Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De satan opnieuw voor Yahweh
1Op een dag kwamen de zonen van Elohim weer zich voor Yahweh opstellen. Ook de satan kwam in hun midden om zich voor Yahweh op te stellen.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het gebeurde
הַיּ֔וֹם
(hayom)
op de dag
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en kwamen
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
לְהִתְיַצֵּ֖ב
(lehityatsev)
om zich te stellen
עַל
(al)
voor
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּב֤וֹא
(vayavo)
en kwam
גַֽם
(gam)
ook
הַשָּׂטָן֙
(hasatan)
de satan
בְּתֹכָ֔ם
(betokham)
in hun midden
לְהִתְיַצֵּ֖ב
(lehityatsev)
om zich te stellen
עַל
(al)
voor
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Yahweh zei tegen de satan: „Heb je aandacht gehad voor Mijn dienaar Job? Want er is niemand zoals hij op de aarde: een onberispelijk en oprecht man, die ontzag heeft voor Elohim en zich ver van het kwaad houdt. Hij houdt nog steeds vast aan zijn onberispelijkheid, terwijl jij Mij tegen hem ophitste om hem zonder reden te verslinden.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
הַשָּׂטָ֗ן
(hasatan)
de satan
הֲשַׂ֣מְתָּ
(hasamta)
heb je gezet
לִבְּךָ֮
(libekha)
je hart
אֶל
(el)
op
עַבְדִּ֣י
(avdi)
Mijn dienaar
אִיּוֹב֒
(iyov)
Job
כִּי֩
(ki)
want
אֵ֨ין
(ein)
er is niet
כָּמֹ֜הוּ
(kamohu)
zoals hij
בָּאָ֗רֶץ
(baarets)
op de aarde
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
תָּ֧ם
(tam)
onberispelijk
וְיָשָׁ֛ר
(veyashar)
en oprecht
יְרֵ֥א
(yere)
ontzag hebbend voor
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
וְסָ֣ר
(vesar)
en wijkend
מֵרָ֑ע
(mera)
van het kwaad
וְעֹדֶ֨נּוּ֙
(veodenu)
en nog
מַחֲזִ֣יק
(machaziq)
vasthoudend
בְּתֻמָּת֔וֹ
(betumato)
aan zijn onberispelijkheid
וַתְּסִיתֵ֥נִי
(vatesiteni)
en je hitste Mij op
ב֖וֹ
(bo)
tegen hem
לְבַלְּע֥וֹ
(levaleo)
om hem te verslinden
חִנָּֽם
(chinam)
zonder reden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חִנָּם (chinnam), ‘zonder reden’: Yahweh zegt dat Job zonder reden is getroffen.
Yahweh noemt hier de satan als degene die Hem ophitste; het lijden van Job komt niet voort uit zijn eigen schuld.
10Hij zei tegen haar: „Je spreekt als een van de dwaze vrouwen. Het goede nemen we aan van Elohim, en het kwade zouden we niet aannemen?” In dit alles zondigde Job niet met zijn lippen.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלֶ֗יהָ
(eleiha)
tegen haar
כְּדַבֵּ֞ר
(kedaber)
zoals het spreken van
אַחַ֤ת
(achat)
een van
הַנְּבָלוֹת֙
(hanevalot)
de dwaze vrouwen
תְּדַבֵּ֔רִי
(tedaberi)
spreek je
גַּ֣ם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַטּ֗וֹב
(hatov)
het goede
נְקַבֵּל֙
(neqabel)
nemen we aan
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הָרָ֖ע
(hara)
het kwade
לֹ֣א
(lo)
niet
נְקַבֵּ֑ל
(neqabel)
nemen we aan
בְּכָל
(bekhal)
in
זֹ֛את
(zot)
dit alles
לֹא
(lo)
niet
חָטָ֥א
(chata)
zondigde
אִיּ֖וֹב
(iyov)
Job
בִּשְׂפָתָֽיו
(bisfatav)
met zijn lippen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַנְּבָלוֹת (hanevalot) komt van נָבָל (naval), ‘dwaas, gewetenloos’.
Job noemt zijn vrouw niet dwaas, maar zegt dat ze spreekt als zulke vrouwen.
11Drie vrienden van Job hoorden van al dit kwaad dat hem was overkomen. Ze kwamen ieder uit hun eigen plaats: Elifaz uit Teman, Bildad uit Sjuach en Zofar uit Naäma. Ze spraken met elkaar af om samen naar hem toe te gaan, om hem te beklagen en te troosten.
וַֽיִּשְׁמְע֞וּ
(vayishmeu)
en hoorden
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
רֵעֵ֣י
(reei)
vrienden van
אִיּ֗וֹב
(iyov)
Job
אֵ֣ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
הָרָעָ֣ה
(haraa)
het kwaad
הַזֹּאת֮
(hazot)
dit
הַבָּ֣אָה
(habaa)
dat kwam
עָלָיו֒
(alav)
over hem
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en kwamen
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
מִמְּקֹמ֔וֹ
(mimeqomo)
uit zijn plaats
אֱלִיפַ֤ז
(elifaz)
Elifaz
הַתֵּימָנִי֙
(hateimani)
de Temaniet
וּבִלְדַּ֣ד
(uvildad)
en Bildad
הַשּׁוּחִ֔י
(hashuchi)
de Sjuchiet
וְצוֹפַ֖ר
(vetsofar)
en Zofar
הַנַּֽעֲמָתִ֑י
(hanaamati)
de Naämatiet
וַיִּוָּעֲד֣וּ
(vayivaadu)
en spraken af
יַחְדָּ֔ו
(yachdav)
samen
לָב֥וֹא
(lavo)
om te komen
לָנֽוּד
(lanud)
om te beklagen
ל֖וֹ
(lo)
hem
וּֽלְנַחֲמֽוֹ
(ulenachamo)
en om te troosten hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Teman (תֵּימָן): in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee (Jer. 49:7; Amos 1:12).
Sjuach (שׁוּחַ) wordt in Gen. 25:2 genoemd als zoon van Abraham en Ketura; de ligging is onzeker, waarschijnlijk in het oosten.
12Toen ze van een afstand hun ogen opsloegen, herkenden ze hem niet. Ze barstten uit in luid gehuil. Ieder scheurde zijn mantel, en ze strooiden stof naar de hemel boven hun hoofd.
וַיִּשְׂא֨וּ
(vayisu)
en sloegen op
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֵינֵיהֶ֤ם
(eineihem)
hun ogen
מֵרָחוֹק֙
(merachoq)
van veraf
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
הִכִּירֻ֔הוּ
(hikiruhu)
herkenden hem
וַיִּשְׂא֥וּ
(vayisu)
en verhieven
קוֹלָ֖ם
(qolam)
hun stem
וַיִּבְכּ֑וּ
(vayivku)
en weenden
וַֽיִּקְרְעוּ֙
(vayiqreu)
en scheurden
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
מְעִל֔וֹ
(meilo)
zijn mantel
וַיִּזְרְק֥וּ
(vayizrequ)
en strooiden
עָפָ֛ר
(afar)
stof
עַל
(al)
op
רָאשֵׁיהֶ֖ם
(rasheihem)
hun hoofden
הַשָּׁמָֽיְמָה
(hashamayema)
hemelwaarts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het scheuren van het kleed en het strooien van stof op het hoofd zijn tekens van diepe rouw.