Ohola en Oholiba: de twee zussen die Yahweh ontrouw werden
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Twee zussen
1Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Mensenkind, er waren twee vrouwen, dochters van één moeder.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֑ם
(adam)
mens
שְׁתַּ֣יִם
(shetayim)
twee
נָשִׁ֔ים
(nashim)
vrouwen
בְּנ֥וֹת
(benot)
dochters van
אֵם
(em)
moeder
אַחַ֖ת
(achat)
één
הָיֽוּ
(hayu)
waren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit hoofdstuk vertelt een gelijkenis over twee zussen, dochters van één moeder.
In vers 4 staat wie zij zijn: Samaria en Jeruzalem.
Het beeld van hoererij voor ontrouw aan Yahweh staat ook in Hos. 1–3 en Ezech. 16.
3Zij bedreven hoererij in Egypte. In hun jeugd bedreven zij hoererij. Daar werden hun borsten aangeraakt en daar betastte men de borsten van hun maagdelijkheid.
וַתִּזְנֶ֣ינָה
(vatizneina)
en zij hoereerden
בְמִצְרַ֔יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
בִּנְעוּרֵיהֶ֖ן
(binureihen)
in hun jeugd
זָנ֑וּ
(zanu)
hoereerden zij
שָׁ֚מָּה
(shama)
daar
מֹעֲכ֣וּ
(moakhu)
werden gedrukt
שְׁדֵיהֶ֔ן
(shedeihen)
hun borsten
וְשָׁ֣ם
(vesham)
en daar
עִשּׂ֔וּ
(isu)
betastte men
דַּדֵּ֖י
(dadei)
borsten van
בְּתוּלֵיהֶֽן
(betuleihen)
hun maagdelijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
זָנָה (zanah), ‘hoererij bedrijven’: wij laten het woord letterlijk staan, zoals in Hosea.
מֹעֲכוּ (mo’aku), ‘gedrukt, aangeraakt’: de eerste woorden over Egypte vertellen van Israëls jeugd daar. Vergelijk Ezech. 20:7–8.
De tekst is hier hard en rechtstreeks. Wij laten dat zo.
4Hun namen: Ohola was de oudere en Oholiba haar zus. Zij werden de Mijnen en baarden zonen en dochters. Wat hun namen betreft: Samaria is Ohola en Jeruzalem is Oholiba.
וּשְׁמוֹתָ֗ן
(ushemotan)
en hun namen
אָהֳלָ֤ה
(ahola)
Ohola
הַגְּדוֹלָה֙
(hagedola)
de oudere
וְאָהֳלִיבָ֣ה
(veaholiva)
en Oholiba
אֲחוֹתָ֔הּ
(achotah)
haar zus
וַתִּֽהְיֶ֣ינָה
(vatihyeina)
en zij werden
לִ֔י
(li)
voor Mij
וַתֵּלַ֖דְנָה
(vateladna)
en baarden
בָּנִ֣ים
(banim)
zonen
וּבָנ֑וֹת
(uvanot)
en dochters
וּשְׁמוֹתָ֕ן
(ushemotan)
en hun namen
שֹׁמְר֣וֹן
(shomeron)
Samaria
אָהֳלָ֔ה
(ahola)
Ohola
וִירוּשָׁלִַ֖ם
(virushaliam)
en Jeruzalem
אָהֳלִיבָֽה
(aholiva)
Oholiba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
אָהֳלָה (Oholah), ‘haar tent’, en אָהֳלִיבָה (Oholivah), ‘Mijn tent is in haar’: twee namen met hetzelfde woord voor ‘tent’.
Wij schrijven ‘Ohola’ en ‘Oholiba’, naar de schrijfwijze Oholiab in Exod. 31:6.
5Ohola bedreef hoererij terwijl zij Mij toebehoorde. Zij ontbrandde in begeerte voor haar minnaars, voor de Assyriërs, die dichtbij waren:
וַתִּ֥זֶן
(vatizen)
en hoereerde
אָהֳלָ֖ה
(ahola)
Ohola
תַּחְתָּ֑י
(tachtay)
onder Mij
וַתַּעְגַּב֙
(vatagav)
en ontbrandde in begeerte
עַֽל
(al)
op
מְאַהֲבֶ֔יהָ
(meahaveiha)
haar minnaars
אֶל
(el)
naar
אַשּׁ֖וּר
(ashur)
Assyrië
קְרוֹבִֽים
(qerovim)
dichtbij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תַּחְתָּי (tachtai), ‘terwijl zij Mij toebehoorde’: letterlijk ‘onder Mij’, dat wil zeggen als Mijn vrouw.
