Elohim Bijbel

Jeremia 34

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

Een woord voor Zedekia en de slaven die weer tot slaaf werden gemaakt

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yahweh spreekt tot Zedekia

1Het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam, toen Nebukadnezar, de koning van Babel, en heel zijn leger streden tegen Jeruzalem en al haar steden. Ook alle koninkrijken van de aarde onder zijn heerschappij en alle volken streden mee:
הַדָּבָ֛ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הָיָ֥ה
(haya)
kwam
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וּנְבוּכַדְרֶאצַּ֣ר
(unevukhadretsar)
en Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֣ל
(bavel)
Babel
וְכָל
(vekhal)
en heel
חֵיל֡וֹ
(cheilo)
zijn leger
וְכָל
(vekhal)
en alle
מַמְלְכ֣וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken van
אֶרֶץ֩
(erets)
de aarde
מֶמְשֶׁ֨לֶת
(memshelet)
heerschappij van
יָד֜וֹ
(yado)
zijn hand
וְכָל
(vekhal)
en alle
הָעַמִּ֗ים
(haamim)
de volken
נִלְחָמִ֧ים
(nilchamim)
strijdend
עַל
(al)
tegen
יְרוּשָׁלִַ֛ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְעַל
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
alle
עָרֶ֖יהָ
(areiha)
haar steden
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

נְבוּכַדְרֶאצַּר (Nevukhadretsar), ‘Nebukadnezar’: in Jeremia staat de naam meestal met een r (Nebukadrezar).

Wij schrijven overal ‘Nebukadnezar’, zoals in 2 Kon. 24–25.

נִלְחָמִים (nilchamim), ‘strijdend’: het woord staat in het meervoud. Niet alleen Nebukadnezar en zijn leger, maar ook alle koninkrijken en volken onder zijn macht strijden tegen Jeruzalem. Wij splitsen de zin en schrijven ‘streden mee’. De inhoud van het woord staat in vers 2.

2Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: „Ga en zeg tegen Zedekia, de koning van Juda: ‘Zo zegt Yahweh. Zie, Ik geef deze stad in de hand van de koning van Babel. Hij zal haar met vuur verbranden.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הָלֹךְ֙
(halokh)
ga
וְאָ֣מַרְתָּ֔
(veamarta)
en zeg
אֶל
(el)
tegen
צִדְקִיָּ֖הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en zeg
אֵלָ֗יו
(elav)
tegen hem
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Mij
נֹתֵ֜ן
(noten)
Ik geef
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֤יר
(hair)
de stad
הַזֹּאת֙
(hazot)
deze
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
וּשְׂרָפָ֖הּ
(userafah)
en hij zal haar verbranden
בָּאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

Yahweh geeft Jeremia een boodschap voor de koning.

De hele opdracht (‘Ga en zeg … Zo zegt Yahweh …’) is Yahweh’s eigen woord aan Jeremia en staat daarom rood, met de boodschap aan Zedekia tussen enkele aanhalingstekens.

בָּאֵשׁ (ba’esh), ‘met vuur’: zo gebeurde het ook met de stad (vers 22 en 2 Kon. 25:9).

3Jij zult niet aan zijn hand ontkomen. Je zult zeker gegrepen en in zijn hand gegeven worden. Je ogen zullen de ogen van de koning van Babel zien. Hij zal van mond tot mond met je spreken. En je zult naar Babel komen.
וְאַתָּ֗ה
(veata)
en jij
לֹ֚א
(lo)
niet
תִמָּלֵט֙
(timalet)
zult ontkomen
מִיָּד֔וֹ
(miyado)
aan zijn hand
כִּ֚י
(ki)
want
תָּפֹ֣שׂ
(tafos)
gegrepen
תִּתָּפֵ֔שׂ
(titafes)
zul je worden gegrepen
וּבְיָד֖וֹ
(uveyado)
en in zijn hand
תִּנָּתֵ֑ן
(tinaten)
zul je worden gegeven
וְֽ֠עֵינֶיךָ
(veeineikha)
en je ogen
אֶת
(et)
(obj.)
עֵינֵ֨י
(einei)
de ogen van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֜ל
(bavel)
Babel
תִּרְאֶ֗ינָה
(tireina)
zullen zien
וּפִ֛יהוּ
(ufihu)
en zijn mond
אֶת
(et)
(obj.)
פִּ֥יךָ
(pikha)
je mond
יְדַבֵּ֖ר
(yedaber)
zal spreken
וּבָבֶ֥ל
(uvavel)
en naar Babel
תָּבֽוֹא
(tavo)
zul je komen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

וּפִיהוּ אֶת־פִּיךָ יְדַבֵּר (ufihu et-pikha yedabber), ‘zijn mond zal met jouw mond spreken’: Zedekia zal de koning van Babel persoonlijk te woord staan.

