweh zei tegen Jakob: „Keer terug naar het land van je vaderen en naar je geboorteland. Ik zal met je zijn.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽל
(el)
tot
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
שׁ֛וּב
(shuv)
keer terug
אֶל
(el)
naar
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
אֲבוֹתֶ֖יךָ
(avoteikha)
je vaderen
וּלְמוֹלַדְתֶּ֑ךָ
(ulemoladtekha)
en naar je geboorteland
וְאֶֽהְיֶ֖ה
(veehye)
en Ik zal zijn
עִמָּֽךְ
(imakh)
met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוב אל ארץ אבותיך (shuv el eretz avotekha), ‘keer terug naar het land van je vaderen’: zie 28:15.

Aanvullend

Jasher 31:37 zegt dat Yahweh aan het eind van de zes jaar aan Jakob verscheen.

4Jakob liet Rachel en Lea naar het veld bij zijn kudde roepen.
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en hij zond
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וַיִּקְרָ֖א
(vayiqra)
en hij riep
לְרָחֵ֣ל
(lerachel)
naar Rachel
וּלְלֵאָ֑ה
(ulelea)
en naar Lea
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
אֶל
(el)
naar
צֹאנֽוֹ
(tsono)
zijn kleinvee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Hij zei tegen hen: „Ik zie dat het gezicht van jullie vader niet meer zo gunstig tegenover mij staat als vroeger. Maar de Elohim van mijn vader is met mij geweest.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָהֶ֗ן
(lahen)
tot hen
רֹאֶ֤ה
(roe)
ziende
אָנֹכִי֙
(anokhi)
ik
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
פְּנֵ֣י
(penei)
gezicht van
אֲבִיכֶ֔ן
(avikhen)
jullie vader
כִּֽי
(ki)
dat
אֵינֶ֥נּוּ
(einenu)
niet
אֵלַ֖י
(elay)
jegens mij
כִּתְמֹ֣ל
(kitmol)
zoals gisteren
שִׁלְשֹׁ֑ם
(shilshom)
eergisteren
וֵֽאלֹהֵ֣י
(velohei)
en Elohim van
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
הָיָ֖ה
(haya)
is geweest
עִמָּדִֽי
(imadi)
met mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ואלהי אבי היה עמדי (ve’Elohei avi hayah immadi), ‘de Elohim van mijn vader is met mij geweest’: zie 28:13; 31:42.

6Jullie weten zelf dat ik jullie vader met al mijn kracht gediend heb.
וְאַתֵּ֖נָה
(veatena)
en jullie
יְדַעְתֶּ֑ן
(yedaten)
weten
כִּ֚י
(ki)
dat
בְּכָל
(bekhal)
met heel
כֹּחִ֔י
(kochi)
mijn kracht
עָבַ֖דְתִּי
(avadti)
ik heb gediend
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲבִיכֶֽן
(avikhen)
jullie vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Jullie vader heeft mij bedrogen en mijn loon tien keer veranderd, maar Elohim heeft hem niet toegestaan mij kwaad te doen.
וַאֲבִיכֶן֙
(vaavikhen)
en jullie vader
הֵ֣תֶל
(hetel)
heeft bedrogen
בִּ֔י
(bi)
mij
וְהֶחֱלִ֥ף
(vehechelif)
en hij veranderde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מַשְׂכֻּרְתִּ֖י
(maskurti)
mijn loon
עֲשֶׂ֣רֶת
(aseret)
tien
מֹנִ֑ים
(monim)
keer
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נְתָנ֣וֹ
(netano)
heeft toegestaan
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
לְהָרַ֖ע
(lehara)
om kwaad te doen
עִמָּדִֽי
(imadi)
bij mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עשׂרת מנים (aseret monim), ‘tien keer’: ‘tien’ kan een vol getal zijn voor ‘vaak’.

Aanvullend

Jasher 32:3 zegt dat Laban Jakobs loon tien keer veranderde.

8Als hij zei dat de gespikkelde dieren je loon zouden zijn, dan wierp heel de kudde gespikkelde jongen. En als hij zei dat de gestreepte je loon zouden zijn, dan wierp heel de kudde gestreepte jongen.
אִם
(im)
als
כֹּ֣ה
(ko)
zo
יֹאמַ֗ר
(yomar)
hij zou zeggen
נְקֻדִּים֙
(nequdim)
gespikkelde
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zullen zijn
שְׂכָרֶ֔ךָ
(sekharekha)
je loon
וְיָלְד֥וּ
(veyaledu)
en ze baarden
כָל
(kal)
heel
הַצֹּ֖אן
(hatson)
het kleinvee
נְקֻדִּ֑ים
(nequdim)
gespikkelde
וְאִם
(veim)
en als
כֹּ֣ה
(ko)
zo
יֹאמַ֗ר
(yomar)
hij zou zeggen
עֲקֻדִּים֙
(aqudim)
gestreepte
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zullen zijn
שְׂכָרֶ֔ךָ
(sekharekha)
je loon
וְיָלְד֥וּ
(veyaledu)
en ze baarden
כָל
(kal)
heel
הַצֹּ֖אן
(hatson)
het kleinvee
עֲקֻדִּֽים
(aqudim)
gestreepte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Zo heeft Elohim het vee van jullie vader afgenomen en aan mij gegeven.
וַיַּצֵּ֧ל
(vayatsel)
en Hij nam weg
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מִקְנֵ֥ה
(miqne)
vee van
אֲבִיכֶ֖ם
(avikhem)
jullie vader
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en Hij gaf
לִֽי
(li)
aan mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויצל (vayyatsel), ‘hij nam weg’: van natsal, ‘wegnemen, redden’ (zie Ex. 12:36).

10In de tijd dat de kudde bronstig was, sloeg ik mijn ogen op en zag in een droom. Zie, de bokken die de kudde besprongen, waren gestreept, gespikkeld en bont.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
בְּעֵת֙
(beet)
in tijd van
יַחֵ֣ם
(yachem)
bronst van
הַצֹּ֔אן
(hatson)
het kleinvee
וָאֶשָּׂ֥א
(vaesa)
en ik hief op
עֵינַ֛י
(einay)
mijn ogen
וָאֵ֖רֶא
(vaere)
en ik zag
בַּחֲל֑וֹם
(bachalom)
in een droom
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
הָֽעַתֻּדִים֙
(haatudim)
de bokken
הָעֹלִ֣ים
(haolim)
die besprongen
עַל
(al)
op
הַצֹּ֔אן
(hatson)
het kleinvee
עֲקֻדִּ֥ים
(aqudim)
gestreepte
נְקֻדִּ֖ים
(nequdim)
gespikkelde
וּבְרֻדִּֽים
(uverudim)
en bonte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וברדים (uvrudim), ‘en bonte’: barud, ‘bont’, hangt samen met barad, ‘hagel’: gevlekt als met hagelkorrels.

