Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Josia, koning van Juda
1Josia was 8 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 31 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jedida, de dochter van Adaja, uit Botskat.
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁמֹנֶ֤ה
(shemone)
acht
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
יֹאשִׁיָּ֣הוּ
(yoshiyahu)
Josia
בְמָלְכ֔וֹ
(bemalekho)
bij zijn koning worden
וּשְׁלֹשִׁ֤ים
(usheloshim)
en dertig
וְאַחַת֙
(veachat)
en één
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en naam van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
יְדִידָ֥ה
(yedida)
Jedida
בַת
(bat)
dochter van
עֲדָ֖יָה
(adaya)
Adaja
מִבָּצְקַֽת
(mibatseqat)
uit Botskat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Botskat lag in de Sefela, het heuvelland in het zuidwesten van Juda (Joz. 15:39).
De ligging is niet zeker; men zoekt de plaats bij Lachis.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
De leeftijd en de regeringsduur van Josia staan zoals in de Masoretische tekst.
3In het achttiende jaar van koning Josia stuurde de koning de schrijver Safan naar het huis van Yahweh. Safan was de zoon van Azalja, de zoon van Mesjullam. De koning zei:
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
בִּשְׁמֹנֶ֤ה
(bishmone)
in acht
עֶשְׂרֵה֙
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לַמֶּ֖לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
יֹאשִׁיָּ֑הוּ
(yoshiyahu)
Josia
שָׁלַ֣ח
(shalach)
stuurde
הַ֠מֶּלֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
שָׁפָ֨ן
(shafan)
Safan
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲצַלְיָ֤הוּ
(atsalyahu)
Azalja
בֶן
(ben)
zoon van
מְשֻׁלָּם֙
(meshulam)
Mesjullam
הַסֹּפֵ֔ר
(hasofer)
de schrijver
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֵּית יְהוָה (beit Yahweh), ‘het huis van Yahweh’: de tempel in Jeruzalem.
Het achttiende jaar van Josia is het jaar waarin het geld voor het herstel wordt geteld.
4„Ga naar Hilkia, de hogepriester. Laat hem het geld optellen dat in het huis van Yahweh is binnengebracht. De wachters van de drempel hebben het van het volk ingezameld.
עֲלֵ֗ה
(ale)
ga op
אֶל
(el)
naar
חִלְקִיָּ֨הוּ֙
(chilqiyahu)
Hilkia
הַכֹּהֵ֣ן
(hakohen)
de priester
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
de grote
וְיַתֵּ֣ם
(veyatem)
en laat hem optellen
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֔סֶף
(hakesef)
het geld
הַמּוּבָ֖א
(hamuva)
dat is binnengebracht
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אָסְפ֛וּ
(asefu)
hebben verzameld
שֹׁמְרֵ֥י
(shomerei)
bewakers van
הַסַּ֖ף
(hasaf)
de drempel
מֵאֵ֥ת
(meet)
van
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַכֹּהֵן הַגָּדוֹל (hakohen hagadol), ‘de hogepriester’: letterlijk ‘de grote priester’.
שֹׁמְרֵי הַסַּף (shomrei hasaf), ‘de wachters van de drempel’: wachters bij de ingang van het huis van Yahweh. Het geld kwam van het volk dat naar het huis kwam. Een vergelijkbare inzameling staat in 2 Kon. 12:5–17.
5Laat men het geven aan de werkleiders die zijn aangesteld over het huis van Yahweh. Zij moeten het geven aan de mannen die het werk doen in het huis van Yahweh, om de schade aan het huis te herstellen:
וְיִתְּנֻ֗הוּ
(veyitenuhu)
en laat hen geven het
עַל
(al)
in
יַד֙
(yad)
hand van
עֹשֵׂ֣י
(osei)
uitvoerders van
הַמְּלָאכָ֔ה
(hamelakha)
het werk
הַמֻּפְקָדִ֖ים
(hamufqadim)
de aangestelden
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְיִתְּנ֣וּ
(veyitenu)
en laat hen geven
אֹת֗וֹ
(oto)
het
לְעֹשֵׂ֤י
(leosei)
aan de uitvoerders van
הַמְּלָאכָה֙
(hamelakha)
het werk
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְחַזֵּ֖ק
(lechazeq)
om te herstellen
בֶּ֥דֶק
(bedeq)
schade van
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֶּדֶק (bedeq), ‘schade’: wat aan het gebouw stuk of beschadigd is.
