Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het woord van Yahweh door Haggai
1In het tweede jaar van koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van de maand, kwam het woord van Yahweh door Haggai, de profeet. Het kwam tot Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, de landvoogd van Juda, en tot Jozua, de zoon van Jehozadak, de hogepriester:
בִּשְׁנַ֤ת
(bishnat)
in het jaar van
שְׁתַּ֨יִם֙
(shetayim)
twee
לְדָרְיָ֣וֶשׁ
(ledareyavesh)
van Darius
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בַּחֹ֨דֶשׁ֙
(bachodesh)
in de maand
הַשִּׁשִּׁ֔י
(hashishi)
de zesde
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag
אֶחָ֖ד
(echad)
een
לַחֹ֑דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הָיָ֨ה
(haya)
kwam
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
חַגַּ֣י
(chagay)
Haggai
הַנָּבִ֗יא
(hanavi)
de profeet
אֶל
(el)
tot
זְרֻבָּבֶ֤ל
(zerubavel)
Zerubbabel
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁאַלְתִּיאֵל֙
(shealtiel)
Sjealtiël
פַּחַ֣ת
(pachat)
landvoogd van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וְאֶל
(veel)
en tot
יְהוֹשֻׁ֧עַ
(yehoshua)
Jozua
בֶּן
(ben)
zoon van
יְהוֹצָדָ֛ק
(yehotsadaq)
Jehozadak
הַכֹּהֵ֥ן
(hakohen)
de priester
הַגָּד֖וֹל
(hagadol)
de grote
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַגַּי (Chaggai), ‘Haggai’: de naam hangt samen met חַג (chag), ‘feest’ (uit het geheugen, niet gecontroleerd).
Haggai was profeet in de tijd na de terugkeer uit de ballingschap.
Zie ook Ezra 5:1 en 6:14.
דָּרְיָוֶשׁ (Daryavesh), ‘Darius’: Darius I, koning van Perzië. Zijn tweede jaar wordt gewoonlijk gerekend als 520 v.Chr. (uit het geheugen, niet gecontroleerd). Zie ook Ezra 4:24 en Zach. 1:1. De zesde maand is Elloel, ongeveer augustus–september. Het boek noemt vijf data: 1:1, 1:15, 2:1, 2:10 en 2:20.
פַּחַת יְהוּדָה (pachat Yehudah), ‘landvoogd van Juda’: een Perzische ambtenaar die een gebied bestuurt, zoals in Ezra 5:14. Zerubbabel heet hier en in Ezra 3:2 een zoon van Sjealtiël. In 1 Kron. 3:19 heet hij een zoon van Pedaja; zie de uitleg daar.
יְהוֹשֻׁעַ (Yehoshua), ‘Jozua’: de hogepriester, de zoon van Jehozadak. In Ezra en Nehemia heet hij Jesua (zie Ezra 3:2), een kortere vorm van dezelfde naam. Hier schrijven wij ‘Jozua’, zoals de naam in het Hebreeuws staat; zo ook in Zach. 3:1.
הַכֹּהֵן הַגָּדוֹל (hakkohen haggadol), ‘de hogepriester’: letterlijk ‘de grote priester’, zoals in Lev. 21:10.
2Zo zegt Yahweh van de legermachten: „Dit volk zegt: ‘De tijd is niet gekomen, de tijd om het huis van Yahweh te bouwen.’”
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֛ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הָעָ֤ם
(haam)
het volk
הַזֶּה֙
(haze)
dit
אָֽמְר֔וּ
(ameru)
zij zeggen
לֹ֥א
(lo)
niet
עֶת
(et)
de tijd
בֹּ֛א
(bo)
is gekomen
עֶת
(et)
de tijd van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהִבָּנֽוֹת
(lehibanot)
om gebouwd te worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): צְבָאוֹת (tsevaot) betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’.
Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’.
Zie ook Jes. 1:9 en Zach. 1:3.