Deze droom wordt hier voor het eerst verteld; in hoofdstuk 30 staat hij niet.

11De boodschapper van Elohim zei in de droom tegen mij: ‘Jakob!’ En ik zei: ‘Hier ben ik.’
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלַ֜י
(elay)
tot mij
מַלְאַ֧ךְ
(malakh)
boodschapper van
הָאֱלֹהִ֛ים
(haElohim)
de Elohim
בַּחֲל֖וֹם
(bachalom)
in de droom
יַֽעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
וָאֹמַ֖ר
(vaomar)
en ik zei
הִנֵּֽנִי
(hineni)
Hier ben ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מלאך האלהים (mal’akh haElohim), ‘de boodschapper van Elohim’.

הנני (hineni), ‘Hier ben ik’: zie 22:1.

12Hij zei: ‘Sla toch je ogen op en zie: alle bokken die de kudde bespringen, zijn gestreept, gespikkeld en bont. Want Ik heb gezien wat Laban je aandoet.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
שָׂא
(sa)
hef op
נָ֨א
(na)
alsjeblieft
עֵינֶ֤יךָ
(eineikha)
je ogen
וּרְאֵה֙
(uree)
en zie
כָּל
(kal)
alle
הָֽעַתֻּדִים֙
(haatudim)
de bokken
הָעֹלִ֣ים
(haolim)
die besprongen
עַל
(al)
op
הַצֹּ֔אן
(hatson)
het kleinvee
עֲקֻדִּ֥ים
(aqudim)
gestreepte
נְקֻדִּ֖ים
(nequdim)
gespikkelde
וּבְרֻדִּ֑ים
(uverudim)
en bonte
כִּ֣י
(ki)
want
רָאִ֔יתִי
(raiti)
Ik heb gezien
אֵ֛ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
לָבָ֖ן
(lavan)
Laban
עֹ֥שֶׂה
(ose)
doet
לָּֽךְ
(lakh)
aan jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Ik ben de El van Betel, waar je een gedenkzuil gezalfd hebt en waar je Mij een gelofte gedaan hebt. Sta nu op, ga weg uit dit land en keer terug naar het land waar je geboren bent.’”
אָנֹכִ֤י
(anokhi)
Ik
הָאֵל֙
(hael)
de El
בֵּֽית
(beit)
huis van
אֵ֔ל
(el)
El
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waar
מָשַׁ֤חְתָּ
(mashachta)
je zalfde
שָּׁם֙
(sham)
daar
מַצֵּבָ֔ה
(matseva)
een gedenkzuil
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waar
נָדַ֥רְתָּ
(nadarta)
je beloofde
לִּ֛י
(li)
aan Mij
שָׁ֖ם
(sham)
daar
נֶ֑דֶר
(neder)
een gelofte
עַתָּ֗ה
(ata)
nu
ק֥וּם
(qum)
sta op
צֵא֙
(tse)
ga uit
מִן
(min)
uit
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
וְשׁ֖וּב
(veshuv)
en keer terug
אֶל
(el)
naar
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
מוֹלַדְתֶּֽךָ
(moladtekha)
je geboorte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

אנכי האל בית אל (anokhi ha’El Beit El), ‘Ik ben de El van Betel’: zie 28:13–22.

Het zalven van de gedenkzuil staat in 28:18.

14Rachel en Lea antwoordden hem: „Hebben wij nog een deel en een erfenis in het huis van onze vader?
וַתַּ֤עַן
(vataan)
en ze antwoordde
רָחֵל֙
(rachel)
Rachel
וְלֵאָ֔ה
(velea)
en Lea
וַתֹּאמַ֖רְנָה
(vatomarna)
en ze zeiden
ל֑וֹ
(lo)
tot hem
הַע֥וֹד
(haod)
nog
לָ֛נוּ
(lanu)
voor ons
חֵ֥לֶק
(cheleq)
deel
וְנַחֲלָ֖ה
(venachala)
en erfdeel
בְּבֵ֥ית
(beveit)
in huis van
אָבִֽינוּ
(avinu)
onze vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חלק ונחלה (cheleq venachalah), ‘een deel en een erfenis’: dochters erfden gewoonlijk niet van hun vader (zie Num. 27:1–8).

15Worden wij door hem niet als vreemden beschouwd? Want hij heeft ons verkocht, en ons geld heeft hij helemaal opgegeten.
הֲל֧וֹא
(halo)
is het niet
נָכְרִיּ֛וֹת
(nakheriyot)
vreemden
נֶחְשַׁ֥בְנוּ
(nechshavnu)
we zijn beschouwd
ל֖וֹ
(lo)
door hem
כִּ֣י
(ki)
want
מְכָרָ֑נוּ
(mekharanu)
hij verkocht ons
וַיֹּ֥אכַל
(vayokhal)
en hij at
גַּם
(gam)
ook
אָכ֖וֹל
(akhol)
opeten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כַּסְפֵּֽנוּ
(kaspenu)
ons geld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מכרנו (mekharanu), ‘hij heeft ons verkocht’: Jakobs dienst gold als bruidsprijs voor Rachel en Lea (zie 29:18, 27), maar Laban hield de opbrengst voor zichzelf.

