Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Jakob wil terug
1Jakob hoorde de woorden van de zonen van Laban. Zij zeiden: „Jakob heeft alles genomen wat van onze vader was. Van wat van onze vader was heeft hij al deze rijkdom gemaakt.”
וַיִּשְׁמַ֗ע
(vayishma)
en hij hoorde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דִּבְרֵ֤י
(divrei)
woorden van
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
לָבָן֙
(lavan)
Laban
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
לָקַ֣ח
(laqach)
heeft genomen
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
לְאָבִ֑ינוּ
(leavinu)
van onze vader
וּמֵאֲשֶׁ֣ר
(umeasher)
en van wat
לְאָבִ֔ינוּ
(leavinu)
van onze vader
עָשָׂ֕ה
(asa)
heeft gemaakt
אֵ֥ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
הַכָּבֹ֖ד
(hakavod)
de rijkdom
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הכבד הזה (hakavod hazeh), ‘al deze rijkdom’: kavod betekent letterlijk ‘gewicht’ en ook ‘eer’.
Aanvullend
Jasher 31:35 zegt dat de zonen van Laban Jakob zijn eer misgunden.
5Hij zei tegen hen: „Ik zie dat het gezicht van jullie vader niet meer zo gunstig tegenover mij staat als vroeger. Maar de Elohim van mijn vader is met mij geweest.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָהֶ֗ן
(lahen)
tot hen
רֹאֶ֤ה
(roe)
ziende
אָנֹכִי֙
(anokhi)
ik
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
פְּנֵ֣י
(penei)
gezicht van
אֲבִיכֶ֔ן
(avikhen)
jullie vader
כִּֽי
(ki)
dat
אֵינֶ֥נּוּ
(einenu)
niet
אֵלַ֖י
(elay)
jegens mij
כִּתְמֹ֣ל
(kitmol)
zoals gisteren
שִׁלְשֹׁ֑ם
(shilshom)
eergisteren
וֵֽאלֹהֵ֣י
(velohei)
en Elohim van
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
הָיָ֖ה
(haya)
is geweest
עִמָּדִֽי
(imadi)
met mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ואלהי אבי היה עמדי (ve’Elohei avi hayah immadi), ‘de Elohim van mijn vader is met mij geweest’: zie 28:13; 31:42.
8Als hij zei dat de gespikkelde dieren je loon zouden zijn, dan wierp heel de kudde gespikkelde jongen. En als hij zei dat de gestreepte je loon zouden zijn, dan wierp heel de kudde gestreepte jongen.
אִם
(im)
als
כֹּ֣ה
(ko)
zo
יֹאמַ֗ר
(yomar)
hij zou zeggen
נְקֻדִּים֙
(nequdim)
gespikkelde
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zullen zijn
שְׂכָרֶ֔ךָ
(sekharekha)
je loon
וְיָלְד֥וּ
(veyaledu)
en ze baarden
כָל
(kal)
heel
הַצֹּ֖אן
(hatson)
het kleinvee
נְקֻדִּ֑ים
(nequdim)
gespikkelde
וְאִם
(veim)
en als
כֹּ֣ה
(ko)
zo
יֹאמַ֗ר
(yomar)
hij zou zeggen
עֲקֻדִּים֙
(aqudim)
gestreepte
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zullen zijn
שְׂכָרֶ֔ךָ
(sekharekha)
je loon
וְיָלְד֥וּ
(veyaledu)
en ze baarden
כָל
(kal)
heel
הַצֹּ֖אן
(hatson)
het kleinvee
עֲקֻדִּֽים
(aqudim)
gestreepte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10In de tijd dat de kudde bronstig was, sloeg ik mijn ogen op en zag in een droom. Zie, de bokken die de kudde besprongen, waren gestreept, gespikkeld en bont.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
בְּעֵת֙
(beet)
in tijd van
יַחֵ֣ם
(yachem)
bronst van
הַצֹּ֔אן
(hatson)
het kleinvee
וָאֶשָּׂ֥א
(vaesa)
en ik hief op
עֵינַ֛י
(einay)
mijn ogen
וָאֵ֖רֶא
(vaere)
en ik zag
בַּחֲל֑וֹם
(bachalom)
in een droom
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
הָֽעַתֻּדִים֙
(haatudim)
de bokken
הָעֹלִ֣ים
(haolim)
die besprongen
עַל
(al)
op
הַצֹּ֔אן
(hatson)
het kleinvee
עֲקֻדִּ֥ים
(aqudim)
gestreepte
נְקֻדִּ֖ים
(nequdim)
gespikkelde
וּבְרֻדִּֽים
(uverudim)
en bonte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וברדים (uvrudim), ‘en bonte’: barud, ‘bont’, hangt samen met barad, ‘hagel’: gevlekt als met hagelkorrels.
