Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Hizkia wordt koning
1Hizkia was 25 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 29 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Abia, de dochter van Zacharia.
יְחִזְקִיָּ֣הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
מָלַ֗ךְ
(malakh)
werd koning
בֶּן
(ben)
zoon van
עֶשְׂרִ֤ים
(esrim)
twintig
וְחָמֵשׁ֙
(vechamesh)
en vijf
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
וְעֶשְׂרִ֤ים
(veesrim)
en twintig
וָתֵ֨שַׁע֙
(vatesha)
en negen
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushalaim)
in Jeruzalem
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en de naam van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
אֲבִיָּ֖ה
(aviya)
Abia
בַּת
(bat)
dochter van
זְכַרְיָֽהוּ
(zekharyahu)
Zacharia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Dit hoofdstuk begint het verhaal van Hizkia in Kronieken (29–32).
Hij heet hier יְחִזְקִיָּהוּ (Yechizkiyahu), ‘Yahweh maakt sterk’.
Wij schrijven overal ‘Hizkia’.
De verzen 1–2 komen overeen met 2 Kon. 18:2–3. In 2 Kon. 18:2 heet zijn moeder Abi (אֲבִי); hier heet zij Abia (אֲבִיָּה). Wij nemen aan dat het dezelfde vrouw is. Haar vader is in beide boeken Zacharia.
De verzen 3–36 staan alleen in Kronieken. 2 Kon. 18:4–6 vertelt over zijn hervorming veel korter.
5Hij zei tegen hen: „Luister naar mij, Levieten. Heilig jullie nu. Heilig ook het huis van Yahweh, de Elohim van jullie vaderen. Breng de onreinheid uit het heilige naar buiten.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָהֶ֖ם
(lahem)
tot hen
שְׁמָע֣וּנִי
(shemauni)
luister naar mij
הַלְוִיִּ֑ם
(halviyim)
Levieten
עַתָּ֣ה
(ata)
nu
הִֽתְקַדְּשׁ֗וּ
(hitqadeshu)
heiligt jullie
וְקַדְּשׁוּ֙
(veqadeshu)
en heiligt
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֤ית
(beit)
het huis van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
אֲבֹתֵיכֶ֔ם
(avoteikhem)
jullie vaderen
וְהוֹצִ֥יאוּ
(vehotsiu)
en breng naar buiten
אֶת
(et)
(obj.)
הַנִּדָּ֖ה
(hanida)
de onreinheid
מִן
(min)
uit
הַקֹּֽדֶשׁ
(haqodesh)
het heilige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִדָּה (niddah), ‘onreinheid’: alles wat onrein maakt.
Hetzelfde woord staat voor de onreinheid van een vrouw in Lev. 15:19.
Hier gaat het om wat in het heiligdom onrein is geworden (vers 16).
הַקֹּדֶשׁ (haqodesh), ‘het heilige’: het heiligdom van de tempel. Zo ook in vers 7.
6Want onze vaders waren trouweloos. Zij deden wat slecht is in de ogen van Yahweh, onze Elohim. Zij verlieten Hem. Zij wendden hun gezicht af van de tabernakel van Yahweh en keerden Hem de nek toe.
כִּֽי
(ki)
want
מָעֲל֣וּ
(maalu)
waren trouweloos
אֲבֹתֵ֗ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
וְעָשׂ֥וּ
(veasu)
en deden
הָרַ֛ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
וַיַּֽעַזְבֻ֑הוּ
(vayaazvuhu)
en verlieten Hem
וַיַּסֵּ֧בּוּ
(vayasebu)
en wendden af
פְנֵיהֶ֛ם
(peneihem)
hun gezicht
מִמִּשְׁכַּ֥ן
(mimishkan)
van de tabernakel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּתְּנוּ
(vayitenu)
en gaven
עֹֽרֶף
(oref)
de nek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיִּתְּנוּ עֹרֶף (vayyitnu oref), ‘zij keerden de nek toe’: letterlijk ‘zij gaven de nek’.
Het betekent: zich van iemand afkeren.