Zie 2 Kon. 25:6, waar Zedekia voor de koning van Babel wordt gebracht.

4Maar hoor het woord van Yahweh, Zedekia, koning van Juda. Zo zegt Yahweh over jou: Je zult niet door het zwaard sterven.
אַ֚ךְ
(akh)
maar
שְׁמַ֣ע
(shema)
hoor
דְּבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
צִדְקִיָּ֖הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עָלֶ֔יךָ
(aleikha)
over jou
לֹ֥א
(lo)
niet
תָמ֖וּת
(tamut)
zul je sterven
בֶּחָֽרֶב
(becharev)
door het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5In vrede zul je sterven. Zoals men vuren ontstak voor je vaders, de vroegere koningen die vóór jou waren, zo zal men er voor jou ontsteken. Men zal om je rouwen met de klacht: ach, heer! Want Ik heb het gesproken, godsspraak van Yahweh.’”
בְּשָׁל֣וֹם
(beshalom)
in vrede
תָּמ֗וּת
(tamut)
zul je sterven
וּֽכְמִשְׂרְפ֣וֹת
(ukhemisrefot)
en zoals de verbrandingen van
אֲ֠בוֹתֶיךָ
(avoteikha)
je vaders
הַמְּלָכִ֨ים
(hamelakhim)
de koningen
הָרִֽאשֹׁנִ֜ים
(harishonim)
de vroegere
אֲשֶׁר
(asher)
die
הָי֣וּ
(hayu)
waren
לְפָנֶ֗יךָ
(lefaneikha)
voor jou
כֵּ֚ן
(ken)
zo
יִשְׂרְפוּ
(yisrefu)
zal men verbranden
לָ֔ךְ
(lakh)
voor jou
וְה֥וֹי
(vehoy)
en wee
אָד֖וֹן
(adon)
heer
יִסְפְּדוּ
(yispedu)
zal men rouwen
לָ֑ךְ
(lakh)
om jou
כִּֽי
(ki)
want
דָבָ֥ר
(davar)
woord
אֲנִֽי
(ani)
Ik
דִבַּ֖רְתִּי
(dibarti)
heb gesproken
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּכְמִשְׂרְפוֹת (ukhemisrefot), ‘en zoals de verbrandingen’: bij de begrafenis van een koning werd ter ere van hem een vuur ontstoken, met specerijen.

Zie 2 Kron. 16:14 en 21:19.

Zedekia krijgt dus een eervolle begrafenis beloofd.

הוֹי אָדוֹן (hoy adon), ‘ach, heer’: de rouwklacht om een gestorven koning. Het is niet het woord ‘Adonai’ (Yahweh), maar ‘heer’ als aanspreking van de koning.

De belofte van een vreedzame dood staat naast vers 3, waar Zedekia gevangen wordt weggevoerd. Zie voor het einde van Zedekia 2 Kon. 25:7 en Jer. 52:11.

Het slot van de toespraak aan Zedekia eindigt hier met ‘godsspraak van Yahweh’. Voor die formule zie Jer. 1:8.

6Jeremia, de profeet, sprak al deze woorden tot Zedekia, de koning van Juda, in Jeruzalem.
וַיְדַבֵּר֙
(vaydaber)
en sprak
יִרְמְיָ֣הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הַנָּבִ֔יא
(hanavi)
de profeet
אֶל
(el)
tot
צִדְקִיָּ֖הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַדְּבָרִ֥ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

7Het leger van de koning van Babel streed toen tegen Jeruzalem en tegen alle steden van Juda die nog over waren: tegen Lachis en tegen Azeka. Want dit waren de versterkte steden die van de steden van Juda waren overgebleven.
וְחֵ֣יל
(vecheil)
en het leger van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֗ל
(bavel)
Babel
נִלְחָמִים֙
(nilchamim)
strijdend
עַל
(al)
tegen
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְעַ֛ל
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
alle
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
הַנּֽוֹתָר֑וֹת
(hanotarot)
die overgebleven waren
אֶל
(el)
naar
לָכִישׁ֙
(lakhish)
Lachis
וְאֶל
(veel)
en naar
עֲזֵקָ֔ה
(azeqa)
Azeka
כִּ֣י
(ki)
want
הֵ֗נָּה
(hena)
zie
נִשְׁאֲר֛וּ
(nisharu)
zij waren overgebleven
בְּעָרֵ֥י
(bearei)
onder de steden van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
מִבְצָֽר
(mivtsar)
versterking
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron.