Hetzelfde woord staat in 2 Kon. 12:6–13.
Lezing
Bij ‘laat men het geven’ heeft het geschreven woord (ketiv) ויתנה, het qere וְיִתְּנֻהוּ.
Bij ‘over het huis van Yahweh’ (na ‘de aangestelden’) heeft het ketiv בבית, ‘in het huis van’, het qere בֵּית.
8Hilkia, de hogepriester, zei tegen Safan, de schrijver: „Ik heb het boek van de wet gevonden in het huis van Yahweh.” Hilkia gaf het boek aan Safan, en hij las het.
וַ֠יֹּאמֶר
(vayomer)
en zei
חִלְקִיָּ֜הוּ
(chilqiyahu)
Hilkia
הַכֹּהֵ֤ן
(hakohen)
de priester
הַגָּדוֹל֙
(hagadol)
de grote
עַל
(al)
tot
שָׁפָ֣ן
(shafan)
Safan
הַסֹּפֵ֔ר
(hasofer)
de schrijver
סֵ֧פֶר
(sefer)
boek van
הַתּוֹרָ֛ה
(hatora)
de wet
מָצָ֖אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en gaf
חִלְקִיָּ֧ה
(chilqiya)
Hilkia
אֶת
(et)
(obj.)
הַסֵּ֛פֶר
(hasefer)
het boek
אֶל
(el)
aan
שָׁפָ֖ן
(shafan)
Safan
וַיִּקְרָאֵֽהוּ
(vayiqraehu)
en hij las het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סֵפֶר הַתּוֹרָה (sefer hatorah), ‘het boek van de wet’: תּוֹרָה (torah) betekent ‘onderricht’ en ‘wet’.
Wij vertalen ‘wet’, zoals in de andere boeken.
De tekst zegt niet precies welk boek dit was.
Zie ook Deut. 31:24–26, waar Mozes het boek van de wet naast de ark van het verbond laat leggen.
9Safan, de schrijver, ging naar de koning en bracht de koning bericht. Hij zei: „Uw dienaren hebben het geld dat in het huis gevonden is, uitgegoten. Zij hebben het gegeven aan de werkleiders die zijn aangesteld over het huis van Yahweh.”
וַיָּבֹ֞א
(vayavo)
en kwam
שָׁפָ֤ן
(shafan)
Safan
הַסֹּפֵר֙
(hasofer)
de schrijver
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיָּ֥שֶׁב
(vayashev)
en bracht terug
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּבָ֑ר
(davar)
woord
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
הִתִּ֤יכוּ
(hitikhu)
hebben uitgegoten
עֲבָדֶ֨יךָ֙
(avadeikha)
uw dienaren
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֨סֶף֙
(hakesef)
het geld
הַנִּמְצָ֣א
(hanimtsa)
dat is gevonden
בַבַּ֔יִת
(babayit)
in het huis
וַֽיִּתְּנֻ֗הוּ
(vayitenuhu)
en zij gaven het
עַל
(al)
in
יַד֙
(yad)
hand van
עֹשֵׂ֣י
(osei)
uitvoerders van
הַמְּלָאכָ֔ה
(hamelakha)
het werk
הַמֻּפְקָדִ֖ים
(hamufqadim)
de aangestelden
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִתִּיכוּ (hittikhu), ‘zij hebben uitgegoten’: het werkwoord betekent eigenlijk ‘smelten’ of ‘uitgieten’.
Hier gaat het om het geld dat uit de kist is gehaald en overhandigd.