מִשְׁכַּן (mishkan), ‘tabernakel’: het woord voor de tent in de woestijn (Exod. 25:9). Hier staat het voor de tempel in Jeruzalem, de woonplaats van Yahweh.
מָעַל (ma’al), ‘trouweloos zijn’: zoals in 2 Kron. 28:19 en 28:22.
7Zij sloten ook de deuren van de voorhal en doofden de lampen. Zij lieten geen wierook opgaan en brachten in het heilige geen brandoffer op voor de Elohim van Israël.
גַּ֣ם
(gam)
ook
סָֽגְר֞וּ
(sageru)
sloten zij
דַּלְת֣וֹת
(daltot)
de deuren van
הָאוּלָ֗ם
(haulam)
de voorhal
וַיְכַבּוּ֙
(vaykhabu)
en doofden
אֶת
(et)
(obj.)
הַנֵּר֔וֹת
(hanerot)
de lampen
וּקְטֹ֖רֶת
(uqetoret)
en wierook
לֹ֣א
(lo)
niet
הִקְטִ֑ירוּ
(hiqtiru)
lieten zij opgaan
וְעֹלָה֙
(veola)
en brandoffer
לֹא
(lo)
niet
הֶעֱל֣וּ
(heelu)
brachten zij op
בַקֹּ֔דֶשׁ
(baqodesh)
in het heilige
לֵאלֹהֵ֖י
(lelohei)
voor de Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אוּלָם (ulam), ‘voorhal’: de ingang van het huis (2 Kron. 3:4).
Achaz sloot ook de deuren van het huis van Yahweh (2 Kron. 28:24).
De lampen, de wierook en het brandoffer horen bij de vaste dienst (Exod. 30:7–8; Lev. 24:2–4).
8De toorn van Yahweh kwam over Juda en Jeruzalem. Hij maakte hen tot een voorwerp van schrik, tot verwoesting en tot spot, zoals jullie met eigen ogen zien.
וַיְהִי֙
(vayhi)
en was
קֶ֣צֶף
(qetsef)
toorn van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וִירוּשָׁלִָ֑ם
(virushalaim)
en Jeruzalem
וַיִּתְּנֵ֤ם
(vayitenem)
en Hij gaf hen
לְזַֽעֲוָה֙
(lezaava)
tot schrik
לְשַׁמָּ֣ה
(leshama)
tot verwoesting
וְלִשְׁרֵקָ֔ה
(velishreqa)
en tot spot
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
רֹאִ֖ים
(roim)
zien
בְּעֵינֵיכֶֽם
(beeineikhem)
met jullie ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
11Mijn zonen, wees nu niet nalatig. Want Yahweh heeft jullie gekozen om voor Zijn aangezicht te staan, om Hem te dienen en om voor Hem dienaren en wierookbranders te zijn.”
בָּנַ֕י
(banay)
mijn zonen
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
אַל
(al)
niet
תִּשָּׁל֑וּ
(tishalu)
wees nalatig
כִּֽי
(ki)
want
בָכֶ֞ם
(bakhem)
in jullie
בָּחַ֣ר
(bachar)
heeft gekozen
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לַעֲמֹ֤ד
(laamod)
om te staan
לְפָנָיו֙
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
לְשָׁ֣רְת֔וֹ
(leshareto)
om Hem te dienen
וְלִהְי֥וֹת
(velihyot)
en om te zijn
ל֖וֹ
(lo)
voor Hem
מְשָׁרְתִ֥ים
(mesharetim)
dienaren
וּמַקְטִרִֽים
(umaqtirim)
en wierookbranders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תִּשָּׁלוּ (tishshalu), ‘wees nalatig’: dit werkwoord komt zelden voor.
Het betekent: onachtzaam zijn, een taak laten liggen.
De Levieten zijn afgezonderd om voor Yahweh te staan en Hem te dienen (Deut. 10:8; Num. 3:6). Het Hebreeuws zegt ‘dienaren en wierookbranders’.
De toespraak van Hizkia loopt van vers 5 tot en met vers 11. Zij is zwart: het zijn de woorden van de koning.
