Elohim Bijbel

2 Koningen 25

12345678910111213141516171819202122232425

De val van Jeruzalem

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het beleg van Jeruzalem

1Het was in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand. Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam met heel zijn leger tegen Jeruzalem. Hij sloeg een kamp op tegen de stad. Zij bouwden een belegeringswal rondom haar.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
בִשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar
הַתְּשִׁיעִ֜ית
(hateshiit)
het negende
לְמָלְכ֗וֹ
(lemalekho)
van zijn regering
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הָעֲשִׂירִי֮
(haasiri)
de tiende
בֶּעָשׂ֣וֹר
(beasor)
op de tiende
לַחֹדֶשׁ֒
(lachodesh)
van de maand
בָּ֠א
(ba)
kwam
נְבֻכַדְנֶאצַּ֨ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֜ל
(bavel)
Babel
ה֧וּא
(hu)
hij
וְכָל
(vekhal)
en heel
חֵיל֛וֹ
(cheilo)
zijn leger
עַל
(al)
tegen
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וַיִּ֣חַן
(vayichan)
en hij sloeg een kamp op
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
tegen haar
וַיִּבְנ֥וּ
(vayivnu)
en zij bouwden
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
tegen haar
דָּיֵ֥ק
(dayeq)
belegeringswal
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

‘Zijn regering’ is de regering van Zedekia (2 Kon. 24:18–20).

דָּיֵק (dayeq), ‘belegeringswal’: een wal of aarden hoogte rondom een stad om haar af te sluiten. Het woord staat ook in Ezech. 4:2.

De tiende dag van de tiende maand staat ook in Jer. 52:4.

2De stad bleef onder belegering tot het elfde jaar van koning Zedekia.
וַתָּבֹ֥א
(vatavo)
en kwam
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
בַּמָּצ֑וֹר
(bamatsor)
onder belegering
עַ֚ד
(ad)
tot
עַשְׁתֵּ֣י
(ashtei)
een
עֶשְׂרֵ֣ה
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לַמֶּ֖לֶךְ
(lamelekh)
van de koning
צִדְקִיָּֽהוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Op de negende van de maand werd de honger sterk in de stad. Er was geen brood voor het volk van het land.
בְּתִשְׁעָ֣ה
(betisha)
op de negende
לַחֹ֔דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
וַיֶּחֱזַ֥ק
(vayechezaq)
en werd sterk
הָרָעָ֖ב
(haraav)
de honger
בָּעִ֑יר
(bair)
in de stad
וְלֹא
(velo)
en niet
הָ֥יָה
(haya)
was
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
לְעַ֥ם
(leam)
voor het volk van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De maand wordt niet genoemd: er staat alleen ‘op de negende van de maand’.

In Jer. 52:6 staat ‘de vierde maand’.

De vlucht en de straf van Zedekia

4De stad werd opengebroken. ’s Nachts vluchtten alle krijgsmannen langs de weg van de poort tussen de twee muren, bij de tuin van de koning. De Chaldeeën lagen rondom de stad. De koning ging langs de weg van de Araba.
וַתִּבָּקַ֣ע
(vatibaqa)
en werd opengebroken
הָעִ֗יר
(hair)
de stad
וְכָל
(vekhal)
en alle
אַנְשֵׁ֨י
(anshei)
mannen van
הַמִּלְחָמָ֤ה
(hamilchama)
de oorlog
הַלַּ֨יְלָה֙
(halayla)
de nacht
דֶּ֜רֶךְ
(derekh)
weg van
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
הַחֹמֹתַ֗יִם
(hachomotayim)
de twee muren
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
עַל
(al)
bij
גַּ֣ן
(gan)
tuin van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְכַשְׂדִּ֥ים
(vekhasdim)
en Chaldeeën
עַל
(al)
bij
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
סָבִ֑יב
(saviv)
rondom
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
דֶּ֥רֶךְ
(derekh)
weg van
הָעֲרָבָֽה
(haarava)
de Araba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Araba (הָעֲרָבָה, ha’aravah) is het diepe dal van de Jordaan en de Zoutzee, dat doorloopt naar het zuiden.

De tuin van de koning lag waarschijnlijk in het zuiden van de stad, bij de vijver van Siloam.

De poort tussen de twee muren is niet met zekerheid aan te wijzen.

Zie Poort tussen de twee muren (ligging onzeker): De poort tussen de twee muren lag in de zuidelijke stadsmuur van Jeruzalem, bij de tuin van de koning.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Tuin van de koning (ligging onzeker): De tuin van de koning lag in het zuiden van Jeruzalem, waarschijnlijk bij de vijver van Siloam.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.

Uitleg

Het werkwoord ‘vluchtten’ staat niet in het Hebreeuws: er staat alleen ‘alle krijgsmannen, ’s nachts, langs de weg van de poort’.