12De koning gaf een bevel aan Hilkia, de priester, aan Achikam, de zoon van Safan, aan Achbor, de zoon van Michaja, aan Safan, de schrijver, en aan Asaja, de dienaar van de koning. Hij zei:
וַיְצַ֣ו
(vaytsav)
en gebood
הַמֶּ֡לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
חִלְקִיָּ֣ה
(chilqiya)
Hilkia
הַכֹּהֵ֡ן
(hakohen)
de priester
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֲחִיקָ֣ם
(achiqam)
Achikam
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁ֠פָן
(shafan)
Safan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַכְבּ֨וֹר
(akhbor)
Achbor
בֶּן
(ben)
zoon van
מִיכָיָ֜ה
(mikhaya)
Michaja
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
שָׁפָ֣ן
(shafan)
Safan
הַסֹּפֵ֗ר
(hasofer)
de schrijver
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
עֲשָׂיָ֥ה
(asaya)
Asaja
עֶֽבֶד
(eved)
dienaar van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Achikam, de zoon van Safan, komt ook voor in Jer. 26:24.
In 2 Kron. 34:20 staat op deze plaats ‘Abdon, de zoon van Micha’.
13„Ga, raadpleeg Yahweh voor mij, voor het volk en voor heel Juda over de woorden van dit boek dat gevonden is. Want groot is de woede van Yahweh, die tegen ons is ontbrand. Onze vaderen hebben niet geluisterd naar de woorden van dit boek, om te doen wat daarin over ons is geschreven.”
לְכוּ֩
(lekhu)
gaat
דִרְשׁ֨וּ
(dirshu)
raadpleegt
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּעֲדִ֣י
(baadi)
voor mij
וּבְעַד
(uvead)
en voor
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
וּבְעַד֙
(uvead)
en voor
כָּל
(kal)
heel
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
עַל
(al)
over
דִּבְרֵ֛י
(divrei)
woorden van
הַסֵּ֥פֶר
(hasefer)
het boek
הַנִּמְצָ֖א
(hanimtsa)
dat gevonden is
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
כִּֽי
(ki)
want
גְדוֹלָ֞ה
(gedola)
groot
חֲמַ֣ת
(chamat)
woede van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר
(asher)
die
הִיא֙
(hi)
zij
נִצְּתָ֣ה
(nitseta)
is ontbrand
בָ֔נוּ
(banu)
in ons
עַל֩
(al)
omdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
het feit dat
לֹֽא
(lo)
niet
שָׁמְע֜וּ
(shameu)
luisterden
אֲבֹתֵ֗ינוּ
(avoteinu)
onze vaderen
עַל
(al)
naar
דִּבְרֵי֙
(divrei)
woorden van
הַסֵּ֣פֶר
(hasefer)
het boek
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
לַעֲשׂ֖וֹת
(laasot)
om te doen
כְּכָל
(kekhal)
volgens alles
הַכָּת֥וּב
(hakatuv)
wat is geschreven
עָלֵֽינוּ
(aleinu)
over ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דִּרְשׁוּ אֶת־יְהוָה (dirshu et Yahweh), ‘raadpleeg Yahweh’: wie Yahweh raadpleegt, vraagt door een profeet naar Zijn woord.
Dit gebeurt ook in 1 Kon. 22:5.
Over de woede die over Israël komt als het de wet niet houdt, zie Deut. 28:15–68.
14Hilkia, de priester, Achikam, Achbor, Safan en Asaja gingen naar Hulda, de profetes. Zij was de vrouw van Sjallum, de zoon van Tikva, de zoon van Charchas, de bewaarder van de kleren. Zij woonde in Jeruzalem, in het tweede stadsdeel. Zij spraken met haar.