Deze droom wordt hier voor het eerst verteld; in hoofdstuk 30 staat hij niet.
12Hij zei: ‘Sla toch je ogen op en zie: alle bokken die de kudde bespringen, zijn gestreept, gespikkeld en bont. Want Ik heb gezien wat Laban je aandoet.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
שָׂא
(sa)
hef op
נָ֨א
(na)
alsjeblieft
עֵינֶ֤יךָ
(eineikha)
je ogen
וּרְאֵה֙
(uree)
en zie
כָּל
(kal)
alle
הָֽעַתֻּדִים֙
(haatudim)
de bokken
הָעֹלִ֣ים
(haolim)
die besprongen
עַל
(al)
op
הַצֹּ֔אן
(hatson)
het kleinvee
עֲקֻדִּ֥ים
(aqudim)
gestreepte
נְקֻדִּ֖ים
(nequdim)
gespikkelde
וּבְרֻדִּ֑ים
(uverudim)
en bonte
כִּ֣י
(ki)
want
רָאִ֔יתִי
(raiti)
Ik heb gezien
אֵ֛ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
לָבָ֖ן
(lavan)
Laban
עֹ֥שֶׂה
(ose)
doet
לָּֽךְ
(lakh)
aan jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Ik ben de El van Betel, waar je een gedenkzuil gezalfd hebt en waar je Mij een gelofte gedaan hebt. Sta nu op, ga weg uit dit land en keer terug naar het land waar je geboren bent.’”
אָנֹכִ֤י
(anokhi)
Ik
הָאֵל֙
(hael)
de El
בֵּֽית
(beit)
huis van
אֵ֔ל
(el)
El
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waar
מָשַׁ֤חְתָּ
(mashachta)
je zalfde
שָּׁם֙
(sham)
daar
מַצֵּבָ֔ה
(matseva)
een gedenkzuil
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waar
נָדַ֥רְתָּ
(nadarta)
je beloofde
לִּ֛י
(li)
aan Mij
שָׁ֖ם
(sham)
daar
נֶ֑דֶר
(neder)
een gelofte
עַתָּ֗ה
(ata)
nu
ק֥וּם
(qum)
sta op
צֵא֙
(tse)
ga uit
מִן
(min)
uit
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
וְשׁ֖וּב
(veshuv)
en keer terug
אֶל
(el)
naar
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
מוֹלַדְתֶּֽךָ
(moladtekha)
je geboorte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.
Uitleg
אנכי האל בית אל (anokhi ha’El Beit El), ‘Ik ben de El van Betel’: zie 28:13–22.
15Worden wij door hem niet als vreemden beschouwd? Want hij heeft ons verkocht, en ons geld heeft hij helemaal opgegeten.
הֲל֧וֹא
(halo)
is het niet
נָכְרִיּ֛וֹת
(nakheriyot)
vreemden
נֶחְשַׁ֥בְנוּ
(nechshavnu)
we zijn beschouwd
ל֖וֹ
(lo)
door hem
כִּ֣י
(ki)
want
מְכָרָ֑נוּ
(mekharanu)
hij verkocht ons
וַיֹּ֥אכַל
(vayokhal)
en hij at
גַּם
(gam)
ook
אָכ֖וֹל
(akhol)
opeten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כַּסְפֵּֽנוּ
(kaspenu)
ons geld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מכרנו (mekharanu), ‘hij heeft ons verkocht’: Jakobs dienst gold als bruidsprijs voor Rachel en Lea (zie 29:18, 27), maar Laban hield de opbrengst voor zichzelf.
18Hij dreef al zijn vee weg en nam al zijn bezit mee dat hij had verworven, het vee dat hij in Paddan-Aram had verworven, om naar zijn vader Isaak te gaan, naar het land Kanaän.
