Elohim Bijbel

1 Samuël 13

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Saul in Gilgal: het offer zonder Samuël

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Saul en Jonatan

1Saul was een jaar oud toen hij koning werd. Twee jaar regeerde hij over Israël.
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁנָ֖ה
(shana)
een jaar
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
בְּמָלְכ֑וֹ
(bemalekho)
bij zijn koning worden
וּשְׁתֵּ֣י
(ushtei)
en twee
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde hij
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘Saul was een zoon van een jaar bij zijn koning worden, en twee jaar regeerde hij over Israël.’

De getallen kunnen zo niet kloppen.

Een volwassen man met een zoon als Jonatan (13:2) is geen jaar oud, en twee jaar is te kort voor de gebeurtenissen die volgen.

Hand. 13:21 noemt voor Saul 40 jaar.

Waarschijnlijk is hier bij het overschrijven iets verloren gegaan.

Wij vertalen de Masoretische tekst letterlijk en vullen niets aan.

2Saul koos voor zich 3000 man uit Israël. Tweeduizend waren bij Saul in Mikmas en op het gebergte van Betel. Duizend waren bij Jonatan in Gibea van Benjamin. De rest van het volk stuurde hij naar huis, ieder naar zijn tent.
וַיִּבְחַר
(vayivchar)
en koos
ל֨וֹ
(lo)
voor zich
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
אֲלָפִים֮
(alafim)
duizend
מִיִּשְׂרָאֵל֒
(miyisrael)
uit Israël
וַיִּהְי֨וּ
(vayihyu)
en waren
עִם
(im)
met
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
אַלְפַּ֗יִם
(alpayim)
tweeduizend
בְּמִכְמָשׂ֙
(bemikhmas)
in Mikmas
וּבְהַ֣ר
(uvehar)
en op het gebergte van
בֵּֽית
(beit)
Bet
אֵ֔ל
(el)
El
וְאֶ֗לֶף
(veelef)
en duizend
הָיוּ֙
(hayu)
waren
עִם
(im)
met
י֣וֹנָתָ֔ן
(yonatan)
Jonatan
בְּגִבְעַ֖ת
(begivat)
in Gibea van
בִּנְיָמִ֑ין
(binyamin)
Benjamin
וְיֶ֣תֶר
(veyeter)
en de rest van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
שִׁלַּ֖ח
(shilach)
stuurde hij
אִ֥ישׁ
(ish)
man
לְאֹהָלָֽיו
(leohalav)
naar zijn tenten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Mikmas is het huidige Mukhmas, ongeveer 10 kilometer ten noordoosten van Jeruzalem op de Westelijke Jordaanoever.

Betel ligt ongeveer 17 kilometer ten noorden van Jeruzalem (Beitin).

Gibea van Benjamin wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 kilometer ten noorden van Jeruzalem.

Jonatan slaat de wachtpost; de Filistijnen trekken op

3Jonatan versloeg de wachtpost van de Filistijnen die in Geba lag. De Filistijnen hoorden het. Saul blies overal in het land op de ramshoorn en zei: „Laat de Hebreeën het horen!”
וַיַּ֣ךְ
(vayakh)
en sloeg
יוֹנָתָ֗ן
(yonatan)
Jonatan
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
נְצִ֤יב
(netsiv)
de wachtpost van
פְּלִשְׁתִּים֙
(pelishtim)
de Filistijnen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּגֶ֔בַע
(begeva)
in Geba
וַֽיִּשְׁמְע֖וּ
(vayishmeu)
en hoorden
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וְשָׁאוּל֩
(veshaul)
en Saul
תָּקַ֨ע
(taqa)
blies
בַּשּׁוֹפָ֤ר
(bashofar)
op de ramshoorn
בְּכָל
(bekhal)
in heel
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
יִשְׁמְע֖וּ
(yishmeu)
laat horen
הָעִבְרִֽים
(haivrim)
de Hebreeën
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Geba (nu Jaba) ligt ongeveer 9 kilometer ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Mikmas aan de andere kant van het dal (14:5).

Het is een andere plaats dan Gibea (13:2).