Wij vullen het aan uit de samenhang.

Ook ‘de koning’ staat er niet bij ‘ging’; wij voegen het toe voor de duidelijkheid.

Vers 5 laat zien dat de koning bedoeld is.

5Het leger van de Chaldeeën achtervolgde de koning. Zij haalden hem in op de vlakten van Jericho. Heel zijn leger was van hem weg verspreid.
וַיִּרְדְּפ֤וּ
(vayirdefu)
en zij achtervolgden
חֵיל
(cheil)
leger van
כַּשְׂדִּים֙
(kasdim)
Chaldeeën
אַחַ֣ר
(achar)
achter
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיַּשִּׂ֥גוּ
(vayasigu)
en zij haalden in
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
בְּעַרְב֣וֹת
(bearvot)
op de vlakten van
יְרֵח֑וֹ
(yerecho)
Jericho
וְכָל
(vekhal)
en heel
חֵיל֔וֹ
(cheilo)
zijn leger
נָפֹ֖צוּ
(nafotsu)
was verspreid
מֵעָלָֽיו
(mealav)
van hem weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De vlakten van Jericho (עַרְבוֹת יְרֵחוֹ, arvot Yerecho) liggen in het Jordaandal bij Jericho, ten oosten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).

Dat is dus de weg naar de Jordaan.

Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.

Zie Vlakten van Jericho: De vlakten van Jericho zijn het lage land langs de Jordaan bij Jericho.

6Zij grepen de koning en brachten hem naar de koning van Babel, naar Ribla. Daar spraken zij recht over hem uit.
וַֽיִּתְפְּשׂוּ֙
(vayitpesu)
en zij grepen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיַּעֲל֥וּ
(vayaalu)
en zij brachten omhoog
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
אֶל
(el)
naar
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
רִבְלָ֑תָה
(rivlata)
naar Ribla
וַיְדַבְּר֥וּ
(vaydaberu)
en zij spraken
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
מִשְׁפָּֽט
(mishpat)
recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ribla lag aan de Orontes, in het huidige Syrië, ten zuidwesten van Homs.

De precieze plaats is niet zeker.

Het lag in het land Chamat (vers 21).

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

דִּבֶּר מִשְׁפָּט (dibber mishpat), ‘recht uitspreken’: een rechtszaak met een vonnis.

De tekst zegt niet wat de aanklacht was.

7De zonen van Zedekia slachtten zij voor zijn ogen. De ogen van Zedekia maakte hij blind. Hij bond hem met koperen ketenen en bracht hem naar Babel.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנֵי֙
(benei)
zonen van
צִדְקִיָּ֔הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
שָׁחֲט֖וּ
(shachatu)
zij slachtten
לְעֵינָ֑יו
(leeinav)
voor zijn ogen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֵינֵ֤י
(einei)
ogen van
צִדְקִיָּ֨הוּ֙
(tsidqiyahu)
Zedekia
עִוֵּ֔ר
(iver)
hij maakte blind
וַיַּאַסְרֵ֨הוּ֙
(vayaasrehu)
en hij bond hem
בַֽנְחֻשְׁתַּ֔יִם
(banchushtayim)
met koperen ketenen
וַיְבִאֵ֖הוּ
(vayviehu)
en hij bracht hem
בָּבֶֽל
(bavel)
naar Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

Het werkwoord bij ‘maakte blind’ en de twee werkwoorden daarna staan in het enkelvoud: ‘hij’.

Wij nemen aan dat dit de koning van Babel is.

נְחֻשְׁתַּיִם (nechushtayim), ‘koperen ketenen’: de vorm is een tweetal, ‘dubbel koper’. Wij vertalen ‘koperen ketenen’.

De verwoesting van de stad en de tempel

8In de vijfde maand, op de zevende van de maand, kwam Nebuzaradan naar Jeruzalem. Hij was de bevelhebber van de lijfwacht, een dienaar van de koning van Babel. Dat was het negentiende jaar van koning Nebukadnezar, de koning van Babel.
וּבַחֹ֤דֶשׁ
(uvachodesh)
en in de maand
הַֽחֲמִישִׁי֙
(hachamishi)
de vijfde
בְּשִׁבְעָ֣ה
(beshiva)
op de zevende
לַחֹ֔דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הִ֗יא
(hi)
dat
שְׁנַת֙
(shenat)
jaar van
תְּשַֽׁע
(tesha)
negen
עֶשְׂרֵ֣ה
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לַמֶּ֖לֶךְ
(lamelekh)
van de koning
נְבֻכַדְנֶאצַּ֣ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֑ל
(bavel)
Babel
בָּ֞א
(ba)
kwam
נְבוּזַרְאֲדָ֧ן
(nevuzaradan)
Nebuzaradan
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִ֛ים
(tabachim)
de lijfwacht
עֶ֥בֶד
(eved)
dienaar van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

רַב טַבָּחִים (rav tabbachim), ‘bevelhebber van de lijfwacht’: letterlijk ‘oversten van de slachters’, de leider van de koninklijke lijfwacht.