וַיִּנְהַ֣ג
(vayinhag)
en hij dreef weg
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
מִקְנֵ֗הוּ
(miqnehu)
zijn vee
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
רְכֻשׁוֹ֙
(rekhusho)
zijn bezit
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
רָכָ֔שׁ
(rakhash)
hij had verworven
מִקְנֵה֙
(miqne)
vee van
קִנְיָנ֔וֹ
(qinyano)
zijn bezit
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
רָכַ֖שׁ
(rakhash)
hij had verworven
בְּפַדַּ֣ן
(befadan)
in Paddan
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
לָב֛וֹא
(lavo)
om te komen
אֶל
(el)
naar
יִצְחָ֥ק
(yitschaq)
Isaak
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
אַ֥רְצָה
(artsa)
naar het land
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan.
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
24Elohim kwam 's nachts in een droom naar Laban, de Arameeër, en zei tegen hem: „Pas op dat je niets zegt tegen Jakob, goed noch slecht.”
וַיָּבֹ֧א
(vayavo)
en Hij kwam
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
לָבָ֥ן
(lavan)
Laban
הָאֲרַמִּ֖י
(haarami)
de Arameeër
בַּחֲלֹ֣ם
(bachalom)
in een droom
הַלָּ֑יְלָה
(halayela)
de nacht
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
ל֗וֹ
(lo)
tegen hem
הִשָּׁ֧מֶר
(hishamer)
neem je in acht
לְךָ֛
(lekha)
voor jezelf
פֶּן
(pen)
opdat niet
תְּדַבֵּ֥ר
(tedaber)
je spreekt
עִֽם
(im)
met
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
מִטּ֥וֹב
(mitov)
van goed
עַד
(ad)
tot
רָֽע
(ra)
kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
השׁמר לך פן תדבר עם יעקב מטוב עד רע (hishamer lekha pen tedaber im Ya’aqov mitov ad ra), ‘pas op dat je niets zegt tegen Jakob, goed noch slecht’: letterlijk ‘van goed tot kwaad’, een uitdrukking voor ‘wat dan ook’ (zie 24:50).
Aanvullend
Jubileeën 29:6 zegt dat Yahweh Laban in een droom verscheen.
27Waarom ben je heimelijk gevlucht en heb je mij misleid? Je hebt het mij niet gezegd. Dan had ik je laten gaan met vreugde en liederen, met tamboerijn en lier.
לָ֤מָּה
(lama)
waarom
נַחְבֵּ֨אתָ֙
(nachbeta)
je hebt je verborgen
לִבְרֹ֔חַ
(livroach)
om te vluchten
וַתִּגְנֹ֖ב
(vatignov)
en je stal
אֹתִ֑י
(oti)
mij
וְלֹא
(velo)
en niet
הִגַּ֣דְתָּ
(higadta)
je vertelde
לִּ֔י
(li)
aan mij
וָֽאֲשַׁלֵּחֲךָ֛
(vaashalechakha)
dan had ik je laten gaan
בְּשִׂמְחָ֥ה
(besimcha)
met vreugde
וּבְשִׁרִ֖ים
(uveshirim)
en met liederen
בְּתֹ֥ף
(betof)
met tamboerijn
וּבְכִנּֽוֹר
(uvekhinor)
en met lier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בתף ובכנור (betof uvkhinnor), ‘met tamboerijn en lier’: de muziek bij afscheid en feest.
29Het ligt in mijn macht jullie kwaad te doen. Maar de Elohim van jullie vader heeft gisteravond tegen mij gezegd: ‘Pas op dat je niets zegt tegen Jakob, goed noch slecht.’
יֶשׁ
(yesh)
er is
לְאֵ֣ל
(leel)
voor de macht van
יָדִ֔י
(yadi)
mijn hand
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
עִמָּכֶ֖ם
(imakhem)
met jullie
רָ֑ע
(ra)
kwaad
וֵֽאלֹהֵ֨י
(velohei)
en Elohim van
אֲבִיכֶ֜ם
(avikhem)
jullie vader
אֶ֣מֶשׁ
(emesh)
gisteravond
אָמַ֧ר
(amar)
Hij zei
אֵלַ֣י
(elay)
tot mij
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggend
הִשָּׁ֧מֶר
(hishamer)
neem je in acht
לְךָ֛
(lekha)
voor jezelf
מִדַּבֵּ֥ר
(midaber)
van spreken
עִֽם
(im)
met
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
מִטּ֥וֹב
(mitov)
van goed
עַד
(ad)
tot
רָֽע
(ra)
kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Bij wie je je goden vindt, die zal niet leven. Onderzoek in het bijzijn van onze verwanten wat van jou bij mij is, en neem het.” Jakob wist niet dat Rachel ze had gestolen.