‘Zo zegt Yahweh van de legermachten’ is de inleidende formule en staat zwart. Wat daarna volgt, staat rood. Yahweh haalt hier aan wat het volk zegt; die woorden staan tussen enkele aanhalingstekens binnen de rode rede.
עֵת (et), ‘tijd’: het woord staat twee keer. Het volk zegt dat ‘de tijd’ voor de bouw van het huis niet gekomen is. Het huis is de tempel; zie Ezra 3:8–13 en 4:24 voor de eerdere pogingen.
6Jullie hebben veel gezaaid, maar weinig binnengehaald. Jullie eten, maar worden niet verzadigd. Jullie drinken, maar het is niet genoeg om er dronken van te worden. Jullie kleden je, maar niemand wordt warm. En wie loon verdient, verdient het voor een beurs vol gaten.”
זְרַעְתֶּ֨ם
(zeratem)
jullie hebben gezaaid
הַרְבֵּ֜ה
(harbe)
veel
וְהָבֵ֣א
(vehave)
en binnengehaald
מְעָ֗ט
(meat)
weinig
אָכ֤וֹל
(akhol)
eten
וְאֵין
(veein)
en niet
לְשָׂבְעָה֙
(lesavea)
tot verzadiging
שָׁת֣וֹ
(shato)
drinken
וְאֵין
(veein)
en niet
לְשָׁכְרָ֔ה
(leshakhera)
tot dronkenschap
לָב֖וֹשׁ
(lavosh)
zich kleden
וְאֵין
(veein)
en niet
לְחֹ֣ם
(lechom)
warmte
ל֑וֹ
(lo)
voor hem
וְהַ֨מִּשְׂתַּכֵּ֔ר
(vehamistaker)
en wie loon verdient
מִשְׂתַּכֵּ֖ר
(mistaker)
verdient loon
אֶל
(el)
voor
צְר֥וֹר
(tseror)
een buidel
נָקֽוּב
(naquv)
doorboord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְשָׂבְעָה (lesov’ah), ‘tot verzadiging’, en לְשָׁכְרָה (leshokhrah), ‘tot dronkenschap’: het werkwoord שָׁכַר (shakhar) betekent ‘dronken worden’, hier in de zin van ‘genoeg drinken’.
De tekst zegt dat het gedronken drank nooit genoeg is.
Vergelijk Micha 6:14.
צְרוֹר נָקוּב (tseror naqub), ‘doorboorde buidel’: een geldbuidel met gaten (vergelijk Gen. 42:35 voor ‘buidel’). Het loon loopt er onmiddellijk uit.
8Trek naar het gebergte, breng hout en bouw het huis. Dan zal Ik er behagen in hebben en verheerlijkt worden, zegt Yahweh.
עֲל֥וּ
(alu)
trek omhoog
הָהָ֛ר
(hahar)
het gebergte
וַהֲבֵאתֶ֥ם
(vahavetem)
en breng
עֵ֖ץ
(ets)
hout
וּבְנ֣וּ
(uvenu)
en bouw
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
וְאֶרְצֶה
(veertse)
en Ik zal behagen hebben
בּ֥וֹ
(bo)
erin
וְאֶכָּבְדָ֖ה
(veekaveda)
en Ik zal verheerlijkt worden
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָהָר (hahar), ‘het gebergte’: letterlijk ‘de berg’, met het lidwoord.
Het is niet de tempelberg, maar waarschijnlijk het bergland waar hout te halen is.
De tekst zegt het niet.
Zie Ezra 3:7 voor het hout dat de bouwers uit Libanon lieten komen.
וְאֶכָּבְדָה (ve’ekkavdah), ‘en Ik zal verheerlijkt worden’: van כָּבֵד (kavod), ‘gewicht, heerlijkheid’. Het werkwoord kan ook ‘eer ontvangen’ betekenen.
