Elohim Bijbel

Ezechiël 23

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748

Ohola en Oholiba: de twee zussen die Yahweh ontrouw werden

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Twee zussen

1Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Mensenkind, er waren twee vrouwen, dochters van één moeder.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֑ם
(adam)
mens
שְׁתַּ֣יִם
(shetayim)
twee
נָשִׁ֔ים
(nashim)
vrouwen
בְּנ֥וֹת
(benot)
dochters van
אֵם
(em)
moeder
אַחַ֖ת
(achat)
één
הָיֽוּ
(hayu)
waren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit hoofdstuk vertelt een gelijkenis over twee zussen, dochters van één moeder.

In vers 4 staat wie zij zijn: Samaria en Jeruzalem.

Het beeld van hoererij voor ontrouw aan Yahweh staat ook in Hos. 1–3 en Ezech. 16.

3Zij bedreven hoererij in Egypte. In hun jeugd bedreven zij hoererij. Daar werden hun borsten aangeraakt en daar betastte men de borsten van hun maagdelijkheid.
וַתִּזְנֶ֣ינָה
(vatizneina)
en zij hoereerden
בְמִצְרַ֔יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
בִּנְעוּרֵיהֶ֖ן
(binureihen)
in hun jeugd
זָנ֑וּ
(zanu)
hoereerden zij
שָׁ֚מָּה
(shama)
daar
מֹעֲכ֣וּ
(moakhu)
werden gedrukt
שְׁדֵיהֶ֔ן
(shedeihen)
hun borsten
וְשָׁ֣ם
(vesham)
en daar
עִשּׂ֔וּ
(isu)
betastte men
דַּדֵּ֖י
(dadei)
borsten van
בְּתוּלֵיהֶֽן
(betuleihen)
hun maagdelijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

זָנָה (zanah), ‘hoererij bedrijven’: wij laten het woord letterlijk staan, zoals in Hosea.

מֹעֲכוּ (mo’aku), ‘gedrukt, aangeraakt’: de eerste woorden over Egypte vertellen van Israëls jeugd daar. Vergelijk Ezech. 20:7–8.

De tekst is hier hard en rechtstreeks. Wij laten dat zo.

4Hun namen: Ohola was de oudere en Oholiba haar zus. Zij werden de Mijnen en baarden zonen en dochters. Wat hun namen betreft: Samaria is Ohola en Jeruzalem is Oholiba.
וּשְׁמוֹתָ֗ן
(ushemotan)
en hun namen
אָהֳלָ֤ה
(ahola)
Ohola
הַגְּדוֹלָה֙
(hagedola)
de oudere
וְאָהֳלִיבָ֣ה
(veaholiva)
en Oholiba
אֲחוֹתָ֔הּ
(achotah)
haar zus
וַתִּֽהְיֶ֣ינָה
(vatihyeina)
en zij werden
לִ֔י
(li)
voor Mij
וַתֵּלַ֖דְנָה
(vateladna)
en baarden
בָּנִ֣ים
(banim)
zonen
וּבָנ֑וֹת
(uvanot)
en dochters
וּשְׁמוֹתָ֕ן
(ushemotan)
en hun namen
שֹׁמְר֣וֹן
(shomeron)
Samaria
אָהֳלָ֔ה
(ahola)
Ohola
וִירוּשָׁלִַ֖ם
(virushaliam)
en Jeruzalem
אָהֳלִיבָֽה
(aholiva)
Oholiba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

אָהֳלָה (Oholah), ‘haar tent’, en אָהֳלִיבָה (Oholivah), ‘Mijn tent is in haar’: twee namen met hetzelfde woord voor ‘tent’.

Wij schrijven ‘Ohola’ en ‘Oholiba’, naar de schrijfwijze Oholiab in Exod. 31:6.

הַגְּדוֹלָה (haggedolah), ‘de oudere’: letterlijk ‘de grote’.

וַתִּהְיֶינָה לִי (vattihyenah li), ‘zij werden de Mijnen’: letterlijk ‘zij werden voor Mij’. Yahweh beschrijft Israël en Juda als Zijn vrouwen.

Samaria is de hoofdstad van het noordelijke rijk; Jeruzalem de hoofdstad van Juda.

Ohola en Assyrië

5Ohola bedreef hoererij terwijl zij Mij toebehoorde. Zij ontbrandde in begeerte voor haar minnaars, voor de Assyriërs, die dichtbij waren:
וַתִּ֥זֶן
(vatizen)
en hoereerde
אָהֳלָ֖ה
(ahola)
Ohola
תַּחְתָּ֑י
(tachtay)
onder Mij
וַתַּעְגַּב֙
(vatagav)
en ontbrandde in begeerte
עַֽל
(al)
op
מְאַהֲבֶ֔יהָ
(meahaveiha)
haar minnaars
אֶל
(el)
naar
אַשּׁ֖וּר
(ashur)
Assyrië
קְרוֹבִֽים
(qerovim)
dichtbij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּחְתָּי (tachtai), ‘terwijl zij Mij toebehoorde’: letterlijk ‘onder Mij’, dat wil zeggen als Mijn vrouw.

עגב (agav), ‘begeerte, hartstocht’: het werkwoord תַּעְגַּב (ta’agav), ‘ontbrandde in begeerte’, staat in dit hoofdstuk steeds voor verlangen naar een minnaar.

אַשּׁוּר (Ashur), ‘de Assyriërs’: het Hebreeuws heeft hier de landsnaam. Vergelijk 2 Kon. 15:19–20 en 17:3.

6Zij waren gekleed in blauwpurper. Het waren landvoogden en stadhouders, allemaal aantrekkelijke jonge mannen, ruiters op paarden.
לְבֻשֵׁ֤י
(levushei)
gekleed in
תְכֵ֨לֶת֙
(tekhelet)
blauwpurper
פַּח֣וֹת
(pachot)
landvoogden
וּסְגָנִ֔ים
(useganim)
en stadhouders
בַּח֥וּרֵי
(bachurei)
jonge mannen van
חֶ֖מֶד
(chemed)
begeerlijkheid
כֻּלָּ֑ם
(kulam)
allemaal
פָּרָשִׁ֕ים
(parashim)
ruiters
רֹכְבֵ֖י
(rokhevei)
rijders van
סוּסִֽים
(susim)
paarden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פַּחוֹת (pachot), ‘landvoogden’, en סְגָנִים (seganim), ‘stadhouders’: titels van hoge ambtenaren.

Vergelijk 1 Kon. 10:15.

תְּכֵלֶת (tekhelet), ‘blauwpurper’: een kostbare kleurstof; zie Exod. 25:4.