Wij vertalen zoals in Gen. 37:36.

De zevende dag van de vijfde maand staat zo in de Masoretische tekst. In Jer. 52:12 staat de tiende dag.

9Hij verbrandde het huis van Yahweh, het huis van de koning en alle huizen van Jeruzalem. Ook elk groot huis verbrandde hij met vuur.
וַיִּשְׂרֹ֥ף
(vayisrof)
en hij verbrandde
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּית
(beit)
huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
בָּתֵּ֧י
(batei)
huizen van
יְרוּשָׁלִַ֛ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
elk
בֵּ֥ית
(beit)
huis
גָּד֖וֹל
(gadol)
groot
שָׂרַ֥ף
(saraf)
hij verbrandde
בָּאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

‘Het huis van Yahweh’ is de tempel die Salomo bouwde (1 Kon. 6; 8).

‘Het huis van de koning’ is het paleis (1 Kon. 7:1–12).

10Heel het leger van de Chaldeeën dat bij de bevelhebber van de lijfwacht was, brak de muren van Jeruzalem rondom af.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חוֹמֹ֥ת
(chomot)
muren van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
סָבִ֑יב
(saviv)
rondom
נָֽתְצוּ֙
(natetsu)
braken af
כָּל
(kal)
heel
חֵ֣יל
(cheil)
leger van
כַּשְׂדִּ֔ים
(kasdim)
Chaldeeën
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִֽים
(tabachim)
de lijfwacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

11Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, voerde de rest van het volk weg dat in de stad was achtergebleven. Ook voerde hij de overlopers weg die naar de koning van Babel waren overgelopen, en de rest van de menigte.
וְאֵת֩
(veet)
en (obj.)
יֶ֨תֶר
(yeter)
de rest van
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
הַנִּשְׁאָרִ֣ים
(hanisharim)
de achterblijvers
בָּעִ֗יר
(bair)
in de stad
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנֹּֽפְלִים֙
(hanofelim)
de overlopers
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
נָפְלוּ֙
(nafelu)
liepen over
עַל
(al)
naar
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
יֶ֣תֶר
(yeter)
de rest van
הֶהָמ֑וֹן
(hehamon)
de menigte
הֶגְלָ֕ה
(hegla)
voerde weg
נְבוּזַרְאֲדָ֖ן
(nevuzaradan)
Nebuzaradan
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִֽים
(tabachim)
de lijfwacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

הַנֹּפְלִים (hannofelim), ‘overlopers’: letterlijk ‘de gevallenen die gevallen zijn naar de koning van Babel’.

Dat zijn mensen die zich bij de koning van Babel hadden gevoegd.

12Van de armsten van het land liet de bevelhebber van de lijfwacht een deel achter, als wijngaardeniers en als akkerbouwers.
וּמִדַּלַּ֣ת
(umidalat)
en uit de armsten van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
הִשְׁאִ֖יר
(hishir)
liet achter
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִ֑ים
(tabachim)
de lijfwacht
לְכֹֽרְמִ֖ים
(lekhoremim)
als wijngaardeniers
וּלְיֹגְבִֽים
(uleyogevim)
en als akkerbouwers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כֹּרְמִים (kormim), ‘wijngaardeniers’, en יֹגְבִים (yogvim), ‘akkerbouwers’: de betekenis van het tweede woord is niet zeker.

Uit de samenhang gaat het om mensen die het land bewerken.

De voorwerpen van de tempel

13De Chaldeeën braken de koperen pilaren, die bij het huis van Yahweh stonden, in stukken. Ook de onderstellen en de koperen zee, die in het huis van Yahweh stond, braken zij in stukken. Zij namen het koper daarvan mee naar Babel.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַמּוּדֵ֨י
(amudei)
pilaren van
הַנְּחֹ֜שֶׁת
(hanechoshet)
het koper
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בֵּית
(beit)
huis van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמְּכֹנ֞וֹת
(hamekhonot)
de onderstellen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יָ֧ם
(yam)
zee van
הַנְּחֹ֛שֶׁת
(hanechoshet)
het koper
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּבֵית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
שִׁבְּר֣וּ
(shiberu)
braken
כַשְׂדִּ֑ים
(kasdim)
Chaldeeën
וַיִּשְׂא֥וּ
(vayisu)
en zij namen
אֶת
(et)
(obj.)
נְחֻשְׁתָּ֖ם
(nechushtam)
hun koper
בָּבֶֽלָה
(bavela)
naar Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

De pilaren (1 Kon. 7:15–22), de onderstellen (1 Kon. 7:27–37) en de zee (1 Kon. 7:23–26) maakte Hiram voor Salomo.

