Elohim Bijbel

Hosea 8

1234567891011121314

De ramshoorn en het kalf van Samaria

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De ramshoorn klinkt

1„De ramshoorn aan je mond! Als een arend over het huis van Yahweh, omdat zij Mijn verbond hebben overtreden en tegen Mijn wet in opstand zijn gekomen.
אֶל
(el)
naar
חִכְּךָ֣
(chikekha)
je gehemelte
שֹׁפָ֔ר
(shofar)
de ramshoorn
כַּנֶּ֖שֶׁר
(kanesher)
als een arend
עַל
(al)
over
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
עָבְר֣וּ
(averu)
zij hebben overtreden
בְרִיתִ֔י
(beriti)
Mijn verbond
וְעַל
(veal)
en tegen
תּוֹרָתִ֖י
(torati)
Mijn wet
פָּשָֽׁעוּ
(pashau)
zijn zij in opstand gekomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’: een hoorn die als alarmsignaal wordt geblazen.

Het Hebreeuws heeft in dit vers geen werkwoord: ‘de ramshoorn aan je mond’. Wie wordt aangesproken, staat er niet bij. Wij laten de zin zo staan.

נֶשֶׁר (nesher), ‘arend’: het woord kan ook een gier aanduiden. Het beeld is dat van een roofvogel die neerduikt.

בֵּית יְהוָה (beit Yahweh), ‘het huis van Yahweh’: de betekenis is onzeker. Het kan de tempel zijn, het land of het volk (vergelijk ‘Mijn huis’ in Hos. 9:15).

Het hele vers is rood: ook de zin over ‘het huis van Yahweh’ hoort bij Zijn eigen woorden (‘Mijn verbond’, ‘Mijn wet’).

2Tot Mij roepen zij: ‘Mijn Elohim, wij kennen U, wij, Israël!’
לִ֖י
(li)
tot Mij
יִזְעָ֑קוּ
(yizaqu)
roepen zij
אֱלֹהַ֥י
(elohay)
mijn Elohim
יְֽדַעֲנ֖וּךָ
(yedaanukha)
wij kennen U
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Israël heeft het goede verworpen. Een vijand achtervolgt hem.
זָנַ֥ח
(zanach)
heeft verworpen
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
ט֑וֹב
(tov)
het goede
אוֹיֵ֖ב
(oyev)
een vijand
יִרְדְּֽפוֹ
(yirdefo)
achtervolgt hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Koningen en afgodsbeelden

4Zij hebben koningen gemaakt, maar niet van Mij uit. Zij hebben oversten aangesteld, maar Ik wist het niet. Van hun zilver en hun goud hebben zij afgodsbeelden voor zichzelf gemaakt, zodat het wordt afgesneden.
הֵ֤ם
(hem)
zij
הִמְלִיכוּ֙
(himlikhu)
hebben koningen gemaakt
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
מִמֶּ֔נִּי
(mimeni)
van Mij uit
הֵשִׂ֖ירוּ
(hesiru)
hebben oversten aangesteld
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָדָ֑עְתִּי
(yadati)
wist Ik het
כַּסְפָּ֣ם
(kaspam)
hun zilver
וּזְהָבָ֗ם
(uzehavam)
en hun goud
עָשׂ֤וּ
(asu)
hebben gemaakt
לָהֶם֙
(lahem)
voor zichzelf
עֲצַבִּ֔ים
(atsabim)
afgodsbeelden
לְמַ֖עַן
(lemaan)
zodat
יִכָּרֵֽת
(yikaret)
het wordt afgesneden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֵשִׂירוּ (hesiru), ‘zij hebben oversten aangesteld’: van שָׂרַר (sarar), ‘heersen’.

Het woord is verwant aan שָׂרִים (sarim), ‘oversten’.

עֲצַבִּים (atsabbim), ‘afgodsbeelden’: figuren die met de hand gemaakt zijn.

יִכָּרֵת (yikkaret), ‘het wordt afgesneden’: het onderwerp staat er niet bij. Het kan het zilver en het goud zijn, de afgodsbeelden of het volk zelf.