Het Hebreeuws schrijft ze verschillend, en wij houden dat zo.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

שׁוֹפָר (sjofar), ‘ramshoorn’: een hoorn die als signaal wordt geblazen, zoals bij Jericho (Joz. 6).

נְצִיב (netsiv), ‘wachtpost’: een bezetting of opzichter van de Filistijnen. Het woord kan ook ‘opzichter’ betekenen. Hier gaat het om een versterkte post.

4Heel Israël hoorde zeggen: „Saul heeft de wachtpost van de Filistijnen verslagen. Israël is ook gaan stinken bij de Filistijnen.” Het volk werd opgeroepen om Saul te volgen naar Gilgal.
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֞ל
(yisrael)
Israël
שָׁמְע֣וּ
(shameu)
hoorde
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
הִכָּ֤ה
(hika)
heeft verslagen
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
נְצִ֣יב
(netsiv)
de wachtpost van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וְגַם
(vegam)
en ook
נִבְאַשׁ
(nivash)
is gaan stinken
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בַּפְּלִשְׁתִּ֑ים
(bapelishtim)
bij de Filistijnen
וַיִּצָּעֲק֥וּ
(vayitsaaqu)
en werd opgeroepen
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
הַגִּלְגָּֽל
(hagilgal)
naar Gilgal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

נִבְאַשׁ (nivasj), ‘is gaan stinken’: ‘bij iemand stinken’ betekent dat hij bij hem gehaat wordt (vergelijk Exod. 5:21, waar het om Farao gaat).

5De Filistijnen verzamelden zich om te strijden tegen Israël: 30.000 wagens en 6000 ruiters. En er was een volk zo talrijk als het zand aan de oever van de zee. Zij trokken op en sloegen hun kamp op in Mikmas, ten oosten van Bet-Aven.
וּפְלִשְׁתִּ֞ים
(ufelishtim)
en de Filistijnen
נֶאֶסְפ֣וּ
(neesfu)
werden verzameld
לְהִלָּחֵ֣ם
(lehilachem)
om te strijden
עִם
(im)
met
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
שְׁלֹשִׁ֨ים
(sheloshim)
dertig
אֶ֤לֶף
(elef)
duizend
רֶ֨כֶב֙
(rekhev)
wagens
וְשֵׁ֤שֶׁת
(vesheshet)
en zes
אֲלָפִים֙
(alafim)
duizend
פָּרָשִׁ֔ים
(parashim)
ruiters
וְעָ֕ם
(veam)
en volk
כַּח֛וֹל
(kachol)
als het zand
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עַל
(al)
aan
שְׂפַֽת
(sefat)
de oever van
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
לָרֹ֑ב
(larov)
in menigte
וַֽיַּעֲלוּ֙
(vayaalu)
en zij trokken op
וַיַּחֲנ֣וּ
(vayachanu)
en legerden zich
בְמִכְמָ֔שׂ
(bemikhmas)
in Mikmas
קִדְמַ֖ת
(qidmat)
ten oosten van
בֵּ֥ית
(beit)
Bet
אָֽוֶן
(aven)
Aven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bet-Aven (‘huis van onheil’) lag ten oosten van Betel, op de Westelijke Jordaanoever.

De juiste plek is niet zeker.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Mikmas: Mikmas (nu Mukhmas) lag ongeveer 10 km ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Geba.

De pas van Mikmas is het dal (Wadi es-Suwenit) tussen beide plaatsen.

Lezing

De Masoretische tekst heeft 30.000 wagens.

Dat is een zeer groot getal naast 6000 ruiters.

Wij volgen de Masoretische tekst.

6De mannen van Israël zagen dat zij in het nauw zaten, want het volk werd zwaar bedreigd. Het volk verborg zich in grotten, in struikgewas, in rotsen, in schuilplaatsen en in putten.
וְאִ֨ישׁ
(veish)
en de man van
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
רָאוּ֙
(rau)
zagen
כִּ֣י
(ki)
dat
צַר
(tsar)
het benauwd was
ל֔וֹ
(lo)
voor hem
כִּ֥י
(ki)
want
נִגַּ֖שׂ
(nigas)
werd gedrongen
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַיִּֽתְחַבְּא֣וּ
(vayitchabeu)
en verborg zich
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
בַּמְּעָר֤וֹת
(bamearot)
in de grotten
וּבַֽחֲוָחִים֙
(uvachavachim)
en in het struikgewas
וּבַסְּלָעִ֔ים
(uvaselaim)
en in de rotsen
וּבַצְּרִחִ֖ים
(uvatserichim)
en in de schuilplaatsen
וּבַבֹּרֽוֹת
(uvaborot)
en in de putten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צְרִחִים (tserichim), ‘schuilplaatsen’: een zeldzaam woord.