12De Levieten stonden op. Van de zonen van de Kehatieten: Machat, de zoon van Amasai, en Joël, de zoon van Azarja. Van de zonen van Merari: Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van Jehallelel. Van de Gersjonieten: Joach, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joach.
וַיָּקֻ֣מוּ
(vayaqumu)
en stonden op
הַ֠לְוִיִּם
(halviyim)
de Levieten
מַ֣חַת
(machat)
Machat
בֶּן
(ben)
zoon van
עֲמָשַׂ֞י
(amasay)
Amasai
וְיוֹאֵ֣ל
(veyoel)
en Joël
בֶּן
(ben)
zoon van
עֲזַרְיָהוּ֮
(azaryahu)
Azarja
מִן
(min)
van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
הַקְּהָתִי֒
(haqehati)
de Kehatieten
וּמִן
(umin)
en van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
מְרָרִ֔י
(merari)
Merari
קִ֚ישׁ
(qish)
Kis
בֶּן
(ben)
zoon van
עַבְדִּ֔י
(avdi)
Abdi
וַעֲזַרְיָ֖הוּ
(vaazaryahu)
en Azarja
בֶּן
(ben)
zoon van
יְהַלֶּלְאֵ֑ל
(yehalelel)
Jehallelel
וּמִן
(umin)
en van
הַגֵּ֣רְשֻׁנִּ֔י
(hagereshuni)
de Gersjoniet
יוֹאָח֙
(yoach)
Joach
בֶּן
(ben)
zoon van
זִמָּ֔ה
(zima)
Zimma
וְעֵ֖דֶן
(veeden)
en Eden
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹאָֽח
(yoach)
Joach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In de verzen 12–14 staan zeven families van de Levieten, elk met twee mannen.
Kehat, Merari en Gersjon zijn de drie zonen van Levi (Num. 3:17).
Elizafan hoort bij Kehat (Num. 3:30).
Asaf, Heman en Jedutun zijn de drie leiders van de zangers (1 Kron. 25:1).
De naam Azarja staat twee keer: bij de Kehatieten en bij de Merarieten. Het zijn twee verschillende mannen. Zimma en Joach staan ook in de lijst van de Gersjonieten in 1 Kron. 6:5–6.
15Zij verzamelden hun broeders en heiligden zich. Zij kwamen om het huis van Yahweh te reinigen, volgens het gebod van de koning, naar de woorden van Yahweh.
וַיַּֽאַסְפ֤וּ
(vayaasfu)
en zij verzamelden
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחֵיהֶם֙
(acheihem)
hun broeders
וַיִּֽתְקַדְּשׁ֔וּ
(vayitqadeshu)
en zij heiligden zich
וַיָּבֹ֥אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
כְמִצְוַת
(kemitsvat)
volgens het gebod van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בְּדִבְרֵ֣י
(bedivrei)
volgens de woorden van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לְטַהֵ֖ר
(letaher)
om te reinigen
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het gebod van de koning rust op ‘de woorden van Yahweh’.
Vers 25 zegt het zo: het gebod over de muziek kwam van Yahweh, door Zijn profeten.
16De priesters gingen naar binnen in het huis van Yahweh om het te reinigen. Alle onreinheid die zij in de tempel van Yahweh vonden, brachten zij naar buiten, naar de voorhof van het huis van Yahweh. De Levieten namen het over om het naar buiten te brengen, naar de beek Kidron.
וַיָּבֹ֣אוּ
(vayavou)
en kwamen
הַ֠כֹּהֲנִים
(hakohanim)
de priesters
לִפְנִ֣ימָה
(lifnima)
naar binnen in
בֵית
(beit)
het huis van
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
לְטַהֵר֒
(letaher)
om te reinigen
וַיּוֹצִ֗יאוּ
(vayotsiu)
en brachten naar buiten
אֵ֤ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַטֻּמְאָה֙
(hatuma)
onreinheid
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
מָֽצְאוּ֙
(matseu)
zij vonden
בְּהֵיכַ֣ל
(beheikhal)
in de tempel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לַחֲצַ֖ר
(lachatsar)
naar de voorhof van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַֽיְקַבְּלוּ֙
(vayqabelu)
en namen over
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
לְהוֹצִ֥יא
(lehotsi)
om naar buiten te brengen
לְנַֽחַל
(lenachal)
naar de beek
קִדְר֖וֹן
(qidron)
Kidron
חֽוּצָה
(chutsa)
naar buiten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De beek Kidron is het dal ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg.