5Je kalf is verworpen, Samaria. Mijn toorn is tegen hen ontbrand. Hoelang nog zijn zij niet in staat tot onschuld?
זָנַח֙
(zanach)
verworpen is
עֶגְלֵ֣ךְ
(eglekh)
je kalf
שֹֽׁמְר֔וֹן
(shomeron)
Samaria
חָרָ֥ה
(chara)
is ontbrand
אַפִּ֖י
(api)
Mijn toorn
בָּ֑ם
(bam)
tegen hen
עַד
(ad)
tot
מָתַ֕י
(matay)
wanneer
לֹ֥א
(lo)
niet
יוּכְל֖וּ
(yukhelu)
zijn zij in staat
נִקָּיֹֽן
(niqayon)
tot onschuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

זָנַח (zanach), ‘hij/het heeft verworpen’: het onderwerp staat er niet bij.

Het kan Yahweh zijn (‘Hij heeft je kalf verworpen’), of Israël (dat zijn kalf verwerpt).

Wij vertalen ‘je kalf is verworpen’ en laten de dader open.

עֶגְלֵךְ (eglekh), ‘je kalf’: het stierkalf van Samaria is een beeld dat Israël vereerde (vergelijk 1 Kon. 12:28–30).

6Want het komt uit Israël: een ambachtsman heeft het gemaakt, en het is geen god. Want het kalf van Samaria wordt tot splinters.
כִּ֤י
(ki)
want
מִיִּשְׂרָאֵל֙
(miyisrael)
uit Israël
וְה֔וּא
(vehu)
is het
חָרָ֣שׁ
(charash)
een ambachtsman
עָשָׂ֔הוּ
(asahu)
heeft het gemaakt
וְלֹ֥א
(velo)
en geen
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
god
ה֑וּא
(hu)
is het
כִּֽי
(ki)
want
שְׁבָבִ֣ים
(shevavim)
in splinters
יִֽהְיֶ֔ה
(yihye)
zal zijn
עֵ֖גֶל
(egel)
het kalf van
שֹׁמְרֽוֹן
(shomeron)
Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

שְׁבָבִים (shevavim), ‘splinters’: het woord komt alleen hier voor.

De betekenis is onzeker.

לֹא אֱלֹהִים (lo Elohim), ‘geen god’: het kalf is een gemaakt beeld. Het woord ‘Elohim’ staat hier voor een god in het algemeen.

Zij zaaien wind

7Want zij zaaien wind en oogsten wervelwind. Het staande graan heeft geen aar. Het geeft geen meel. Als het toch iets geeft, slokken vreemden het op.
כִּ֛י
(ki)
want
ר֥וּחַ
(ruach)
wind
יִזְרָ֖עוּ
(yizrau)
zaaien zij
וְסוּפָ֣תָה
(vesufata)
en wervelwind
יִקְצֹ֑רוּ
(yiqtsoru)
oogsten zij
קָמָ֣ה
(qama)
staand graan
אֵֽין
(ein)
geen
ל֗וֹ
(lo)
heeft het
צֶ֚מַח
(tsemach)
aar
בְּלִ֣י
(beli)
niet
יַֽעֲשֶׂה
(yaase)
geeft het
קֶּ֔מַח
(qemach)
meel
אוּלַ֣י
(ulay)
misschien
יַֽעֲשֶׂ֔ה
(yaase)
geeft het toch
זָרִ֖ים
(zarim)
vreemden
יִבְלָעֻֽהוּ
(yivlauhu)
slokken het op
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ (ruach), ‘wind’: het woord betekent ook ‘geest’.

Hier staat de wind tegenover de ‘wervelwind’ (סוּפָה, sufah).

Wie wind zaait, oogst een storm.

קָמָה (qamah), ‘staand graan’: graan op de halm, vóór de oogst. Het geeft geen aar en dus geen meel.