14Ook de potten, de scheppen, de snuitscharen, de schalen en alle koperen voorwerpen waarmee zij dienst deden, namen zij mee.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַסִּירֹ֨ת
(hasirot)
de potten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַיָּעִ֜ים
(hayaim)
de scheppen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַֽמְזַמְּר֣וֹת
(hamzamerot)
de snuitscharen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכַּפּ֗וֹת
(hakapot)
de schalen
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
כְּלֵ֧י
(kelei)
voorwerpen van
הַנְּחֹ֛שֶׁת
(hanechoshet)
het koper
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יְשָֽׁרְתוּ
(yesharetu)
zij deden dienst
בָ֖ם
(bam)
daarmee
לָקָֽחוּ
(laqachu)
zij namen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie voor deze voorwerpen 1 Kon. 7:40, 45 en 50.

Potten, scheppen en sprengschalen stonden al bij het koperen altaar (Exod. 27:3).

15Ook de vuurpannen en de sprengschalen nam de bevelhebber van de lijfwacht mee: wat geheel van goud was en wat geheel van zilver was.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמַּחְתּוֹת֙
(hamachtot)
de vuurpannen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּזְרָק֗וֹת
(hamizraqot)
de sprengschalen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
זָהָב֙
(zahav)
goud
זָהָ֔ב
(zahav)
geheel
וַאֲשֶׁר
(vaasher)
en die
כֶּ֖סֶף
(kesef)
zilver
כָּ֑סֶף
(kasef)
geheel
לָקַ֖ח
(laqach)
nam
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִֽים
(tabachim)
de lijfwacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De herhaling ‘goud, goud’ en ‘zilver, zilver’ benadrukt dat het voorwerp helemaal van dat metaal was.

Wij vertalen ‘geheel van goud’ en ‘geheel van zilver’.

מַחְתּוֹת (machtot), ‘vuurpannen’, en מִזְרָקוֹת (mizraqot), ‘sprengschalen’: zie 1 Kon. 7:50.

16Salomo had voor het huis van Yahweh de twee pilaren, de ene zee en de onderstellen gemaakt. Het koper van al deze voorwerpen was niet te wegen.
הָעַמּוּדִ֣ים
(haamudim)
de pilaren
שְׁנַ֗יִם
(shenayim)
twee
הַיָּ֤ם
(hayam)
de zee
הָֽאֶחָד֙
(haechad)
de ene
וְהַמְּכֹנ֔וֹת
(vehamekhonot)
en de onderstellen
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשָׂ֥ה
(asa)
maakte
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
לְבֵ֣ית
(leveit)
voor het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹא
(lo)
niet
הָיָ֣ה
(haya)
was
מִשְׁקָ֔ל
(mishqal)
gewicht
לִנְחֹ֖שֶׁת
(linchoshet)
voor het koper van
כָּל
(kal)
alle
הַכֵּלִ֥ים
(hakelim)
de voorwerpen
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Het koper was niet te wegen’: zo ook 1 Kon. 7:47.

Het was te veel om te wegen.

Zie ook1 Kon 7:47
17De ene pilaar was 18 el hoog. Het kapiteel erop was van koper. Het kapiteel was 3 el hoog. Rondom het kapiteel zaten een netwerk en granaatappels. Alles was van koper. Zo was ook de tweede pilaar, met het netwerk.
שְׁמֹנֶה֩
(shemone)
acht
עֶשְׂרֵ֨ה
(esre)
tien
אַמָּ֜ה
(ama)
el
קוֹמַ֣ת
(qomat)
hoogte van
הָעַמּ֣וּד
(haamud)
de pilaar
הָאֶחָ֗ד
(haechad)
de ene
וְכֹתֶ֨רֶת
(vekhoteret)
en kapiteel van
עָלָ֥יו
(alav)
erop
נְחֹשֶׁת֮
(nechoshet)
koper
וְקוֹמַ֣ת
(veqomat)
en hoogte van
הַכֹּתֶרֶת֮
(hakoteret)
het kapiteel
שָׁלֹ֣שׁ
(shalosh)
drie
אַמּוֹת֒
(amot)
el
וּשְׂבָכָ֨ה
(usevakha)
en netwerk
וְרִמֹּנִ֧ים
(verimonim)
en granaatappels
עַֽל
(al)
op
הַכֹּתֶ֛רֶת
(hakoteret)
het kapiteel
סָבִ֖יב
(saviv)
rondom
הַכֹּ֣ל
(hakol)
alles
נְחֹ֑שֶׁת
(nechoshet)
koper
וְכָאֵ֛לֶּה
(vekhaele)
en zoals deze
לַֽעַמּ֥וּד
(laamud)
voor de pilaar
הַשֵּׁנִ֖י
(hasheni)
de tweede
עַל
(al)
op
הַשְּׂבָכָֽה
(hasevakha)
het netwerk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De pilaar was 18 el hoog (zoals 1 Kon. 7:15).