Het gaat om een plek waar je je kunt verbergen, bijvoorbeeld een holte in de rotsen of een ondergrondse ruimte.

De betekenis is niet zeker.

בֹּרוֹת (borot), ‘putten’: uitgehouwen bronputten of regenputten, die leeg konden zijn.

7Hebreeën staken de Jordaan over, naar het land van Gad en Gilead. Saul was nog in Gilgal. Heel het volk beefde en volgde hem.
וְעִבְרִ֗ים
(veivrim)
en Hebreeën
עָֽבְרוּ֙
(averu)
staken over
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּ֔ן
(hayarden)
de Jordaan
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
גָּ֖ד
(gad)
Gad
וְגִלְעָ֑ד
(vegilad)
en Gilead
וְשָׁאוּל֙
(veshaul)
en Saul
עוֹדֶ֣נּוּ
(odenu)
nog
בַגִּלְגָּ֔ל
(bagilgal)
in Gilgal
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
חָרְד֥וּ
(charedu)
beefde
אַחֲרָֽיו
(acharav)
achter hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho.

De precieze plaats is niet zeker.

Lezing

Het Hebreeuws begint met וְעִבְרִים (we-ivrim), ‘en Hebreeën’.

Het gaat hier om Israëlieten, zoals in 13:3 en 13:19.

Het woord klinkt als het werkwoord ‘oversteken’ (עָבְרוּ, averoe), dat in dezelfde zin staat.

Saul offert in Gilgal

8Hij wachtte zeven dagen, tot de vastgestelde tijd van Samuël. Maar Samuël kwam niet naar Gilgal. Het volk liep uiteen, weg van hem.
וַיּ֣וֹחֶל
(vayochel)
en wachtte
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
יָמִ֗ים
(yamim)
dagen
לַמּוֹעֵד֙
(lamoed)
tot de vastgestelde tijd
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
וְלֹא
(velo)
en niet
בָ֥א
(ba)
kwam
שְׁמוּאֵ֖ל
(shemuel)
Samuël
הַגִּלְגָּ֑ל
(hagilgal)
naar Gilgal
וַיָּ֥פֶץ
(vayafets)
en verspreidde zich
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
מֵעָלָֽיו
(mealav)
van hem weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

מוֹעֵד (moëd), ‘vastgestelde tijd’: een afgesproken tijdstip.

Samuël had dit gezegd in 1 Sam. 10:8: Saul moest zeven dagen wachten tot Samuël kwam.

Zie ook1 Sam 10:8
9Saul zei: „Breng het brandoffer en de vredeoffers hier bij mij.” Toen offerde hij het brandoffer.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
הַגִּ֣שׁוּ
(hagishu)
breng hier
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
הָעֹלָ֖ה
(haola)
het brandoffer
וְהַשְּׁלָמִ֑ים
(vehashelamim)
en de vredeoffers
וַיַּ֖עַל
(vayaal)
en offerde
הָעֹלָֽה
(haola)
het brandoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Toen hij klaar was met het brandoffer, zie: Samuël kwam. Saul ging hem tegemoet om hem te zegenen.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כְּכַלֹּתוֹ֙
(kekhaloto)
toen hij klaar was
לְהַעֲל֣וֹת
(lehaalot)
om te offeren
הָעֹלָ֔ה
(haola)
het brandoffer
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
שְׁמוּאֵ֖ל
(shemuel)
Samuël
בָּ֑א
(ba)
kwam
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en ging uit
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
לִקְרָאת֖וֹ
(liqrato)
hem tegemoet
לְבָרֲכֽוֹ
(levarakho)
om hem te zegenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּרַךְ (barak), ‘zegenen’: hier met de betekenis ‘groeten’, zoals in 1 Sam. 25:14.

