Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De ramshoorn klinkt
1„De ramshoorn aan je mond! Als een arend over het huis van Yahweh, omdat zij Mijn verbond hebben overtreden en tegen Mijn wet in opstand zijn gekomen.
אֶל
(el)
naar
חִכְּךָ֣
(chikekha)
je gehemelte
שֹׁפָ֔ר
(shofar)
de ramshoorn
כַּנֶּ֖שֶׁר
(kanesher)
als een arend
עַל
(al)
over
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
עָבְר֣וּ
(averu)
zij hebben overtreden
בְרִיתִ֔י
(beriti)
Mijn verbond
וְעַל
(veal)
en tegen
תּוֹרָתִ֖י
(torati)
Mijn wet
פָּשָֽׁעוּ
(pashau)
zijn zij in opstand gekomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’: een hoorn die als alarmsignaal wordt geblazen.
Het Hebreeuws heeft in dit vers geen werkwoord: ‘de ramshoorn aan je mond’. Wie wordt aangesproken, staat er niet bij. Wij laten de zin zo staan.
נֶשֶׁר (nesher), ‘arend’: het woord kan ook een gier aanduiden. Het beeld is dat van een roofvogel die neerduikt.
בֵּית יְהוָה (beit Yahweh), ‘het huis van Yahweh’: de betekenis is onzeker. Het kan de tempel zijn, het land of het volk (vergelijk ‘Mijn huis’ in Hos. 9:15).
Het hele vers is rood: ook de zin over ‘het huis van Yahweh’ hoort bij Zijn eigen woorden (‘Mijn verbond’, ‘Mijn wet’).
4Zij hebben koningen gemaakt, maar niet van Mij uit. Zij hebben oversten aangesteld, maar Ik wist het niet. Van hun zilver en hun goud hebben zij afgodsbeelden voor zichzelf gemaakt, zodat het wordt afgesneden.
הֵ֤ם
(hem)
zij
הִמְלִיכוּ֙
(himlikhu)
hebben koningen gemaakt
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
מִמֶּ֔נִּי
(mimeni)
van Mij uit
הֵשִׂ֖ירוּ
(hesiru)
hebben oversten aangesteld
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָדָ֑עְתִּי
(yadati)
wist Ik het
כַּסְפָּ֣ם
(kaspam)
hun zilver
וּזְהָבָ֗ם
(uzehavam)
en hun goud
עָשׂ֤וּ
(asu)
hebben gemaakt
לָהֶם֙
(lahem)
voor zichzelf
עֲצַבִּ֔ים
(atsabim)
afgodsbeelden
לְמַ֖עַן
(lemaan)
zodat
יִכָּרֵֽת
(yikaret)
het wordt afgesneden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֵשִׂירוּ (hesiru), ‘zij hebben oversten aangesteld’: van שָׂרַר (sarar), ‘heersen’.
Het woord is verwant aan שָׂרִים (sarim), ‘oversten’.
עֲצַבִּים (atsabbim), ‘afgodsbeelden’: figuren die met de hand gemaakt zijn.
יִכָּרֵת (yikkaret), ‘het wordt afgesneden’: het onderwerp staat er niet bij. Het kan het zilver en het goud zijn, de afgodsbeelden of het volk zelf.
10Ook als zij onder de volken geschenken geven, verzamel Ik hen nu. Dan beginnen zij een beetje te verminderen onder de last van de koning van oversten.
גַּ֛ם
(gam)
ook
כִּֽי
(ki)
als
יִתְנ֥וּ
(yitnu)
zij geven
בַגּוֹיִ֖ם
(bagoyim)
onder de volken
עַתָּ֣ה
(ata)
nu
אֲקַבְּצֵ֑ם
(aqabetsem)
verzamel Ik hen
וַיָּחֵ֣לּוּ
(vayachelu)
dan beginnen zij
מְּעָ֔ט
(meat)
een beetje
מִמַּשָּׂ֖א
(mimasa)
onder de last van
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
שָׂרִֽים
(sarim)
oversten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws zegt alleen ‘zij geven’.