Zie Azeka: Azeka wordt gezocht bij Tel Zakariya, in de Sefela.

Uitleg

Lachis (Tel Lakisj) en Azeka (Tel Zakariya) liggen in het laagland van Juda, ten zuidwesten van Jeruzalem.

Zij zijn de laatste versterkte steden die nog standhouden.

Een reeks brieven die in Lachis werd gevonden, hoort bij deze tijd.

De slaven worden vrijgelaten en weer genomen

8Het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam, nadat koning Zedekia een verbond had gesloten met heel het volk in Jeruzalem om voor hen vrijlating uit te roepen:
הַדָּבָ֛ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הָיָ֥ה
(haya)
kwam
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אַחֲרֵ֡י
(acharei)
nadat
כְּרֹת֩
(kerot)
sloot
הַמֶּ֨לֶךְ
(hamelekh)
de koning
צִדְקִיָּ֜הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
בְּרִ֗ית
(berit)
een verbond
אֶת
(et)
met
כָּל
(kal)
heel
הָעָם֙
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בִּירֽוּשָׁלִַ֔ם
(birushaliam)
in Jeruzalem was
לִקְרֹ֥א
(liqro)
om uit te roepen
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
דְּרֽוֹר
(deror)
vrijlating
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

דְּרוֹר (deror), ‘vrijlating’: de uitroep waarmee slaven vrij worden verklaard.

Hetzelfde woord staat in Lev. 25:10 voor het jubeljaar.

Wij vertalen steeds ‘vrijlating’.

Het verbond werd gesloten toen Jeruzalem belegerd werd (vers 1 en 7). Vers 21 zegt dat het leger van Babel daarna even is weggetrokken. Zie ook Jer. 37:5.

9Ieder moest zijn slaaf en zijn slavin, de Hebreeër en de Hebreeuwse, vrij laten gaan. Niemand mocht nog een Judeeër, zijn broeder, als slaaf laten werken.
לְ֠שַׁלַּח
(leshalach)
om te laten gaan
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
עַבְדּ֞וֹ
(avdo)
zijn slaaf
וְאִ֧ישׁ
(veish)
en ieder
אֶת
(et)
(obj.)
שִׁפְחָת֛וֹ
(shifchato)
zijn slavin
הָעִבְרִ֥י
(haivri)
de Hebreeër
וְהָעִבְרִיָּ֖ה
(vehaivriya)
en de Hebreeuwse
חָפְשִׁ֑ים
(chafeshim)
vrij
לְבִלְתִּ֧י
(levilti)
zodat niet
עֲבָד
(avad)
zou werken
בָּ֛ם
(bam)
door hen
בִּיהוּדִ֥י
(bihudi)
een Judeeër
אָחִ֖יהוּ
(achihu)
zijn broeder
אִֽישׁ
(ish)
ieder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֶבֶד (eved), ‘slaaf’: een man in dienst door schuld of armoede.

De vrouw is een שִׁפְחָה (shifchah), ‘slavin’.

Wij volgen Exod. 21:2 en Deut. 15:12.

בָּם (bam), ‘door hen’: het Hebreeuws zegt eigenlijk ‘door hen’ (meervoud), terwijl ‘een Judeeër’ een enkelvoud is. Wij vertalen naar de zin.

אָחִיהוּ (achihu), ‘zijn broeder’: een mede-Israëliet. Zie Lev. 25:39–46 en Deut. 15:12.