עגב (agav), ‘begeerte, hartstocht’: het werkwoord תַּעְגַּב (ta’agav), ‘ontbrandde in begeerte’, staat in dit hoofdstuk steeds voor verlangen naar een minnaar.
אַשּׁוּר (Ashur), ‘de Assyriërs’: het Hebreeuws heeft hier de landsnaam. Vergelijk 2 Kon. 15:19–20 en 17:3.
8Ook haar hoererij van Egypte liet zij niet los. Want zij hadden in haar jeugd bij haar gelegen. Zij hadden de borsten van haar maagdelijkheid betast en hun hoererij over haar uitgestort.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תַּזְנוּתֶ֤יהָ
(taznuteiha)
haar hoererijen
מִמִּצְרַ֨יִם֙
(mimitsrayim)
uit Egypte
לֹ֣א
(lo)
niet
עָזָ֔בָה
(azava)
liet zij los
כִּ֤י
(ki)
want
אוֹתָהּ֙
(otah)
haar
שָׁכְב֣וּ
(shakhevu)
hadden gelegen
בִנְעוּרֶ֔יהָ
(binureiha)
in haar jeugd
וְהֵ֥מָּה
(vehema)
en zij
עִשּׂ֖וּ
(isu)
betastten
דַּדֵּ֣י
(dadei)
borsten van
בְתוּלֶ֑יהָ
(betuleiha)
haar maagdelijkheid
וַיִּשְׁפְּכ֥וּ
(vayishpekhu)
en stortten uit
תַזְנוּתָ֖ם
(taznutam)
hun hoererij
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
over haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
10Zij onthulden haar naaktheid, namen haar zonen en dochters weg en doodden haar met het zwaard. Zo werd zij een berucht voorbeeld onder de vrouwen, want zij voltrokken gerichten over haar.
הֵמָּה֮
(hema)
zij
גִּלּ֣וּ
(gilu)
onthulden
עֶרְוָתָהּ֒
(ervatah)
haar naaktheid
בָּנֶ֤יהָ
(baneiha)
haar zonen
וּבְנוֹתֶ֨יהָ֙
(uvenoteiha)
en haar dochters
לָקָ֔חוּ
(laqachu)
namen zij
וְאוֹתָ֖הּ
(veotah)
en haar
בַּחֶ֣רֶב
(bacherev)
met het zwaard
הָרָ֑גוּ
(haragu)
doodden zij
וַתְּהִי
(vatehi)
en zij werd
שֵׁם֙
(shem)
een naam
לַנָּשִׁ֔ים
(lanashim)
onder de vrouwen
וּשְׁפוּטִ֖ים
(ushefutim)
en gerichten
עָ֥שׂוּ
(asu)
voltrokken zij
בָֽהּ
(bah)
over haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֵׁם (shem), ‘een naam’: letterlijk ‘zij werd een naam onder de vrouwen’.
12Zij ontbrandde in begeerte voor de Assyriërs, landvoogden en stadhouders, hun buren, prachtig gekleed, ruiters op paarden, allemaal aantrekkelijke jonge mannen.
אֶל
(el)
naar
בְּנֵי֩
(benei)
de zonen van
אַשּׁ֨וּר
(ashur)
Assyrië
עָגָ֜בָה
(agava)
ontbrandde zij in begeerte
פַּח֨וֹת
(pachot)
landvoogden
וּסְגָנִ֤ים
(useganim)
en stadhouders
קְרֹבִים֙
(qerovim)
nabij
לְבֻשֵׁ֣י
(levushei)
gekleed in
מִכְל֔וֹל
(mikhlol)
pracht
פָּרָשִׁ֖ים
(parashim)
ruiters
רֹכְבֵ֣י
(rokhevei)
rijders van
סוּסִ֑ים
(susim)
paarden
בַּח֥וּרֵי
(bachurei)
jonge mannen van
חֶ֖מֶד
(chemed)
begeerlijkheid
כֻּלָּֽם
(kulam)
allemaal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִכְלוֹל (michlol), ‘prachtig’: een zeldzaam woord, verwant aan ‘volkomen’.
15Zij waren omgord met een gordel om hun heupen en droegen hangende tulbanden op hun hoofd. Allemaal zagen zij eruit als officieren, een evenbeeld van de zonen van Babel, Chaldeeën, het land van hun geboorte.