עִ֠ם
(im)
bij
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wie
תִּמְצָ֣א
(timtsa)
je zult vinden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֱלֹהֶיךָ֮
(eloheikha)
je goden
לֹ֣א
(lo)
niet
יִֽחְיֶה֒
(yichye)
hij zal leven
נֶ֣גֶד
(neged)
tegenover
אַחֵ֧ינוּ
(acheinu)
onze broers
הַֽכֶּר
(haker)
onderzoek
לְךָ֛
(lekha)
voor jezelf
מָ֥ה
(ma)
wat
עִמָּדִ֖י
(imadi)
bij mij
וְקַֽח
(veqach)
en neem
לָ֑ךְ
(lakh)
voor jezelf
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָדַ֣ע
(yada)
wist
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
כִּ֥י
(ki)
dat
רָחֵ֖ל
(rachel)
Rachel
גְּנָבָֽתַם
(genavatam)
ze had gestolen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Jakob wist niet dat Rachel de huisgoden had genomen.
Aanvullend
Jasher 31:49 heeft ook Jakobs vloek over wie ze heeft.
33Laban ging de tent van Jakob in, de tent van Lea en de tent van de twee dienaressen, maar hij vond niets. Hij ging de tent van Lea uit en kwam in de tent van Rachel.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en hij kwam
לָבָ֜ן
(lavan)
Laban
בְּאֹ֥הֶל
(beohel)
in de tent van
יַעֲקֹ֣ב
(yaaqov)
Jakob
וּבְאֹ֣הֶל
(uveohel)
en in de tent van
לֵאָ֗ה
(lea)
Lea
וּבְאֹ֛הֶל
(uveohel)
en in de tent van
שְׁתֵּ֥י
(shetei)
twee
הָאֲמָהֹ֖ת
(haamahot)
de dienaressen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
מָצָ֑א
(matsa)
hij vond
וַיֵּצֵא֙
(vayetse)
en hij ging uit
מֵאֹ֣הֶל
(meohel)
uit de tent van
לֵאָ֔ה
(lea)
Lea
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en hij kwam
בְּאֹ֥הֶל
(beohel)
in de tent van
רָחֵֽל
(rachel)
Rachel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ובאהל שׁתי האמהת (uvohel shetei ha’amahot), ‘de tent van de twee dienaressen’: Bilha en Zilpa (zie 29:24, 29).
Aanvullend
Jasher 31:50 zegt dat Laban in alle tenten en bij alle spullen zocht.
35Ze zei tegen haar vader: „Laat mijn heer niet kwaad worden dat ik niet voor u kan opstaan, want het gaat mij zoals het vrouwen gaat.” Hij zocht, maar vond de huisgoden niet.
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
אֶל
(el)
tot
אָבִ֗יהָ
(aviha)
haar vader
אַל
(al)
niet
יִ֨חַר֙
(yichar)
laat ontbranden
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
כִּ֣י
(ki)
dat
ל֤וֹא
(lo)
niet
אוּכַל֙
(ukhal)
ik kan
לָק֣וּם
(laqum)
opstaan
מִפָּנֶ֔יךָ
(mipaneikha)
voor jouw gezicht
כִּי
(ki)
want
דֶ֥רֶךְ
(derekh)
weg van
נָשִׁ֖ים
(nashim)
vrouwen
לִ֑י
(li)
bij mij
וַיְחַפֵּ֕שׂ
(vaychapes)
en hij zocht
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
מָצָ֖א
(matsa)
hij vond
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַתְּרָפִֽים
(haterafim)
de terafim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כי דרך נשׁים לי (ki derekh nashim li), ‘want het gaat mij zoals het vrouwen gaat’: een omschrijving van haar maandelijkse onreinheid (zie Lev. 15:19–20).