7Zij gaf haar hoererijen aan hen, de keur van de Assyriërs, allemaal. Bij allen op wie zij verliefd was, bij al hun mestgoden, maakte zij zich onrein.
וַתִּתֵּ֤ן
(vatiten)
en zij gaf
תַּזְנוּתֶ֨יהָ֙
(taznuteiha)
haar hoererijen
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
aan hen
מִבְחַ֥ר
(mivchar)
keur van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
אַשּׁ֖וּר
(ashur)
Assyrië
כֻּלָּ֑ם
(kulam)
allemaal
וּבְכֹ֧ל
(uvekhol)
en bij alle
אֲשֶׁר
(asher)
op wie
עָֽגְבָ֛ה
(ageva)
zij ontbrandde in begeerte
בְּכָל
(bekhal)
bij alle
גִּלּוּלֵיהֶ֖ם
(giluleihem)
hun mestgoden
נִטְמָֽאָה
(nitmaa)
werd zij onrein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Ook haar hoererij van Egypte liet zij niet los. Want zij hadden in haar jeugd bij haar gelegen. Zij hadden de borsten van haar maagdelijkheid betast en hun hoererij over haar uitgestort.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תַּזְנוּתֶ֤יהָ
(taznuteiha)
haar hoererijen
מִמִּצְרַ֨יִם֙
(mimitsrayim)
uit Egypte
לֹ֣א
(lo)
niet
עָזָ֔בָה
(azava)
liet zij los
כִּ֤י
(ki)
want
אוֹתָהּ֙
(otah)
haar
שָׁכְב֣וּ
(shakhevu)
hadden gelegen
בִנְעוּרֶ֔יהָ
(binureiha)
in haar jeugd
וְהֵ֥מָּה
(vehema)
en zij
עִשּׂ֖וּ
(isu)
betastten
דַּדֵּ֣י
(dadei)
borsten van
בְתוּלֶ֑יהָ
(betuleiha)
haar maagdelijkheid
וַיִּשְׁפְּכ֥וּ
(vayishpekhu)
en stortten uit
תַזְנוּתָ֖ם
(taznutam)
hun hoererij
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
over haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

9Daarom heb Ik haar overgegeven in de hand van haar minnaars, in de hand van de Assyriërs, op wie zij verliefd was.
לָכֵ֥ן
(lakhen)
daarom
נְתַתִּ֖יהָ
(netatiha)
Ik heb haar gegeven
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
מְאַֽהֲבֶ֑יהָ
(meahaveiha)
haar minnaars
בְּיַד֙
(beyad)
in de hand van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
op wie
עָגְבָ֖ה
(ageva)
zij ontbrandde in begeerte
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
op hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Zij onthulden haar naaktheid, namen haar zonen en dochters weg en doodden haar met het zwaard. Zo werd zij een berucht voorbeeld onder de vrouwen, want zij voltrokken gerichten over haar.
הֵמָּה֮
(hema)
zij
גִּלּ֣וּ
(gilu)
onthulden
עֶרְוָתָהּ֒
(ervatah)
haar naaktheid
בָּנֶ֤יהָ
(baneiha)
haar zonen
וּבְנוֹתֶ֨יהָ֙
(uvenoteiha)
en haar dochters
לָקָ֔חוּ
(laqachu)
namen zij
וְאוֹתָ֖הּ
(veotah)
en haar
בַּחֶ֣רֶב
(bacherev)
met het zwaard
הָרָ֑גוּ
(haragu)
doodden zij
וַתְּהִי
(vatehi)
en zij werd
שֵׁם֙
(shem)
een naam
לַנָּשִׁ֔ים
(lanashim)
onder de vrouwen
וּשְׁפוּטִ֖ים
(ushefutim)
en gerichten
עָ֥שׂוּ
(asu)
voltrokken zij
בָֽהּ
(bah)
over haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֵׁם (shem), ‘een naam’: letterlijk ‘zij werd een naam onder de vrouwen’.

Wij vertalen: ‘een berucht voorbeeld’.

Samaria’s val staat in 2 Kon. 17:6.

Oholiba en Babel

11Haar zus Oholiba zag het, en zij bedierf haar begeerte meer dan zij. Haar hoererijen waren erger dan de hoererijen van haar zus.
וַתֵּ֨רֶא֙
(vatere)
en zag
אֲחוֹתָ֣הּ
(achotah)
haar zus
אָהֳלִיבָ֔ה
(aholiva)
Oholiba
וַתַּשְׁחֵ֥ת
(vatashchet)
en bedierf
עַגְבָתָ֖הּ
(agvatah)
haar begeerte
מִמֶּ֑נָּה
(mimena)
meer dan zij
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תַּ֨זְנוּתֶ֔יהָ
(taznuteiha)
haar hoererijen
מִזְּנוּנֵ֖י
(mizenunei)
meer dan de hoererijen van
אֲחוֹתָֽהּ
(achotah)
haar zus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַתַּשְׁחֵת עַגְבָתָהּ מִמֶּנָּה (vattashchet agavatah mimmennah), ‘zij bedierf haar begeerte meer dan zij’: het Hebreeuws is kort.

Oholiba’s begeerte was verdorvener dan die van Ohola.

12Zij ontbrandde in begeerte voor de Assyriërs, landvoogden en stadhouders, hun buren, prachtig gekleed, ruiters op paarden, allemaal aantrekkelijke jonge mannen.
אֶל
(el)
naar
בְּנֵי֩
(benei)
de zonen van
אַשּׁ֨וּר
(ashur)
Assyrië
עָגָ֜בָה
(agava)
ontbrandde zij in begeerte
פַּח֨וֹת
(pachot)
landvoogden
וּסְגָנִ֤ים
(useganim)
en stadhouders
קְרֹבִים֙
(qerovim)
nabij
לְבֻשֵׁ֣י
(levushei)
gekleed in
מִכְל֔וֹל
(mikhlol)
pracht
פָּרָשִׁ֖ים
(parashim)
ruiters
רֹכְבֵ֣י
(rokhevei)
rijders van
סוּסִ֑ים
(susim)
paarden
בַּח֥וּרֵי
(bachurei)
jonge mannen van
חֶ֖מֶד
(chemed)
begeerlijkheid
כֻּלָּֽם
(kulam)
allemaal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִכְלוֹל (michlol), ‘prachtig’: een zeldzaam woord, verwant aan ‘volkomen’.

Het staat ook in Ezech. 38:4.

De betekenis is hier ‘in volle pracht’.