16Alle rijkdom die Elohim van onze vader heeft afgenomen, is van ons en van onze kinderen. Doe nu alles wat Elohim tegen je gezegd heeft.”
כִּ֣י
(ki)
want
כָל
(kal)
heel
הָעֹ֗שֶׁר
(haosher)
de rijkdom
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הִצִּ֤יל
(hitsil)
Hij nam weg
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
מֵֽאָבִ֔ינוּ
(meavinu)
van onze vader
לָ֥נוּ
(lanu)
van ons
ה֖וּא
(hu)
is
וּלְבָנֵ֑ינוּ
(ulevaneinu)
en van onze zonen
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
כֹּל֩
(kol)
alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
אָמַ֧ר
(amar)
Hij zei
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tot jou
עֲשֵֽׂה
(ase)
doe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De vlucht

17Jakob stond op en zette zijn zonen en zijn vrouwen op de kamelen.
וַיָּ֖קָם
(vayaqam)
en hij stond op
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
וַיִּשָּׂ֛א
(vayisa)
en hij tilde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בָּנָ֥יו
(banav)
zijn zonen
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
נָשָׁ֖יו
(nashav)
zijn vrouwen
עַל
(al)
op
הַגְּמַלִּֽים
(hagemalim)
de kamelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 31:38 zegt ook dat Jakob zijn vrouwen en kinderen op kamelen zette.

18Hij dreef al zijn vee weg en nam al zijn bezit mee dat hij had verworven, het vee dat hij in Paddan-Aram had verworven, om naar zijn vader Isaak te gaan, naar het land Kanaän.
וַיִּנְהַ֣ג
(vayinhag)
en hij dreef weg
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
מִקְנֵ֗הוּ
(miqnehu)
zijn vee
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
רְכֻשׁוֹ֙
(rekhusho)
zijn bezit
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
רָכָ֔שׁ
(rakhash)
hij had verworven
מִקְנֵה֙
(miqne)
vee van
קִנְיָנ֔וֹ
(qinyano)
zijn bezit
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
רָכַ֖שׁ
(rakhash)
hij had verworven
בְּפַדַּ֣ן
(befadan)
in Paddan
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
לָב֛וֹא
(lavo)
om te komen
אֶל
(el)
naar
יִצְחָ֥ק
(yitschaq)
Isaak
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
אַ֥רְצָה
(artsa)
naar het land
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan.

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

בפדן ארם (Paddan Aram), ‘Paddan-Aram’: zie 25:20; 28:2.

19Laban was zijn schapen gaan scheren. Rachel stal de huisgoden van haar vader.
וְלָבָ֣ן
(velavan)
en Laban
הָלַ֔ךְ
(halakh)
was gegaan
לִגְזֹ֖ז
(ligzoz)
om te scheren
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
צֹאנ֑וֹ
(tsono)
zijn kleinvee
וַתִּגְנֹ֣ב
(vatignov)
en ze stal
רָחֵ֔ל
(rachel)
Rachel
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַתְּרָפִ֖ים
(haterafim)
de terafim
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לְאָבִֽיהָ
(leaviha)
van haar vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

התרפים (hatraphim), ‘de terafim’: kleine beelden die als huisgoden dienden; mogelijk gaven ze ook recht op de erfenis van het huis (zie vers 30).

Aanvullend

Jasher 31:40–44 zegt dat Rachel ze nam opdat Laban er niet in zou kunnen zien waarheen Jakob was gegaan.

20Jakob misleidde Laban, de Arameeër: hij vertelde hem niet dat hij vluchtte.
וַיִּגְנֹ֣ב
(vayignov)
en hij stal
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
לֵ֥ב
(lev)
hart van
לָבָ֖ן
(lavan)
Laban
הָאֲרַמִּ֑י
(haarami)
de Arameeër
עַל
(al)
op
בְּלִי֙
(beli)
zonder
הִגִּ֣יד
(higid)
te vertellen
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
כִּ֥י
(ki)
dat
בֹרֵ֖חַ
(boreach)
vluchtend
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לב לבן (lev Lavan), ‘het hart van Laban’: letterlijk ‘hij stal het hart van Laban’, dus ‘hij misleidde hem’ (zie ook vers 26).

הארמי (haArami), ‘de Arameeër’: Laban komt uit Aram (zie 25:20).

21Hij vluchtte met alles wat hij had. Hij stond op, stak de rivier over en richtte zijn gezicht naar het gebergte Gilead.
וַיִּבְרַ֥ח
(vayivrach)
en hij vluchtte
הוּא֙
(hu)
hij
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
וַיָּ֖קָם
(vayaqam)
en hij stond op
וַיַּעֲבֹ֣ר
(vayaavor)
en hij stak over
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַנָּהָ֑ר
(hanahar)
de rivier
וַיָּ֥שֶׂם
(vayasem)
en hij richtte
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
פָּנָ֖יו
(panav)
zijn gezicht
הַ֥ר
(har)
berg van
הַגִּלְעָֽד
(hagilad)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

הר הגלעד (har haGil’ad), ‘het gebergte Gilead’: ‘de rivier’ is de Eufraat (zie 15:18).

Gilead ligt ten oosten van de Jordaan, ten zuiden van de Jarmoek, ongeveer 600 km hemelsbreed van Charan.

Aanvullend

Jubileeën 29:4–5 zegt dat Jakob zich naar Gilead keerde en dat Laban hem op de berg Gilead inhaalde.

22Op de derde dag werd Laban verteld dat Jakob gevlucht was.
וַיֻּגַּ֥ד
(vayugad)
en men vertelde
לְלָבָ֖ן
(lelavan)
aan Laban
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op dag
הַשְּׁלִישִׁ֑י
(hashelishi)
de derde
כִּ֥י
(ki)
dat
בָרַ֖ח
(barach)
hij was gevlucht
יַעֲקֹֽב
(yaaqov)
Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Hij nam zijn verwanten met zich mee en achtervolgde hem, zeven dagreizen ver. Op het gebergte Gilead haalde hij hem in.
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֶחָיו֙
(echav)
zijn broers
עִמּ֔וֹ
(imo)
met zich
וַיִּרְדֹּ֣ף
(vayirdof)
en hij achtervolgde
אַחֲרָ֔יו
(acharav)
achter hem
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
weg van
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
יָמִ֑ים
(yamim)
dagen
וַיַּדְבֵּ֥ק
(vayadbeq)
en hij haalde in
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
בְּהַ֥ר
(behar)
op de berg
הַגִּלְעָֽד
(hagilad)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Uitleg

דרך שׁבעת ימים (derekh shiv’at yamim), ‘zeven dagreizen’: een ver stuk.

Aanvullend

Jasher 31:46 zegt dat Laban zijn verwanten en dienaren meenam.