Wij houden het vaste woord ‘zegenen’.

11Samuël zei: „Wat heb je gedaan?” Saul zei: „Ik zag dat het volk van mij wegliep. Ik zag dat jij niet kwam op de vastgestelde tijd van de dagen. En de Filistijnen waren verzameld in Mikmas.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵ֖ל
(shemuel)
Samuël
מֶ֣ה
(me)
wat
עָשִׂ֑יתָ
(asita)
heb je gedaan
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שָׁא֡וּל
(shaul)
Saul
כִּֽי
(ki)
want
רָאִיתִי֩
(raiti)
ik zag
כִֽי
(ki)
dat
נָפַ֨ץ
(nafats)
uiteenging
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
מֵעָלַ֗י
(mealay)
van mij weg
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
לֹא
(lo)
niet
בָ֨אתָ֙
(bata)
kwam
לְמוֹעֵ֣ד
(lemoed)
op de vastgestelde tijd
הַיָּמִ֔ים
(hayamim)
van de dagen
וּפְלִשְׁתִּ֖ים
(ufelishtim)
en de Filistijnen
נֶאֱסָפִ֥ים
(neesafim)
waren verzameld
מִכְמָֽשׂ
(mikhmas)
Mikmas
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Mikmas: Mikmas (nu Mukhmas) lag ongeveer 10 km ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Geba.

De pas van Mikmas is het dal (Wadi es-Suwenit) tussen beide plaatsen.

12Toen zei ik: ‘Nu komen de Filistijnen naar mij af, naar Gilgal. En het aangezicht van Yahweh heb ik nog niet vriendelijk gestemd.’ Daarom dwong ik mijzelf en offerde ik het brandoffer.”
וָאֹמַ֗ר
(vaomar)
en ik zei
עַ֠תָּה
(ata)
nu
יֵרְד֨וּ
(yeredu)
zullen afdalen
פְלִשְׁתִּ֤ים
(pelishtim)
de Filistijnen
אֵלַי֙
(elay)
naar mij
הַגִּלְגָּ֔ל
(hagilgal)
Gilgal
וּפְנֵ֥י
(ufenei)
en het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֣א
(lo)
niet
חִלִּ֑יתִי
(chiliti)
heb ik vriendelijk gestemd
וָֽאֶתְאַפַּ֔ק
(vaetapaq)
en ik dwong mezelf
וָאַעֲלֶ֖ה
(vaaale)
en ik offerde
הָעֹלָֽה
(haola)
het brandoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

חִלָּה פָּנִים (chilla panim), ‘het aangezicht vriendelijk stemmen’: letterlijk ‘het gezicht zacht maken’.

Het gaat om bidden en offeren om Yahweh gunstig te stemmen.

Lezing

הִתְאַפֵּק (hit’appeq) betekent letterlijk ‘zich beheersen’ of ‘zich inhouden’.

Saul zegt dat hij zichzelf overwon om te offeren.

Het woord kan ook betekenen dat hij zich probeerde in te houden, en toch offerde.

Wij kiezen ‘ik dwong mijzelf’.

Samuël spreekt het oordeel uit

13Samuël zei tegen Saul: „Je hebt dwaas gehandeld. Je hebt het gebod van Yahweh, jouw Elohim, niet bewaard. Hij had het je geboden. Want nu zou Yahweh jouw koningschap over Israël voor altijd hebben bevestigd.
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵ֛ל
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tegen
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
נִסְכָּ֑לְתָּ
(niskalta)
je hebt dwaas gehandeld
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁמַ֗רְתָּ
(shamarta)
heb je bewaard
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְוַ֞ת
(mitsvat)
het gebod van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
jouw Elohim
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
צִוָּ֔ךְ
(tsivakh)
Hij je had geboden
כִּ֣י
(ki)
want
עַתָּ֗ה
(ata)
nu
הֵכִ֨ין
(hekhin)
zou hebben bevestigd
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מַֽמְלַכְתְּךָ֛
(mamlakhtekha)
jouw koningschap
אֶל
(el)
over
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִסְכַּלְתָּ (niskalta), ‘je hebt dwaas gehandeld’: van het woord voor ‘dwaas’.