10Alle oversten en heel het volk die het verbond waren ingegaan, luisterden. Ieder zou zijn slaaf en zijn slavin vrij laten gaan en hen niet meer als slaven laten werken. Zij luisterden en lieten hen gaan.
וַיִּשְׁמְעוּ֩
(vayishmeu)
en zij luisterden
כָל
(kal)
alle
הַשָּׂרִ֨ים
(hasarim)
de oversten
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֣אוּ
(bau)
waren gekomen
בַבְּרִ֗ית
(baberit)
in het verbond
לְ֠שַׁלַּח
(leshalach)
om te laten gaan
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
עַבְדּ֞וֹ
(avdo)
zijn slaaf
וְאִ֤ישׁ
(veish)
en ieder
אֶת
(et)
(obj.)
שִׁפְחָתוֹ֙
(shifchato)
zijn slavin
חָפְשִׁ֔ים
(chafeshim)
vrij
לְבִלְתִּ֥י
(levilti)
zodat niet
עֲבָד
(avad)
zou werken
בָּ֖ם
(bam)
door hen
ע֑וֹד
(od)
nog
וַֽיִּשְׁמְע֖וּ
(vayishmeu)
en zij luisterden
וַיְשַׁלֵּֽחוּ
(vayshalechu)
en zij lieten gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Maar daarna keerden zij om en haalden de slaven en slavinnen terug die zij vrij hadden laten gaan. Zij onderwierpen hen weer als slaven en slavinnen.
וַיָּשׁ֨וּבוּ֙
(vayashuvu)
en zij keerden om
אַחֲרֵי
(acharei)
na
כֵ֔ן
(ken)
dit
וַיָּשִׁ֗בוּ
(vayashivu)
en zij lieten terugkeren
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽעֲבָדִים֙
(haavadim)
de slaven
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַשְּׁפָח֔וֹת
(hashefachot)
de slavinnen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
שִׁלְּח֖וּ
(shilechu)
zij hadden laten gaan
חָפְשִׁ֑ים
(chafeshim)
vrij
וַֽיִּכְבְּשׁ֔וּם
(vayikhbeshum)
en zij onderwierpen hen
לַעֲבָדִ֖ים
(laavadim)
tot slaven
וְלִשְׁפָחֽוֹת
(velishfachot)
en tot slavinnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het woord van Yahweh over de gebroken belofte

12Het woord van Yahweh kwam tot Jeremia. Het kwam van Yahweh:
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
מֵאֵ֥ת
(meet)
van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Van Yahweh’ staat twee keer: ‘het woord van Yahweh … van Yahweh’.

Wij laten beide staan.

13Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: „Ik heb een verbond gesloten met jullie vaders. Dat was op de dag dat Ik hen uit het land Egypte leidde, uit het slavenhuis. Ik zei:
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אָנֹכִ֗י
(anokhi)
Ik
כָּרַ֤תִּֽי
(karati)
heb gesloten
בְרִית֙
(berit)
verbond
אֶת
(et)
met
אֲב֣וֹתֵיכֶ֔ם
(avoteikhem)
jullie vaders
בְּי֨וֹם
(beyom)
op de dag
הוֹצִאִ֤י
(hotsii)
van Mijn uitleiden
אוֹתָם֙
(otam)
hen
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
uit het huis van
עֲבָדִ֖ים
(avadim)
slaven
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

בֵּית עֲבָדִים (beit avadim), ‘slavenhuis’: Egypte.

Zo ook Exod. 20:2 en Deut. 5:6.

כָּרַת בְּרִית (karat berit), ‘een verbond sluiten’: letterlijk ‘een verbond snijden’. Zie vers 18.

14‘Na zeven jaar moeten jullie ieder zijn broeder, de Hebreeër die aan jou verkocht is, vrij laten gaan. Hij moet je zes jaar dienen. Dan moet je hem vrij van je laten gaan.’ Maar jullie vaders luisterden niet naar Mij. Zij neigden hun oor niet.
מִקֵּ֣ץ
(miqets)
aan het einde van
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִ֡ים
(shanim)
jaren
תְּֽשַׁלְּח֡וּ
(teshalechu)
zullen jullie laten gaan
אִישׁ֩
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
אָחִ֨יו
(achiv)
zijn broeder
הָעִבְרִ֜י
(haivri)
de Hebreeër
אֲשֶֽׁר
(asher)
die
יִמָּכֵ֣ר
(yimakher)
verkocht wordt
לְךָ֗
(lekha)
aan jou
וַעֲבָֽדְךָ֙
(vaavadekha)
en hij dient je
שֵׁ֣שׁ
(shesh)
zes
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaren
וְשִׁלַּחְתּ֥וֹ
(veshilachto)
en je laat hem gaan
חָפְשִׁ֖י
(chafeshi)
vrij
מֵֽעִמָּ֑ךְ
(meimakh)
van je
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שָׁמְע֤וּ
(shameu)
luisterden
אֲבֽוֹתֵיכֶם֙
(avoteikhem)
jullie vaders
אֵלַ֔י
(elay)
naar Mij
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הִטּ֖וּ
(hitu)
neigden zij
אֶת
(et)
(obj.)
אָזְנָֽם
(azenam)
hun oor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het gebod over de Hebreeuwse slaaf: Exod. 21:2 (zes jaar dienen, in het zevende vrij) en Deut. 15:12.