24Elohim kwam 's nachts in een droom naar Laban, de Arameeër, en zei tegen hem: „Pas op dat je niets zegt tegen Jakob, goed noch slecht.”
וַיָּבֹ֧א
(vayavo)
en Hij kwam
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
לָבָ֥ן
(lavan)
Laban
הָאֲרַמִּ֖י
(haarami)
de Arameeër
בַּחֲלֹ֣ם
(bachalom)
in een droom
הַלָּ֑יְלָה
(halayela)
de nacht
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
ל֗וֹ
(lo)
tegen hem
הִשָּׁ֧מֶר
(hishamer)
neem je in acht
לְךָ֛
(lekha)
voor jezelf
פֶּן
(pen)
opdat niet
תְּדַבֵּ֥ר
(tedaber)
je spreekt
עִֽם
(im)
met
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
מִטּ֥וֹב
(mitov)
van goed
עַד
(ad)
tot
רָֽע
(ra)
kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

השׁמר לך פן תדבר עם יעקב מטוב עד רע (hishamer lekha pen tedaber im Ya’aqov mitov ad ra), ‘pas op dat je niets zegt tegen Jakob, goed noch slecht’: letterlijk ‘van goed tot kwaad’, een uitdrukking voor ‘wat dan ook’ (zie 24:50).

Aanvullend

Jubileeën 29:6 zegt dat Yahweh Laban in een droom verscheen.

Laban haalt Jakob in

25Laban haalde Jakob in. Jakob had zijn tent opgeslagen op het gebergte, en Laban sloeg met zijn verwanten zijn tent op, op het gebergte Gilead.
וַיַּשֵּׂ֥ג
(vayaseg)
en hij haalde in
לָבָ֖ן
(lavan)
Laban
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
וְיַעֲקֹ֗ב
(veyaaqov)
en Jakob
תָּקַ֤ע
(taqa)
had geslagen
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָהֳלוֹ֙
(aholo)
zijn tent
בָּהָ֔ר
(bahar)
op de berg
וְלָבָ֛ן
(velavan)
en Laban
תָּקַ֥ע
(taqa)
sloeg
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֶחָ֖יו
(echav)
zijn broers
בְּהַ֥ר
(behar)
op de berg
הַגִּלְעָֽד
(hagilad)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

26Laban zei tegen Jakob: „Wat heb je gedaan? Je hebt mij misleid en mijn dochters meegevoerd als krijgsgevangenen.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָבָן֙
(lavan)
Laban
לְיַעֲקֹ֔ב
(leyaaqov)
aan Jakob
מֶ֣ה
(me)
wat
עָשִׂ֔יתָ
(asita)
je hebt gedaan
וַתִּגְנֹ֖ב
(vatignov)
en je stal
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
לְבָבִ֑י
(levavi)
mijn hart
וַתְּנַהֵג֙
(vatenaheg)
en je voerde weg
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּנֹתַ֔י
(benotay)
mijn dochters
כִּשְׁבֻי֖וֹת
(kishvuyot)
als gevangenen van
חָֽרֶב
(charev)
zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ותגנב את לבבי (vatignov et levavi), ‘je hebt mijn hart gestolen’: zie vers 20.

Aanvullend

Jasher 31:47 heeft dezelfde verwijten.

27Waarom ben je heimelijk gevlucht en heb je mij misleid? Je hebt het mij niet gezegd. Dan had ik je laten gaan met vreugde en liederen, met tamboerijn en lier.
לָ֤מָּה
(lama)
waarom
נַחְבֵּ֨אתָ֙
(nachbeta)
je hebt je verborgen
לִבְרֹ֔חַ
(livroach)
om te vluchten
וַתִּגְנֹ֖ב
(vatignov)
en je stal
אֹתִ֑י
(oti)
mij
וְלֹא
(velo)
en niet
הִגַּ֣דְתָּ
(higadta)
je vertelde
לִּ֔י
(li)
aan mij
וָֽאֲשַׁלֵּחֲךָ֛
(vaashalechakha)
dan had ik je laten gaan
בְּשִׂמְחָ֥ה
(besimcha)
met vreugde
וּבְשִׁרִ֖ים
(uveshirim)
en met liederen
בְּתֹ֥ף
(betof)
met tamboerijn
וּבְכִנּֽוֹר
(uvekhinor)
en met lier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בתף ובכנור (betof uvkhinnor), ‘met tamboerijn en lier’: de muziek bij afscheid en feest.

Aanvullend

Jasher 31:48 noemt hetzelfde afscheid.

28Je hebt mij niet eens toegestaan mijn kleinkinderen en mijn dochters te kussen. Wat je gedaan hebt, was dwaas.
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
נְטַשְׁתַּ֔נִי
(netashtani)
je liet mij toe
לְנַשֵּׁ֥ק
(lenasheq)
om te kussen
לְבָנַ֖י
(levanay)
mijn zonen
וְלִבְנֹתָ֑י
(velivnotay)
en mijn dochters
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
הִסְכַּ֥לְתָּֽ
(hiskalta)
je hebt dwaas gedaan
עֲשֽׂוֹ
(aso)
doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Het ligt in mijn macht jullie kwaad te doen. Maar de Elohim van jullie vader heeft gisteravond tegen mij gezegd: ‘Pas op dat je niets zegt tegen Jakob, goed noch slecht.’
יֶשׁ
(yesh)
er is
לְאֵ֣ל
(leel)
voor de macht van
יָדִ֔י
(yadi)
mijn hand
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
עִמָּכֶ֖ם
(imakhem)
met jullie
רָ֑ע
(ra)
kwaad
וֵֽאלֹהֵ֨י
(velohei)
en Elohim van
אֲבִיכֶ֜ם
(avikhem)
jullie vader
אֶ֣מֶשׁ
(emesh)
gisteravond
אָמַ֧ר
(amar)
Hij zei
אֵלַ֣י
(elay)
tot mij
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggend
הִשָּׁ֧מֶר
(hishamer)
neem je in acht
לְךָ֛
(lekha)
voor jezelf
מִדַּבֵּ֥ר
(midaber)
van spreken
עִֽם
(im)
met
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
מִטּ֥וֹב
(mitov)
van goed
עַד
(ad)
tot
רָֽע
(ra)
kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Nu, je bent weggegaan omdat je zo verlangde naar het huis van je vader. Maar waarom heb je mijn goden gestolen?”
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
הָלֹ֣ךְ
(halokh)
gaand
הָלַ֔כְתָּ
(halakhta)
je bent gegaan
כִּֽי
(ki)
want
נִכְסֹ֥ף
(nikhsof)
verlangend
נִכְסַ֖פְתָּה
(nikhsafta)
je verlangde
לְבֵ֣ית
(leveit)
naar het huis van
אָבִ֑יךָ
(avikha)
je vader
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
גָנַ֖בְתָּ
(ganavta)
je stal
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֱלֹהָֽי
(elohay)
mijn goden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אלהי (elohai), ‘mijn goden’: Labans eigen goden, de terafim van vers 19.