13Ik zag dat zij onrein was geworden. Beiden gingen dezelfde weg.
וָאֵ֖רֶא
(vaere)
en Ik zag
כִּ֣י
(ki)
dat
נִטְמָ֑אָה
(nitmaa)
zij was onrein geworden
דֶּ֥רֶךְ
(derekh)
weg
אֶחָ֖ד
(echad)
één
לִשְׁתֵּיהֶֽן
(lishteihen)
voor hen beiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Maar zij ging nog verder met haar hoererijen. Zij zag mannen die op de muur waren afgebeeld, beelden van Chaldeeën, met rode verf getekend.
וַתּ֖וֹסֶף
(vatosef)
en zij voegde toe
אֶל
(el)
aan
תַּזְנוּתֶ֑יהָ
(taznuteiha)
haar hoererijen
וַתֵּ֗רֶא
(vatere)
en zag
אַנְשֵׁי֙
(anshei)
mannen van
מְחֻקֶּ֣ה
(mechuqe)
afbeelding
עַל
(al)
op
הַקִּ֔יר
(haqir)
de muur
צַלְמֵ֣י
(tsalmei)
beelden van
כַשְׂדִּ֔ים
(kasdim)
Chaldeeën
חֲקֻקִ֖ים
(chaquqim)
getekend
בַּשָּׁשַֽׁר
(bashashar)
met rode verf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁשַׁר (shashar), ‘rode verf’: een rode kleurstof, zoals in Jer. 22:14.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) van ‘Chaldeeën’ heeft een extra letter ten opzichte van de voorgelezen tekst (qere).

Het gaat alleen om de spelling; de betekenis is gelijk.

Wij volgen de qere.

15Zij waren omgord met een gordel om hun heupen en droegen hangende tulbanden op hun hoofd. Allemaal zagen zij eruit als officieren, een evenbeeld van de zonen van Babel, Chaldeeën, het land van hun geboorte.
חֲגוֹרֵ֨י
(chagorei)
omgord met
אֵז֜וֹר
(ezor)
gordel
בְּמָתְנֵיהֶ֗ם
(bemateneihem)
om hun heupen
סְרוּחֵ֤י
(seruchei)
overhangend
טְבוּלִים֙
(tevulim)
tulbanden
בְּרָ֣אשֵׁיהֶ֔ם
(berasheihem)
op hun hoofden
מַרְאֵ֥ה
(mare)
uiterlijk van
שָׁלִשִׁ֖ים
(shalishim)
officieren
כֻּלָּ֑ם
(kulam)
allemaal
דְּמ֤וּת
(demut)
evenbeeld van
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
בָבֶל֙
(bavel)
Babel
כַּשְׂדִּ֔ים
(kasdim)
Chaldeeën
אֶ֖רֶץ
(erets)
land van
מוֹלַדְתָּֽם
(moladtam)
hun geboorte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

סְרוּחֵי טְבוּלִים (seruchei tevulim), ‘hangende tulbanden’: twee zeldzame woorden.

De tulbanden hingen naar beneden.

שָׁלִשִׁים (shalishim), ‘officieren’: letterlijk ‘derden’, vaak de derde man op een strijdwagen, een hoge officier. De betekenis is niet helemaal zeker.

כַּשְׂדִּים (Kasdim), ‘Chaldeeën’: de bewoners van Babel; hun geboorteland is Chaldea.

16Zij ontbrandde in begeerte voor hen toen haar ogen hen zagen. Zij stuurde boden naar hen, naar het land van de Chaldeeën.
וַתַּעְגְּבָ֥ה
(vatageva)
en ontbrandde in begeerte
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
op hen
לְמַרְאֵ֣ה
(lemare)
bij het zien van
עֵינֶ֑יהָ
(eineiha)
haar ogen
וַתִּשְׁלַ֧ח
(vatishlach)
en zond
מַלְאָכִ֛ים
(malakhim)
boden
אֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
naar hen
כַּשְׂדִּֽימָה
(kasdima)
naar het land van de Chaldeeën
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.

Lezing

In dit vers heeft de geschreven tekst (ketiv) bij ‘zij ontbrandde in begeerte’ een letter minder dan de voorgelezen tekst (qere).

De betekenis is gelijk.

Wij volgen de qere.

17De zonen van Babel kwamen bij haar op het liefdesbed en maakten haar onrein met hun hoererij. Zij werd door hen onrein, en haar ziel keerde zich van hen af.
וַיָּבֹ֨אוּ
(vayavou)
en kwamen
אֵלֶ֤יהָ
(eleiha)
naar haar
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
בָבֶל֙
(bavel)
Babel
לְמִשְׁכַּ֣ב
(lemishkav)
op het bed van
דֹּדִ֔ים
(dodim)
liefde
וַיְטַמְּא֥וּ
(vaytameu)
en maakten onrein
אוֹתָ֖הּ
(otah)
haar
בְּתַזְנוּתָ֑ם
(betaznutam)
met hun hoererij
וַתִּ֨טְמָא
(vatitma)
en zij werd onrein
בָ֔ם
(bam)
door hen
וַתֵּ֥קַע
(vateqa)
en wendde zich af
נַפְשָׁ֖הּ
(nafshah)
haar ziel
מֵהֶֽם
(mehem)
van hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

דֹּדִים (dodim), ‘liefde’: zoals in Hoogl. 1:2.

וַתֵּקַע נַפְשָׁהּ (vattéqa nafshah), ‘haar ziel keerde zich af’: letterlijk ‘haar ziel werd losgerukt’. Hetzelfde werkwoord staat in vers 18, 22 en 28. De band werd verbroken.

18Zij legde haar hoererijen bloot en legde haar naaktheid bloot. Toen keerde Mijn ziel Zich van haar af, zoals Mijn ziel Zich van haar zus had afgekeerd.
וַתְּגַל֙
(vategal)
en zij legde bloot
תַּזְנוּתֶ֔יהָ
(taznuteiha)
haar hoererijen
וַתְּגַ֖ל
(vategal)
en zij legde bloot
אֶת
(et)
(obj.)
עֶרְוָתָ֑הּ
(ervatah)
haar naaktheid
וַתֵּ֤קַע
(vateqa)
en wendde zich af
נַפְשִׁי֙
(nafshi)
Mijn ziel
מֵֽעָלֶ֔יהָ
(mealeiha)
van haar
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
נָקְעָ֥ה
(naqea)
had zich afgewend
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
Mijn ziel
מֵעַ֥ל
(meal)
van
אֲחוֹתָֽהּ
(achotah)
haar zus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַפְשִׁי (nafshi), ‘Mijn ziel’: Yahweh zelf keert Zich af.

Hij spreekt hier over Zijn eigen ziel.