Wat zij geven, staat er niet bij.
De zin sluit aan bij vers 9: Efraïm betaalt de volken voor hun steun.
וַיָּחֵלּוּ מְּעָט (vayachellu me’at), ‘dan beginnen zij een beetje’: de betekenis is onzeker. Wij vertalen ‘dan beginnen zij een beetje te verminderen’.
מֶלֶךְ שָׂרִים (melekh sarim), ‘koning van oversten’: waarschijnlijk de koning van Assyrië (vers 9).
13Als offers van Mijn gaven slachten zij vlees en eten het.” Yahweh heeft geen behagen in hen. Nu zal Hij hun ongerechtigheid gedenken en hun zonden straffen. Zij zullen naar Egypte terugkeren.
זִבְחֵ֣י
(zivchei)
de offers van
הַבְהָבַ֗י
(havhavay)
Mijn gaven
יִזְבְּח֤וּ
(yizbechu)
slachten zij
בָשָׂר֙
(basar)
vlees
וַיֹּאכֵ֔לוּ
(vayokhelu)
en eten het
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֣א
(lo)
niet
רָצָ֑ם
(ratsam)
heeft behagen in hen
עַתָּ֞ה
(ata)
nu
יִזְכֹּ֤ר
(yizkor)
zal Hij gedenken
עֲוֺנָם֙
(avonam)
hun ongerechtigheid
וְיִפְקֹ֣ד
(veyifqod)
en straffen
חַטֹּאותָ֔ם
(chatovtam)
hun zonden
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
מִצְרַ֥יִם
(mitsrayim)
naar Egypte
יָשֽׁוּבוּ
(yashuvu)
zullen terugkeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
הַבְהָבַי (havhavai), ‘Mijn gaven’: het woord komt alleen hier voor.
De betekenis is onzeker.
Vanaf ‘Yahweh heeft geen behagen’ spreekt de profeet over Yahweh in de derde persoon. Daarom is dat deel niet rood.
וְיִפְקֹד (veyifqod), ‘en straffen’: letterlijk ‘bezoeken’. Hier gaat het om het bezoeken van schuld, dus om straffen.
מִצְרַיִם יָשׁוּבוּ (mitsrayim yashuvu), ‘zij zullen naar Egypte terugkeren’: Egypte is het land van de slavernij, waaruit Yahweh hen eens heeft geleid.
14Israël heeft zijn Maker vergeten en paleizen gebouwd. Juda heeft veel versterkte steden gemaakt. „Maar Ik zend vuur in zijn steden. Het verteert haar burchten.”
וַיִּשְׁכַּ֨ח
(vayishkach)
en heeft vergeten
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
עֹשֵׂ֗הוּ
(osehu)
zijn Maker
וַיִּ֨בֶן֙
(vayiven)
en heeft gebouwd
הֵֽיכָל֔וֹת
(heikhalot)
paleizen
וִֽיהוּדָ֕ה
(vihuda)
en Juda
הִרְבָּ֖ה
(hirba)
heeft vermenigvuldigd
עָרִ֣ים
(arim)
steden
בְּצֻר֑וֹת
(betsurot)
versterkte
וְשִׁלַּחְתִּי
(veshilachti)
maar Ik zend
אֵ֣שׁ
(esh)
vuur
בְּעָרָ֔יו
(bearav)
in zijn steden
וְאָכְלָ֖ה
(veakhela)
dat verteert
אַרְמְנֹתֶֽיהָ
(armenoteiha)
haar burchten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֵיכָלוֹת (heikhalot), ‘paleizen’: het woord hekal betekent ‘groot gebouw’; het kan een paleis of een tempel zijn.
Hier past ‘paleizen’.
אַרְמְנֹתֶיהָ (armenoteha), ‘haar burchten’: de verwijzing wisselt van ‘zijn steden’ naar ‘haar burchten’. Wij laten dat zo staan.
Vanaf ‘Maar Ik zend vuur’ spreekt Yahweh weer zelf.