Hier staat ‘na zeven jaar’ (letterlijk ‘aan het einde van zeven jaar’).

Het Hebreeuws wisselt tussen meervoud (‘jullie laten gaan’) en enkelvoud (‘aan jou verkocht’, ‘hij dient je’). Wij laten dat wisselen staan.

הִטּוּ אֶת־אָזְנָם (hittu et-oznam), ‘zij neigden hun oor’: zij luisterden niet. Zie ook Jer. 7:24.

15Vandaag waren jullie teruggekeerd en deden jullie wat recht is in Mijn ogen: ieder riep vrijlating uit voor zijn naaste. Jullie sloten een verbond voor Mijn aangezicht, in het huis waarover Mijn naam is uitgeroepen.
וַתָּשֻׁ֨בוּ
(vatashuvu)
en jullie keerden terug
אַתֶּ֜ם
(atem)
jullie
הַיּ֗וֹם
(hayom)
vandaag
וַתַּעֲשׂ֤וּ
(vataasu)
en jullie deden
אֶת
(et)
(obj.)
הַיָּשָׁר֙
(hayashar)
wat recht is
בְּעֵינַ֔י
(beeinay)
in Mijn ogen
לִקְרֹ֥א
(liqro)
om uit te roepen
דְר֖וֹר
(deror)
vrijlating
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
לְרֵעֵ֑הוּ
(lereehu)
aan zijn naaste
וַתִּכְרְת֤וּ
(vatikhretu)
en jullie sloten
בְרִית֙
(berit)
een verbond
לְפָנַ֔י
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
בַּבַּ֕יִת
(babayit)
in het huis
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נִקְרָ֥א
(niqra)
is uitgeroepen
שְׁמִ֖י
(shemi)
Mijn naam
עָלָֽיו
(alav)
over het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּבַּיִת אֲשֶׁר־נִקְרָא שְׁמִי עָלָיו (babayit asher-niqra shemi alav), ‘in het huis waarover Mijn naam is uitgeroepen’: de tempel, waarin Yahweh’s naam woont.

Zie 1 Kon. 8:43 en Jer. 7:10.

16Maar jullie keerden weer om en ontheiligden Mijn naam. Ieder haalde zijn slaaf en zijn slavin terug, die jullie vrij hadden laten gaan, waarheen zij zelf wilden. Jullie onderwierpen hen om voor jullie slaven en slavinnen te zijn.”
וַתָּשֻׁ֨בוּ֙
(vatashuvu)
en jullie keerden om
וַתְּחַלְּל֣וּ
(vatechalelu)
en jullie ontheiligden
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמִ֔י
(shemi)
Mijn naam
וַתָּשִׁ֗בוּ
(vatashivu)
en jullie lieten terugkeren
אִ֤ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
עַבְדּוֹ֙
(avdo)
zijn slaaf
וְאִ֣ישׁ
(veish)
en ieder
אֶת
(et)
(obj.)
שִׁפְחָת֔וֹ
(shifchato)
zijn slavin
אֲשֶׁר
(asher)
die
שִׁלַּחְתֶּ֥ם
(shilachtem)
jullie hadden laten gaan
חָפְשִׁ֖ים
(chafeshim)
vrij
לְנַפְשָׁ֑ם
(lenafsham)
naar hun ziel
וַתִּכְבְּשׁ֣וּ
(vatikhbeshu)
en jullie onderwierpen
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
לִֽהְי֣וֹת
(lihyot)
om te zijn
לָכֶ֔ם
(lakhem)
voor jullie
לַעֲבָדִ֖ים
(laavadim)
tot slaven
וְלִשְׁפָחֽוֹת
(velishfachot)
en tot slavinnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְנַפְשָׁם (lenafsham), ‘naar hun ziel’: naar hun eigen verlangen, waarheen zij wilden.

Zie ook Deut. 21:14.

Het woord נֶפֶשׁ (nefesh) staat voor het innerlijk, het zelf.