19Maar zij maakte haar hoererijen talrijker, terwijl zij zich de dagen van haar jeugd herinnerde, toen zij hoererij bedreef in het land Egypte.
וַתַּרְבֶּ֖ה
(vatarbe)
en zij maakte veel
אֶת
(et)
(obj.)
תַּזְנוּתֶ֑יהָ
(taznuteiha)
haar hoererijen
לִזְכֹּר֙
(lizkor)
om te gedenken
אֶת
(et)
(obj.)
יְמֵ֣י
(yemei)
de dagen van
נְעוּרֶ֔יהָ
(neureiha)
haar jeugd
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarin
זָנְתָ֖ה
(zaneta)
zij hoereerde
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

20Zij ontbrandde in begeerte voor hun minnaars, wier vlees het vlees van ezels is en wier vloed de vloed van paarden.
וַֽתַּעְגְּבָ֔ה
(vatageva)
en ontbrandde in begeerte
עַ֖ל
(al)
op
פִּֽלַגְשֵׁיהֶ֑ם
(pilagsheihem)
hun minnaars
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
wier
בְּשַׂר
(besar)
vlees van
חֲמוֹרִים֙
(chamorim)
ezels
בְּשָׂרָ֔ם
(besaram)
hun vlees
וְזִרְמַ֥ת
(vezirmat)
en vloed van
סוּסִ֖ים
(susim)
paarden
זִרְמָתָֽם
(zirmatam)
hun vloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פִּלַגְשֵׁיהֶם (pilagshehem), ‘hun minnaars’: het Hebreeuws heeft hier het woord voor ‘bijvrouwen’ met een mannelijk ‘hun’.

Het gaat om de minnaars.

בְּשַׂר (besar), ‘vlees’, en זִרְמָה (zirmah), ‘vloed’: staan voor het geslachtsdeel en de zaadlozing. Het beeld benadrukt hun dierlijke drift.

21Zo verlangde je terug naar de schanddaad van je jeugd, toen men in Egypte je borsten betastte, vanwege de borsten van je jeugd.
וַֽתִּפְקְדִ֔י
(vatifqedi)
en je verlangde terug naar
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
זִמַּ֣ת
(zimat)
schanddaad van
נְעוּרָ֑יִךְ
(neurayikh)
je jeugd
בַּעְשׂ֤וֹת
(basot)
toen men deed
מִמִּצְרַ֨יִם֙
(mimitsrayim)
in Egypte
דַּדַּ֔יִךְ
(dadayikh)
je borsten
לְמַ֖עַן
(lemaan)
vanwege
שְׁדֵ֥י
(shedei)
borsten van
נְעוּרָֽיִךְ
(neurayikh)
je jeugd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Dit vers is moeilijk.

וַתִּפְקְדִי (vattifqedi), ‘je verlangde terug naar’: letterlijk ‘je bezocht’ of ‘je dacht aan’.

Het Hebreeuws wisselt hier van ‘zij’ naar ‘jij’: Yahweh spreekt Oholiba nu rechtstreeks aan.

זִמָּה (zimmah), ‘schanddaad’: zoals in Lev. 18:17.

Zie ookLev 18:17

Het oordeel over Oholiba

22Daarom, Oholiba, zo zegt Heer Yahweh: Zie, Ik zet je minnaars tegen je op, van wie je ziel zich heeft afgekeerd. Ik breng hen van rondom tegen je.
לָכֵ֣ן
(lakhen)
daarom
אָהֳלִיבָ֗ה
(aholiva)
Oholiba
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie, Ik
מֵעִ֤יר
(meir)
zet op
אֶת
(et)
(obj.)
מְאַהֲבַ֨יִךְ֙
(meahavayikh)
je minnaars
עָלַ֔יִךְ
(alayikh)
tegen jou
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
van wie
נָקְעָ֥ה
(naqea)
zich heeft afgekeerd
נַפְשֵׁ֖ךְ
(nafshekh)
je ziel
מֵהֶ֑ם
(mehem)
van hen
וַהֲבֵאתִ֥ים
(vahavetim)
en Ik breng hen
עָלַ֖יִךְ
(alayikh)
tegen jou
מִסָּבִֽיב
(misaviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Ezech. 2:4.

Vanaf hier gaat het oordeel over Oholiba. Zij die zij zo graag had, worden de werktuigen van het oordeel.

23De zonen van Babel en alle Chaldeeën, Pekod, Sjoa en Koa, en alle zonen van Assyrië met hen: aantrekkelijke jonge mannen, landvoogden en stadhouders, allemaal officieren en geroepenen, ruiters op paarden, allemaal.
בְּנֵ֧י
(benei)
zonen van
בָבֶ֣ל
(bavel)
Babel
וְכָל
(vekhal)
en alle
כַּשְׂדִּ֗ים
(kasdim)
Chaldeeën
פְּק֤וֹד
(peqod)
Pekod
וְשׁ֨וֹעַ֙
(veshoa)
en Sjoa
וְק֔וֹעַ
(veqoa)
en Koa
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
אַשּׁ֖וּר
(ashur)
Assyrië
אוֹתָ֑ם
(otam)
met hen
בַּח֨וּרֵי
(bachurei)
jonge mannen van
חֶ֜מֶד
(chemed)
begeerlijkheid
פַּח֤וֹת
(pachot)
landvoogden
וּסְגָנִים֙
(useganim)
en stadhouders
כֻּלָּ֔ם
(kulam)
allemaal
שָֽׁלִשִׁים֙
(shalishim)
officieren
וּקְרוּאִ֔ים
(uqeruim)
en geroepenen
רֹכְבֵ֥י
(rokhevei)
ruiters van
סוּסִ֖ים
(susim)
paarden
כֻּלָּֽם
(kulam)
allemaal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

פְּקוֹד (Pekod), שׁוֹעַ (Shoa) en קוֹעַ (Qoa): namen van volken die bij Babel horen.

Pekod staat ook in Jer. 50:21.

De ligging van Sjoa en Koa is niet bekend.

קְרוּאִים (qeru’im), ‘geroepenen’: mannen die zijn opgeroepen of aangewezen, dezelfde vorm als in Num. 16:2, waar het ‘afgevaardigden’ is.

24Zij komen tegen je met wapenrusting, wagens en wielen, en met een vergadering van volken. Grote en kleine schilden en helmen zetten zij rondom tegen je op. Ik leg hun het recht voor, en zij oordelen je naar hun rechtsregels.
וּבָ֣אוּ
(uvau)
en zij zullen komen
עָלַ֡יִךְ
(alayikh)
tegen jou
הֹ֠צֶן
(hotsen)
wapenrusting
רֶ֤כֶב
(rekhev)
wagens
וְגַלְגַּל֙
(vegalgal)
en wiel
וּבִקְהַ֣ל
(uviqhal)
en met een vergadering van
עַמִּ֔ים
(amim)
volken
צִנָּ֤ה
(tsina)
grote schilden
וּמָגֵן֙
(umagen)
en kleine schilden
וְקוֹבַ֔ע
(veqova)
en helmen
יָשִׂ֥ימוּ
(yasimu)
zullen zij zetten
עָלַ֖יִךְ
(alayikh)
tegen jou
סָבִ֑יב
(saviv)
rondom
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en Ik zal leggen
לִפְנֵיהֶם֙
(lifneihem)
voor hen
מִשְׁפָּ֔ט
(mishpat)
recht
וּשְׁפָט֖וּךְ
(ushefatukh)
en zij zullen je oordelen
בְּמִשְׁפְּטֵיהֶֽם
(bemishpeteihem)
naar hun rechtsregels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֹצֶן (hotsen), ‘wapenrusting’: een zeldzaam woord.