Het kapiteel is hier 3 el hoog; in 1 Kon. 7:16 is het 5 el.

Wij laten beide getallen staan.

In Jer. 52:22 staat ook 5 el.

Een el is ongeveer 45 cm: 18 el is ongeveer 8 meter, 3 el ongeveer 1,35 meter.

Lezing

Bij ‘3 el’ heeft het geschreven woord (ketiv) het enkelvoud אמה, het qere het meervoud אַמּוֹת.

De betekenis is gelijk.

De leiders worden naar Ribla gebracht

18De bevelhebber van de lijfwacht nam Seraja gevangen, de hoofdpriester, en Sefanja, de tweede priester, en de drie bewakers van de drempel.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִ֗ים
(tabachim)
de lijfwacht
אֶת
(et)
(obj.)
שְׂרָיָה֙
(seraya)
Seraja
כֹּהֵ֣ן
(kohen)
priester
הָרֹ֔אשׁ
(harosh)
het hoofd
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
צְפַנְיָ֖הוּ
(tsefanyahu)
Sefanja
כֹּהֵ֣ן
(kohen)
priester
מִשְׁנֶ֑ה
(mishne)
tweede
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׁלֹ֖שֶׁת
(sheloshet)
drie
שֹׁמְרֵ֥י
(shomerei)
bewakers van
הַסַּֽף
(hasaf)
de drempel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כֹּהֵן הָרֹאשׁ (kohen harosh), ‘hoofdpriester’: letterlijk ‘priester van het hoofd’.

Het is waarschijnlijk dezelfde functie als de ‘hogepriester’ in 2 Kon. 22:4.

Seraja was de vader van Jehozadak, die in ballingschap ging (1 Kron. 5:40–41).

כֹּהֵן מִשְׁנֶה (kohen mishneh), ‘tweede priester’: de plaatsvervanger van de hoofdpriester.

שֹׁמְרֵי הַסַּף (shomrei hasaf), ‘bewakers van de drempel’: zie ook 2 Kon. 22:4.

19Uit de stad nam hij een hofdienaar, die bevelhebber was over de krijgsmannen. Hij nam ook vijf mannen die het gezicht van de koning zagen en die in de stad gevonden werden. Hij nam ook de schrijver van de legeroverste. Die riep het volk van het land voor het leger op. Ook nam hij 60 man van het volk van het land die in de stad gevonden werden.
וּמִן
(umin)
en uit
הָעִ֡יר
(hair)
de stad
לָקַח֩
(laqach)
hij nam
סָרִ֨יס
(saris)
hofdienaar
אֶחָ֜ד
(echad)
één
אֲֽשֶׁר
(asher)
die
ה֥וּא
(hu)
hij
פָקִ֣יד
(paqid)
bevelhebber
עַל
(al)
over
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
הַמִּלְחָמָ֗ה
(hamilchama)
de oorlog
וַחֲמִשָּׁ֨ה
(vachamisha)
en vijf
אֲנָשִׁ֜ים
(anashim)
mannen
מֵרֹאֵ֤י
(meroei)
die zien
פְנֵֽי
(penei)
het gezicht van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נִמְצְא֣וּ
(nimtseu)
werden gevonden
בָעִ֔יר
(bair)
in de stad
וְאֵ֗ת
(veet)
en (obj.)
הַסֹּפֵר֙
(hasofer)
de schrijver
שַׂ֣ר
(sar)
overste van
הַצָּבָ֔א
(hatsava)
het leger
הַמַּצְבִּ֖א
(hamatsbi)
die opriep
אֶת
(et)
(obj.)
עַ֣ם
(am)
het volk van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְשִׁשִּׁ֥ים
(veshishim)
en zestig
אִישׁ֙
(ish)
man
מֵעַ֣ם
(meam)
uit het volk van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
הַֽנִּמְצְאִ֖ים
(hanimtseim)
die gevonden werden
בָּעִֽיר
(bair)
in de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֹאֵי פְנֵי הַמֶּלֶךְ (roei penei hamelekh), ‘die het gezicht van de koning zagen’: de mannen die tot de naaste omgeving van de koning hoorden en toegang tot hem hadden.