Het ligt in het huidige Israël en de Westelijke Jordaanoever.
Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg.
Uitleg
הֵיכָל (hekal), ‘tempel’: hier de hoofdzaal van het huis, het grote vertrek vóór het binnenste vertrek (zie 1 Kon. 6:17).
חָצֵר (chatser), ‘voorhof’: het open terrein rond het huis.
De priesters mochten naar binnen gaan. De onreine voorwerpen worden door hen in de voorhof gebracht. De Levieten brengen alles verder naar buiten, naar de beek Kidron. Zo ook in 2 Kron. 15:16 en 30:14.
17Op de eerste dag van de eerste maand begonnen zij met heiligen. Op de achtste dag van de maand kwamen zij bij de voorhal van Yahweh. Acht dagen lang heiligden zij het huis van Yahweh. Op de zestiende dag van de eerste maand waren zij klaar.
וַ֠יָּחֵלּוּ
(vayachelu)
en zij begonnen
בְּאֶחָ֞ד
(beechad)
op de eerste van
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
de maand
הָרִאשׁוֹן֮
(harishon)
de eerste
לְקַדֵּשׁ֒
(leqadesh)
om te heiligen
וּבְי֧וֹם
(uveyom)
en op de dag
שְׁמוֹנָ֣ה
(shemona)
achtste
לַחֹ֗דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
בָּ֚אוּ
(bau)
kwamen zij
לְאוּלָ֣ם
(leulam)
naar de voorhal van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיְקַדְּשׁ֥וּ
(vayqadeshu)
en zij heiligden
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְיָמִ֣ים
(leyamim)
gedurende dagen
שְׁמוֹנָ֑ה
(shemona)
acht
וּבְי֨וֹם
(uveyom)
en op de dag
שִׁשָּׁ֥ה
(shisha)
zes
עָשָׂ֛ר
(asar)
tien
לַחֹ֥דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הָרִאשׁ֖וֹן
(harishon)
de eerste
כִּלּֽוּ
(kilu)
waren zij klaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het hele werk duurt 16 dagen: 8 dagen tot zij bij de voorhal komen en nog 8 dagen voor het huis zelf.
De tekst zegt niet precies wat in die dagen gebeurde.
De eerste maand is de maand Aviv (Exod. 13:4; zie ook Exod. 12:2). Op de veertiende dag van die maand hoort het Pesach te vallen. Daarom kan het in 2 Kron. 30:2–3 niet op tijd worden gevierd.
18Zij gingen naar binnen, naar koning Hizkia. Zij zeiden: „Wij hebben heel het huis van Yahweh gereinigd: het altaar van het brandoffer met al zijn voorwerpen en de tafel van het toonbrood met al zijn voorwerpen.
וַיָּב֤וֹאוּ
(vayavou)
en zij kwamen
פְנִ֨ימָה֙
(penima)
naar binnen
אֶל
(el)
tot
חִזְקִיָּ֣הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zij zeiden
טִהַ֖רְנוּ
(tiharnu)
wij hebben gereinigd
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מִזְבַּ֤ח
(mizbach)
het altaar van
הָעוֹלָה֙
(haola)
het brandoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
כֵּלָ֔יו
(kelav)
zijn voorwerpen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שֻׁלְחַ֥ן
(shulchan)
de tafel van
הַֽמַּעֲרֶ֖כֶת
(hamaarekhet)
de schikking
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
כֵּלָֽיו
(kelav)
zijn voorwerpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַעֲרֶכֶת (ma’arekhet), ‘schikking’: hier de tafel waarop het toonbrood in rijen werd gelegd (Lev. 24:6; Exod. 25:30).