עַתָּה (atta), ‘nu’: hier met de betekenis ‘dan’: ‘want dan zou Yahweh…’. Wat had kunnen zijn, is nu voorbij.

14Maar nu zal jouw koningschap niet standhouden. Yahweh heeft voor Zich een man gezocht naar Zijn hart. Yahweh heeft hem aangesteld als leider over Zijn volk. Want jij hebt niet bewaard wat Yahweh je geboden had.”
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
מַמְלַכְתְּךָ֣
(mamlakhtekha)
jouw koningschap
לֹא
(lo)
niet
תָק֑וּם
(taqum)
zal standhouden
בִּקֵּשׁ֩
(biqesh)
heeft gezocht
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
ל֜וֹ
(lo)
voor Zich
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
כִּלְבָב֗וֹ
(kilvavo)
naar Zijn hart
וַיְצַוֵּ֨הוּ
(vaytsavehu)
en heeft aangesteld hem
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
לְנָגִיד֙
(lenagid)
als leider
עַל
(al)
over
עַמּ֔וֹ
(amo)
Zijn volk
כִּ֚י
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁמַ֔רְתָּ
(shamarta)
heb je bewaard
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶֽׁר
(asher)
wat
צִוְּךָ֖
(tsivekha)
Hij je had geboden
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָגִיד (nagid), ‘leider’: iemand die vooropgaat.

Het woord wordt hier gebruikt in plaats van ‘koning’.

Zie ook Hand. 13:22 (‘een man naar Mijn hart’).

15Samuël stond op en trok van Gilgal omhoog naar Gibea van Benjamin. Saul telde het volk dat bij hem was: ongeveer 600 man.
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
שְׁמוּאֵ֗ל
(shemuel)
Samuël
וַיַּ֛עַל
(vayaal)
en ging omhoog
מִן
(min)
van
הַגִּלְגָּ֖ל
(hagilgal)
Gilgal
גִּבְעַ֣ת
(givat)
Gibea van
בִּנְיָמִ֑ן
(binyamin)
Benjamin
וַיִּפְקֹ֣ד
(vayifqod)
en telde
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָם֙
(haam)
het volk
הַנִּמְצְאִ֣ים
(hanimtseim)
dat gevonden werd
עִמּ֔וֹ
(imo)
bij hem
כְּשֵׁ֥שׁ
(keshesh)
ongeveer zes
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
אִֽישׁ
(ish)
man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda.

Lezing

De Masoretische tekst is hier kort.

Er staat letterlijk: ‘Samuël stond op en ging op van Gilgal Gibea van Benjamin’.

Wij vullen ‘naar’ aan, zonder meer toe te voegen.

Israël zonder wapens

16Saul, zijn zoon Jonatan en het volk dat bij hen was, bleven in Geba van Benjamin. De Filistijnen hadden hun kamp in Mikmas.
וְשָׁא֞וּל
(veshaul)
en Saul
וְיוֹנָתָ֣ן
(veyonatan)
en Jonatan
בְּנ֗וֹ
(beno)
zijn zoon
וְהָעָם֙
(vehaam)
en het volk
הַנִּמְצָ֣א
(hanimtsa)
dat gevonden werd
עִמָּ֔ם
(imam)
bij hen
יֹשְׁבִ֖ים
(yoshevim)
bleven
בְּגֶ֣בַע
(begeva)
in Geba van
בִּנְיָמִ֑ן
(binyamin)
Benjamin
וּפְלִשְׁתִּ֖ים
(ufelishtim)
en de Filistijnen
חָנ֥וּ
(chanu)
hadden hun kamp
בְמִכְמָֽשׂ
(bemikhmas)
in Mikmas
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Mikmas: Mikmas (nu Mukhmas) lag ongeveer 10 km ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Geba.

De pas van Mikmas is het dal (Wadi es-Suwenit) tussen beide plaatsen.