De betekenis is onzeker.

צִנָּה (tsinnah), ‘grote schilden’, מָגֵן (magen), ‘kleine schilden’, en קוֹבַע (qova), ‘helmen’.

קְהַל עַמִּים (qehal ammim), ‘vergadering van volken’: een leger uit meer volken, zoals in Ezech. 16:40.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen het eerste woord van dit vers anders.

Wij volgen de Masoretische tekst.

25Ik richt Mijn naijver tegen je, en zij handelen met je in woede. Je neus en je oren nemen zij weg. Wat van je overblijft, valt door het zwaard. Zij nemen je zonen en dochters, en wat van je overblijft wordt door vuur verteerd.
וְנָתַתִּ֨י
(venatati)
en Ik zal leggen
קִנְאָתִ֜י
(qinati)
Mijn naijver
בָּ֗ךְ
(bakh)
tegen jou
וְעָשׂ֤וּ
(veasu)
en zij zullen doen
אוֹתָךְ֙
(otakh)
met jou
בְּחֵמָ֔ה
(bechema)
in woede
אַפֵּ֤ךְ
(apekh)
je neus
וְאָזְנַ֨יִךְ֙
(veazenayikh)
en je oren
יָסִ֔ירוּ
(yasiru)
zullen zij wegnemen
וְאַחֲרִיתֵ֖ךְ
(veacharitekh)
en wat van je overblijft
בַּחֶ֣רֶב
(bacherev)
door het zwaard
תִּפּ֑וֹל
(tipol)
zal vallen
הֵ֗מָּה
(hema)
zij
בָּנַ֤יִךְ
(banayikh)
je zonen
וּבְנוֹתַ֨יִךְ֙
(uvenotayikh)
en je dochters
יִקָּ֔חוּ
(yiqachu)
zullen zij nemen
וְאַחֲרִיתֵ֖ךְ
(veacharitekh)
en wat van je overblijft
תֵּאָכֵ֥ל
(teakhel)
zal verteerd worden
בָּאֵֽשׁ
(baesh)
door vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קִנְאָתִי (qin’ati), ‘Mijn naijver’: Yahweh’s vurige betrokkenheid bij wie van Hem is.

Vergelijk Ezech. 16:38 en 16:42.

אַחֲרִיתֵךְ (acharitech), ‘wat van je overblijft’: letterlijk ‘je einde, je rest’.

26Zij trekken je kleren uit en nemen je sieraden van pracht weg.
וְהִפְשִׁיט֖וּךְ
(vehifshitukh)
en zij zullen uitkleden jou
אֶת
(et)
(obj.)
בְּגָדָ֑יִךְ
(begadayikh)
je kleren
וְלָקְח֖וּ
(velaqechu)
en zij zullen nemen
כְּלֵ֥י
(kelei)
voorwerpen van
תִפְאַרְתֵּֽךְ
(tifartekh)
je pracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers lijkt op Ezech. 16:39: zij wordt uitgekleed en haar sieraden worden weggenomen.

27Zo laat Ik je schanddaad ophouden, weg van jou, en je hoererij uit het land Egypte. Je slaat je ogen niet meer naar hen op en aan Egypte denk je niet meer.
וְהִשְׁבַּתִּ֤י
(vehishbati)
en Ik zal laten ophouden
זִמָּתֵךְ֙
(zimatekh)
je schanddaad
מִמֵּ֔ךְ
(mimekh)
van jou
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
זְנוּתֵ֖ךְ
(zenutekh)
je hoererij
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תִשְׂאִ֤י
(tisi)
zul je opslaan
עֵינַ֨יִךְ֙
(einayikh)
je ogen
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
naar hen
וּמִצְרַ֖יִם
(umitsrayim)
en Egypte
לֹ֥א
(lo)
niet
תִזְכְּרִי
(tizkeri)
zul je gedenken
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

28Want zo zegt Heer Yahweh: Zie, Ik geef je in de hand van wie je haat, in de hand van hen van wie je ziel zich heeft afgekeerd.
כִּ֣י
(ki)
want
כֹ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִי֙
(hinni)
zie, Ik
נֹֽתְנָ֔ךְ
(notenakh)
geef jou
בְּיַ֖ד
(beyad)
in de hand van
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wie
שָׂנֵ֑את
(sanet)
je haat
בְּיַ֛ד
(beyad)
in de hand van
אֲשֶׁר
(asher)
wie
נָקְעָ֥ה
(naqea)
zich heeft afgekeerd
נַפְשֵׁ֖ךְ
(nafshekh)
je ziel
מֵהֶֽם
(mehem)
van hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Zij behandelen je met haat. Zij nemen al je zwoegen weg en laten je naakt en bloot achter. De naaktheid van je hoererijen wordt ontbloot: je schanddaad en je hoererijen.
וְעָשׂ֨וּ
(veasu)
en zij zullen doen
אוֹתָ֜ךְ
(otakh)
met jou
בְּשִׂנְאָ֗ה
(besina)
met haat
וְלָקְחוּ֙
(velaqechu)
en zij zullen nemen
כָּל
(kal)
al
יְגִיעֵ֔ךְ
(yegiekh)
je zwoegen
וַעֲזָב֖וּךְ
(vaazavukh)
en zij zullen je achterlaten
עֵירֹ֣ם
(eirom)
naakt
וְעֶרְיָ֑ה
(veerya)
en bloot
וְנִגְלָה֙
(venigla)
en zal onthuld worden
עֶרְוַ֣ת
(ervat)
naaktheid van
זְנוּנַ֔יִךְ
(zenunayikh)
je hoererijen
וְזִמָּתֵ֖ךְ
(vezimatekh)
en je schanddaad
וְתַזְנוּתָֽיִךְ
(vetaznutayikh)
en je hoererijen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְגִיעֵךְ (yegi’ech), ‘je zwoegen’: wat je met moeite hebt verworven.