19Ook alle voorwerpen die koning Achaz tijdens zijn regering, in zijn trouweloosheid, had weggegooid, hebben wij in orde gemaakt en geheiligd. Zie, zij staan voor het altaar van Yahweh.”
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַכֵּלִ֗ים
(hakelim)
de voorwerpen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הִזְנִיחַ֩
(hizniach)
had weggegooid
הַמֶּ֨לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אָחָ֧ז
(achaz)
Achaz
בְּמַלְכוּת֛וֹ
(bemalkhuto)
in zijn koningschap
בְּמַעֲל֖וֹ
(bemaalo)
in zijn trouweloosheid
הֵכַ֣נּוּ
(hekhanu)
wij hebben in orde gemaakt
וְהִקְדָּ֑שְׁנוּ
(vehiqdashenu)
en wij hebben geheiligd
וְהִנָּ֕ם
(vehinam)
en zie ze
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
מִזְבַּ֥ח
(mizbach)
het altaar van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִזְנִיחַ (hiznich), ‘wegwerpen’: Achaz had de voorwerpen in stukken gehakt (2 Kron. 28:24).
Wat hij weggooide, is nu weer in orde gemaakt en geheiligd.
בְּמַעֲלוֹ (bemaalo), ‘in zijn trouweloosheid’: hetzelfde woord als in vers 6.
21Zij brachten 7 stieren, 7 rammen, 7 lammeren en 7 geitenbokken als zondoffer voor het koninkrijk, voor het heiligdom en voor Juda. Hij droeg de priesters, de zonen van Aäron, op om ze op het altaar van Yahweh op te brengen.
וַיָּבִ֣יאוּ
(vayaviu)
en zij brachten
פָרִים
(parim)
stieren
שִׁבְעָה֩
(shiva)
zeven
וְאֵילִ֨ים
(veeilim)
en rammen
שִׁבְעָ֜ה
(shiva)
zeven
וּכְבָשִׂ֣ים
(ukhevasim)
en lammeren
שִׁבְעָ֗ה
(shiva)
zeven
וּצְפִירֵ֨י
(utsefirei)
en bokken van
עִזִּ֤ים
(izim)
geiten
שִׁבְעָה֙
(shiva)
zeven
לְחַטָּ֔את
(lechatat)
als zondoffer
עַל
(al)
voor
הַמַּמְלָכָ֥ה
(hamamlakha)
het koninkrijk
וְעַל
(veal)
en voor
הַמִּקְדָּ֖שׁ
(hamiqdash)
het heiligdom
וְעַל
(veal)
en voor
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לִבְנֵ֤י
(livnei)
tot de zonen van
אַהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
לְהַעֲל֖וֹת
(lehaalot)
om op te brengen
עַל
(al)
op
מִזְבַּ֥ח
(mizbach)
het altaar van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De zondoffers zijn voor drie dingen: het koninkrijk (הַמַּמְלָכָה, hammamlakhah), het heiligdom (הַמִּקְדָּשׁ, hammiqdash) en Juda.
In vers 24 zijn ze voor ‘heel Israël’.
צְפִירֵי עִזִּים (tsefirei izzim), ‘geitenbokken’: in vers 23 heten ze ‘bokken’ (שְׂעִירִים, se’irim). Het zijn dezelfde dieren.
Zevenmaal zeven dieren: het getal zeven wijst op volledigheid. Het zijn er in totaal 28.
22Zij slachtten de runderen en de priesters ontvingen het bloed. Zij sprenkelden het op het altaar. Zij slachtten de rammen en sprenkelden het bloed op het altaar. Zij slachtten de lammeren en sprenkelden het bloed op het altaar.