Zie ook1 Sam 13:3
17Uit het kamp van de Filistijnen trokken de verwoesters uit, in drie groepen. Eén groep sloeg de weg naar Ofra in, naar het land Sjoeal.
וַיֵּצֵ֧א
(vayetse)
en ging uit
הַמַּשְׁחִ֛ית
(hamashchit)
de verwoesters
מִמַּחֲנֵ֥ה
(mimachane)
uit het kamp van
פְלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
de Filistijnen
שְׁלֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
רָאשִׁ֑ים
(rashim)
groepen
הָרֹ֨אשׁ
(harosh)
de groep
אֶחָ֥ד
(echad)
één
יִפְנֶ֛ה
(yifne)
sloeg in
אֶל
(el)
naar
דֶּ֥רֶךְ
(derekh)
de weg van
עָפְרָ֖ה
(afera)
Ofra
אֶל
(el)
naar
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
שׁוּעָֽל
(shual)
Sjoeal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ofra (in Benjamin) ligt waarschijnlijk bij het huidige et-Taiyibeh, ongeveer 6 kilometer ten noordoosten van Betel.

Het is een andere plaats dan Ofra van Gideon (Richt. 6:11).

Het land Sjoeal (‘land van de vossen’) is onzeker, waarschijnlijk in het noorden van Benjamin.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Land Sjoeal (ligging onzeker): Het land Sjoeal (land van de vossen) lag waarschijnlijk in het noorden van Benjamin.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

הַמַּשְׁחִית (hammasjchit), ‘de verwoesters’: een groep die plundert en vernielt.

Het woord is enkelvoud met een verzamelende betekenis.

רָאשִׁים (rasjim), ‘groepen’: letterlijk ‘hoofden’; hier de leiders met hun mannen.

18Eén groep sloeg de weg naar Bet-Choron in. Eén groep sloeg de weg in naar de grens die uitziet over het dal van de Tseboïm, naar de woestijn toe.
וְהָרֹ֤אשׁ
(veharosh)
en de groep
אֶחָד֙
(echad)
één
יִפְנֶ֔ה
(yifne)
sloeg in
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
de weg van
בֵּ֣ית
(beit)
Bet
חֹר֑וֹן
(choron)
Choron
וְהָרֹ֨אשׁ
(veharosh)
en de groep
אֶחָ֤ד
(echad)
één
יִפְנֶה֙
(yifne)
sloeg in
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
de weg van
הַגְּב֔וּל
(hagevul)
de grens
הַנִּשְׁקָ֛ף
(hanishqaf)
die uitziet
עַל
(al)
over
גֵּ֥י
(gei)
het dal van
הַצְּבֹעִ֖ים
(hatsevoim)
de Tseboïm
הַמִּדְבָּֽרָה
(hamidbara)
naar de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bet-Choron lag ten noordwesten van Jeruzalem (Boven- en Beneden-Bet-Choron, Joz. 16:3,5).

Het dal van de Tseboïm is onzeker; het lag aan de oostkant van Benjamin, richting de woestijn bij Jericho.

Zie Dal van de Tseboïm (ligging onzeker): Het dal van de Tseboïm lag aan de oostkant van Benjamin, richting de woestijn bij Jericho.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

צְבֹעִים (tsevoïm), ‘Tseboïm’: dit woord betekent waarschijnlijk ‘hyena’s’.

Wij houden de naam, zoals in de Hebreeuwse tekst.

19In heel het land van Israël was geen smid te vinden. Want de Filistijnen hadden gezegd: „Anders maken de Hebreeën een zwaard of een speer.”
וְחָרָשׁ֙
(vecharash)
en smid
לֹ֣א
(lo)
niet
יִמָּצֵ֔א
(yimatse)
werd gevonden
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
in heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כִּֽי
(ki)
want
אָמְר֣וּ
(ameru)
zeiden
פְלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
פֶּ֚ן
(pen)
opdat niet
יַעֲשׂ֣וּ
(yaasu)
maken
הָעִבְרִ֔ים
(haivrim)
de Hebreeën
חֶ֖רֶב
(cherev)
zwaard
א֥וֹ
(o)
of
חֲנִֽית
(chanit)
speer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

חָרָשׁ (charasj), ‘smid’: iemand die metaal bewerkt.

Zonder smid was er geen wapen te maken of te herstellen.

