Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het beleg van Jeruzalem
1Het was in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand. Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam met heel zijn leger tegen Jeruzalem. Hij sloeg een kamp op tegen de stad. Zij bouwden een belegeringswal rondom haar.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
בִשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar
הַתְּשִׁיעִ֜ית
(hateshiit)
het negende
לְמָלְכ֗וֹ
(lemalekho)
van zijn regering
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הָעֲשִׂירִי֮
(haasiri)
de tiende
בֶּעָשׂ֣וֹר
(beasor)
op de tiende
לַחֹדֶשׁ֒
(lachodesh)
van de maand
בָּ֠א
(ba)
kwam
נְבֻכַדְנֶאצַּ֨ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֜ל
(bavel)
Babel
ה֧וּא
(hu)
hij
וְכָל
(vekhal)
en heel
חֵיל֛וֹ
(cheilo)
zijn leger
עַל
(al)
tegen
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וַיִּ֣חַן
(vayichan)
en hij sloeg een kamp op
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
tegen haar
וַיִּבְנ֥וּ
(vayivnu)
en zij bouwden
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
tegen haar
דָּיֵ֥ק
(dayeq)
belegeringswal
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
‘Zijn regering’ is de regering van Zedekia (2 Kon. 24:18–20).
דָּיֵק (dayeq), ‘belegeringswal’: een wal of aarden hoogte rondom een stad om haar af te sluiten. Het woord staat ook in Ezech. 4:2.
De tiende dag van de tiende maand staat ook in Jer. 52:4.
4De stad werd opengebroken. ’s Nachts vluchtten alle krijgsmannen langs de weg van de poort tussen de twee muren, bij de tuin van de koning. De Chaldeeën lagen rondom de stad. De koning ging langs de weg van de Araba.
וַתִּבָּקַ֣ע
(vatibaqa)
en werd opengebroken
הָעִ֗יר
(hair)
de stad
וְכָל
(vekhal)
en alle
אַנְשֵׁ֨י
(anshei)
mannen van
הַמִּלְחָמָ֤ה
(hamilchama)
de oorlog
הַלַּ֨יְלָה֙
(halayla)
de nacht
דֶּ֜רֶךְ
(derekh)
weg van
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
הַחֹמֹתַ֗יִם
(hachomotayim)
de twee muren
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
עַל
(al)
bij
גַּ֣ן
(gan)
tuin van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְכַשְׂדִּ֥ים
(vekhasdim)
en Chaldeeën
עַל
(al)
bij
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
סָבִ֑יב
(saviv)
rondom
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
דֶּ֥רֶךְ
(derekh)
weg van
הָעֲרָבָֽה
(haarava)
de Araba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De Araba (הָעֲרָבָה, ha’aravah) is het diepe dal van de Jordaan en de Zoutzee, dat doorloopt naar het zuiden.
De tuin van de koning lag waarschijnlijk in het zuiden van de stad, bij de vijver van Siloam.
De poort tussen de twee muren is niet met zekerheid aan te wijzen.
Zie Poort tussen de twee muren (ligging onzeker): De poort tussen de twee muren lag in de zuidelijke stadsmuur van Jeruzalem, bij de tuin van de koning.
De precieze plaats is niet bekend.
Zie Tuin van de koning (ligging onzeker): De tuin van de koning lag in het zuiden van Jeruzalem, waarschijnlijk bij de vijver van Siloam.
De precieze plaats is niet bekend.
Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.
Uitleg
Het werkwoord ‘vluchtten’ staat niet in het Hebreeuws: er staat alleen ‘alle krijgsmannen, ’s nachts, langs de weg van de poort’.
Wij vullen het aan uit de samenhang.
Ook ‘de koning’ staat er niet bij ‘ging’; wij voegen het toe voor de duidelijkheid.
8In de vijfde maand, op de zevende van de maand, kwam Nebuzaradan naar Jeruzalem. Hij was de bevelhebber van de lijfwacht, een dienaar van de koning van Babel. Dat was het negentiende jaar van koning Nebukadnezar, de koning van Babel.