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
חִלְקִיָּ֣הוּ
(chilqiyahu)
Hilkia
הַ֠כֹּהֵן
(hakohen)
de priester
וַאֲחִיקָ֨ם
(vaachiqam)
en Achikam
וְעַכְבּ֜וֹר
(veakhbor)
en Achbor
וְשָׁפָ֣ן
(veshafan)
en Safan
וַעֲשָׂיָ֗ה
(vaasaya)
en Asaja
אֶל
(el)
naar
חֻלְדָּ֨ה
(chulda)
Hulda
הַנְּבִיאָ֜ה
(hanevia)
de profetes
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
שַׁלֻּ֣ם
(shalum)
Sjallum
בֶּן
(ben)
zoon van
תִּקְוָ֗ה
(tiqva)
Tikva
בֶּן
(ben)
zoon van
חַרְחַס֙
(charchas)
Charchas
שֹׁמֵ֣ר
(shomer)
bewaarder van
הַבְּגָדִ֔ים
(habegadim)
de kleren
וְהִ֛יא
(vehi)
en zij
יֹשֶׁ֥בֶת
(yoshevet)
woonde
בִּירוּשָׁלִַ֖ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
בַּמִּשְׁנֶ֑ה
(bamishne)
in het tweede stadsdeel
וַֽיְדַבְּר֖וּ
(vaydaberu)
en zij spraken
אֵלֶֽיהָ
(eleiha)
tot haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Jeruzalem: zie 1 Kon. 2:11.
מִשְׁנֶה (mishneh), ‘het tweede stadsdeel’: een deel van de stad dat later is bijgebouwd.
Waar het precies lag, weten wij niet.
Het lag waarschijnlijk in het noordwesten van de stad, buiten de oudste stad.
Uitleg
חֻלְדָּה (chuldah), ‘Hulda’: een profetes, zoals ook Mirjam (Exod. 15:20) en Debora (Richt. 4:4).
Zie ook 2 Kron. 34:22.
שֹׁמֵר הַבְּגָדִים (shomer habegadim), ‘de bewaarder van de kleren’: de tekst zegt niet of het om de kleren van de koning of van de priesters gaat. Wij voegen niets toe.
16Zo zegt Yahweh: Zie, Ik breng onheil over deze plaats en over haar inwoners. Het zijn alle woorden van het boek dat de koning van Juda heeft gelezen.
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
מֵבִ֥יא
(mevi)
breng
רָעָ֛ה
(raa)
onheil
אֶל
(el)
over
הַמָּק֥וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
וְעַל
(veal)
en over
יֹֽשְׁבָ֑יו
(yoshevav)
haar inwoners
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
woorden van
הַסֵּ֔פֶר
(hasefer)
het boek
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
קָרָ֖א
(qara)
las
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Zij hebben Mij verlaten en offerrook laten opgaan voor andere goden, om Mij tot toorn te prikkelen met alles wat hun handen gemaakt hebben. Daarom is Mijn woede ontbrand tegen deze plaats. Zij zal niet gedoofd worden.
תַּ֣חַת
(tachat)
omdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עֲזָב֗וּנִי
(azavuni)
hebben verlaten mij
וַֽיְקַטְּרוּ֙
(vayqateru)
en lieten opgaan als offerrook
לֵאלֹהִ֣ים
(lElohim)
voor goden
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
לְמַ֨עַן֙
(lemaan)
om
הַכְעִיסֵ֔נִי
(hakhiseni)
te prikkelen mij tot toorn
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
met alle
מַעֲשֵׂ֣ה
(maase)
werk van
יְדֵיהֶ֑ם
(yedeihem)
hun handen
וְנִצְּתָ֧ה
(venitseta)
en is ontbrand
חֲמָתִ֛י
(chamati)
Mijn woede
בַּמָּק֥וֹם
(bamaqom)
in de plaats
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִכְבֶּֽה
(tikhbe)
zal gedoofd worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיְקַטְּרוּ (vayeqatteru), ‘zij lieten offerrook opgaan’: het brengen van reukoffers.
Zie ook 1 Kon. 11:8.
הַכְעִיסֵנִי (hakh’iseni), ‘Mij prikkelen tot toorn’: zoals in 1 Kon. 21:22.