חֲגוֹרֵ֨י
(chagorei)
omgord met
אֵז֜וֹר
(ezor)
gordel
בְּמָתְנֵיהֶ֗ם
(bemateneihem)
om hun heupen
סְרוּחֵ֤י
(seruchei)
overhangend
טְבוּלִים֙
(tevulim)
tulbanden
בְּרָ֣אשֵׁיהֶ֔ם
(berasheihem)
op hun hoofden
מַרְאֵ֥ה
(mare)
uiterlijk van
שָׁלִשִׁ֖ים
(shalishim)
officieren
כֻּלָּ֑ם
(kulam)
allemaal
דְּמ֤וּת
(demut)
evenbeeld van
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
בָבֶל֙
(bavel)
Babel
כַּשְׂדִּ֔ים
(kasdim)
Chaldeeën
אֶ֖רֶץ
(erets)
land van
מוֹלַדְתָּֽם
(moladtam)
hun geboorte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
סְרוּחֵי טְבוּלִים (seruchei tevulim), ‘hangende tulbanden’: twee zeldzame woorden.
De tulbanden hingen naar beneden.
שָׁלִשִׁים (shalishim), ‘officieren’: letterlijk ‘derden’, vaak de derde man op een strijdwagen, een hoge officier. De betekenis is niet helemaal zeker.
כַּשְׂדִּים (Kasdim), ‘Chaldeeën’: de bewoners van Babel; hun geboorteland is Chaldea.
17De zonen van Babel kwamen bij haar op het liefdesbed en maakten haar onrein met hun hoererij. Zij werd door hen onrein, en haar ziel keerde zich van hen af.
וַיָּבֹ֨אוּ
(vayavou)
en kwamen
אֵלֶ֤יהָ
(eleiha)
naar haar
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
בָבֶל֙
(bavel)
Babel
לְמִשְׁכַּ֣ב
(lemishkav)
op het bed van
דֹּדִ֔ים
(dodim)
liefde
וַיְטַמְּא֥וּ
(vaytameu)
en maakten onrein
אוֹתָ֖הּ
(otah)
haar
בְּתַזְנוּתָ֑ם
(betaznutam)
met hun hoererij
וַתִּ֨טְמָא
(vatitma)
en zij werd onrein
בָ֔ם
(bam)
door hen
וַתֵּ֥קַע
(vateqa)
en wendde zich af
נַפְשָׁ֖הּ
(nafshah)
haar ziel
מֵהֶֽם
(mehem)
van hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
דֹּדִים (dodim), ‘liefde’: zoals in Hoogl. 1:2.
וַתֵּקַע נַפְשָׁהּ (vattéqa nafshah), ‘haar ziel keerde zich af’: letterlijk ‘haar ziel werd losgerukt’. Hetzelfde werkwoord staat in vers 18, 22 en 28. De band werd verbroken.
18Zij legde haar hoererijen bloot en legde haar naaktheid bloot. Toen keerde Mijn ziel Zich van haar af, zoals Mijn ziel Zich van haar zus had afgekeerd.
וַתְּגַל֙
(vategal)
en zij legde bloot
תַּזְנוּתֶ֔יהָ
(taznuteiha)
haar hoererijen
וַתְּגַ֖ל
(vategal)
en zij legde bloot
אֶת
(et)
(obj.)
עֶרְוָתָ֑הּ
(ervatah)
haar naaktheid
וַתֵּ֤קַע
(vateqa)
en wendde zich af
נַפְשִׁי֙
(nafshi)
Mijn ziel
מֵֽעָלֶ֔יהָ
(mealeiha)
van haar
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
נָקְעָ֥ה
(naqea)
had zich afgewend
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
Mijn ziel
מֵעַ֥ל
(meal)
van
אֲחוֹתָֽהּ
(achotah)
haar zus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נַפְשִׁי (nafshi), ‘Mijn ziel’: Yahweh zelf keert Zich af.
23De zonen van Babel en alle Chaldeeën, Pekod, Sjoa en Koa, en alle zonen van Assyrië met hen: aantrekkelijke jonge mannen, landvoogden en stadhouders, allemaal officieren en geroepenen, ruiters op paarden, allemaal.