וַתְּחַלְּלוּ אֶת־שְׁמִי (vatchallelu et-shemi), ‘jullie ontheiligden Mijn naam’: het verbond was gesloten in het huis waarover Yahweh’s naam is uitgeroepen (vers 15). Wie het verbrak, ontheiligde Zijn naam.

Vrijlating voor het zwaard, de pest en de honger

17Daarom, zo zegt Yahweh: „Jullie hebben niet naar Mij geluisterd om vrijlating uit te roepen, ieder voor zijn broeder en ieder voor zijn naaste. Zie, Ik roep voor jullie een vrijlating uit, godsspraak van Yahweh: voor het zwaard, voor de pest en voor de honger. Ik maak jullie tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken van de aarde.
לָכֵן֮
(lakhen)
daarom
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
לֹֽא
(lo)
niet
שְׁמַעְתֶּ֣ם
(shematem)
hebben geluisterd
אֵלַ֔י
(elay)
naar Mij
לִקְרֹ֣א
(liqro)
om uit te roepen
דְר֔וֹר
(deror)
vrijlating
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
לְאָחִ֖יו
(leachiv)
aan zijn broeder
וְאִ֣ישׁ
(veish)
en ieder
לְרֵעֵ֑הוּ
(lereehu)
aan zijn naaste
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie Mij
קֹרֵא֩
(qore)
uitroepend
לָכֶ֨ם
(lakhem)
voor jullie
דְּר֜וֹר
(deror)
vrijlating
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
voor
הַחֶ֨רֶב֙
(hacherev)
het zwaard
אֶל
(el)
voor
הַדֶּ֣בֶר
(hadever)
de pest
וְאֶל
(veel)
en voor
הָרָעָ֔ב
(haraav)
de honger
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en Ik zal maken
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
לְזַעֲוָ֔ה
(lezaava)
tot een schrikbeeld
לְכֹ֖ל
(lekhol)
voor alle
מַמְלְכ֥וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דְּרוֹר (deror), ‘vrijlating’: Yahweh gebruikt het woord van de slaven tegen hen.

Zij hebben geen vrijlating uitgeroepen voor hun broeders; Hij roept nu een ‘vrijlating’ uit: vrij voor het zwaard, de pest en de honger.

Het is een bittere woordspeling.

הַדֶּבֶר (hadever), ‘de pest’: een besmettelijke ziekte die vaak bij een beleg uitbreekt.

זַעֲוָה (za’avah), ‘schrikbeeld’: iets waar de volken van schrikken. Zie ook Deut. 28:25.

18Ik zal de mannen geven die Mijn verbond hebben overtreden. Zij hebben de woorden van het verbond niet nagekomen dat zij voor Mijn aangezicht sloten. Zij sneden het kalf in tweeën en gingen tussen zijn stukken door:
וְנָתַתִּ֣י
(venatati)
en Ik zal geven
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֲנָשִׁ֗ים
(haanashim)
de mannen
הָעֹֽבְרִים֙
(haoverim)
die overtreden
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִתִ֔י
(beriti)
Mijn verbond
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
הֵקִ֨ימוּ֙
(heqimu)
hebben nagekomen
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de woorden van
הַבְּרִ֔ית
(haberit)
het verbond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
כָּרְת֖וּ
(karetu)
zij sloten
לְפָנָ֑י
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
הָעֵ֨גֶל֙
(haegel)
het kalf
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
כָּרְת֣וּ
(karetu)
zij sneden
לִשְׁנַ֔יִם
(lishnayim)
in tweeën
וַיַּעַבְר֖וּ
(vayaavru)
en zij gingen
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
בְּתָרָֽיו
(betarav)
zijn stukken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het kalf werd in twee stukken gesneden.

De partijen van het verbond gingen tussen de stukken door, als teken dat het hun zo mocht vergaan als zij hun woord braken.

Vergelijk Gen. 15:9–10 en 17.

Het Hebreeuws zegt ‘een verbond snijden’ (karat berit).

Het vers loopt door tot vers 20: ‘Ik zal de mannen … geven’. Vers 19 noemt wie het zijn en vers 20 zegt waaraan Hij hen geeft.