30Dit alles wordt je aangedaan omdat je de volken achterna hoereerde, omdat je onrein werd door hun mestgoden.
עָשֹׂ֥ה
(aso)
doen
אֵ֖לֶּה
(ele)
deze dingen
לָ֑ךְ
(lakh)
aan jou
בִּזְנוֹתֵךְ֙
(biznotekh)
in je hoereren
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
גוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
עַ֥ל
(al)
omdat
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נִטְמֵ֖את
(nitmet)
je onrein werd
בְּגִלּוּלֵיהֶֽם
(begiluleihem)
door hun mestgoden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft hier een onbepaalde wijs: ‘doen deze dingen aan jou’.

Wij maken er een zin van.

De beker van haar zus

31Op de weg van je zus ben je gegaan. Daarom geef Ik haar beker in je hand.
בְּדֶ֥רֶךְ
(bederekh)
op de weg van
אֲחוֹתֵ֖ךְ
(achotekh)
je zus
הָלָ֑כְתְּ
(halakht)
ben je gegaan
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal geven
כוֹסָ֖הּ
(kosah)
haar beker
בְּיָדֵֽךְ
(beyadekh)
in je hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Zo zegt Heer Yahweh: De beker van je zus zul je drinken, de diepe en wijde. Je zult tot spot en hoon worden. Er gaat veel in.
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהֹוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כּ֤וֹס
(kos)
beker van
אֲחוֹתֵךְ֙
(achotekh)
je zus
תִּשְׁתִּ֔י
(tishti)
zul je drinken
הָעֲמֻקָּ֖ה
(haamuqa)
de diepe
וְהָרְחָבָ֑ה
(veharechava)
en wijde
תִּהְיֶ֥ה
(tihye)
zal zijn
לִצְחֹ֛ק
(litschoq)
tot spot
וּלְלַ֖עַג
(ulelaag)
en tot hoon
מִרְבָּ֥ה
(mirba)
veel
לְהָכִֽיל
(lehakhil)
om te bevatten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַרְבָּה לְהָכִיל (marbeh lehakhil), ‘veel om te bevatten’: de beker is groot en diep.

Hetzelfde werkwoord staat in 21:33 (Hebr.), waar wij ‘verteren’ kiezen.

33Je zult vol worden van dronkenschap en verdriet, de beker van ontzetting en verwoesting, de beker van je zus Samaria.
שִׁכָּר֥וֹן
(shikaron)
dronkenschap
וְיָג֖וֹן
(veyagon)
en verdriet
תִּמָּלֵ֑אִי
(timalei)
zul je vol worden
כּ֚וֹס
(kos)
beker van
שַׁמָּ֣ה
(shama)
ontzetting
וּשְׁמָמָ֔ה
(ushemama)
en verwoesting
כּ֖וֹס
(kos)
beker van
אֲחוֹתֵ֥ךְ
(achotekh)
je zus
שֹׁמְרֽוֹן
(shomeron)
Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

כּוֹס (kos), ‘beker’: het beeld van Yahweh’s oordeel.

Vergelijk Jes. 51:17 en Ps. 75:9.

34Je zult hem drinken en leegzuigen. Je zult de scherven ervan afknagen en je borsten uitrukken. Want Ik heb gesproken, godsspraak van Heer Yahweh.
וְשָׁתִ֨ית
(veshatit)
en je zult drinken
אוֹתָ֜הּ
(otah)
haar
וּמָצִ֗ית
(umatsit)
en leegzuigen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֲרָשֶׂ֛יהָ
(charaseiha)
haar scherven
תְּגָרֵ֖מִי
(tegaremi)
zul je afknagen
וְשָׁדַ֣יִךְ
(veshadayikh)
en je borsten
תְּנַתֵּ֑קִי
(tenateqi)
zul je uitrukken
כִּ֚י
(ki)
want
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
דִבַּ֔רְתִּי
(dibarti)
heb gesproken
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּמָצִית (umatsit), ‘en leegzuigen’: hetzelfde werkwoord als in Jes. 51:17.

De scherven afknagen en de borsten uitrukken zijn beelden van totale wanhoop.

נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11.

35Daarom, zo zegt Heer Yahweh: Omdat je Mij vergeten bent en Mij achter je rug hebt geworpen, draag nu ook zelf je schanddaad en je hoererijen.”
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
שָׁכַ֣חַתְּ
(shakhachat)
je vergeten bent
אוֹתִ֔י
(oti)
Mij
וַתַּשְׁלִ֥יכִי
(vatashlikhi)
en je wierp
אוֹתִ֖י
(oti)
Mij
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
גַוֵּ֑ךְ
(gavekh)
je rug
וְגַם
(vegam)
en ook
אַ֛תְּ
(at)
jij
שְׂאִ֥י
(sei)
draag
זִמָּתֵ֖ךְ
(zimatekh)
je schanddaad
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תַּזְנוּתָֽיִךְ
(taznutayikh)
je hoererijen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַחֲרֵי גֵוֵּךְ (acharei gevech), ‘achter je rug’: Mij wegwerpen, Mij negeren.

Dezelfde uitdrukking staat in 1 Kon. 14:9.

Het oordeel over beide zussen

36Yahweh zei tegen mij: „Mensenkind, wil je Ohola en Oholiba oordelen? Maak hun hun gruwelen bekend.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
הֲתִשְׁפּ֥וֹט
(hatishpot)
wil je oordelen
אֶֽת
(et)
(obj.)
אָהֳלָ֖ה
(ahola)
Ohola
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אָהֳלִיבָ֑ה
(aholiva)
Oholiba
וְהַגֵּ֣ד
(vehaged)
en maak bekend
לָהֶ֔ן
(lahen)
hun
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
תוֹעֲבוֹתֵיהֶֽן
(toavoteihen)
hun gruwelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier begint een tweede rede van Yahweh.

Wij zetten ‘Yahweh zei tegen mij’ zwart en wat volgt rood.

הֲתִשְׁפּוֹט (hatishpot), ‘wil je oordelen’: dezelfde vraag als in Ezech. 22:2.

37Want zij hebben overspel gepleegd, en er is bloed aan hun handen. Met hun mestgoden hebben zij overspel gepleegd. Ook hun zonen die zij voor Mij hadden gebaard, hebben zij voor hen laten overgaan om verteerd te worden.
כִּ֣י
(ki)
want
נִאֵ֗פוּ
(niefu)
zij hebben overspel gepleegd
וְדָם֙
(vedam)
en bloed
בִּֽידֵיהֶ֔ן
(bideihen)
aan hun handen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גִּלּֽוּלֵיהֶ֖ן
(giluleihen)
hun mestgoden
נִאֵ֑פוּ
(niefu)
hebben zij overspel gepleegd
וְגַ֤ם
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵיהֶן֙
(beneihen)
hun zonen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יָֽלְדוּ
(yaledu)
zij baarden
לִ֔י
(li)
voor Mij
הֶעֱבִ֥ירוּ
(heeviru)
hebben zij laten overgaan
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לְאָכְלָֽה
(leakhela)
tot verteren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֶעֱבִירוּ (he’eviru), ‘laten overgaan’: hetzelfde werkwoord als ‘door het vuur laten gaan’ in Lev. 18:21 en Ezech. 16:21.