בְּנֵ֧י
(benei)
zonen van
בָבֶ֣ל
(bavel)
Babel
וְכָל
(vekhal)
en alle
כַּשְׂדִּ֗ים
(kasdim)
Chaldeeën
פְּק֤וֹד
(peqod)
Pekod
וְשׁ֨וֹעַ֙
(veshoa)
en Sjoa
וְק֔וֹעַ
(veqoa)
en Koa
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
אַשּׁ֖וּר
(ashur)
Assyrië
אוֹתָ֑ם
(otam)
met hen
בַּח֨וּרֵי
(bachurei)
jonge mannen van
חֶ֜מֶד
(chemed)
begeerlijkheid
פַּח֤וֹת
(pachot)
landvoogden
וּסְגָנִים֙
(useganim)
en stadhouders
כֻּלָּ֔ם
(kulam)
allemaal
שָֽׁלִשִׁים֙
(shalishim)
officieren
וּקְרוּאִ֔ים
(uqeruim)
en geroepenen
רֹכְבֵ֥י
(rokhevei)
ruiters van
סוּסִ֖ים
(susim)
paarden
כֻּלָּֽם
(kulam)
allemaal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
פְּקוֹד (Pekod), שׁוֹעַ (Shoa) en קוֹעַ (Qoa): namen van volken die bij Babel horen.
Pekod staat ook in Jer. 50:21.
De ligging van Sjoa en Koa is niet bekend.
קְרוּאִים (qeru’im), ‘geroepenen’: mannen die zijn opgeroepen of aangewezen, dezelfde vorm als in Num. 16:2, waar het ‘afgevaardigden’ is.
24Zij komen tegen je met wapenrusting, wagens en wielen, en met een vergadering van volken. Grote en kleine schilden en helmen zetten zij rondom tegen je op. Ik leg hun het recht voor, en zij oordelen je naar hun rechtsregels.
וּבָ֣אוּ
(uvau)
en zij zullen komen
עָלַ֡יִךְ
(alayikh)
tegen jou
הֹ֠צֶן
(hotsen)
wapenrusting
רֶ֤כֶב
(rekhev)
wagens
וְגַלְגַּל֙
(vegalgal)
en wiel
וּבִקְהַ֣ל
(uviqhal)
en met een vergadering van
עַמִּ֔ים
(amim)
volken
צִנָּ֤ה
(tsina)
grote schilden
וּמָגֵן֙
(umagen)
en kleine schilden
וְקוֹבַ֔ע
(veqova)
en helmen
יָשִׂ֥ימוּ
(yasimu)
zullen zij zetten
עָלַ֖יִךְ
(alayikh)
tegen jou
סָבִ֑יב
(saviv)
rondom
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en Ik zal leggen
לִפְנֵיהֶם֙
(lifneihem)
voor hen
מִשְׁפָּ֔ט
(mishpat)
recht
וּשְׁפָט֖וּךְ
(ushefatukh)
en zij zullen je oordelen
בְּמִשְׁפְּטֵיהֶֽם
(bemishpeteihem)
naar hun rechtsregels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֹצֶן (hotsen), ‘wapenrusting’: een zeldzaam woord.
25Ik richt Mijn naijver tegen je, en zij handelen met je in woede. Je neus en je oren nemen zij weg. Wat van je overblijft, valt door het zwaard. Zij nemen je zonen en dochters, en wat van je overblijft wordt door vuur verteerd.
וְנָתַתִּ֨י
(venatati)
en Ik zal leggen
קִנְאָתִ֜י
(qinati)
Mijn naijver
בָּ֗ךְ
(bakh)
tegen jou
וְעָשׂ֤וּ
(veasu)
en zij zullen doen
אוֹתָךְ֙
(otakh)
met jou
בְּחֵמָ֔ה
(bechema)
in woede
אַפֵּ֤ךְ
(apekh)
je neus
וְאָזְנַ֨יִךְ֙
(veazenayikh)
en je oren
יָסִ֔ירוּ
(yasiru)
zullen zij wegnemen
וְאַחֲרִיתֵ֖ךְ
(veacharitekh)
en wat van je overblijft
בַּחֶ֣רֶב
(bacherev)
door het zwaard
תִּפּ֑וֹל
(tipol)
zal vallen
הֵ֗מָּה
(hema)
zij
בָּנַ֤יִךְ
(banayikh)
je zonen
וּבְנוֹתַ֨יִךְ֙
(uvenotayikh)
en je dochters
יִקָּ֔חוּ
(yiqachu)
zullen zij nemen
וְאַחֲרִיתֵ֖ךְ
(veacharitekh)
en wat van je overblijft
תֵּאָכֵ֥ל
(teakhel)
zal verteerd worden
בָּאֵֽשׁ
(baesh)
door vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קִנְאָתִי (qin’ati), ‘Mijn naijver’: Yahweh’s vurige betrokkenheid bij wie van Hem is.