31Jakob antwoordde Laban: „Ik was bang, want ik dacht: misschien neem je je dochters met geweld van mij af.
וַיַּ֥עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לְלָבָ֑ן
(lelavan)
aan Laban
כִּ֣י
(ki)
dat
יָרֵ֔אתִי
(yareti)
ik was bang
כִּ֣י
(ki)
want
אָמַ֔רְתִּי
(amarti)
ik zei
פֶּן
(pen)
misschien
תִּגְזֹ֥ל
(tigzol)
je zult roven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּנוֹתֶ֖יךָ
(benoteikha)
je dochters
מֵעִמִּֽי
(meimi)
van mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Bij wie je je goden vindt, die zal niet leven. Onderzoek in het bijzijn van onze verwanten wat van jou bij mij is, en neem het.” Jakob wist niet dat Rachel ze had gestolen.
עִ֠ם
(im)
bij
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wie
תִּמְצָ֣א
(timtsa)
je zult vinden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֱלֹהֶיךָ֮
(eloheikha)
je goden
לֹ֣א
(lo)
niet
יִֽחְיֶה֒
(yichye)
hij zal leven
נֶ֣גֶד
(neged)
tegenover
אַחֵ֧ינוּ
(acheinu)
onze broers
הַֽכֶּר
(haker)
onderzoek
לְךָ֛
(lekha)
voor jezelf
מָ֥ה
(ma)
wat
עִמָּדִ֖י
(imadi)
bij mij
וְקַֽח
(veqach)
en neem
לָ֑ךְ
(lakh)
voor jezelf
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָדַ֣ע
(yada)
wist
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
כִּ֥י
(ki)
dat
רָחֵ֖ל
(rachel)
Rachel
גְּנָבָֽתַם
(genavatam)
ze had gestolen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jakob wist niet dat Rachel de huisgoden had genomen.

Aanvullend

Jasher 31:49 heeft ook Jakobs vloek over wie ze heeft.

De zoektocht naar de huisgoden

33Laban ging de tent van Jakob in, de tent van Lea en de tent van de twee dienaressen, maar hij vond niets. Hij ging de tent van Lea uit en kwam in de tent van Rachel.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en hij kwam
לָבָ֜ן
(lavan)
Laban
בְּאֹ֥הֶל
(beohel)
in de tent van
יַעֲקֹ֣ב
(yaaqov)
Jakob
וּבְאֹ֣הֶל
(uveohel)
en in de tent van
לֵאָ֗ה
(lea)
Lea
וּבְאֹ֛הֶל
(uveohel)
en in de tent van
שְׁתֵּ֥י
(shetei)
twee
הָאֲמָהֹ֖ת
(haamahot)
de dienaressen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
מָצָ֑א
(matsa)
hij vond
וַיֵּצֵא֙
(vayetse)
en hij ging uit
מֵאֹ֣הֶל
(meohel)
uit de tent van
לֵאָ֔ה
(lea)
Lea
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en hij kwam
בְּאֹ֥הֶל
(beohel)
in de tent van
רָחֵֽל
(rachel)
Rachel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ובאהל שׁתי האמהת (uvohel shetei ha’amahot), ‘de tent van de twee dienaressen’: Bilha en Zilpa (zie 29:24, 29).

Aanvullend

Jasher 31:50 zegt dat Laban in alle tenten en bij alle spullen zocht.

34Rachel had de huisgoden genomen, in het kameelzadel gelegd en was erop gaan zitten. Laban doorzocht heel de tent, maar vond niets.
וְרָחֵ֞ל
(verachel)
en Rachel
לָקְחָ֣ה
(laqecha)
had genomen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַתְּרָפִ֗ים
(haterafim)
de terafim
וַתְּשִׂמֵ֛ם
(vatesimem)
en ze legde ze
בְּכַ֥ר
(bekhar)
in zadelmand van
הַגָּמָ֖ל
(hagamal)
de kameel
וַתֵּ֣שֶׁב
(vateshev)
en ze zat
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
op ze
וַיְמַשֵּׁ֥שׁ
(vaymashesh)
en hij betastte
לָבָ֛ן
(lavan)
Laban
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
הָאֹ֖הֶל
(haohel)
de tent
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
מָצָֽא
(matsa)
hij vond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בכר הגמל (bechar hagamal), ‘in het kameelzadel’: kar is een zadelmand of zadelkorf.

35Ze zei tegen haar vader: „Laat mijn heer niet kwaad worden dat ik niet voor u kan opstaan, want het gaat mij zoals het vrouwen gaat.” Hij zocht, maar vond de huisgoden niet.
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
אֶל
(el)
tot
אָבִ֗יהָ
(aviha)
haar vader
אַל
(al)
niet
יִ֨חַר֙
(yichar)
laat ontbranden
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
כִּ֣י
(ki)
dat
ל֤וֹא
(lo)
niet
אוּכַל֙
(ukhal)
ik kan
לָק֣וּם
(laqum)
opstaan
מִפָּנֶ֔יךָ
(mipaneikha)
voor jouw gezicht
כִּי
(ki)
want
דֶ֥רֶךְ
(derekh)
weg van
נָשִׁ֖ים
(nashim)
vrouwen
לִ֑י
(li)
bij mij
וַיְחַפֵּ֕שׂ
(vaychapes)
en hij zocht
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
מָצָ֖א
(matsa)
hij vond
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַתְּרָפִֽים
(haterafim)
de terafim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כי דרך נשׁים לי (ki derekh nashim li), ‘want het gaat mij zoals het vrouwen gaat’: een omschrijving van haar maandelijkse onreinheid (zie Lev. 15:19–20).