9Jullie keken uit naar veel, maar zie: het werd weinig. Jullie brachten het naar huis, en Ik blies erop. Waarom? Godsspraak van Yahweh van de legermachten. Vanwege Mijn huis, dat verwoest is, terwijl jullie ieder naar zijn eigen huis rennen.
פָּנֹ֤ה
(pano)
er werd uitgekeken
אֶל
(el)
naar
הַרְבֵּה֙
(harbe)
veel
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
לִמְעָ֔ט
(limat)
weinig
וַהֲבֵאתֶ֥ם
(vahavetem)
en jullie brachten
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis in
וְנָפַ֣חְתִּי
(venafachti)
en Ik blies
ב֑וֹ
(bo)
erop
יַ֣עַן
(yaan)
om
מֶ֗ה
(me)
wat
נְאֻם֙
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
יַ֗עַן
(yaan)
om
בֵּיתִי֙
(beiti)
Mijn huis
אֲשֶׁר
(asher)
dat
ה֣וּא
(hu)
het
חָרֵ֔ב
(charev)
verwoest is
וְאַתֶּ֥ם
(veatem)
en jullie
רָצִ֖ים
(ratsim)
rennen
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
לְבֵיתֽוֹ
(leveito)
naar zijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: een vaste formule in de profeten (ne’um Yahweh, ‘godsspraak van Yahweh’).
Ze zegt dat Yahweh zelf spreekt.
Wij zetten de formule in rood wanneer ze midden in Zijn woorden staat.
Voor de volgende vermeldingen verwijzen wij naar dit vers.
וְנָפַחְתִּי בוֹ (venafachti vo), ‘en Ik blies erop’: Yahweh blaast op wat zij binnenbrengen, en het verdwijnt.
יַעַן מֶה (ya’an meh), ‘waarom’: letterlijk ‘vanwege wat’. Het antwoord volgt in de tweede helft van het vers: ‘vanwege Mijn huis’.
רָצִים (ratsim), ‘rennen’: ieder haast zich naar zijn eigen huis.
11Ik heb een droogte opgeroepen over het land en over de bergen, over het graan, de most en de olie, over alles wat de grond voortbrengt, over mens en dier en over al het zwoegen van de handen.”
וָאֶקְרָ֨א
(vaeqra)
en Ik riep
חֹ֜רֶב
(chorev)
droogte
עַל
(al)
over
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
וְעַל
(veal)
en over
הֶהָרִ֗ים
(heharim)
de bergen
וְעַל
(veal)
en over
הַדָּגָן֙
(hadagan)
het graan
וְעַל
(veal)
en over
הַתִּיר֣וֹשׁ
(hatirosh)
de most
וְעַל
(veal)
en over
הַיִּצְהָ֔ר
(hayitshar)
de olie
וְעַ֛ל
(veal)
en over
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
תּוֹצִ֖יא
(totsi)
voortbrengt
הָאֲדָמָ֑ה
(haadama)
de grond
וְעַל
(veal)
en over
הָֽאָדָם֙
(haadam)
de mens
וְעַל
(veal)
en over
הַבְּהֵמָ֔ה
(habehema)
het dier
וְעַ֖ל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
al
יְגִ֥יעַ
(yegia)
het zwoegen van
כַּפָּֽיִם
(kapayim)
de handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֹרֶב (chorev), ‘droogte’: hetzelfde woord als חָרֵב (chareb), ‘verwoest’ in vers 4 en 9, met een andere klinker.
Yahweh roept de droogte op tegen een land dat Zijn huis laat verwoest staan.
דָּגָן (dagan), ‘graan’, תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘most’, en יִצְהָר (yitshar), ‘olie’: de drie vruchten van het land, zoals in Joël 1:10.
יְגִיעַ כַּפַּיִם (yegia kappayim), ‘het zwoegen van de handen’: de zware arbeid en wat die oplevert.
12Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, en Jozua, de zoon van Jehozadak, de hogepriester, en alle overgeblevenen van het volk luisterden naar de stem van Yahweh, hun Elohim. Zij luisterden naar de woorden van Haggai, de profeet, zoals Yahweh, hun Elohim, hem had gestuurd. Het volk kreeg ontzag voor Yahweh.