Hier staat ‘om verteerd te worden’.

38Bovendien hebben zij Mij dit aangedaan: op diezelfde dag hebben zij Mijn heiligdom onrein gemaakt en Mijn sabbatten ontheiligd.
ע֥וֹד
(od)
nog
זֹ֖את
(zot)
dit
עָ֣שׂוּ
(asu)
hebben zij gedaan
לִ֑י
(li)
aan Mij
טִמְּא֤וּ
(timeu)
hebben onrein gemaakt
אֶת
(et)
(obj.)
מִקְדָּשִׁי֙
(miqdashi)
Mijn heiligdom
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שַׁבְּתוֹתַ֖י
(shabetotay)
Mijn sabbatten
חִלֵּֽלוּ
(chilelu)
hebben zij ontheiligd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39Op de dag dat zij hun zonen slachtten voor hun mestgoden, kwamen zij op diezelfde dag in Mijn heiligdom om het te ontheiligen. Zie, zo hebben zij gedaan midden in Mijn huis.
וּֽבְשַׁחֲטָ֤ם
(uveshachatam)
en bij hun slachten
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵיהֶם֙
(beneihem)
hun zonen
לְגִלּ֣וּלֵיהֶ֔ם
(legiluleihem)
voor hun mestgoden
וַיָּבֹ֧אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
מִקְדָּשִׁ֛י
(miqdashi)
Mijn heiligdom
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
לְחַלְּל֑וֹ
(lechalelo)
om het te ontheiligen
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
כֹ֥ה
(ko)
zo
עָשׂ֖וּ
(asu)
hebben zij gedaan
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
midden in
בֵּיתִֽי
(beiti)
Mijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40Ja, zij hebben zelfs boden gestuurd naar mannen die van ver kwamen. Een bode werd naar hen gezonden, en zie, zij kwamen. Voor hen heb je je gewassen, je ogen opgemaakt en je met sieraden getooid.
וְאַ֗ף
(veaf)
en ook
כִּ֤י
(ki)
dat
תִשְׁלַ֨חְנָה֙
(tishlachna)
zij zonden
לַֽאֲנָשִׁ֔ים
(laanashim)
naar mannen
בָּאִ֖ים
(baim)
komend
מִמֶּרְחָ֑ק
(mimerchaq)
van ver
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
voor wie
מַלְאָ֜ךְ
(malakh)
boodschapper
שָׁל֤וּחַ
(shaluach)
gezonden
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
naar hen
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
בָ֔אוּ
(bau)
zij kwamen
לַאֲשֶׁ֥ר
(laasher)
voor wie
רָחַ֛צְתְּ
(rachatst)
je je waste
כָּחַ֥לְתְּ
(kachalt)
je beschilderde
עֵינַ֖יִךְ
(einayikh)
je ogen
וְעָ֥דִית
(veadit)
en je tooide je
עֶֽדִי
(edi)
sieraad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier verandert de aanspreking weer in ‘jij’.

Het gaat om Oholiba’s boden naar verre volken.

כָּחַלְתְּ (kachalt), ‘je ogen opgemaakt’: met oogschaduw, zoals Izebel in 2 Kon. 9:30.

41Je zat op een prachtig bed, met een gedekte tafel ervoor. Mijn wierook en Mijn olie legde je erop.
וְיָשַׁבְתְּ֙
(veyashavt)
en je zat
עַל
(al)
op
מִטָּ֣ה
(mita)
bed
כְבוּדָּ֔ה
(kevuda)
prachtig
וְשֻׁלְחָ֥ן
(veshulchan)
en tafel
עָר֖וּךְ
(arukh)
gedekt
לְפָנֶ֑יהָ
(lefaneiha)
voor haar
וּקְטָרְתִּ֥י
(uqetarti)
en Mijn wierook
וְשַׁמְנִ֖י
(veshamni)
en Mijn olie
שַׂ֥מְתְּ
(samt)
heb je gelegd
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
erop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קְטָרְתִּי (qetorti), ‘Mijn wierook’, en שַׁמְנִי (shamni), ‘Mijn olie’: gaven van Yahweh die zij misbruikt.

Vergelijk Ezech. 16:18–19.

42Het geluid van een zorgeloze menigte klonk bij haar. Bij de mannen uit de grote schare werden Sebaïeten uit de woestijn gebracht. Zij deden armbanden om hun handen en een prachtige kroon op hun hoofden.
וְק֣וֹל
(veqol)
en geluid van
הָמוֹן֮
(hamon)
menigte
שָׁלֵ֣ו
(shalev)
zorgeloos
בָהּ֒
(bah)
bij haar
וְאֶל
(veel)
en bij
אֲנָשִׁים֙
(anashim)
mannen
מֵרֹ֣ב
(merov)
uit veelheid van
אָדָ֔ם
(adam)
mensen
מוּבָאִ֥ים
(muvaim)
gebracht
סָבָאִ֖ים
(savaim)
Sebaïeten
מִמִּדְבָּ֑ר
(mimidbar)
uit de woestijn
וַֽיִּתְּנ֤וּ
(vayitenu)
en zij deden
צְמִידִים֙
(tsemidim)
armbanden
אֶל
(el)
om
יְדֵיהֶ֔ן
(yedeihen)
hun handen
וַעֲטֶ֥רֶת
(vaateret)
en kroon van
תִּפְאֶ֖רֶת
(tiferet)
pracht
עַל
(al)
op
רָאשֵׁיהֶֽן
(rasheihen)
hun hoofden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סָבָאִים (Seva’im), ‘Sebaïeten’: het volk van Seba, zoals in Jes. 45:14 en 43:3.

Lezing

In dit vers staat in de geschreven tekst (ketiv) סֹבְאִים (sovim), ‘zuiplappen’, maar de voorgelezen tekst (qere) heeft ‘Sebaïeten’.

Wij volgen de qere.

43Toen zei Ik over haar, die verouderd was door overspel: ‘Nu zullen zij haar hoererijen bedrijven, ja, zij!’
וָאֹמַ֕ר
(vaomar)
en Ik zei
לַבָּלָ֖ה
(labala)
over de verouderde
נִֽאוּפִ֑ים
(niufim)
van overspel
עַתָּ֛ה
(ata)
nu
יִזְנ֥וּ
(yiznu)
zullen hoereren
תַזְנוּתֶ֖הָ
(taznuteha)
haar hoererijen
וָהִֽיא
(vahi)
en zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לַבָּלָה נִאוּפִים (labalah ni’ufim), ‘verouderd door overspel’: iemand die door overspel is uitgeput.