הַסֹּפֵר שַׂר הַצָּבָא (hasofer sar hatsava): ‘de schrijver van de legeroverste’ of ‘de schrijver, de legeroverste’. Wij volgen de eerste lezing. Hij riep het volk van het land op voor het leger.

In Jer. 52:25 staat een ander getal dan ‘vijf’.

20Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, nam hen mee en bracht hen naar de koning van Babel, naar Ribla.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
נְבוּזַרְאֲדָ֖ן
(nevuzaradan)
Nebuzaradan
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִ֑ים
(tabachim)
de lijfwacht
וַיֹּ֧לֶךְ
(vayolekh)
en hij leidde
אֹתָ֛ם
(otam)
hen
עַל
(al)
naar
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
רִבְלָֽתָה
(rivlata)
naar Ribla
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Ribla (Ribleh): Ribla lag aan de Orontes, in het land Hamat, bij het huidige Ribleh.

Farao Necho en later Nebukadnezar hadden daar hun hoofdkwartier.

21De koning van Babel sloeg hen neer en doodde hen in Ribla, in het land Chamat. En Juda werd van zijn grond weggevoerd.
וַיַּ֣ךְ
(vayakh)
en hij sloeg
אֹתָם֩
(otam)
hen
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֧ל
(bavel)
Babel
וַיְמִיתֵ֛ם
(vaymitem)
en hij doodde hen
בְּרִבְלָ֖ה
(berivla)
in Ribla
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
חֲמָ֑ת
(chamat)
Chamat
וַיִּ֥גֶל
(vayigel)
en werd weggevoerd
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
מֵעַ֥ל
(meal)
van op
אַדְמָתֽוֹ
(admato)
zijn grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Chamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

Ribla lag in het gebied van Chamat (vers 6).

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

Uitleg

‘Juda werd van zijn grond weggevoerd’: dezelfde woorden staan in 2 Kon. 17:23 over Israël.

Gedalja wordt aangesteld

22Het volk dat in het land Juda was overgebleven, had Nebukadnezar, de koning van Babel, laten blijven. Over hen stelde hij Gedalja aan, de zoon van Achikam, de zoon van Safan.
וְהָעָ֗ם
(vehaam)
en het volk
הַנִּשְׁאָר֙
(hanishar)
dat overbleef
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הִשְׁאִ֔יר
(hishir)
liet overblijven
נְבֽוּכַדְנֶאצַּ֖ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֑ל
(bavel)
Babel
וַיַּפְקֵ֣ד
(vayafqed)
en hij stelde aan
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
over hen
אֶת
(et)
(obj.)
גְּדַלְיָ֖הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיקָ֥ם
(achiqam)
Achikam
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁפָֽן
(shafan)
Safan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

Gedalja was de zoon van Achikam, de zoon van Safan.

Achikam en Safan komen voor in 2 Kon. 22:3 en 22:12 (de tijd van Josia).

23Alle legeroversten, zij en hun mannen, hoorden dat de koning van Babel Gedalja had aangesteld. Zij kwamen naar Gedalja in Mizpa: Jisjmaël, de zoon van Netanja, Jochanan, de zoon van Kareach, Seraja, de zoon van Tanchumet, de Netofatiet, en Jaäzanja, de zoon van de Maächatiet, zij en hun mannen.
וַיִּשְׁמְעוּ֩
(vayishmeu)
en zij hoorden
כָל
(kal)
alle
שָׂרֵ֨י
(sarei)
oversten van
הַחֲיָלִ֜ים
(hachayalim)
de troepen
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
וְהָאֲנָשִׁ֗ים
(vehaanashim)
en de mannen
כִּֽי
(ki)
dat
הִפְקִ֤יד
(hifqid)
had aangesteld
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
אֶת
(et)
(obj.)
גְּדַלְיָ֔הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
וַיָּבֹ֥אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
גְּדַלְיָ֖הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
הַמִּצְפָּ֑ה
(hamitspa)
naar Mizpa
וְיִשְׁמָעֵ֣אל
(veyishmael)
en Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
נְתַנְיָ֡ה
(netanya)
Netanja
וְיוֹחָנָ֣ן
(veyochanan)
en Jochanan
בֶּן
(ben)
zoon van
קָ֠רֵחַ
(qareach)
Kareach
וּשְׂרָיָ֨ה
(useraya)
en Seraja
בֶן
(ben)
zoon van
תַּנְחֻ֜מֶת
(tanchumet)
Tanchumet
הַנְּטֹפָתִ֗י
(hanetofati)
de Netofatiet
וְיַֽאֲזַנְיָ֨הוּ֙
(veyaazanyahu)
en Jaäzanja
בֶּן
(ben)
zoon van
הַמַּ֣עֲכָתִ֔י
(hamaakhati)
de Maächatiet
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
וְאַנְשֵׁיהֶֽם
(veansheihem)
en hun mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Mizpa lag in het gebied van Benjamin, ten noorden van Jeruzalem; vaak wordt gedacht aan Tell en-Nasbeh (Westelijke Jordaanoever).