36Nu werd Jakob kwaad en maakte Laban verwijten. Jakob antwoordde en zei tegen Laban: „Wat is mijn misdaad? Wat is mijn zonde, dat u mij zo fel achtervolgt?
וַיִּ֥חַר
(vayichar)
en hij ontbrandde
לְיַעֲקֹ֖ב
(leyaaqov)
aan Jakob
וַיָּ֣רֶב
(vayarev)
en hij kibbelde
בְּלָבָ֑ן
(belavan)
met Laban
וַיַּ֤עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לְלָבָ֔ן
(lelavan)
aan Laban
מַה
(ma)
wat
פִּשְׁעִי֙
(pishi)
mijn overtreding
מַ֣ה
(ma)
wat
חַטָּאתִ֔י
(chatati)
mijn zonde
כִּ֥י
(ki)
dat
דָלַ֖קְתָּ
(dalaqta)
u hebt vurig vervolgd
אַחֲרָֽי
(acharay)
achter mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37U hebt al mijn spullen doorzocht. Wat hebt u gevonden van alles wat van uw huis is? Leg het hier voor mijn verwanten en uw verwanten, en laat hen tussen ons tweeën oordelen.
כִּֽי
(ki)
dat
מִשַּׁ֣שְׁתָּ
(mishashta)
je betastte
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
כֵּלַ֗י
(kelay)
spullen van mij
מַה
(ma)
wat
מָּצָ֨אתָ֙
(matsata)
je vond
מִכֹּ֣ל
(mikol)
van alle
כְּלֵי
(kelei)
spullen van
בֵיתֶ֔ךָ
(beitekha)
je huis
שִׂ֣ים
(sim)
leg
כֹּ֔ה
(ko)
hier
נֶ֥גֶד
(neged)
tegenover
אַחַ֖י
(achay)
mijn broers
וְאַחֶ֑יךָ
(veacheikha)
en je broers
וְיוֹכִ֖יחוּ
(veyokhichu)
en laat hen beslissen
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
שְׁנֵֽינוּ
(sheneinu)
ons tweeën
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38Twintig jaar ben ik nu bij u. Uw ooien en uw geiten hebben hun jongen niet verloren, en de rammen van uw kudde heb ik niet opgegeten.
זֶה֩
(ze)
dit
עֶשְׂרִ֨ים
(esrim)
twintig
שָׁנָ֤ה
(shana)
jaar
אָנֹכִי֙
(anokhi)
ik
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
bij jou
רְחֵלֶ֥יךָ
(recheleikha)
je ooien
וְעִזֶּ֖יךָ
(veizeikha)
en je geiten
לֹ֣א
(lo)
niet
שִׁכֵּ֑לוּ
(shikelu)
verloren hun jongen
וְאֵילֵ֥י
(veeilei)
en de rammen van
צֹאנְךָ֖
(tsonkha)
je kleinvee
לֹ֥א
(lo)
niet
אָכָֽלְתִּי
(akhalti)
ik at
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁכלו (shikkelu), ‘hebben hun jongen verloren’: zie Ex. 23:26.

39Wat door wilde dieren verscheurd was, bracht ik niet bij u. Ik droeg het verlies zelf. Wat overdag gestolen was en wat 's nachts gestolen was, eiste u van mij.
טְרֵפָה֙
(terefa)
verscheurd
לֹא
(lo)
niet
הֵבֵ֣אתִי
(heveti)
ik bracht
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tot jou
אָנֹכִ֣י
(anokhi)
ik
אֲחַטֶּ֔נָּה
(achatena)
ik maakte goed
מִיָּדִ֖י
(miyadi)
uit mijn hand
תְּבַקְשֶׁ֑נָּה
(tevaqshena)
je eiste het
גְּנֻֽבְתִ֣י
(genuvti)
gestolen
י֔וֹם
(yom)
dag
וּגְנֻֽבְתִ֖י
(ugenuvti)
en gestolen
לָֽיְלָה
(layela)
nacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טרפה (terefah), ‘wat verscheurd was’: een door wilde dieren gedood dier.

Volgens Ex. 22:12 hoefde een herder dat niet te vergoeden als hij het als bewijs liet zien; Jakob droeg het verlies toch zelf.

40Overdag verteerde de hitte mij en 's nachts de kou, en de slaap week van mijn ogen.
הָיִ֧יתִי
(hayiti)
ik was
בַיּ֛וֹם
(bayom)
overdag
אֲכָלַ֥נִי
(akhalani)
verteerde mij
חֹ֖רֶב
(chorev)
hitte
וְקֶ֣רַח
(veqerach)
en kou
בַּלָּ֑יְלָה
(balayela)
's nachts
וַתִּדַּ֥ד
(vatidad)
en vluchtte
שְׁנָתִ֖י
(shenati)
mijn slaap
מֵֽעֵינָֽי
(meeinay)
van mijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41Zo ben ik nu twintig jaar in uw huis geweest. Veertien jaar heb ik u gediend voor uw twee dochters en zes jaar voor uw kudde, en u hebt mijn loon tien keer veranderd.
זֶה
(ze)
dit
לִּ֞י
(li)
voor mij
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
שָׁנָה֮
(shana)
jaar
בְּבֵיתֶךָ֒
(beveitekha)
in je huis
עֲבַדְתִּ֜יךָ
(avadtikha)
ik heb je gediend
אַרְבַּֽע
(arba)
vier
עֶשְׂרֵ֤ה
(esre)
tien
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
בִּשְׁתֵּ֣י
(bishtei)
voor je twee
בְנֹתֶ֔יךָ
(benoteikha)
dochters
וְשֵׁ֥שׁ
(veshesh)
en zes
שָׁנִ֖ים
(shanim)
jaren
בְּצֹאנֶ֑ךָ
(betsonekha)
voor je kleinvee
וַתַּחֲלֵ֥ף
(vatachalef)
en je veranderde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מַשְׂכֻּרְתִּ֖י
(maskurti)
mijn loon
עֲשֶׂ֥רֶת
(aseret)
tien
מֹנִֽים
(monim)
keer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ארבע עשׂרה שׁנה (arba esreh shanah), ‘veertien jaar’: zie 29:20, 27–30.