וַֽיִּשְׁחֲטוּ֙
(vayishchatu)
en zij slachtten
הַבָּקָ֔ר
(habaqar)
de runderen
וַיְקַבְּל֤וּ
(vayqabelu)
en ontvingen
הַכֹּֽהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּ֔ם
(hadam)
het bloed
וַֽיִּזְרְק֖וּ
(vayizrequ)
en sprenkelden
הַמִּזְבֵּ֑חָה
(hamizbecha)
naar het altaar
וַיִּשְׁחֲט֣וּ
(vayishchatu)
en zij slachtten
הָאֵלִ֗ים
(haelim)
de rammen
וַיִּזְרְק֤וּ
(vayizrequ)
en sprenkelden
הַדָּם֙
(hadam)
het bloed
הַמִּזְבֵּ֔חָה
(hamizbecha)
naar het altaar
וַֽיִּשְׁחֲטוּ֙
(vayishchatu)
en zij slachtten
הַכְּבָשִׂ֔ים
(hakevasim)
de lammeren
וַיִּזְרְק֥וּ
(vayizrequ)
en sprenkelden
הַדָּ֖ם
(hadam)
het bloed
הַמִּזְבֵּֽחָה
(hamizbecha)
naar het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זָרַק (zaraq), ‘sprenkelen’: zoals in Lev. 1:5.
De ‘runderen’ van vers 22 zijn de stieren uit vers 21.
Het Hebreeuws gebruikt hier een algemeen woord voor runderen (בָּקָר, baqar).
24De priesters slachtten ze en ontzondigden het altaar met hun bloed, om verzoening te doen voor heel Israël. Want de koning had gezegd dat het brandoffer en het zondoffer voor heel Israël waren.
וַיִּשְׁחָטוּם֙
(vayishchatum)
en zij slachtten ze
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
וַֽיְחַטְּא֤וּ
(vaychateu)
en ontzondigden
אֶת
(et)
(obj.)
דָּמָם֙
(damam)
hun bloed
הַמִּזְבֵּ֔חָה
(hamizbecha)
het altaar
לְכַפֵּ֖ר
(lekhaper)
om verzoening te doen
עַל
(al)
voor
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כִּ֤י
(ki)
want
לְכָל
(lekhal)
voor heel
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אָמַ֣ר
(amar)
had gezegd
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הָעוֹלָ֖ה
(haola)
het brandoffer
וְהַחַטָּֽאת
(vehachatat)
en het zondoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיְחַטְּאוּ אֶת דָּמָם הַמִּזְבֵּחָה (vaychatte’u et damam hammizbeachah), ‘zij ontzondigden het altaar met hun bloed’: letterlijk ‘zij ontzondigden hun bloed naar het altaar toe’.
Het bloed van de zondoffers reinigt het altaar van zonde, zoals in Lev. 8:15.
Het Hebreeuws van het laatste deel heeft geen werkwoord: ‘want voor heel Israël zei de koning: het brandoffer en het zondoffer’. Wij lezen: de koning had gezegd dat deze offers voor heel Israël waren.
25Hij liet de Levieten in het huis van Yahweh staan met bekkens, harpen en lieren. Dat was volgens het gebod van David, van Gad, de ziener van de koning, en van Natan, de profeet. Want het gebod kwam van Yahweh, door Zijn profeten.
וַיַּֽעֲמֵ֨ד
(vayaamed)
en hij liet staan
אֶת
(et)
(obj.)
הַלְוִיִּ֜ם
(halviyim)
de Levieten
בֵּ֣ית
(beit)
in het huis van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּמְצִלְתַּ֨יִם֙
(bimtsiltayim)
met bekkens
בִּנְבָלִ֣ים
(binvalim)
met harpen
וּבְכִנֹּר֔וֹת
(uvekhinorot)
en met lieren
בְּמִצְוַ֥ת
(bemitsvat)
volgens het gebod van
דָּוִ֛יד
(david)
David
וְגָ֥ד
(vegad)
en Gad
חֹזֵֽה
(choze)
ziener van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְנָתָ֣ן
(venatan)
en Natan
הַנָּבִ֑יא
(hanavi)
de profeet
כִּ֧י
(ki)
want
בְיַד
(beyad)
door de hand van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
הַמִּצְוָ֖ה
(hamitsva)
het gebod
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
נְבִיאָֽיו
(neviav)
Zijn profeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het gebod over de muziek van de Levieten wordt in Samuël niet verteld. 1 Kron. 25:1 vertelt dat David de zonen van Asaf, Heman en Jedutun afzonderde voor de dienst met lieren, harpen en bekkens.