וּבַחֹ֤דֶשׁ
(uvachodesh)
en in de maand
הַֽחֲמִישִׁי֙
(hachamishi)
de vijfde
בְּשִׁבְעָ֣ה
(beshiva)
op de zevende
לַחֹ֔דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הִ֗יא
(hi)
dat
שְׁנַת֙
(shenat)
jaar van
תְּשַֽׁע
(tesha)
negen
עֶשְׂרֵ֣ה
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לַמֶּ֖לֶךְ
(lamelekh)
van de koning
נְבֻכַדְנֶאצַּ֣ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֑ל
(bavel)
Babel
בָּ֞א
(ba)
kwam
נְבוּזַרְאֲדָ֧ן
(nevuzaradan)
Nebuzaradan
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִ֛ים
(tabachim)
de lijfwacht
עֶ֥בֶד
(eved)
dienaar van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
רַב טַבָּחִים (rav tabbachim), ‘bevelhebber van de lijfwacht’: letterlijk ‘oversten van de slachters’, de leider van de koninklijke lijfwacht.
Wij vertalen zoals in Gen. 37:36.
De zevende dag van de vijfde maand staat zo in de Masoretische tekst. In Jer. 52:12 staat de tiende dag.
11Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, voerde de rest van het volk weg dat in de stad was achtergebleven. Ook voerde hij de overlopers weg die naar de koning van Babel waren overgelopen, en de rest van de menigte.
וְאֵת֩
(veet)
en (obj.)
יֶ֨תֶר
(yeter)
de rest van
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
הַנִּשְׁאָרִ֣ים
(hanisharim)
de achterblijvers
בָּעִ֗יר
(bair)
in de stad
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנֹּֽפְלִים֙
(hanofelim)
de overlopers
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
נָפְלוּ֙
(nafelu)
liepen over
עַל
(al)
naar
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
יֶ֣תֶר
(yeter)
de rest van
הֶהָמ֑וֹן
(hehamon)
de menigte
הֶגְלָ֕ה
(hegla)
voerde weg
נְבוּזַרְאֲדָ֖ן
(nevuzaradan)
Nebuzaradan
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִֽים
(tabachim)
de lijfwacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
הַנֹּפְלִים (hannofelim), ‘overlopers’: letterlijk ‘de gevallenen die gevallen zijn naar de koning van Babel’.
Dat zijn mensen die zich bij de koning van Babel hadden gevoegd.
13De Chaldeeën braken de koperen pilaren, die bij het huis van Yahweh stonden, in stukken. Ook de onderstellen en de koperen zee, die in het huis van Yahweh stond, braken zij in stukken. Zij namen het koper daarvan mee naar Babel.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַמּוּדֵ֨י
(amudei)
pilaren van
הַנְּחֹ֜שֶׁת
(hanechoshet)
het koper
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בֵּית
(beit)
huis van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמְּכֹנ֞וֹת
(hamekhonot)
de onderstellen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יָ֧ם
(yam)
zee van
הַנְּחֹ֛שֶׁת
(hanechoshet)
het koper
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּבֵית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
שִׁבְּר֣וּ
(shiberu)
braken
כַשְׂדִּ֑ים
(kasdim)
Chaldeeën
וַיִּשְׂא֥וּ
(vayisu)
en zij namen
אֶת
(et)
(obj.)
נְחֻשְׁתָּ֖ם
(nechushtam)
hun koper
בָּבֶֽלָה
(bavela)
naar Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
De pilaren (1 Kon. 7:15–22), de onderstellen (1 Kon. 7:27–37) en de zee (1 Kon. 7:23–26) maakte Hiram voor Salomo.
17De ene pilaar was 18 el hoog. Het kapiteel erop was van koper. Het kapiteel was 3 el hoog. Rondom het kapiteel zaten een netwerk en granaatappels. Alles was van koper. Zo was ook de tweede pilaar, met het netwerk.
