Drieëntwintig jaar niet geluisterd; zeventig jaar Babel; de beker van Yahweh's woede
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het woord over heel het volk van Juda
1Het woord dat tot Jeremia kwam over heel het volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda. Dat is het eerste jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel.
הַדָּבָ֞ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הָיָ֤ה
(haya)
kwam
עַֽל
(al)
tot
יִרְמְיָ֨הוּ֙
(yirmeyahu)
Jeremia
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
עַ֣ם
(am)
het volk van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
בַּשָּׁנָה֙
(bashana)
in het jaar
הָֽרְבִעִ֔ית
(hareviit)
vierde
לִיהוֹיָקִ֥ים
(lihoyaqim)
van Jojakim
בֶּן
(ben)
zoon van
יֹאשִׁיָּ֖הוּ
(yoshiyahu)
Josia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
הִ֗יא
(hi)
dat
הַשָּׁנָה֙
(hashana)
het jaar
הָרִ֣אשֹׁנִ֔ית
(harishonit)
eerste
לִנְבֽוּכַדְרֶאצַּ֖ר
(linvukhadretsar)
van Nebukadnezar
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶֽל
(bavel)
Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
בשׁנה הרבעית (bashanah harvi’it), ‘in het vierde jaar’: het vierde jaar van Jojakim valt in 605 voor Christus, het jaar waarin Nebukadnezar de Egyptenaren bij Karkemis versloeg (Jer. 46:2).
Zijn ‘eerste jaar’ als koning wordt hier hetzelfde jaar genoemd.
De jaartallen komen uit het geheugen en zijn niet gecontroleerd.
Dit hoofdstuk is een samenvatting van wat Jeremia in de voorgaande hoofdstukken heeft gezegd.
3„Van het dertiende jaar van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda, tot op deze dag is het woord van Yahweh tot mij gekomen. Dat zijn 23 jaar. Ik heb telkens weer tot jullie gesproken, maar jullie hebben niet geluisterd.
מִן
(min)
van
שְׁלֹ֣שׁ
(shelosh)
drie
עֶשְׂרֵ֣ה
(esre)
tien
שָׁנָ֡ה
(shana)
jaar
לְיֹאשִׁיָּ֣הוּ
(leyoshiyahu)
van Josia
בֶן
(ben)
zoon van
אָמוֹן֩
(amon)
Amon
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֜ה
(yehuda)
Juda
וְעַ֣ד
(vead)
en tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֗ה
(haze)
deze
זֶ֚ה
(ze)
dit
שָׁלֹ֤שׁ
(shalosh)
drie
וְעֶשְׂרִים֙
(veesrim)
en twintig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
הָיָ֥ה
(haya)
is geweest
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
וָאֲדַבֵּ֧ר
(vaadaber)
en ik heb gesproken
אֲלֵיכֶ֛ם
(aleikhem)
tot jullie
אַשְׁכֵּ֥ים
(ashkeim)
telkens weer
וְדַבֵּ֖ר
(vedaber)
en gesproken
וְלֹ֥א
(velo)
maar niet
שְׁמַעְתֶּֽם
(shematem)
hebben jullie geluisterd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het dertiende jaar van Josia is het jaar van Jeremia’s roeping (Jer. 1:2).
Van daar tot het vierde jaar van Jojakim is 23 jaar.
אשׁכים ודבר (ashkem vedabber), ‘telkens weer’: letterlijk ‘vroeg opstaan en spreken’. Het is een vaste uitdrukking in Jeremia (7:13; 11:7; 25:3–4; 26:5; 29:19; 32:33; 35:14–15; 44:4) voor wie keer op keer en met inzet spreekt.
4Yahweh heeft telkens weer al Zijn knechten, de profeten, naar jullie gestuurd, maar jullie hebben niet geluisterd en jullie oor niet geneigd om te horen.
וְשָׁלַח֩
(veshalach)
en Hij zond
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲלֵיכֶ֜ם
(aleikhem)
naar jullie
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
עֲבָדָ֧יו
(avadav)
Zijn knechten
הַנְּבִאִ֛ים
(haneviim)
de profeten
הַשְׁכֵּ֥ם
(hashkem)
telkens weer
וְשָׁלֹ֖חַ
(veshaloach)
en zenden
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
שְׁמַעְתֶּ֑ם
(shematem)
hebben jullie geluisterd
וְלֹֽא
(velo)
en niet
הִטִּיתֶ֥ם
(hititem)
hebben jullie geneigd
אֶֽת
(et)
(obj.)