Gad is de ziener van 1 Kron. 21:9.
Natan is de profeet uit 2 Sam. 7.
בְּיַד נְבִיאָיו (beyad neviav), ‘door Zijn profeten’: letterlijk ‘door de hand van Zijn profeten’.
27Hizkia zei dat men het brandoffer op het altaar moest opbrengen. Op het moment dat het brandoffer begon, begon ook het lied van Yahweh. Dat ging met de trompetten en onder begeleiding van de instrumenten van David, de koning van Israël.
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
חִזְקִיָּ֔הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
לְהַעֲל֥וֹת
(lehaalot)
om op te brengen
הָעֹלָ֖ה
(haola)
het brandoffer
לְהַמִּזְבֵּ֑חַ
(lehamizbeach)
op het altaar
וּבְעֵ֞ת
(uveet)
en op het moment
הֵחֵ֣ל
(hechel)
begon
הָֽעוֹלָ֗ה
(haola)
het brandoffer
הֵחֵ֤ל
(hechel)
begon
שִׁיר
(shir)
het lied van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְהַחֲצֹ֣צְר֔וֹת
(vehachatsotserot)
en de trompetten
וְעַ֨ל
(veal)
en onder
יְדֵ֔י
(yedei)
de handen van
כְּלֵ֖י
(kelei)
de instrumenten van
דָּוִ֥יד
(david)
David
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שִׁיר יְהוָה (shir Yahweh), ‘het lied van Yahweh’: het lied voor Yahweh, dat de Levieten zongen.
Het lied begint op het moment dat het brandoffer begint, met de trompetten van de priesters.
30Koning Hizkia en de leiders zeiden tegen de Levieten dat zij Yahweh moesten prijzen met de woorden van David en van Asaf, de ziener. Zij prezen met blijdschap, bogen het hoofd en wierpen zich neer.
וַ֠יֹּאמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְחִזְקִיָּ֨הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְהַשָּׂרִים֙
(vehasarim)
en de leiders
לַלְוִיִּ֔ם
(lalviyim)
tegen de Levieten
לְהַלֵּל֙
(lehalel)
om te prijzen
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
Yahweh
בְּדִבְרֵ֥י
(bedivrei)
met de woorden van
דָוִ֖יד
(david)
David
וְאָסָ֣ף
(veasaf)
en Asaf
הַחֹזֶ֑ה
(hachoze)
de ziener
וַֽיְהַלְלוּ֙
(vayhallu)
en zij prezen
עַד
(ad)
tot
לְשִׂמְחָ֔ה
(lesimcha)
blijdschap
וַֽיִּקְּד֖וּ
(vayiqedu)
en zij bogen het hoofd
וַיִּֽשְׁתַּחֲוֽוּ
(vayishtachavu)
en wierpen zich neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַד לְשִׂמְחָה (ad lesimchah), ‘met blijdschap’: letterlijk ‘tot blijdschap’, dat is: tot grote vreugde toe.
דִּבְרֵי דָוִיד וְאָסָף (divrei David ve’asaf), ‘de woorden van David en Asaf’: liederen die aan hen worden toegeschreven. Asaf kreeg van David opdracht tot het danken (1 Kron. 16:7).
31Hizkia nam het woord en zei: „Nu hebben jullie jullie hand voor Yahweh gevuld. Kom dichterbij en breng slachtoffers en dankoffers naar het huis van Yahweh.” De vergadering bracht slachtoffers en dankoffers. Iedereen met een bereidwillig hart bracht brandoffers.