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

יִשְׁמָעֵאל (yishmael), ‘Jisjmaël’: dezelfde letters als ‘Ismaël’, de zoon van Abraham.

Wij schrijven hier ‘Jisjmaël’ om deze man van hem te onderscheiden.

Zie Jer. 40:8–16 voor dezelfde lijst van namen.

24Gedalja zwoer hun en hun mannen een eed. Hij zei tegen hen: „Wees niet bang voor de dienaren van de Chaldeeën. Blijf in het land en dien de koning van Babel. Dan zal het goed met jullie gaan.”
וַיִּשָּׁבַ֨ע
(vayishava)
en hij zwoer
לָהֶ֤ם
(lahem)
aan hen
גְּדַלְיָ֨הוּ֙
(gedalyahu)
Gedalja
וּלְאַנְשֵׁיהֶ֔ם
(uleansheihem)
en aan hun mannen
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָהֶ֔ם
(lahem)
tot hen
אַל
(al)
niet
תִּֽירְא֖וּ
(tireu)
wees bang
מֵעַבְדֵ֣י
(meavdei)
voor de dienaren van
הַכַּשְׂדִּ֑ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
שְׁב֣וּ
(shevu)
blijf
בָאָ֗רֶץ
(baarets)
in het land
וְעִבְד֛וּ
(veivdu)
en dien
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
וְיִטַ֥ב
(veyitav)
en het zal goed zijn
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

עַבְדֵי הַכַּשְׂדִּים (avdei hakasdim), ‘dienaren van de Chaldeeën’: de ambtenaren van de koning van Babel in het land.

De moord op Gedalja

25In de zevende maand kwam Jisjmaël, de zoon van Netanja, de zoon van Elisjama, uit het koninklijk nageslacht, met tien man. Zij sloegen Gedalja neer en hij stierf. Ook de Judeeërs en de Chaldeeën die bij hem in Mizpa waren, sloegen zij neer.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַשְּׁבִיעִ֗י
(hashevii)
de zevende
בָּ֣א
(ba)
kwam
יִשְׁמָעֵ֣אל
(yishmael)
Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
נְ֠תַנְיָה
(netanya)
Netanja
בֶּן
(ben)
zoon van
אֱלִ֨ישָׁמָ֜ע
(elishama)
Elisjama
מִזֶּ֣רַע
(mizera)
uit het nageslacht van
הַמְּלוּכָ֗ה
(hamelukha)
het koningschap
וַעֲשָׂרָ֤ה
(vaasara)
en tien
אֲנָשִׁים֙
(anashim)
mannen
אִתּ֔וֹ
(ito)
met hem
וַיַּכּ֥וּ
(vayaku)
en zij sloegen
אֶת
(et)
(obj.)
גְּדַלְיָ֖הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
וַיָּמֹ֑ת
(vayamot)
en hij stierf
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַיְּהוּדִים֙
(hayehudim)
de Judeeërs
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכַּשְׂדִּ֔ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
אֲשֶׁר
(asher)
die
הָי֥וּ
(hayu)
waren
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
בַּמִּצְפָּֽה
(bamitspa)
in Mizpa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.

Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.

Uitleg

מִזֶּרַע הַמְּלוּכָה (mizzera hamelukhah), ‘uit het koninklijk nageslacht’: Jisjmaël stamde uit het koningshuis van David.

Zie Jer. 41:1–3.

הַיְּהוּדִים (hayehudim), ‘de Judeeërs’: de mensen uit Juda. In de tekst gaat het om degenen die bij Gedalja waren.

26Heel het volk stond op, van klein tot groot, met de legeroversten. Zij gingen naar Egypte, want zij waren bang voor de Chaldeeën.
וַיָּקֻ֨מוּ
(vayaqumu)
en zij stonden op
כָל
(kal)
heel
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
מִקָּטֹ֤ן
(miqaton)
van klein
וְעַד
(vead)
en tot
גָּדוֹל֙
(gadol)
groot
וְשָׂרֵ֣י
(vesarei)
en oversten van
הַחֲיָלִ֔ים
(hachayalim)
de troepen
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en zij gingen
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
כִּ֥י
(ki)
want
יָרְא֖וּ
(yareu)
zij waren bang
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
voor
כַשְׂדִּֽים
(kasdim)
Chaldeeën
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Chaldeeën: De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.

Uitleg

Zie Deut. 28:68 voor een woord van Yahweh over een terugkeer naar Egypte.