36Nu werd Jakob kwaad en maakte Laban verwijten. Jakob antwoordde en zei tegen Laban: „Wat is mijn misdaad? Wat is mijn zonde, dat u mij zo fel achtervolgt?
וַיִּ֥חַר
(vayichar)
en hij ontbrandde
לְיַעֲקֹ֖ב
(leyaaqov)
aan Jakob
וַיָּ֣רֶב
(vayarev)
en hij kibbelde
בְּלָבָ֑ן
(belavan)
met Laban
וַיַּ֤עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לְלָבָ֔ן
(lelavan)
aan Laban
מַה
(ma)
wat
פִּשְׁעִי֙
(pishi)
mijn overtreding
מַ֣ה
(ma)
wat
חַטָּאתִ֔י
(chatati)
mijn zonde
כִּ֥י
(ki)
dat
דָלַ֖קְתָּ
(dalaqta)
u hebt vurig vervolgd
אַחֲרָֽי
(acharay)
achter mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37U hebt al mijn spullen doorzocht. Wat hebt u gevonden van alles wat van uw huis is? Leg het hier voor mijn verwanten en uw verwanten, en laat hen tussen ons tweeën oordelen.
כִּֽי
(ki)
dat
מִשַּׁ֣שְׁתָּ
(mishashta)
je betastte
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
כֵּלַ֗י
(kelay)
spullen van mij
מַה
(ma)
wat
מָּצָ֨אתָ֙
(matsata)
je vond
מִכֹּ֣ל
(mikol)
van alle
כְּלֵי
(kelei)
spullen van
בֵיתֶ֔ךָ
(beitekha)
je huis
שִׂ֣ים
(sim)
leg
כֹּ֔ה
(ko)
hier
נֶ֥גֶד
(neged)
tegenover
אַחַ֖י
(achay)
mijn broers
וְאַחֶ֑יךָ
(veacheikha)
en je broers
וְיוֹכִ֖יחוּ
(veyokhichu)
en laat hen beslissen
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
שְׁנֵֽינוּ
(sheneinu)
ons tweeën
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39Wat door wilde dieren verscheurd was, bracht ik niet bij u. Ik droeg het verlies zelf. Wat overdag gestolen was en wat 's nachts gestolen was, eiste u van mij.
טְרֵפָה֙
(terefa)
verscheurd
לֹא
(lo)
niet
הֵבֵ֣אתִי
(heveti)
ik bracht
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tot jou
אָנֹכִ֣י
(anokhi)
ik
אֲחַטֶּ֔נָּה
(achatena)
ik maakte goed
מִיָּדִ֖י
(miyadi)
uit mijn hand
תְּבַקְשֶׁ֑נָּה
(tevaqshena)
je eiste het
גְּנֻֽבְתִ֣י
(genuvti)
gestolen
י֔וֹם
(yom)
dag
וּגְנֻֽבְתִ֖י
(ugenuvti)
en gestolen
לָֽיְלָה
(layela)
nacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
טרפה (terefah), ‘wat verscheurd was’: een door wilde dieren gedood dier.
Volgens Ex. 22:12 hoefde een herder dat niet te vergoeden als hij het als bewijs liet zien; Jakob droeg het verlies toch zelf.
41Zo ben ik nu twintig jaar in uw huis geweest. Veertien jaar heb ik u gediend voor uw twee dochters en zes jaar voor uw kudde, en u hebt mijn loon tien keer veranderd.
זֶה
(ze)
dit
לִּ֞י
(li)
voor mij
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
שָׁנָה֮
(shana)
jaar
בְּבֵיתֶךָ֒
(beveitekha)
in je huis
עֲבַדְתִּ֜יךָ
(avadtikha)
ik heb je gediend
אַרְבַּֽע
(arba)
vier
עֶשְׂרֵ֤ה
(esre)
tien
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
בִּשְׁתֵּ֣י
(bishtei)
voor je twee
בְנֹתֶ֔יךָ
(benoteikha)
dochters
וְשֵׁ֥שׁ
(veshesh)
en zes
שָׁנִ֖ים
(shanim)
jaren
בְּצֹאנֶ֑ךָ
(betsonekha)
voor je kleinvee
וַתַּחֲלֵ֥ף
(vatachalef)
en je veranderde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מַשְׂכֻּרְתִּ֖י
(maskurti)
mijn loon
עֲשֶׂ֥רֶת
(aseret)
tien
מֹנִֽים
(monim)
keer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ארבע עשׂרה שׁנה (arba esreh shanah), ‘veertien jaar’: zie 29:20, 27–30.