20Heel Israël moest daarom naar de Filistijnen afdalen om te laten slijpen: ieder zijn houweel, zijn ploegschaar, zijn bijl en zijn houweel.
וַיֵּרְד֥וּ
(vayeredu)
en daalden af
כָל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
הַפְּלִשְׁתִּ֑ים
(hapelishtim)
naar de Filistijnen
לִ֠לְטוֹשׁ
(liltosh)
om te slijpen
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
מַחֲרַשְׁתּ֤וֹ
(macharashto)
zijn houweel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֵתוֹ֙
(eto)
zijn ploegschaar
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
קַרְדֻּמּ֔וֹ
(qardumo)
zijn bijl
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
מַחֲרֵשָׁתֽוֹ
(machareshato)
zijn houweel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Lezing

In deze zin staat het woord מַחֲרֵשָׁה (macharesja) twee keer, aan het begin en aan het einde van de opsomming.

Een van beide is misschien een ander werktuig (bijvoorbeeld een sikkel).

Wij vertalen letterlijk.

21De prijs was een pim voor de houwelen en voor de ploegscharen. Dat gold ook voor de drietandvork en de bijlen, en om de ossenprikkel vast te zetten.
וְֽהָיְתָ֞ה
(vehayeta)
en was
הַפְּצִ֣ירָה
(hapetsira)
de prijs
פִ֗ים
(pim)
een pim
לַמַּֽחֲרֵשֹׁת֙
(lamachareshot)
voor de houwelen
וְלָ֣אֵתִ֔ים
(velaetim)
en voor de ploegscharen
וְלִשְׁלֹ֥שׁ
(velishlosh)
en voor de drietand
קִלְּשׁ֖וֹן
(qileshon)
vork
וּלְהַקַּרְדֻּמִּ֑ים
(ulehaqardumim)
en voor de bijlen
וּלְהַצִּ֖יב
(ulehatsiv)
en om vast te zetten
הַדָּרְבָֽן
(hadarevan)
de ossenprikkel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פִּים (pim): een gewicht van ongeveer twee derde sikkel, dus ongeveer 7,6 gram zilver.

Een sikkel is ongeveer 11,4 gram.

הַפְּצִירָה (happetsira), ‘de prijs’: een zeldzaam woord. De betekenis is niet zeker (mogelijk ‘de beitel’ of ‘de vijl’, het gereedschap waarmee werd geslepen). Wij kiezen ‘de prijs’.

אֵת (et), ‘ploegschaar’ en מַחֲרֵשָׁה (macharesja), ‘houweel’: beide woorden zijn zeldzaam, en welk gereedschap precies bedoeld is, is niet zeker.

22Op de dag van de strijd werd er in de hand van heel het volk geen zwaard of speer gevonden. Dat gold voor allen die bij Saul en Jonatan waren. Alleen bij Saul en bij zijn zoon Jonatan werden ze gevonden.
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het was
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
מִלְחֶ֔מֶת
(milchemet)
strijd
וְלֹ֨א
(velo)
en niet
נִמְצָ֜א
(nimtsa)
werd gevonden
חֶ֤רֶב
(cherev)
zwaard
וַחֲנִית֙
(vachanit)
en speer
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אֶת
(et)
met
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
וְאֶת
(veet)
en met
יוֹנָתָ֑ן
(yonatan)
Jonatan
וַתִּמָּצֵ֣א
(vatimatse)
maar werd gevonden
לְשָׁא֔וּל
(leshaul)
bij Saul
וּלְיוֹנָתָ֖ן
(uleyonatan)
en bij Jonatan
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Een wachtpost van de Filistijnen trok uit naar de pas van Mikmas.
וַיֵּצֵא֙
(vayetse)
en ging uit
מַצַּ֣ב
(matsav)
de wachtpost van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
אֶֽל
(el)
naar
מַעֲבַ֖ר
(maavar)
de pas van
מִכְמָֽשׂ
(mikhmas)
Mikmas
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Mikmas: Mikmas (nu Mukhmas) lag ongeveer 10 km ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Geba.

De pas van Mikmas is het dal (Wadi es-Suwenit) tussen beide plaatsen.