42Als de Elohim van mijn vader, de Elohim van Abraham en het Ontzag van Isaak, niet bij mij was geweest, dan had u mij nu met lege handen weggestuurd. Elohim heeft mijn ellende en het werk van mijn handen gezien, en gisteravond heeft Hij recht gesproken.”
לוּלֵ֡י
(lulei)
als niet
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
אָבִי֩
(avi)
mijn vader
אֱלֹהֵ֨י
(elohei)
Elohim van
אַבְרָהָ֜ם
(avraham)
Abraham
וּפַ֤חַד
(ufachad)
en ontzag van
יִצְחָק֙
(yitschaq)
Isaak
הָ֣יָה
(haya)
was
לִ֔י
(li)
aan mij
כִּ֥י
(ki)
want
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
רֵיקָ֣ם
(reiqam)
met lege handen
שִׁלַּחְתָּ֑נִי
(shilachtani)
je had weggestuurd mij
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עָנְיִ֞י
(aneyi)
mijn ellende
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
יְגִ֧יעַ
(yegia)
inspanning van
כַּפַּ֛י
(kapay)
mijn handen
רָאָ֥ה
(raa)
Hij zag
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
וַיּ֥וֹכַח
(vayokhach)
en Hij sprak recht
אָֽמֶשׁ
(amesh)
gisteravond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ופחד יצחק (ufachad Yitschaq), ‘het Ontzag van Isaak’: pachad betekent ‘ontzag, schrik’.

Het is een naam voor de God die Isaak vreesde; Jakob zweert er in vers 53 bij.

Het verbond bij Gilead

43Laban antwoordde en zei tegen Jakob: „De dochters zijn mijn dochters, de kinderen zijn mijn kinderen en de kudde is mijn kudde. Alles wat je ziet, is van mij. Maar wat kan ik vandaag doen voor deze dochters van mij of voor hun kinderen die ze gebaard hebben?
וַיַּ֨עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
לָבָ֜ן
(lavan)
Laban
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶֽל
(el)
tot
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
הַבָּנ֨וֹת
(habanot)
de dochters
בְּנֹתַ֜י
(benotay)
mijn dochters
וְהַבָּנִ֤ים
(vehabanim)
en de zonen
בָּנַי֙
(banay)
mijn zonen
וְהַצֹּ֣אן
(vehatson)
en de kudde
צֹאנִ֔י
(tsoni)
mijn kudde
וְכֹ֛ל
(vekhol)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
רֹאֶ֖ה
(roe)
ziet
לִי
(li)
van mij
ה֑וּא
(hu)
het is
וְלִבְנֹתַ֞י
(velivnotay)
en aan mijn dochters
מָֽה
(ma)
wat
אֶֽעֱשֶׂ֤ה
(eese)
zal ik doen
לָאֵ֨לֶּה֙
(laele)
aan deze
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
א֥וֹ
(o)
of
לִבְנֵיהֶ֖ן
(livneihen)
aan hun zonen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָלָֽדוּ
(yaladu)
ze baarden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
44Kom nu, laten wij een verbond sluiten, jij en ik, en laat het een getuige zijn tussen mij en jou.”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
לְכָ֛ה
(lekha)
kom
נִכְרְתָ֥ה
(nikhreta)
laten we sluiten
בְרִ֖ית
(berit)
verbond
אֲנִ֣י
(ani)
ik
וָאָ֑תָּה
(vaata)
en jij
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en het zal zijn
לְעֵ֖ד
(leed)
tot getuige
בֵּינִ֥י
(beini)
tussen mij
וּבֵינֶֽךָ
(uveinekha)
en tussen jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לכה נכרתה ברית (lekhah nikhretah verit), ‘laten wij een verbond sluiten’: zie 21:27, 32.

Aanvullend

Jasher 31:51 noemt de afspraak dat Jakob Labans dochters niet zou mishandelen.

Jasher 36:7 zegt dat Laban kort daarna stierf, omdat hij het verbond met Jakob had overtreden.

45Jakob nam een steen en richtte hem op als gedenkzuil.
וַיִּקַּ֥ח
(vayiqach)
en hij nam
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
אָ֑בֶן
(aven)
steen
וַיְרִימֶ֖הָ
(vayrimeha)
en hij richtte hem op
מַצֵּבָֽה
(matseva)
gedenkzuil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
46Jakob zei tegen zijn verwanten: „Verzamel stenen.” Ze namen stenen, maakten er een steenhoop van en aten daar op de steenhoop.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹ֤ב
(yaaqov)
Jakob
לְאֶחָיו֙
(leechav)
tot zijn broers
לִקְט֣וּ
(liqtu)
verzamel
אֲבָנִ֔ים
(avanim)
stenen
וַיִּקְח֥וּ
(vayiqchu)
en ze namen
אֲבָנִ֖ים
(avanim)
stenen
וַיַּֽעֲשׂוּ
(vayaasu)
en ze maakten
גָ֑ל
(gal)
steenhoop
וַיֹּ֥אכְלוּ
(vayokhlu)
en ze aten
שָׁ֖ם
(sham)
daar
עַל
(al)
op
הַגָּֽל
(hagal)
de steenhoop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
47Laban noemde hem Jegar-Sahaduta, en Jakob noemde hem Gilead.
וַיִּקְרָא
(vayiqra)
en hij noemde
ל֣וֹ
(lo)
hem
לָבָ֔ן
(lavan)
Laban
יְגַ֖ר
(yegar)
steenhoop
שָׂהֲדוּתָ֑א
(sahaduta)
van getuigenis (Aramees)
וְיַֽעֲקֹ֔ב
(veyaaqov)
en Jakob
קָ֥רָא
(qara)
noemde
ל֖וֹ
(lo)
hem
גַּלְעֵֽד
(galed)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Uitleg

יגר שׂהדותא (Yegar Sahaduta), ‘Jegar-Sahaduta’: Aramees voor ‘steenhoop van getuigenis’.

גלעד (Gal’ed), ‘Gilead’: Hebreeuws voor hetzelfde: gal, ‘hoop’, en ed, ‘getuige’.

Aanvullend

Jasher 31:52 geeft ook de naam Gilead; Jubileeën 29:8 noemt de plaats ‘de hoop van het getuigenis’.