Vergelijk Ezech. 16:38 en 16:42.
אַחֲרִיתֵךְ (acharitech), ‘wat van je overblijft’: letterlijk ‘je einde, je rest’.
27Zo laat Ik je schanddaad ophouden, weg van jou, en je hoererij uit het land Egypte. Je slaat je ogen niet meer naar hen op en aan Egypte denk je niet meer.
וְהִשְׁבַּתִּ֤י
(vehishbati)
en Ik zal laten ophouden
זִמָּתֵךְ֙
(zimatekh)
je schanddaad
מִמֵּ֔ךְ
(mimekh)
van jou
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
זְנוּתֵ֖ךְ
(zenutekh)
je hoererij
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תִשְׂאִ֤י
(tisi)
zul je opslaan
עֵינַ֨יִךְ֙
(einayikh)
je ogen
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
naar hen
וּמִצְרַ֖יִם
(umitsrayim)
en Egypte
לֹ֥א
(lo)
niet
תִזְכְּרִי
(tizkeri)
zul je gedenken
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
29Zij behandelen je met haat. Zij nemen al je zwoegen weg en laten je naakt en bloot achter. De naaktheid van je hoererijen wordt ontbloot: je schanddaad en je hoererijen.
וְעָשׂ֨וּ
(veasu)
en zij zullen doen
אוֹתָ֜ךְ
(otakh)
met jou
בְּשִׂנְאָ֗ה
(besina)
met haat
וְלָקְחוּ֙
(velaqechu)
en zij zullen nemen
כָּל
(kal)
al
יְגִיעֵ֔ךְ
(yegiekh)
je zwoegen
וַעֲזָב֖וּךְ
(vaazavukh)
en zij zullen je achterlaten
עֵירֹ֣ם
(eirom)
naakt
וְעֶרְיָ֑ה
(veerya)
en bloot
וְנִגְלָה֙
(venigla)
en zal onthuld worden
עֶרְוַ֣ת
(ervat)
naaktheid van
זְנוּנַ֔יִךְ
(zenunayikh)
je hoererijen
וְזִמָּתֵ֖ךְ
(vezimatekh)
en je schanddaad
וְתַזְנוּתָֽיִךְ
(vetaznutayikh)
en je hoererijen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְגִיעֵךְ (yegi’ech), ‘je zwoegen’: wat je met moeite hebt verworven.
37Want zij hebben overspel gepleegd, en er is bloed aan hun handen. Met hun mestgoden hebben zij overspel gepleegd. Ook hun zonen die zij voor Mij hadden gebaard, hebben zij voor hen laten overgaan om verteerd te worden.
כִּ֣י
(ki)
want
נִאֵ֗פוּ
(niefu)
zij hebben overspel gepleegd
וְדָם֙
(vedam)
en bloed
בִּֽידֵיהֶ֔ן
(bideihen)
aan hun handen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גִּלּֽוּלֵיהֶ֖ן
(giluleihen)
hun mestgoden
נִאֵ֑פוּ
(niefu)
hebben zij overspel gepleegd
וְגַ֤ם
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵיהֶן֙
(beneihen)
hun zonen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יָֽלְדוּ
(yaledu)
zij baarden
לִ֔י
(li)
voor Mij
הֶעֱבִ֥ירוּ
(heeviru)
hebben zij laten overgaan
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לְאָכְלָֽה
(leakhela)
tot verteren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֶעֱבִירוּ (he’eviru), ‘laten overgaan’: hetzelfde werkwoord als ‘door het vuur laten gaan’ in Lev. 18:21 en Ezech. 16:21.
39Op de dag dat zij hun zonen slachtten voor hun mestgoden, kwamen zij op diezelfde dag in Mijn heiligdom om het te ontheiligen. Zie, zo hebben zij gedaan midden in Mijn huis.
וּֽבְשַׁחֲטָ֤ם
(uveshachatam)
en bij hun slachten
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵיהֶם֙
(beneihem)
hun zonen
לְגִלּ֣וּלֵיהֶ֔ם
(legiluleihem)
voor hun mestgoden
וַיָּבֹ֧אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
מִקְדָּשִׁ֛י
(miqdashi)
Mijn heiligdom
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
לְחַלְּל֑וֹ
(lechalelo)
om het te ontheiligen
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
כֹ֥ה
(ko)
zo
עָשׂ֖וּ
(asu)
hebben zij gedaan
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
midden in
בֵּיתִֽי
(beiti)
Mijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40Ja, zij hebben zelfs boden gestuurd naar mannen die van ver kwamen. Een bode werd naar hen gezonden, en zie, zij kwamen. Voor hen heb je je gewassen, je ogen opgemaakt en je met sieraden getooid.