שְׁמֹנֶה֩
(shemone)
acht
עֶשְׂרֵ֨ה
(esre)
tien
אַמָּ֜ה
(ama)
el
קוֹמַ֣ת
(qomat)
hoogte van
הָעַמּ֣וּד
(haamud)
de pilaar
הָאֶחָ֗ד
(haechad)
de ene
וְכֹתֶ֨רֶת
(vekhoteret)
en kapiteel van
עָלָ֥יו
(alav)
erop
נְחֹשֶׁת֮
(nechoshet)
koper
וְקוֹמַ֣ת
(veqomat)
en hoogte van
הַכֹּתֶרֶת֮
(hakoteret)
het kapiteel
שָׁלֹ֣שׁ
(shalosh)
drie
אַמּוֹת֒
(amot)
el
וּשְׂבָכָ֨ה
(usevakha)
en netwerk
וְרִמֹּנִ֧ים
(verimonim)
en granaatappels
עַֽל
(al)
op
הַכֹּתֶ֛רֶת
(hakoteret)
het kapiteel
סָבִ֖יב
(saviv)
rondom
הַכֹּ֣ל
(hakol)
alles
נְחֹ֑שֶׁת
(nechoshet)
koper
וְכָאֵ֛לֶּה
(vekhaele)
en zoals deze
לַֽעַמּ֥וּד
(laamud)
voor de pilaar
הַשֵּׁנִ֖י
(hasheni)
de tweede
עַל
(al)
op
הַשְּׂבָכָֽה
(hasevakha)
het netwerk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De pilaar was 18 el hoog (zoals 1 Kon. 7:15).
Het kapiteel is hier 3 el hoog; in 1 Kon. 7:16 is het 5 el.
Wij laten beide getallen staan.
In Jer. 52:22 staat ook 5 el.
Een el is ongeveer 45 cm: 18 el is ongeveer 8 meter, 3 el ongeveer 1,35 meter.
Lezing
Bij ‘3 el’ heeft het geschreven woord (ketiv) het enkelvoud אמה, het qere het meervoud אַמּוֹת.
19Uit de stad nam hij een hofdienaar, die bevelhebber was over de krijgsmannen. Hij nam ook vijf mannen die het gezicht van de koning zagen en die in de stad gevonden werden. Hij nam ook de schrijver van de legeroverste. Die riep het volk van het land voor het leger op. Ook nam hij 60 man van het volk van het land die in de stad gevonden werden.
וּמִן
(umin)
en uit
הָעִ֡יר
(hair)
de stad
לָקַח֩
(laqach)
hij nam
סָרִ֨יס
(saris)
hofdienaar
אֶחָ֜ד
(echad)
één
אֲֽשֶׁר
(asher)
die
ה֥וּא
(hu)
hij
פָקִ֣יד
(paqid)
bevelhebber
עַל
(al)
over
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
הַמִּלְחָמָ֗ה
(hamilchama)
de oorlog
וַחֲמִשָּׁ֨ה
(vachamisha)
en vijf
אֲנָשִׁ֜ים
(anashim)
mannen
מֵרֹאֵ֤י
(meroei)
die zien
פְנֵֽי
(penei)
het gezicht van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נִמְצְא֣וּ
(nimtseu)
werden gevonden
בָעִ֔יר
(bair)
in de stad
וְאֵ֗ת
(veet)
en (obj.)
הַסֹּפֵר֙
(hasofer)
de schrijver
שַׂ֣ר
(sar)
overste van
הַצָּבָ֔א
(hatsava)
het leger
הַמַּצְבִּ֖א
(hamatsbi)
die opriep
אֶת
(et)
(obj.)
עַ֣ם
(am)
het volk van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְשִׁשִּׁ֥ים
(veshishim)
en zestig
אִישׁ֙
(ish)
man
מֵעַ֣ם
(meam)
uit het volk van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
הַֽנִּמְצְאִ֖ים
(hanimtseim)
die gevonden werden
בָּעִֽיר
(bair)
in de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רֹאֵי פְנֵי הַמֶּלֶךְ (roei penei hamelekh), ‘die het gezicht van de koning zagen’: de mannen die tot de naaste omgeving van de koning hoorden en toegang tot hem hadden.
הַסֹּפֵר שַׂר הַצָּבָא (hasofer sar hatsava): ‘de schrijver van de legeroverste’ of ‘de schrijver, de legeroverste’. Wij volgen de eerste lezing. Hij riep het volk van het land op voor het leger.
22Het volk dat in het land Juda was overgebleven, had Nebukadnezar, de koning van Babel, laten blijven. Over hen stelde hij Gedalja aan, de zoon van Achikam, de zoon van Safan.