אָזְנְכֶ֖ם
(azenekhem)
jullie oor
לִשְׁמֹֽעַ
(lishmoa)
om te horen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עבדיו הנבאים (avadav hanevi’im), ‘Zijn knechten, de profeten’: zo noemt Yahweh de profeten ook in Jer. 7:25, 26:5, 29:19, 35:15 en 44:4.
5Zij zeiden: ‘Keer toch terug, ieder van zijn boze weg en van het kwaad van jullie daden. Woon op de grond die Yahweh aan jullie en aan jullie vaders heeft gegeven, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggend
שֽׁוּבוּ
(shuvu)
keer terug
נָ֞א
(na)
toch
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
מִדַּרְכּ֤וֹ
(midarko)
van zijn weg
הָֽרָעָה֙
(haraa)
de boze
וּמֵרֹ֣עַ
(umeroa)
en van het kwaad van
מַעַלְלֵיכֶ֔ם
(maalleikhem)
jullie daden
וּשְׁבוּ֙
(ushevu)
en woon
עַל
(al)
op
הָ֣אֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
נָתַ֧ן
(natan)
heeft gegeven
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
וְלַאֲבֽוֹתֵיכֶ֑ם
(velaavoteikhem)
en aan jullie vaders
לְמִן
(lemin)
van
עוֹלָ֖ם
(olam)
eeuwigheid
וְעַד
(vead)
en tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is de samenvatting van wat de profeten steeds zeiden: terugkeren en op de grond blijven wonen.
Zie ook Jer. 18:11, 35:15 en 2 Kon. 17:13.
למן עולם ועד עולם (lemin olam ve’ad olam), ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’: zoals in Ps. 90:2. De tekst bedoelt: voor altijd.
6Loop niet achter andere goden aan om hen te dienen en jullie voor hen neer te buigen. Prikkel Mij niet tot toorn met het werk van jullie handen, dan breng Ik jullie geen onheil.’
וְאַל
(veal)
en niet
תֵּלְכ֗וּ
(telekhu)
loop
אַֽחֲרֵי֙
(acharei)
achter
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
לְעָבְדָ֖ם
(leavedam)
om hen te dienen
וּלְהִשְׁתַּחֲוֺ֣ת
(ulehishtachavot)
en om neer te buigen
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor hen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תַכְעִ֤יסוּ
(takhisu)
prikkel tot toorn
אוֹתִי֙
(oti)
Mij
בְּמַעֲשֵׂ֣ה
(bemaase)
met het werk van
יְדֵיכֶ֔ם
(yedeikhem)
jullie handen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אָרַ֖ע
(ara)
zal Ik onheil brengen
לָכֶֽם
(lakhem)
aan jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תכעיסו אותי (taki’su oti), ‘prikkel Mij tot toorn’: zoals in 1 Kon. 14:9 en 2 Kon. 17:17.
7‘Maar jullie hebben niet naar Mij geluisterd, godsspraak van Yahweh. Zo hebben jullie Mij tot toorn geprikkeld met het werk van jullie handen, tot jullie eigen onheil.’
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שְׁמַעְתֶּ֥ם
(shematem)
hebben jullie geluisterd
אֵלַ֖י
(elay)
naar Mij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לְמַ֧עַן
(lemaan)
zodat
הַכְעִיסֵ֛נִי
(hakhiseni)
om Mij tot toorn te prikkelen
בְּמַעֲשֵׂ֥ה
(bemaase)
met het werk van
יְדֵיכֶ֖ם
(yedeikhem)
jullie handen
לְרַ֥ע
(lera)
tot onheil
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נאם יהוה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie de Uitleg bij Jer. 1:8.
9zie, Ik zend en neem alle families van het noorden, godsspraak van Yahweh, en Ik zend naar Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht. Ik breng hen over dit land, over zijn bewoners en over al deze volken rondom. Ik wijd hen aan de ban en maak hen tot een verwoesting, een gesis en eeuwige ruïnes.