42Als de Elohim van mijn vader, de Elohim van Abraham en het Ontzag van Isaak, niet bij mij was geweest, dan had u mij nu met lege handen weggestuurd. Elohim heeft mijn ellende en het werk van mijn handen gezien, en gisteravond heeft Hij recht gesproken.”
לוּלֵ֡י
(lulei)
als niet
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
אָבִי֩
(avi)
mijn vader
אֱלֹהֵ֨י
(elohei)
Elohim van
אַבְרָהָ֜ם
(avraham)
Abraham
וּפַ֤חַד
(ufachad)
en ontzag van
יִצְחָק֙
(yitschaq)
Isaak
הָ֣יָה
(haya)
was
לִ֔י
(li)
aan mij
כִּ֥י
(ki)
want
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
רֵיקָ֣ם
(reiqam)
met lege handen
שִׁלַּחְתָּ֑נִי
(shilachtani)
je had weggestuurd mij
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עָנְיִ֞י
(aneyi)
mijn ellende
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
יְגִ֧יעַ
(yegia)
inspanning van
כַּפַּ֛י
(kapay)
mijn handen
רָאָ֥ה
(raa)
Hij zag
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
וַיּ֥וֹכַח
(vayokhach)
en Hij sprak recht
אָֽמֶשׁ
(amesh)
gisteravond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ופחד יצחק (ufachad Yitschaq), ‘het Ontzag van Isaak’: pachad betekent ‘ontzag, schrik’.
Het is een naam voor de God die Isaak vreesde; Jakob zweert er in vers 53 bij.
43Laban antwoordde en zei tegen Jakob: „De dochters zijn mijn dochters, de kinderen zijn mijn kinderen en de kudde is mijn kudde. Alles wat je ziet, is van mij. Maar wat kan ik vandaag doen voor deze dochters van mij of voor hun kinderen die ze gebaard hebben?
וַיַּ֨עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
לָבָ֜ן
(lavan)
Laban
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶֽל
(el)
tot
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
הַבָּנ֨וֹת
(habanot)
de dochters
בְּנֹתַ֜י
(benotay)
mijn dochters
וְהַבָּנִ֤ים
(vehabanim)
en de zonen
בָּנַי֙
(banay)
mijn zonen
וְהַצֹּ֣אן
(vehatson)
en de kudde
צֹאנִ֔י
(tsoni)
mijn kudde
וְכֹ֛ל
(vekhol)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
רֹאֶ֖ה
(roe)
ziet
לִי
(li)
van mij
ה֑וּא
(hu)
het is
וְלִבְנֹתַ֞י
(velivnotay)
en aan mijn dochters
מָֽה
(ma)
wat
אֶֽעֱשֶׂ֤ה
(eese)
zal ik doen
לָאֵ֨לֶּה֙
(laele)
aan deze
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
א֥וֹ
(o)
of
לִבְנֵיהֶ֖ן
(livneihen)
aan hun zonen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָלָֽדוּ
(yaladu)
ze baarden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
44Kom nu, laten wij een verbond sluiten, jij en ik, en laat het een getuige zijn tussen mij en jou.”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
לְכָ֛ה
(lekha)
kom
נִכְרְתָ֥ה
(nikhreta)
laten we sluiten
בְרִ֖ית
(berit)
verbond
אֲנִ֣י
(ani)
ik
וָאָ֑תָּה
(vaata)
en jij
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en het zal zijn
לְעֵ֖ד
(leed)
tot getuige
בֵּינִ֥י
(beini)
tussen mij
וּבֵינֶֽךָ
(uveinekha)
en tussen jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לכה נכרתה ברית (lekhah nikhretah verit), ‘laten wij een verbond sluiten’: zie 21:27, 32.
Aanvullend
Jasher 31:51 noemt de afspraak dat Jakob Labans dochters niet zou mishandelen.
Jasher 36:7 zegt dat Laban kort daarna stierf, omdat hij het verbond met Jakob had overtreden.