וְהָעָ֗ם
(vehaam)
en het volk
הַנִּשְׁאָר֙
(hanishar)
dat overbleef
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הִשְׁאִ֔יר
(hishir)
liet overblijven
נְבֽוּכַדְנֶאצַּ֖ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֑ל
(bavel)
Babel
וַיַּפְקֵ֣ד
(vayafqed)
en hij stelde aan
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
over hen
אֶת
(et)
(obj.)
גְּדַלְיָ֖הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיקָ֥ם
(achiqam)
Achikam
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁפָֽן
(shafan)
Safan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
Gedalja was de zoon van Achikam, de zoon van Safan.
Achikam en Safan komen voor in 2 Kon. 22:3 en 22:12 (de tijd van Josia).
23Alle legeroversten, zij en hun mannen, hoorden dat de koning van Babel Gedalja had aangesteld. Zij kwamen naar Gedalja in Mizpa: Jisjmaël, de zoon van Netanja, Jochanan, de zoon van Kareach, Seraja, de zoon van Tanchumet, de Netofatiet, en Jaäzanja, de zoon van de Maächatiet, zij en hun mannen.
וַיִּשְׁמְעוּ֩
(vayishmeu)
en zij hoorden
כָל
(kal)
alle
שָׂרֵ֨י
(sarei)
oversten van
הַחֲיָלִ֜ים
(hachayalim)
de troepen
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
וְהָאֲנָשִׁ֗ים
(vehaanashim)
en de mannen
כִּֽי
(ki)
dat
הִפְקִ֤יד
(hifqid)
had aangesteld
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
אֶת
(et)
(obj.)
גְּדַלְיָ֔הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
וַיָּבֹ֥אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
גְּדַלְיָ֖הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
הַמִּצְפָּ֑ה
(hamitspa)
naar Mizpa
וְיִשְׁמָעֵ֣אל
(veyishmael)
en Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
נְתַנְיָ֡ה
(netanya)
Netanja
וְיוֹחָנָ֣ן
(veyochanan)
en Jochanan
בֶּן
(ben)
zoon van
קָ֠רֵחַ
(qareach)
Kareach
וּשְׂרָיָ֨ה
(useraya)
en Seraja
בֶן
(ben)
zoon van
תַּנְחֻ֜מֶת
(tanchumet)
Tanchumet
הַנְּטֹפָתִ֗י
(hanetofati)
de Netofatiet
וְיַֽאֲזַנְיָ֨הוּ֙
(veyaazanyahu)
en Jaäzanja
בֶּן
(ben)
zoon van
הַמַּ֣עֲכָתִ֔י
(hamaakhati)
de Maächatiet
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
וְאַנְשֵׁיהֶֽם
(veansheihem)
en hun mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Mizpa lag in het gebied van Benjamin, ten noorden van Jeruzalem; vaak wordt gedacht aan Tell en-Nasbeh (Westelijke Jordaanoever).
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
יִשְׁמָעֵאל (yishmael), ‘Jisjmaël’: dezelfde letters als ‘Ismaël’, de zoon van Abraham.
Wij schrijven hier ‘Jisjmaël’ om deze man van hem te onderscheiden.
24Gedalja zwoer hun en hun mannen een eed. Hij zei tegen hen: „Wees niet bang voor de dienaren van de Chaldeeën. Blijf in het land en dien de koning van Babel. Dan zal het goed met jullie gaan.”
וַיִּשָּׁבַ֨ע
(vayishava)
en hij zwoer
לָהֶ֤ם
(lahem)
aan hen
גְּדַלְיָ֨הוּ֙
(gedalyahu)
Gedalja
וּלְאַנְשֵׁיהֶ֔ם
(uleansheihem)
en aan hun mannen
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָהֶ֔ם
(lahem)
tot hen
אַל
(al)
niet
תִּֽירְא֖וּ
(tireu)
wees bang
מֵעַבְדֵ֣י
(meavdei)
voor de dienaren van
הַכַּשְׂדִּ֑ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
שְׁב֣וּ
(shevu)
blijf
בָאָ֗רֶץ
(baarets)
in het land
וְעִבְד֛וּ
(veivdu)
en dien
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
וְיִטַ֥ב
(veyitav)
en het zal goed zijn
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
עַבְדֵי הַכַּשְׂדִּים (avdei hakasdim), ‘dienaren van de Chaldeeën’: de ambtenaren van de koning van Babel in het land.