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie Mij
שֹׁלֵ֡חַ
(sholeach)
zendend
וְלָקַחְתִּי֩
(velaqachti)
en Ik zal nemen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
מִשְׁפְּח֨וֹת
(mishpechot)
families van
צָפ֜וֹן
(tsafon)
het noorden
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶל
(veel)
en naar
נְבֽוּכַדְרֶאצַּ֣ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶל֮
(bavel)
Babel
עַבְדִּי֒
(avdi)
Mijn knecht
וַהֲבִ֨אֹתִ֜ים
(vahaviotim)
en Ik zal hen brengen
עַל
(al)
over
הָאָ֤רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּאת֙
(hazot)
dit
וְעַל
(veal)
en over
יֹ֣שְׁבֶ֔יהָ
(yosheveiha)
zijn bewoners
וְעַ֛ל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִ֥ם
(hagoyim)
volken
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
סָבִ֑יב
(saviv)
rondom
וְהַ֣חֲרַמְתִּ֔ים
(vehacharamtim)
en Ik zal hen aan de ban wijden
וְשַׂמְתִּים֙
(vesamtim)
en Ik zal hen maken
לְשַׁמָּ֣ה
(leshama)
tot verwoesting
וְלִשְׁרֵקָ֔ה
(velishreqa)
en tot gesis
וּלְחָרְב֖וֹת
(ulecharevot)
en tot ruïnes van
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
משׁפחות צפון (mishpechot tsafon), ‘families van het noorden’: de volken van het noorden die Yahweh oproept.
Zie Jer. 1:15.
עבדי (avdi), ‘Mijn knecht’: Yahweh noemt Nebukadnezar ‘Mijn knecht’, omdat hij Zijn oordeel uitvoert. Zie ook Jer. 27:6 en 43:10.
ואל (ve’el), ‘en naar’: het Hebreeuws zegt ‘en naar Nebukadnezar’. Wij vullen aan: ‘en Ik zend naar’.
הֶחֱרִים (hecherim), ‘aan de ban wijden’: aan de ban wijden betekent geheel aan Yahweh wijden, in dit geval ter vernietiging (zie Deut. 7:2).
שְׁרֵקָה (sherekah), ‘gesis’: men sist of fluit van schrik. Zie ook Jer. 19:8 en 51:37.
10Ik laat bij hen het geluid van vreugde en het geluid van blijdschap verdwijnen, het geluid van de bruidegom en het geluid van de bruid, het geluid van de molenstenen en het licht van de lamp.
וְהַאֲבַדְתִּ֣י
(vehaavadti)
en Ik zal laten verdwijnen
מֵהֶ֗ם
(mehem)
uit hen
ק֤וֹל
(qol)
geluid van
שָׂשׂוֹן֙
(sason)
vreugde
וְק֣וֹל
(veqol)
en geluid van
שִׂמְחָ֔ה
(simcha)
blijdschap
ק֥וֹל
(qol)
geluid van
חָתָ֖ן
(chatan)
bruidegom
וְק֣וֹל
(veqol)
en geluid van
כַּלָּ֑ה
(kala)
bruid
ק֥וֹל
(qol)
geluid van
רֵחַ֖יִם
(rechayim)
molenstenen
וְא֥וֹר
(veor)
en licht van
נֵֽר
(ner)
lamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vreugde en blijdschap, bruidegom en bruid, molenstenen en lamp: het gewone dagelijkse leven valt stil.
12Maar als de zeventig jaar vervuld zijn, zal Ik de koning van Babel en dat volk straffen voor hun schuld, godsspraak van Yahweh. Ook het land van de Chaldeeën zal Ik straffen. Ik maak het tot eeuwige verwoestingen.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִמְלֹ֣אות
(kimlovt)
wanneer vol zijn
שִׁבְעִ֣ים
(shivim)
zeventig
שָׁנָ֡ה
(shana)
jaar
אֶפְקֹ֣ד
(efqod)
zal Ik straffen
עַל
(al)
over
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶל֩
(bavel)
Babel
וְעַל
(veal)
en over
הַגּ֨וֹי
(hagoy)
dat volk
הַה֧וּא
(hahu)
dat
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺנָ֖ם
(avonam)
hun schuld
וְעַל
(veal)
en over
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
כַּשְׂדִּ֑ים
(kasdim)
de Chaldeeën
וְשַׂמְתִּ֥י
(vesamti)
en Ik zal maken
אֹת֖וֹ
(oto)
het
לְשִֽׁמְמ֥וֹת
(leshimmot)
tot verwoestingen van
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.
Uitleg
אפקד (efqod), ‘Ik zal straffen’: het werkwoord פָּקַד (paqad); zie Jer. 23:2.