וְאַ֗ף
(veaf)
en ook
כִּ֤י
(ki)
dat
תִשְׁלַ֨חְנָה֙
(tishlachna)
zij zonden
לַֽאֲנָשִׁ֔ים
(laanashim)
naar mannen
בָּאִ֖ים
(baim)
komend
מִמֶּרְחָ֑ק
(mimerchaq)
van ver
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
voor wie
מַלְאָ֜ךְ
(malakh)
boodschapper
שָׁל֤וּחַ
(shaluach)
gezonden
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
naar hen
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
בָ֔אוּ
(bau)
zij kwamen
לַאֲשֶׁ֥ר
(laasher)
voor wie
רָחַ֛צְתְּ
(rachatst)
je je waste
כָּחַ֥לְתְּ
(kachalt)
je beschilderde
עֵינַ֖יִךְ
(einayikh)
je ogen
וְעָ֥דִית
(veadit)
en je tooide je
עֶֽדִי
(edi)
sieraad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier verandert de aanspreking weer in ‘jij’.
Het gaat om Oholiba’s boden naar verre volken.
כָּחַלְתְּ (kachalt), ‘je ogen opgemaakt’: met oogschaduw, zoals Izebel in 2 Kon. 9:30.
42Het geluid van een zorgeloze menigte klonk bij haar. Bij de mannen uit de grote schare werden Sebaïeten uit de woestijn gebracht. Zij deden armbanden om hun handen en een prachtige kroon op hun hoofden.
וְק֣וֹל
(veqol)
en geluid van
הָמוֹן֮
(hamon)
menigte
שָׁלֵ֣ו
(shalev)
zorgeloos
בָהּ֒
(bah)
bij haar
וְאֶל
(veel)
en bij
אֲנָשִׁים֙
(anashim)
mannen
מֵרֹ֣ב
(merov)
uit veelheid van
אָדָ֔ם
(adam)
mensen
מוּבָאִ֥ים
(muvaim)
gebracht
סָבָאִ֖ים
(savaim)
Sebaïeten
מִמִּדְבָּ֑ר
(mimidbar)
uit de woestijn
וַֽיִּתְּנ֤וּ
(vayitenu)
en zij deden
צְמִידִים֙
(tsemidim)
armbanden
אֶל
(el)
om
יְדֵיהֶ֔ן
(yedeihen)
hun handen
וַעֲטֶ֥רֶת
(vaateret)
en kroon van
תִּפְאֶ֖רֶת
(tiferet)
pracht
עַל
(al)
op
רָאשֵׁיהֶֽן
(rasheihen)
hun hoofden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סָבָאִים (Seva’im), ‘Sebaïeten’: het volk van Seba, zoals in Jes. 45:14 en 43:3.
Lezing
In dit vers staat in de geschreven tekst (ketiv) סֹבְאִים (sovim), ‘zuiplappen’, maar de voorgelezen tekst (qere) heeft ‘Sebaïeten’.
45Maar rechtvaardige mannen, die zullen hen oordelen met het recht voor overspelige vrouwen en het recht voor vrouwen die bloed vergieten. Want zij zijn overspelig en er is bloed aan hun handen.
וַאֲנָשִׁ֣ים
(vaanashim)
en mannen
צַדִּיקִ֗ם
(tsadiqim)
rechtvaardig
הֵ֚מָּה
(hema)
zij
יִשְׁפְּט֣וּ
(yishpetu)
zullen oordelen
אֽוֹתְהֶ֔ם
(otehem)
hen
מִשְׁפַּט֙
(mishpat)
recht van
נֹֽאֲפ֔וֹת
(noafot)
overspelige vrouwen
וּמִשְׁפַּ֖ט
(umishpat)
en recht van
שֹׁפְכ֣וֹת
(shofekhot)
vergietende
דָּ֑ם
(dam)
bloed
כִּ֤י
(ki)
want
נֹֽאֲפֹת֙
(noafot)
overspelig
הֵ֔נָּה
(hena)
zij
וְדָ֖ם
(vedam)
en bloed
בִּֽידֵיהֶֽן
(bideihen)
aan hun handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De rechtvaardige mannen voeren het recht uit voor overspel en bloedvergieten.