Jojachin wordt vrijgelaten

27Het was in het 37e jaar van de ballingschap van Jojachin, de koning van Juda. In de twaalfde maand, op de 27e van de maand, verhief Evil-Merodach, de koning van Babel, het hoofd van Jojachin, de koning van Juda. Hij haalde hem uit de gevangenis. Dat was in het jaar waarin hij koning werd.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
בִשְׁלֹשִׁ֨ים
(bishloshim)
in dertig
וָשֶׁ֜בַע
(vasheva)
en zeven
שָׁנָ֗ה
(shana)
jaar
לְגָלוּת֙
(legalut)
van de ballingschap van
יְהוֹיָכִ֣ין
(yehoyakhin)
Jojachin
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
בִּשְׁנֵ֤ים
(bishneim)
in twee
עָשָׂר֙
(asar)
tien
חֹ֔דֶשׁ
(chodesh)
maand
בְּעֶשְׂרִ֥ים
(beesrim)
op twintig
וְשִׁבְעָ֖ה
(veshiva)
en zeven
לַחֹ֑דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
נָשָׂ֡א
(nasa)
verhief
אֱוִ֣יל
(evil)
Evil
מְרֹדַךְ֩
(merodakh)
Merodach
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֜ל
(bavel)
Babel
בִּשְׁנַ֣ת
(bishnat)
in het jaar van
מָלְכ֗וֹ
(malekho)
zijn koningschap
אֶת
(et)
(obj.)
רֹ֛אשׁ
(rosh)
het hoofd van
יְהוֹיָכִ֥ין
(yehoyakhin)
Jojachin
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
uit het huis van
כֶּֽלֶא
(kele)
de gevangenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

נָשָׂא אֶת־רֹאשׁ (nasa et rosh), ‘het hoofd verheffen’: iemand uit de gevangenis halen en eer bewijzen.

Het staat ook in Gen. 40:13 en 40:20.

בִּשְׁנַת מָלְכוֹ (bishnat malkho), ‘in het jaar van zijn koningschap’: wij vertalen ‘in het jaar waarin hij koning werd’.

Zie voor deze afsluiting ook Jer. 52:31–34. Daar staat een andere dag van de maand.

28Hij sprak vriendelijk met hem. Hij plaatste zijn troon boven de troon van de koningen die bij hem in Babel waren.
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en hij sprak
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
טֹב֑וֹת
(tovot)
goede dingen
וַיִּתֵּן֙
(vayiten)
en hij plaatste
אֶת
(et)
(obj.)
כִּסְא֔וֹ
(kiso)
zijn troon
מֵעַ֗ל
(meal)
boven
כִּסֵּ֧א
(kise)
de troon van
הַמְּלָכִ֛ים
(hamelakhim)
de koningen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
בְּבָבֶֽל
(bevavel)
in Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

טֹבוֹת (tovot), ‘goede dingen’: vriendelijke woorden.

29Jojachin verwisselde zijn gevangeniskleren. Hij at voortdurend brood voor het aangezicht van de koning, alle dagen van zijn leven.
וְשִׁנָּ֕א
(veshina)
en hij verwisselde
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
בִּגְדֵ֣י
(bigdei)
kleren van
כִלְא֑וֹ
(kilo)
zijn gevangenis
וְאָכַ֨ל
(veakhal)
en hij at
לֶ֧חֶם
(lechem)
brood
תָּמִ֛יד
(tamid)
voortdurend
לְפָנָ֖יו
(lefanav)
voor zijn aangezicht
כָּל
(kal)
alle
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
חַיָּֽיו
(chayav)
zijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In het Hebreeuws staat alleen ‘hij’.

Wij schrijven ‘Jojachin’ voor de duidelijkheid, omdat het vorige vers over de koning van Babel gaat.

Ook ‘de koning’ bij ‘aangezicht’ is onze verduidelijking: er staat ‘voor zijn aangezicht’.

30Zijn toelage, een voortdurende toelage, werd hem door de koning gegeven: elke dag het deel van die dag, alle dagen van zijn leven.
וַאֲרֻחָת֗וֹ
(vaaruchato)
en zijn toelage
אֲרֻחַ֨ת
(aruchat)
toelage van
תָּמִ֧יד
(tamid)
voortdurend
נִתְּנָה
(nitena)
werd gegeven
לּ֛וֹ
(lo)
aan hem
מֵאֵ֥ת
(meet)
van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דְּבַר
(devar)
het deel van
י֣וֹם
(yom)
de dag
בְּיוֹמ֑וֹ
(beyomo)
op zijn dag
כֹּ֖ל
(kol)
alle
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
חַיָּֽו
(chayav)
zijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲרֻחָה (aruchah), ‘toelage’: een vaste hoeveelheid voedsel of onderhoud.

Zie 1 Kron. 3:17–24 voor de nakomelingen van Jojachin.