8Israël is verslonden. Nu zijn zij onder de volken als een vat waarin niemand behagen heeft.
נִבְלַ֖ע
(nivla)
is verslonden
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
עַתָּה֙
(ata)
nu
הָי֣וּ
(hayu)
zijn zij
בַגּוֹיִ֔ם
(bagoyim)
onder de volken
כִּכְלִ֖י
(kikhli)
als een vat
אֵֽין
(ein)
geen
חֵ֥פֶץ
(chefets)
behagen
בּֽוֹ
(bo)
in
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּכְלִי אֵין חֵפֶץ בּוֹ (kikhli ein chefets bo), ‘als een vat waarin niemand behagen heeft’: een vat dat niemand wil gebruiken.

Efraïm huurt geliefden

9Want zij zijn naar Assyrië opgetrokken, een wilde ezel die alleen voor zichzelf is. Efraïm heeft geliefden gehuurd.
כִּֽי
(ki)
want
הֵ֨מָּה֙
(hema)
zij
עָל֣וּ
(alu)
zijn opgetrokken
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
naar Assyrië
פֶּ֖רֶא
(pere)
een wilde ezel
בּוֹדֵ֣ד
(boded)
alleen
ל֑וֹ
(lo)
voor zichzelf
אֶפְרַ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
הִתְנ֥וּ
(hitnu)
heeft gehuurd
אֲהָבִֽים
(ahavim)
geliefden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

פֶּרֶא (pere), ‘wilde ezel’: een dier dat zijn eigen weg gaat en niet te temmen is.

הִתְנוּ (hitnu), ‘zij hebben gehuurd’: de betekenis is onzeker. Het gaat om betalen voor bondgenoten. Efraïm betaalt de grootmachten voor hun hulp.

10Ook als zij onder de volken geschenken geven, verzamel Ik hen nu. Dan beginnen zij een beetje te verminderen onder de last van de koning van oversten.
גַּ֛ם
(gam)
ook
כִּֽי
(ki)
als
יִתְנ֥וּ
(yitnu)
zij geven
בַגּוֹיִ֖ם
(bagoyim)
onder de volken
עַתָּ֣ה
(ata)
nu
אֲקַבְּצֵ֑ם
(aqabetsem)
verzamel Ik hen
וַיָּחֵ֣לּוּ
(vayachelu)
dan beginnen zij
מְּעָ֔ט
(meat)
een beetje
מִמַּשָּׂ֖א
(mimasa)
onder de last van
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
שָׂרִֽים
(sarim)
oversten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt alleen ‘zij geven’.

Wat zij geven, staat er niet bij.

De zin sluit aan bij vers 9: Efraïm betaalt de volken voor hun steun.

וַיָּחֵלּוּ מְּעָט (vayachellu me’at), ‘dan beginnen zij een beetje’: de betekenis is onzeker. Wij vertalen ‘dan beginnen zij een beetje te verminderen’.

מֶלֶךְ שָׂרִים (melekh sarim), ‘koning van oversten’: waarschijnlijk de koning van Assyrië (vers 9).

Altaren om te zondigen

11Want Efraïm heeft veel altaren gemaakt om te zondigen. Altaren zijn voor hem geworden om te zondigen.
כִּֽי
(ki)
want
הִרְבָּ֥ה
(hirba)
heeft vermenigvuldigd
אֶפְרַ֛יִם
(efrayim)
Efraïm
מִזְבְּחֹ֖ת
(mizbechot)
altaren
לַחֲטֹ֑א
(lachato)
om te zondigen
הָיוּ
(hayu)
zijn geworden
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
מִזְבְּח֖וֹת
(mizbechot)
altaren
לַחֲטֹֽא
(lachato)
om te zondigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Al schrijf Ik hem de talloze dingen van Mijn wet, zij worden beschouwd als iets vreemds.
אֶ֨כְתָּב
(ekhtav)
schrijf Ik
ל֔וֹ
(lo)
hem
רֻבֵּ֖י
(rubei)
de talloze dingen van
תּֽוֹרָתִ֑י
(torati)
Mijn wet
כְּמוֹ
(kemo)
als
זָ֖ר
(zar)
iets vreemds
נֶחְשָֽׁבוּ
(nechshavu)
worden zij beschouwd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֻבֵּי (ruvvei), ‘de talloze dingen van’: het Hebreeuws heeft alleen ‘de tienduizenden van Mijn wet’.