13Ik breng over dat land al Mijn woorden die Ik erover gesproken heb. Dat is alles wat in dit boek geschreven staat, wat Jeremia over alle volken heeft geprofeteerd.
וְהֵֽבֵאתִי֙
(veheveti)
en Ik zal brengen
עַל
(al)
over
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַהִ֔יא
(hahi)
dat
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
דְּבָרַ֖י
(devaray)
Mijn woorden
אֲשֶׁר
(asher)
die
דִּבַּ֣רְתִּי
(dibarti)
heb Ik gesproken
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
erover
אֵ֤ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַכָּתוּב֙
(hakatuv)
wat geschreven staat
בַּסֵּ֣פֶר
(basefer)
in het boek
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נִבָּ֥א
(niba)
heeft geprofeteerd
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִֽם
(hagoyim)
volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הכתוב בספר הזה (hakkatuv bassefer hazzeh), ‘alles wat in dit boek geschreven staat’: de rol met woorden over de volken (Jer. 36:2).
Wat Jeremia over de volken heeft geprofeteerd, staat in Jer. 46–51.
15Want zo zegt Yahweh, Elohim van Israël, tot mij: „Neem uit Mijn hand deze beker, de wijn van woede, en laat alle volken eruit drinken naar wie Ik jou stuur.
כִּ֣י
(ki)
want
כֹה֩
(ko)
zo
אָמַ֨ר
(amar)
zegt
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
קַ֠ח
(qach)
neem
אֶת
(et)
(obj.)
כּ֨וֹס
(kos)
beker van
הַיַּ֧יִן
(hayayin)
de wijn
הַחֵמָ֛ה
(hachema)
de woede
הַזֹּ֖את
(hazot)
deze
מִיָּדִ֑י
(miyadi)
uit Mijn hand
וְהִשְׁקִיתָ֤ה
(vehishqita)
en laat drinken
אֹתוֹ֙
(oto)
het
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
volken
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
naar wie
אָנֹכִ֛י
(anokhi)
Ik
שֹׁלֵ֥חַ
(sholeach)
zend
אוֹתְךָ֖
(otekha)
jou
אֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
naar hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כוס היין החמה הזאת (kos hayayin hachemah hazzot), ‘deze beker, de wijn van woede’: een beeld voor het oordeel van Yahweh (zie ook Ps. 75:9 en Jes. 51:17 en 51:22).
18Jeruzalem en de steden van Juda, haar koningen en haar oversten, om hen tot een ruïne, een verwoesting, een gesis en een vloek te maken, zoals het vandaag is;
אֶת
(et)
(obj.)
יְרוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מְלָכֶ֖יהָ
(melakheiha)
haar koningen
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂרֶ֑יהָ
(sareiha)
haar oversten
לָתֵ֨ת
(latet)
om te maken
אֹתָ֜ם
(otam)
hen
לְחָרְבָּ֧ה
(lecharba)
tot ruïne
לְשַׁמָּ֛ה
(leshama)
tot verwoesting
לִשְׁרֵקָ֥ה
(lishreqa)
tot gesis
וְלִקְלָלָ֖ה
(veliqlala)
en tot vloek
כַּיּ֥וֹם
(kayom)
zoals de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
20het hele gemengde volk; alle koningen van het land Uz; alle koningen van het land van de Filistijnen: Askelon, Gaza, Ekron en de overgeblevenen van Asdod;
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
het hele
הָעֶ֔רֶב
(haerev)
gemengde volk
וְאֵ֕ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
מַלְכֵ֖י
(malkhei)
koningen van
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
הָע֑וּץ
(hauts)
Uz
וְאֵ֗ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
מַלְכֵי֙
(malkhei)
koningen van
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַשְׁקְל֤וֹן
(ashqelon)
Askelon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַזָּה֙
(aza)
Gaza
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֶקְר֔וֹן
(eqron)
Ekron
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
שְׁאֵרִ֥ית
(sheerit)
de overgeblevenen van
אַשְׁדּֽוֹד
(ashdod)
Asdod
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Zie Askelon: Askelon lag aan de kust van de Middellandse Zee, ten noorden van Gaza.
Zie Gaza: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van het land.
Zie Ekron: Ekron wordt gezocht bij Khirbet el-Muqanna, in de kustvlakte.
Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo.
Uitleg
הערב (ha’erev), ‘het gemengde volk’: het Hebreeuws woord ערב (erev) betekent ‘mengeling’ en wordt voor een gemengde bevolking van vreemdelingen gebruikt (Exod. 12:38).