Dit vers is moeilijk; de uitleg van de laatste woorden is niet zeker.

Lezing

In dit vers wijkt de geschreven tekst (ketiv) twee keer af van de voorgelezen tekst (qere): ‘nu’ en ‘zullen zij hoereren’.

Wij volgen de qere.

44Zij gingen naar haar toe, zoals men naar een hoer gaat. Zo gingen zij naar Ohola en naar Oholiba, de vrouwen van schanddaad.
וַיָּב֣וֹא
(vayavo)
en men kwam
אֵלֶ֔יהָ
(eleiha)
naar haar
כְּב֖וֹא
(kevo)
zoals komen
אֶל
(el)
naar
אִשָּׁ֣ה
(isha)
vrouw
זוֹנָ֑ה
(zona)
hoer
כֵּ֣ן
(ken)
zo
בָּ֗אוּ
(bau)
kwamen zij
אֶֽל
(el)
naar
אָֽהֳלָה֙
(ahola)
Ohola
וְאֶל
(veel)
en naar
אָ֣הֳלִיבָ֔ה
(aholiva)
Oholiba
אִשֹּׁ֖ת
(ishot)
vrouwen van
הַזִּמָּֽה
(hazima)
de schanddaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
45Maar rechtvaardige mannen, die zullen hen oordelen met het recht voor overspelige vrouwen en het recht voor vrouwen die bloed vergieten. Want zij zijn overspelig en er is bloed aan hun handen.
וַאֲנָשִׁ֣ים
(vaanashim)
en mannen
צַדִּיקִ֗ם
(tsadiqim)
rechtvaardig
הֵ֚מָּה
(hema)
zij
יִשְׁפְּט֣וּ
(yishpetu)
zullen oordelen
אֽוֹתְהֶ֔ם
(otehem)
hen
מִשְׁפַּט֙
(mishpat)
recht van
נֹֽאֲפ֔וֹת
(noafot)
overspelige vrouwen
וּמִשְׁפַּ֖ט
(umishpat)
en recht van
שֹׁפְכ֣וֹת
(shofekhot)
vergietende
דָּ֑ם
(dam)
bloed
כִּ֤י
(ki)
want
נֹֽאֲפֹת֙
(noafot)
overspelig
הֵ֔נָּה
(hena)
zij
וְדָ֖ם
(vedam)
en bloed
בִּֽידֵיהֶֽן
(bideihen)
aan hun handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De rechtvaardige mannen voeren het recht uit voor overspel en bloedvergieten.

Vergelijk Lev. 20:10 en Deut. 22:22.

46Want zo zegt Heer Yahweh: Breng een vergadering tegen hen op en geef hen over aan ontzetting en roof.
כִּ֛י
(ki)
want
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הַעֲלֵ֤ה
(haale)
breng op
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
tegen hen
קָהָ֔ל
(qahal)
vergadering
וְנָתֹ֥ן
(venaton)
en geef
אֶתְהֶ֖ן
(ethen)
hen
לְזַעֲוָ֥ה
(lezaava)
tot ontzetting
וְלָבַֽז
(velavaz)
en tot roof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַעֲלֵה (ha’aleh), ‘breng op’: de Hebreeuwse onbepaalde wijs wordt hier als bevel gebruikt, evenals ‘geef hen over’.

47De vergadering zal hen stenigen en hen met haar zwaarden neerhouwen. Hun zonen en dochters zullen zij doden en hun huizen met vuur verbranden.
וְרָגְמ֨וּ
(veragemu)
en zullen stenigen
עֲלֵיהֶ֥ן
(aleihen)
op hen
אֶ֨בֶן֙
(even)
stenen
קָהָ֔ל
(qahal)
vergadering
וּבָרֵ֥א
(uvare)
en zal neerhouwen
אוֹתְהֶ֖ן
(otehen)
hen
בְּחַרְבוֹתָ֑ם
(becharvotam)
met hun zwaarden
בְּנֵיהֶ֤ם
(beneihem)
hun zonen
וּבְנֽוֹתֵיהֶם֙
(uvenoteihem)
en hun dochters
יַהֲרֹ֔גוּ
(yaharogu)
zullen doden
וּבָתֵּיהֶ֖ן
(uvateihen)
en hun huizen
בָּאֵ֥שׁ
(baesh)
met vuur
יִשְׂרֹֽפוּ
(yisrofu)
zullen verbranden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Steniging door de gemeente is de straf voor overspel (Deut. 22:21–24).

וּבָרֵא (uvare), ‘neerhouwen’: hetzelfde werkwoord als ‘uithakken’ in 21:24 (Hebr.).

48Zo laat Ik de schanddaad ophouden in het land. Alle vrouwen zullen gewaarschuwd worden, zodat zij niet doen zoals jullie schanddaad.
וְהִשְׁבַּתִּ֥י
(vehishbati)
en Ik zal laten ophouden
זִמָּ֖ה
(zima)
schanddaad
מִן
(min)
uit
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְנִֽוַּסְּרוּ֙
(venivaseru)
en zullen gewaarschuwd worden
כָּל
(kal)
alle
הַנָּשִׁ֔ים
(hanashim)
de vrouwen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תַעֲשֶׂ֖ינָה
(taaseina)
zullen doen
כְּזִמַּתְכֶֽנָה
(kezimatkhena)
zoals jullie schanddaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְנִוַּסְּרוּ (venivvasseru), ‘gewaarschuwd worden’: letterlijk ‘onderricht worden’, door wat zij zien.

49Men zal jullie schanddaad op jullie leggen, en jullie zullen de zonden van jullie mestgoden dragen. Dan zullen jullie weten dat Ik Heer Yahweh ben.”
וְנָתְנ֤וּ
(venatenu)
en zij zullen leggen
זִמַּתְכֶ֨נָה֙
(zimatkhena)
jullie schanddaad
עֲלֵיכֶ֔ן
(aleikhen)
op jullie
וַחֲטָאֵ֥י
(vachataei)
en zonden van
גִלּוּלֵיכֶ֖ן
(giluleikhen)
jullie mestgoden
תִּשֶּׂ֑אינָה
(tiseyna)
zullen jullie dragen
וִידַעְתֶּ֕ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּ֥י
(ki)
dat
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּלּוּלִים (gillulim), ‘mestgoden’: zie Ezech. 22:3.

Het slot ‘dat Ik Heer Yahweh ben’ is de vaste slotformule van Ezechiël.