50Als je mijn dochters slecht behandelt, of als je andere vrouwen neemt naast mijn dochters, dan is er niemand bij ons. Maar zie, Elohim is getuige tussen mij en jou.”
אִם
(im)
als
תְּעַנֶּ֣ה
(teane)
je zult onderdrukken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּנֹתַ֗י
(benotay)
mijn dochters
וְאִם
(veim)
en als
תִּקַּ֤ח
(tiqach)
je zult nemen
נָשִׁים֙
(nashim)
vrouwen
עַל
(al)
boven
בְּנֹתַ֔י
(benotay)
mijn dochters
אֵ֥ין
(ein)
niet
אִ֖ישׁ
(ish)
man
עִמָּ֑נוּ
(imanu)
bij ons
רְאֵ֕ה
(ree)
zie
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
עֵ֖ד
(ed)
getuige
בֵּינִ֥י
(beini)
tussen mij
וּבֵינֶֽךָ
(uveinekha)
en tussen jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ראה אלהים עד (ra’ah Elohim ed), ‘zie, Elohim is getuige’: zie vers 44.
51Laban zei tegen Jakob: „Zie deze steenhoop en zie de gedenkzuil die ik tussen mij en jou heb opgericht.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָבָ֖ן
(lavan)
Laban
לְיַעֲקֹ֑ב
(leyaaqov)
aan Jakob
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
הַגַּ֣ל
(hagal)
de steenhoop
הַזֶּ֗ה
(haze)
deze
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
הַמַצֵּבָ֔ה
(hamatseva)
de gedenkzuil
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָרִ֖יתִי
(yariti)
ik heb opgericht
בֵּינִ֥י
(beini)
tussen mij
וּבֵינֶֽךָ
(uveinekha)
en tussen jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
52Deze steenhoop is getuige en de gedenkzuil is getuige. Ik zal niet naar jou voorbij deze steenhoop gaan, en jij zult niet naar mij voorbij deze steenhoop en deze gedenkzuil gaan om kwaad te doen.
עֵ֚ד
(ed)
getuige
הַגַּ֣ל
(hagal)
de steenhoop
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וְעֵדָ֖ה
(veeda)
en getuige
הַמַּצֵּבָ֑ה
(hamatseva)
de gedenkzuil
אִם
(im)
als
אָ֗נִי
(ani)
ik
לֹֽא
(lo)
niet
אֶֽעֱבֹ֤ר
(eevor)
ik zal overgaan
אֵלֶ֨יךָ֙
(eleikha)
naar jou
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַגַּ֣ל
(hagal)
de steenhoop
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וְאִם
(veim)
en als
אַ֠תָּה
(ata)
jij
לֹא
(lo)
niet
תַעֲבֹ֨ר
(taavor)
je zult overgaan
אֵלַ֜י
(elay)
naar mij
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַגַּ֥ל
(hagal)
de steenhoop
הַזֶּ֛ה
(haze)
deze
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַמַּצֵּבָ֥ה
(hamatseva)
de gedenkzuil
הַזֹּ֖את
(hazot)
deze
לְרָעָֽה
(leraa)
tot kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
53De Elohim van Abraham en de Elohim van Nachor, de Elohim van hun vader, zullen oordelen tussen ons.” Jakob zwoer bij het Ontzag van zijn vader Isaak.
אֱלֹהֵ֨י
(elohei)
Elohim van
אַבְרָהָ֜ם
(avraham)
Abraham
וֵֽאלֹהֵ֤י
(velohei)
en Elohim van
נָחוֹר֙
(nachor)
Nachor
יִשְׁפְּט֣וּ
(yishpetu)
laten oordelen
בֵינֵ֔ינוּ
(beineinu)
tussen ons
אֱלֹהֵ֖י
(elohei)
Elohim van
אֲבִיהֶ֑ם
(avihem)
hun vader
וַיִּשָּׁבַ֣ע
(vayishava)
en hij zwoer
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
בְּפַ֖חַד
(befachad)
bij ontzag van
אָבִ֥יו
(aviv)
zijn vader
יִצְחָֽק
(yitschaq)
Isaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בפחד אביו יצחק (befachad aviv Yitschaq), ‘bij het Ontzag van zijn vader Isaak’: zie vers 42.
De werkwoordsvorm yishpetu is meervoud: Laban noemt de Elohim van Abraham en van Nachor samen.