25In de zevende maand kwam Jisjmaël, de zoon van Netanja, de zoon van Elisjama, uit het koninklijk nageslacht, met tien man. Zij sloegen Gedalja neer en hij stierf. Ook de Judeeërs en de Chaldeeën die bij hem in Mizpa waren, sloegen zij neer.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַשְּׁבִיעִ֗י
(hashevii)
de zevende
בָּ֣א
(ba)
kwam
יִשְׁמָעֵ֣אל
(yishmael)
Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
נְ֠תַנְיָה
(netanya)
Netanja
בֶּן
(ben)
zoon van
אֱלִ֨ישָׁמָ֜ע
(elishama)
Elisjama
מִזֶּ֣רַע
(mizera)
uit het nageslacht van
הַמְּלוּכָ֗ה
(hamelukha)
het koningschap
וַעֲשָׂרָ֤ה
(vaasara)
en tien
אֲנָשִׁים֙
(anashim)
mannen
אִתּ֔וֹ
(ito)
met hem
וַיַּכּ֥וּ
(vayaku)
en zij sloegen
אֶת
(et)
(obj.)
גְּדַלְיָ֖הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
וַיָּמֹ֑ת
(vayamot)
en hij stierf
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַיְּהוּדִים֙
(hayehudim)
de Judeeërs
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכַּשְׂדִּ֔ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
אֲשֶׁר
(asher)
die
הָי֥וּ
(hayu)
waren
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
בַּמִּצְפָּֽה
(bamitspa)
in Mizpa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.
Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.
In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.
Uitleg
מִזֶּרַע הַמְּלוּכָה (mizzera hamelukhah), ‘uit het koninklijk nageslacht’: Jisjmaël stamde uit het koningshuis van David.
Zie Jer. 41:1–3.
הַיְּהוּדִים (hayehudim), ‘de Judeeërs’: de mensen uit Juda. In de tekst gaat het om degenen die bij Gedalja waren.
27Het was in het 37e jaar van de ballingschap van Jojachin, de koning van Juda. In de twaalfde maand, op de 27e van de maand, verhief Evil-Merodach, de koning van Babel, het hoofd van Jojachin, de koning van Juda. Hij haalde hem uit de gevangenis. Dat was in het jaar waarin hij koning werd.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
בִשְׁלֹשִׁ֨ים
(bishloshim)
in dertig
וָשֶׁ֜בַע
(vasheva)
en zeven
שָׁנָ֗ה
(shana)
jaar
לְגָלוּת֙
(legalut)
van de ballingschap van
יְהוֹיָכִ֣ין
(yehoyakhin)
Jojachin
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
בִּשְׁנֵ֤ים
(bishneim)
in twee
עָשָׂר֙
(asar)
tien
חֹ֔דֶשׁ
(chodesh)
maand
בְּעֶשְׂרִ֥ים
(beesrim)
op twintig
וְשִׁבְעָ֖ה
(veshiva)
en zeven
לַחֹ֑דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
נָשָׂ֡א
(nasa)
verhief
אֱוִ֣יל
(evil)
Evil
מְרֹדַךְ֩
(merodakh)
Merodach
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֜ל
(bavel)
Babel
בִּשְׁנַ֣ת
(bishnat)
in het jaar van
מָלְכ֗וֹ
(malekho)
zijn koningschap
אֶת
(et)
(obj.)
רֹ֛אשׁ
(rosh)
het hoofd van
יְהוֹיָכִ֥ין
(yehoyakhin)
Jojachin
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
uit het huis van
כֶּֽלֶא
(kele)
de gevangenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
נָשָׂא אֶת־רֹאשׁ (nasa et rosh), ‘het hoofd verheffen’: iemand uit de gevangenis halen en eer bewijzen.
Het staat ook in Gen. 40:13 en 40:20.
בִּשְׁנַת מָלְכוֹ (bishnat malkho), ‘in het jaar van zijn koningschap’: wij vertalen ‘in het jaar waarin hij koning werd’.
Zie voor deze afsluiting ook Jer. 52:31–34. Daar staat een andere dag van de maand.