De betekenis is niet helemaal zeker.
In vers 24 staat naast ערב (Arav), ‘Arabië’, ook weer ערב (erev), ‘het gemengde volk’.
Beide woorden hebben dezelfde medeklinkers.
העוץ (ha’uts), ‘Uz’: een land, wellicht ten oosten of ten zuidoosten van Israël (Job 1:1; Klaagl. 4:21).
Askelon, Gaza, Ekron en Asdod zijn vier van de vijf Filistijnse steden; Gat ontbreekt. Wat van Asdod ‘overgebleven’ is, wijst op eerdere verwoesting.
23Dedan, Tema, Buz en allen die de hoeken van hun haar afknippen;
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
דְּדָ֤ן
(dedan)
Dedan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תֵּימָא֙
(teima)
Tema
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בּ֔וּז
(buz)
Buz
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
קְצוּצֵ֥י
(qetsutsei)
die afknippen
פֵאָֽה
(pea)
de hoeken van het haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Dedan (Al-Ula?): Dedan wordt waarschijnlijk gezocht bij Al-Ula, een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië, aan de karavaanroute.
Zie Tema: Tema (nu Tayma) is een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië, op de karavaanroute.
Zie Buz: Buz lag in het noorden van Arabië, bij Dedan en Tema (Jeremia 25:23); de ligging is onzeker.
Uitleg
Dedan en Tema liggen in het noorden van Arabië (Jes. 21:13–14).
Buz is een Arabisch gebied; de ligging is niet zeker (Job 32:2).
קצוצי פאה (qetsutsei fe’ah), ‘die de hoeken van hun haar afknippen’: een gewoonte die de wet voor Israël verbiedt (Lev. 19:27). Zie ook Jer. 9:25 en 49:32.
26alle koningen van het noorden, dichtbij en veraf, de een na de ander, en alle koninkrijken van de aarde die op het oppervlak van de grond zijn. En de koning van Sjesjak zal na hen drinken.
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
הַצָּפ֗וֹן
(hatsafon)
het noorden
הַקְּרֹבִ֤ים
(haqerovim)
de dichtbije
וְהָֽרְחֹקִים֙
(veharechoqim)
en de verre
אִ֣ישׁ
(ish)
de een
אֶל
(el)
na
אָחִ֔יו
(achiv)
zijn broer
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַמַּמְלְכ֣וֹת
(hamamlekhot)
koninkrijken van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het oppervlak van
הָאֲדָמָ֑ה
(haadama)
de grond
וּמֶ֥לֶךְ
(umelekh)
en de koning van
שֵׁשַׁ֖ךְ
(sheshakh)
Sjesjak
יִשְׁתֶּ֥ה
(yishte)
zal drinken
אַחֲרֵיהֶֽם
(achareihem)
na hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁשׁך (Sheshakh), ‘Sjesjak’: een verhulde naam voor Babel.
In een eenvoudige geheimschrift waarbij de eerste letter van het alfabet wordt omgewisseld met de laatste, de tweede met de voorlaatste enzovoort, wordt בבל (Bavel) tot ששך (Sheshakh).
Zie ook Jer. 51:41.
Dat Babel als laatste drinkt, wordt hier met die verhulde naam gezegd.
27„En je moet tegen hen zeggen: Zo zegt Yahweh van de legermachten, Elohim van Israël: Drink, word dronken, braak en val. Jullie zullen niet meer opstaan vanwege het zwaard dat Ik tussen jullie zend.
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵיהֶ֡ם
(aleihem)
tot hen
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֩
(amar)
zegt
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֜וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
שְׁת֤וּ
(shetu)
drink
וְשִׁכְרוּ֙
(veshikhru)
en word dronken
וּקְי֔וּ
(uqeyu)
en braak
וְנִפְל֖וּ
(veniflu)
en val
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תָק֑וּמוּ
(taqumu)
sta op
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
vanwege
הַחֶ֔רֶב
(hacherev)
het zwaard
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
dat
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
Ik
שֹׁלֵ֖חַ
(sholeach)
zend
בֵּינֵיכֶֽם
(beineikhem)
tussen jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁתו ושׁכרו וקיו ונפלו (shetu ushkheru veqi’u venifelu), ‘drink, word dronken, braak en val’: de volgorde van een dronken man.