18Maar tegen de koning van Juda, die jullie heeft gestuurd om Yahweh te raadplegen, moeten jullie zeggen: Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël. Over de woorden die je hebt gehoord:
וְאֶל
(veel)
en tot
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
הַשֹּׁלֵ֤חַ
(hasholeach)
die stuurde
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
לִדְרֹ֣שׁ
(lidrosh)
om te raadplegen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כֹּ֥ה
(ko)
zo
תֹאמְר֖וּ
(tomru)
zullen jullie zeggen
אֵלָ֑יו
(elav)
tot hem
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
שָׁמָֽעְתָּ
(shamata)
je hebt gehoord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Omdat je hart week was en je je hebt vernederd voor het aangezicht van Yahweh. Je hoorde toen wat Ik over deze plaats en over haar inwoners heb gesproken: dat zij een woestenij en een vloek zouden worden. Omdat je je kleren hebt gescheurd en voor Mijn aangezicht hebt gehuild, heb Ik het ook gehoord, spreekt Yahweh.
יַ֠עַן
(yaan)
omdat
רַךְ
(rakh)
week
לְבָ֨בְךָ֜
(levavekha)
je hart
וַתִּכָּנַ֣ע
(vatikana)
en je vernederde je
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּֽשָׁמְעֲךָ֡
(beshameakha)
toen je hoorde
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
דִּבַּרְתִּי֩
(dibarti)
Ik heb gesproken
עַל
(al)
over
הַמָּק֨וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֜ה
(haze)
deze
וְעַל
(veal)
en over
יֹשְׁבָ֗יו
(yoshevav)
haar inwoners
לִהְי֤וֹת
(lihyot)
om te worden
לְשַׁמָּה֙
(leshama)
een woestenij
וְלִקְלָלָ֔ה
(veliqlala)
en een vloek
וַתִּקְרַע֙
(vatiqra)
en je scheurde
אֶת
(et)
(obj.)
בְּגָדֶ֔יךָ
(begadeikha)
je kleren
וַתִּבְכֶּ֖ה
(vativke)
en je huilde
לְפָנָ֑י
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
וְגַ֧ם
(vegam)
en ook
אָנֹכִ֛י
(anokhi)
Ik
שָׁמַ֖עְתִּי
(shamati)
heb Ik gehoord
נְאֻם
(neum)
spreken van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘spreekt Yahweh’: een vaste slotformule van een profetisch woord.
וַתִּכָּנַע (vatikkana), ‘je hebt je vernederd’: je hebt je gebogen onder Yahweh. Het is hetzelfde werkwoord als bij de vernedering van Achab in 1 Kon. 21:29.
20Daarom, zie, Ik zal je verzamelen bij je vaderen. Je wordt in vrede verzameld in je graven. Je ogen zullen al het onheil niet zien dat Ik over deze plaats breng.’” Zij brachten de koning antwoord.
לָכֵן֩
(lakhen)
daarom
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
אֹֽסִפְךָ֜
(osifkha)
zal je verzamelen
עַל
(al)
bij
אֲבֹתֶ֗יךָ
(avoteikha)
je vaderen
וְנֶאֱסַפְתָּ֣
(veneesafta)
en je wordt verzameld
אֶל
(el)
naar
קִבְרֹתֶיךָ֮
(qivroteikha)
je graven
בְּשָׁלוֹם֒
(beshalom)
in vrede
וְלֹא
(velo)
en niet
תִרְאֶ֣ינָה
(tireina)
zullen zien
עֵינֶ֔יךָ
(eineikha)
je ogen
בְּכֹל֙
(bekhol)
in al
הָֽרָעָ֔ה
(haraa)
het onheil
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
מֵבִ֖יא
(mevi)
breng
עַל
(al)
over
הַמָּק֣וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַיָּשִׁ֥יבוּ
(vayashivu)
en zij brachten terug
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּבָֽר
(davar)
antwoord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Verzameld worden bij je vaderen’ betekent sterven en begraven worden.
‘In vrede’ staat in de tekst; het verslag van Josia’s dood staat in 2 Kon. 23:29–30.