וַיִּשְׁמַ֣ע
(vayishma)
en luisterde
זְרֻבָּבֶ֣ל
(zerubavel)
Zerubbabel
בֶּֽן
(ben)
zoon van
שַׁלְתִּיאֵ֡ל
(shaltiel)
Sjealtiël
וִיהוֹשֻׁ֣עַ
(vihoshua)
en Jozua
בֶּן
(ben)
zoon van
יְהוֹצָדָק֩
(yehotsadaq)
Jehozadak
הַכֹּהֵ֨ן
(hakohen)
de priester
הַגָּד֜וֹל
(hagadol)
de grote
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en heel
שְׁאֵרִ֣ית
(sheerit)
de overgeblevenen van
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
בְּקוֹל֙
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיהֶ֔ם
(eloheihem)
hun Elohim
וְעַל
(veal)
en naar
דִּבְרֵי֙
(divrei)
de woorden van
חַגַּ֣י
(chagay)
Haggai
הַנָּבִ֔יא
(hanavi)
de profeet
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
שְׁלָח֖וֹ
(shelacho)
had gestuurd hem
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶ֑ם
(eloheihem)
hun Elohim
וַיִּֽירְא֥וּ
(vayireu)
en kreeg ontzag
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁאֵרִית (she’erit), ‘overgeblevenen’: het deel van het volk dat uit de ballingschap is teruggekeerd.
Vergelijk Ezra 9:8.
שְׁלַתִּיאֵל (Shelatiel), ‘Sjealtiël’: in dit vers staat de naam zonder א, net als in 1:14 en 2:2. In 1:1 en 2:23 staat hij met א. Het is dezelfde man.
וַיִּירְאוּ הָעָם מִפְּנֵי יְהוָה (vayyire’u ha’am mipnei Yahweh), ‘het volk kreeg ontzag voor Yahweh’: letterlijk ‘vreesde vanwege het aangezicht van Yahweh’.
14Yahweh wekte de geest op van Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, de landvoogd van Juda. Hij wekte ook de geest op van Jozua, de zoon van Jehozadak, de hogepriester, en de geest van alle overgeblevenen van het volk. Zij kwamen en deden het werk aan het huis van Yahweh van de legermachten, hun Elohim,
וַיָּ֣עַר
(vayaar)
en wekte op
יְהוָ֡ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
רוּחַ֩
(ruach)
de geest van
זְרֻבָּבֶ֨ל
(zerubavel)
Zerubbabel
בֶּן
(ben)
zoon van
שַׁלְתִּיאֵ֜ל
(shaltiel)
Sjealtiël
פַּחַ֣ת
(pachat)
landvoogd van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
ר֨וּחַ֙
(ruach)
de geest van
יְהוֹשֻׁ֤עַ
(yehoshua)
Jozua
בֶּן
(ben)
zoon van
יְהוֹצָדָק֙
(yehotsadaq)
Jehozadak
הַכֹּהֵ֣ן
(hakohen)
de priester
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
de grote
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
ר֔וּחַ
(ruach)
de geest van
כֹּ֖ל
(kol)
heel
שְׁאֵרִ֣ית
(sheerit)
de overgeblevenen van
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en zij kwamen
וַיַּעֲשׂ֣וּ
(vayaasu)
en deden
מְלָאכָ֔ה
(melakha)
werk
בְּבֵית
(beveit)
aan het huis van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵיהֶֽם
(eloheihem)
hun Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיָּעַר יְהוָה אֶת רוּחַ (vayya’ar Yahweh et ruach), ‘Yahweh wekte de geest op’: zoals in Ezra 1:1 en 1:5.
Het werkwoord betekent ‘wakker maken, opwekken’.
De geest van de leiders en van het volk wordt tot de bouw bewogen.
De zin loopt door in vers 15: de datum hoort bij het begin van het werk.