48Laban zei: „Deze steenhoop is vandaag een getuige tussen mij en jou.” Daarom noemde men hem Gilead.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָבָ֔ן
(lavan)
Laban
הַגַּ֨ל
(hagal)
de steenhoop
הַזֶּ֥ה
(haze)
deze
עֵ֛ד
(ed)
getuige
בֵּינִ֥י
(beini)
tussen mij
וּבֵינְךָ֖
(uveinekha)
en tussen jou
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
עַל
(al)
op
כֵּ֥ן
(ken)
zo
קָרָֽא
(qara)
hij noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
גַּלְעֵֽד
(galed)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

49Hij heet ook Mizpa, want hij zei: „Yahweh houde de wacht tussen mij en jou, als we elkaar niet meer zien.
וְהַמִּצְפָּה֙
(vehamitspa)
en de wachttoren
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אָמַ֔ר
(amar)
hij zei
יִ֥צֶף
(yitsef)
houde de wacht
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בֵּינִ֣י
(beini)
tussen mij
וּבֵינֶ֑ךָ
(uveinekha)
en tussen jou
כִּ֥י
(ki)
want
נִסָּתֵ֖ר
(nisater)
verborgen
אִ֥ישׁ
(ish)
man
מֵרֵעֵֽהוּ
(mereehu)
van zijn naaste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

והמצפה (hamitspah), ‘Mizpa’: ‘de wachttoren’.

50Als je mijn dochters slecht behandelt, of als je andere vrouwen neemt naast mijn dochters, dan is er niemand bij ons. Maar zie, Elohim is getuige tussen mij en jou.”
אִם
(im)
als
תְּעַנֶּ֣ה
(teane)
je zult onderdrukken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּנֹתַ֗י
(benotay)
mijn dochters
וְאִם
(veim)
en als
תִּקַּ֤ח
(tiqach)
je zult nemen
נָשִׁים֙
(nashim)
vrouwen
עַל
(al)
boven
בְּנֹתַ֔י
(benotay)
mijn dochters
אֵ֥ין
(ein)
niet
אִ֖ישׁ
(ish)
man
עִמָּ֑נוּ
(imanu)
bij ons
רְאֵ֕ה
(ree)
zie
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
עֵ֖ד
(ed)
getuige
בֵּינִ֥י
(beini)
tussen mij
וּבֵינֶֽךָ
(uveinekha)
en tussen jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ראה אלהים עד (ra’ah Elohim ed), ‘zie, Elohim is getuige’: zie vers 44.

51Laban zei tegen Jakob: „Zie deze steenhoop en zie de gedenkzuil die ik tussen mij en jou heb opgericht.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָבָ֖ן
(lavan)
Laban
לְיַעֲקֹ֑ב
(leyaaqov)
aan Jakob
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
הַגַּ֣ל
(hagal)
de steenhoop
הַזֶּ֗ה
(haze)
deze
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
הַמַצֵּבָ֔ה
(hamatseva)
de gedenkzuil
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָרִ֖יתִי
(yariti)
ik heb opgericht
בֵּינִ֥י
(beini)
tussen mij
וּבֵינֶֽךָ
(uveinekha)
en tussen jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
52Deze steenhoop is getuige en de gedenkzuil is getuige. Ik zal niet naar jou voorbij deze steenhoop gaan, en jij zult niet naar mij voorbij deze steenhoop en deze gedenkzuil gaan om kwaad te doen.
עֵ֚ד
(ed)
getuige
הַגַּ֣ל
(hagal)
de steenhoop
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וְעֵדָ֖ה
(veeda)
en getuige
הַמַּצֵּבָ֑ה
(hamatseva)
de gedenkzuil
אִם
(im)
als
אָ֗נִי
(ani)
ik
לֹֽא
(lo)
niet
אֶֽעֱבֹ֤ר
(eevor)
ik zal overgaan
אֵלֶ֨יךָ֙
(eleikha)
naar jou
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַגַּ֣ל
(hagal)
de steenhoop
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וְאִם
(veim)
en als
אַ֠תָּה
(ata)
jij
לֹא
(lo)
niet
תַעֲבֹ֨ר
(taavor)
je zult overgaan
אֵלַ֜י
(elay)
naar mij
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַגַּ֥ל
(hagal)
de steenhoop
הַזֶּ֛ה
(haze)
deze
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַמַּצֵּבָ֥ה
(hamatseva)
de gedenkzuil
הַזֹּ֖את
(hazot)
deze
לְרָעָֽה
(leraa)
tot kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
53De Elohim van Abraham en de Elohim van Nachor, de Elohim van hun vader, zullen oordelen tussen ons.” Jakob zwoer bij het Ontzag van zijn vader Isaak.
אֱלֹהֵ֨י
(elohei)
Elohim van
אַבְרָהָ֜ם
(avraham)
Abraham
וֵֽאלֹהֵ֤י
(velohei)
en Elohim van
נָחוֹר֙
(nachor)
Nachor
יִשְׁפְּט֣וּ
(yishpetu)
laten oordelen
בֵינֵ֔ינוּ
(beineinu)
tussen ons
אֱלֹהֵ֖י
(elohei)
Elohim van
אֲבִיהֶ֑ם
(avihem)
hun vader
וַיִּשָּׁבַ֣ע
(vayishava)
en hij zwoer
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
בְּפַ֖חַד
(befachad)
bij ontzag van
אָבִ֥יו
(aviv)
zijn vader
יִצְחָֽק
(yitschaq)
Isaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בפחד אביו יצחק (befachad aviv Yitschaq), ‘bij het Ontzag van zijn vader Isaak’: zie vers 42.

De werkwoordsvorm yishpetu is meervoud: Laban noemt de Elohim van Abraham en van Nachor samen.

54Jakob bracht een offer op het gebergte en nodigde zijn verwanten uit om te eten. Ze aten brood en overnachtten op het gebergte.
וַיִּזְבַּ֨ח
(vayizbach)
en hij slachtte
יַעֲקֹ֥ב
(yaaqov)
Jakob
זֶ֨בַח֙
(zevach)
offer
בָּהָ֔ר
(bahar)
op de berg
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en hij riep
לְאֶחָ֖יו
(leechav)
tot zijn broers
לֶאֱכָל
(leekhal)
om te eten
לָ֑חֶם
(lachem)
brood
וַיֹּ֣אכְלוּ
(vayokhlu)
en ze aten
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
וַיָּלִ֖ינוּ
(vayalinu)
en ze overnachtten
בָּהָֽר
(bahar)
op de berg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 31:53 zegt dat Jakob en Laban offerden, daar aten en de nacht doorbrachten.