Het woord ‘dingen’ vullen wij aan.

Lezing

In de geschreven tekst (ketiv) staan אכתוב (ektov), ‘ik schrijf’, en רבו (rbw), ‘tienduizenden’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft אֶכְתָּב (ekhtav), ‘Ik schrijf’, en רֻבֵּי (ruvvei), ‘de tienduizenden van’.

Wij volgen de qere.

13Als offers van Mijn gaven slachten zij vlees en eten het.” Yahweh heeft geen behagen in hen. Nu zal Hij hun ongerechtigheid gedenken en hun zonden straffen. Zij zullen naar Egypte terugkeren.
זִבְחֵ֣י
(zivchei)
de offers van
הַבְהָבַ֗י
(havhavay)
Mijn gaven
יִזְבְּח֤וּ
(yizbechu)
slachten zij
בָשָׂר֙
(basar)
vlees
וַיֹּאכֵ֔לוּ
(vayokhelu)
en eten het
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֣א
(lo)
niet
רָצָ֑ם
(ratsam)
heeft behagen in hen
עַתָּ֞ה
(ata)
nu
יִזְכֹּ֤ר
(yizkor)
zal Hij gedenken
עֲוֺנָם֙
(avonam)
hun ongerechtigheid
וְיִפְקֹ֣ד
(veyifqod)
en straffen
חַטֹּאותָ֔ם
(chatovtam)
hun zonden
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
מִצְרַ֥יִם
(mitsrayim)
naar Egypte
יָשֽׁוּבוּ
(yashuvu)
zullen terugkeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

הַבְהָבַי (havhavai), ‘Mijn gaven’: het woord komt alleen hier voor.

De betekenis is onzeker.

Vanaf ‘Yahweh heeft geen behagen’ spreekt de profeet over Yahweh in de derde persoon. Daarom is dat deel niet rood.

וְיִפְקֹד (veyifqod), ‘en straffen’: letterlijk ‘bezoeken’. Hier gaat het om het bezoeken van schuld, dus om straffen.

מִצְרַיִם יָשׁוּבוּ (mitsrayim yashuvu), ‘zij zullen naar Egypte terugkeren’: Egypte is het land van de slavernij, waaruit Yahweh hen eens heeft geleid.

Israël vergeet zijn Maker

14Israël heeft zijn Maker vergeten en paleizen gebouwd. Juda heeft veel versterkte steden gemaakt. „Maar Ik zend vuur in zijn steden. Het verteert haar burchten.”
וַיִּשְׁכַּ֨ח
(vayishkach)
en heeft vergeten
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
עֹשֵׂ֗הוּ
(osehu)
zijn Maker
וַיִּ֨בֶן֙
(vayiven)
en heeft gebouwd
הֵֽיכָל֔וֹת
(heikhalot)
paleizen
וִֽיהוּדָ֕ה
(vihuda)
en Juda
הִרְבָּ֖ה
(hirba)
heeft vermenigvuldigd
עָרִ֣ים
(arim)
steden
בְּצֻר֑וֹת
(betsurot)
versterkte
וְשִׁלַּחְתִּי
(veshilachti)
maar Ik zend
אֵ֣שׁ
(esh)
vuur
בְּעָרָ֔יו
(bearav)
in zijn steden
וְאָכְלָ֖ה
(veakhela)
dat verteert
אַרְמְנֹתֶֽיהָ
(armenoteiha)
haar burchten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֵיכָלוֹת (heikhalot), ‘paleizen’: het woord hekal betekent ‘groot gebouw’; het kan een paleis of een tempel zijn.

Hier past ‘paleizen’.

אַרְמְנֹתֶיהָ (armenoteha), ‘haar burchten’: de verwijzing wisselt van ‘zijn steden’ naar ‘haar burchten’. Wij laten dat zo staan.

Vanaf ‘Maar Ik zend vuur’ spreekt Yahweh weer zelf.