וַיַּ֨עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
יְחִזְקִיָּ֜הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
עַתָּ֨ה
(ata)
nu
מִלֵּאתֶ֤ם
(miletem)
hebben jullie gevuld
יֶדְכֶם֙
(yedkhem)
jullie hand
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
גֹּ֧שׁוּ
(goshu)
komt dichterbij
וְהָבִ֛יאוּ
(vehaviu)
en brengt
זְבָחִ֥ים
(zevachim)
slachtoffers
וְתוֹד֖וֹת
(vetodot)
en dankoffers
לְבֵ֣ית
(leveit)
naar het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּבִ֤יאוּ
(vayaviu)
en zij brachten
הַקָּהָל֙
(haqahal)
de vergadering
זְבָחִ֣ים
(zevachim)
slachtoffers
וְתוֹד֔וֹת
(vetodot)
en dankoffers
וְכָל
(vekhal)
en ieder
נְדִ֥יב
(nediv)
bereidwillig van
לֵ֖ב
(lev)
hart
עֹלֽוֹת
(olot)
brandoffers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִלֵּאתֶם יֶדְכֶם (mille’tem yedkhem), ‘jullie hand gevuld’: een uitdrukking voor inwijding, zoals bij de wijding van de priesters (Exod. 28:41; zie ook 1 Kron. 29:5).
Hizkia spreekt hier tot de vergadering, want die brengt daarna de offers.
34Alleen waren er te weinig priesters. Zij konden niet alle brandoffers afstropen. Hun broeders, de Levieten, steunden hen tot het werk klaar was en tot de priesters zich hadden geheiligd. Want de Levieten waren oprechter van hart om zich te heiligen dan de priesters.
רַ֤ק
(raq)
alleen
הַכֹּֽהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
הָי֣וּ
(hayu)
waren
לִמְעָ֔ט
(limat)
te weinig
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָֽכְל֔וּ
(yakhelu)
konden zij
לְהַפְשִׁ֖יט
(lehafshit)
afstropen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הָעֹל֑וֹת
(haolot)
de brandoffers
וַֽיְּחַזְּק֞וּם
(vayechazequm)
en versterkten hen
אֲחֵיהֶ֣ם
(acheihem)
hun broeders
הַלְוִיִּ֗ם
(halviyim)
de Levieten
עַד
(ad)
tot
כְּל֤וֹת
(kelot)
voltooid was
הַמְּלָאכָה֙
(hamelakha)
het werk
וְעַ֣ד
(vead)
en tot
יִתְקַדְּשׁ֣וּ
(yitqadeshu)
zich heiligden
הַכֹּֽהֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
כִּ֤י
(ki)
want
הַלְוִיִּם֙
(halviyim)
de Levieten
יִשְׁרֵ֣י
(yishrei)
oprecht van
לֵבָ֔ב
(levav)
hart
לְהִתְקַדֵּ֖שׁ
(lehitqadesh)
om zich te heiligen
מֵֽהַכֹּהֲנִֽים
(mehakohanim)
meer dan de priesters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַפְשִׁיט (hifshit), ‘afstropen’: de huid van het geslachte dier halen (Lev. 1:6).
יִשְׁרֵי לֵבָב (yishrei levav), ‘oprecht van hart’: letterlijk ‘recht van hart’.
35Ook waren er veel brandoffers, met het vet van de vredeoffers en met de plengoffers bij het brandoffer. Zo werd de dienst van het huis van Yahweh weer ingesteld.
וְגַם
(vegam)
en ook
עֹלָ֨ה
(ola)
brandoffer
לָרֹ֜ב
(larov)
in menigte
בְּחֶלְבֵ֧י
(bechelvei)
met het vet van
הַשְּׁלָמִ֛ים
(hashelamim)
de vredeoffers
וּבַנְּסָכִ֖ים
(uvanesakhim)
en met plengoffers
לָעֹלָ֑ה
(laola)
bij het brandoffer
וַתִּכּ֖וֹן
(vatikon)
en werd ingesteld
עֲבוֹדַ֥ת
(avodat)
de dienst van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַתִּכּוֹן (vattikon), ‘werd ingesteld’: de vaste dienst werd opnieuw op zijn plaats gezet.
Het plengoffer hoort bij het brandoffer (Num. 15:1–10).