19de oversten van Juda en de oversten van Jeruzalem, de hofdienaren, de priesters en heel het volk van het land, die tussen de stukken van het kalf doorgingen.
שָׂרֵ֨י
(sarei)
de oversten van
יְהוּדָ֜ה
(yehuda)
Juda
וְשָׂרֵ֣י
(vesarei)
en de oversten van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
הַסָּֽרִסִים֙
(hasarisim)
de hofdienaren
וְהַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(vehakohanim)
en de priesters
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en heel
עַ֣ם
(am)
het volk van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
הָעֹ֣בְרִ֔ים
(haoverim)
die doorgingen
בֵּ֖ין
(bein)
tussen
בִּתְרֵ֥י
(bitrei)
de stukken van
הָעֵֽגֶל
(haegel)
het kalf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

סָרִיס (saris), ‘hofdienaar’: een ambtenaar aan het hof.

Zie 2 Kon. 24:12.

20Ik zal hen geven in de hand van hun vijanden en in de hand van wie hun leven zoeken. Hun lijken zullen voedsel zijn voor de vogels van de hemel en voor de dieren van de aarde.
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en Ik zal geven
אוֹתָם֙
(otam)
hen
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
אֹֽיְבֵיהֶ֔ם
(oyeveihem)
hun vijanden
וּבְיַ֖ד
(uveyad)
en in de hand van
מְבַקְשֵׁ֣י
(mevaqshei)
zoekers van
נַפְשָׁ֑ם
(nafsham)
hun leven
וְהָיְתָ֤ה
(vehayeta)
en zal zijn
נִבְלָתָם֙
(nivlatam)
hun lijk
לְמַֽאֲכָ֔ל
(lemaakhal)
tot voedsel
לְע֥וֹף
(leof)
voor de vogel van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
וּלְבֶהֱמַ֥ת
(ulevehemat)
en voor de dieren van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Ook Zedekia, de koning van Juda, en zijn oversten zal Ik geven in de hand van hun vijanden en in de hand van wie hun leven zoeken. Ook in de hand van het leger van de koning van Babel, dat van jullie is weggetrokken.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
צִדְקִיָּ֨הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֜ה
(yehuda)
Juda
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שָׂרָ֗יו
(sarav)
zijn oversten
אֶתֵּן֙
(eten)
zal Ik geven
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
אֹֽיְבֵיהֶ֔ם
(oyeveihem)
hun vijanden
וּבְיַ֖ד
(uveyad)
en in de hand van
מְבַקְשֵׁ֣י
(mevaqshei)
zoekers van
נַפְשָׁ֑ם
(nafsham)
hun leven
וּבְיַד
(uveyad)
en in de hand van
חֵ֚יל
(cheil)
leger van
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
הָעֹלִ֖ים
(haolim)
die wegtrekken
מֵעֲלֵיכֶֽם
(mealeikhem)
van jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

הָעֹלִים מֵעֲלֵיכֶם (ha’olim me’aleikhem), ‘dat van jullie is weggetrokken’: het leger van Babel was even van Jeruzalem weggetrokken.

Zie Jer. 37:5.

Yahweh zegt in vers 22 dat het zal terugkomen.

22Zie, Ik geef bevel, godsspraak van Yahweh, en Ik breng hen terug naar deze stad. Zij zullen tegen haar strijden, haar innemen en haar met vuur verbranden. De steden van Juda maak Ik tot een woestenij, zonder bewoner.”
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Mij
מְצַוֶּ֜ה
(metsave)
gebiedend
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַהֲשִׁ֨בֹתִ֜ים
(vahashivotim)
en Ik zal hen terugbrengen
אֶל
(el)
naar
הָעִ֤יר
(hair)
de stad
הַזֹּאת֙
(hazot)
deze
וְנִלְחֲמ֣וּ
(venilchamu)
en zij zullen strijden
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
tegen haar
וּלְכָד֖וּהָ
(ulekhaduha)
en zij zullen haar innemen
וּשְׂרָפֻ֣הָ
(userafuha)
en zij zullen haar verbranden
בָאֵ֑שׁ
(baesh)
met vuur
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עָרֵ֧י
(arei)
steden van
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
אֶתֵּ֥ן
(eten)
zal Ik geven
שְׁמָמָ֖ה
(shemama)
tot een woestenij
מֵאֵ֥ין
(meein)
zonder
יֹשֵֽׁב
(yoshev)
bewoner
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Uitleg

‘Ik breng hen terug’: ‘hen’ zijn de Babylonische troepen, die van Jeruzalem zijn weggetrokken (vers 21).

Zie Jer. 37:7–8.