29Want zie, in de stad waarover Mijn naam is uitgeroepen, begin Ik onheil te brengen. En zouden jullie volkomen ongestraft blijven? Jullie blijven niet ongestraft, want Ik roep een zwaard op tegen alle bewoners van de aarde, godsspraak van Yahweh van de legermachten.
כִּי֩
(ki)
want
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
בָעִ֜יר
(bair)
in de stad
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
נִֽקְרָא
(niqra)
is uitgeroepen
שְׁמִ֣י
(shemi)
Mijn naam
עָלֶ֗יהָ
(aleiha)
over haar
אָֽנֹכִי֙
(anokhi)
Ik
מֵחֵ֣ל
(mechel)
begin
לְהָרַ֔ע
(lehara)
onheil te brengen
וְאַתֶּ֖ם
(veatem)
en jullie
הִנָּקֵ֣ה
(hinaqe)
volkomen ongestraft
תִנָּק֑וּ
(tinaqu)
zullen jullie blijven
לֹ֣א
(lo)
niet
תִנָּק֔וּ
(tinaqu)
zullen jullie ongestraft blijven
כִּ֣י
(ki)
want
חֶ֗רֶב
(cherev)
een zwaard
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
קֹרֵא֙
(qore)
roep op
עַל
(al)
tegen
כָּל
(kal)
alle
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
bewoners van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בעיר אשׁר נקרא שׁמי עליה (ba’ir asher niqra shemi aleha), ‘in de stad waarover Mijn naam is uitgeroepen’: Jeruzalem.
Wat over de stad bekend is, bepaalt wat ervan wordt verwacht (zie ook Dan. 9:18–19).
30En jij moet al deze woorden tegen hen profeteren en tegen hen zeggen: Yahweh brult uit de hoogte. Uit Zijn heilige woning laat Hij Zijn stem klinken. Luid brult Hij tegen Zijn weide. Een juichkreet als van druiventreders laat Hij horen tegen alle bewoners van de aarde.
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
תִּנָּבֵ֣א
(tinave)
zult profeteren
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tegen hen
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
woorden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tegen hen
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
מִמָּר֤וֹם
(mimarom)
uit de hoogte
יִשְׁאָג֙
(yishag)
brult
וּמִמְּע֤וֹן
(umimeon)
en uit de woning van
קָדְשׁוֹ֙
(qadesho)
Zijn heiligheid
יִתֵּ֣ן
(yiten)
laat klinken
קוֹל֔וֹ
(qolo)
Zijn stem
שָׁאֹ֤ג
(shaog)
luid brullen
יִשְׁאַג֙
(yishag)
zal Hij brullen
עַל
(al)
tegen
נָוֵ֔הוּ
(navehu)
Zijn weide
הֵידָד֙
(heidad)
juichkreet
כְּדֹרְכִ֣ים
(kedorekhim)
als van druiventreders
יַֽעֲנֶ֔ה
(yaane)
laat Hij horen
אֶ֥ל
(el)
tegen
כָּל
(kal)
alle
יֹשְׁבֵ֖י
(yoshevei)
bewoners van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יהוה ממרום ישׁאג (Yahweh mimmarom yish’ag), ‘Yahweh brult uit de hoogte’: een beeld van een leeuw (Jer. 25:38; Amos 1:2; Joël 4:16).
הידד כדרכים (heidad kadorekhim), ‘een juichkreet als van druiventreders’: de kreet van wie het sap uit de druiven treedt. Hier wordt het oordeel de oogst. Zie ook Jer. 48:33.
Vanaf dit vers is het een lied over Yahweh in de derde persoon. Wij laten de rode kleur doorlopen tot vers 33, omdat Yahweh Zelf hier de woorden aan Jeremia geeft en vers 31 eindigt met ‘godsspraak van Yahweh’.
31Een dreunend geluid komt tot het einde van de aarde, want Yahweh heeft een rechtszaak met de volken. Hij houdt gericht over alle vlees. De goddelozen geeft Hij aan het zwaard, godsspraak van Yahweh.
בָּ֤א
(ba)
komt
שָׁאוֹן֙
(shaon)
dreunend geluid
עַד
(ad)
tot
קְצֵ֣ה
(qetse)
einde van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
כִּ֣י
(ki)
want
רִ֤יב
(riv)
rechtszaak
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
בַּגּוֹיִ֔ם
(bagoyim)
met de volken
נִשְׁפָּ֥ט
(nishpat)
houdt gericht
ה֖וּא
(hu)
Hij
לְכָל
(lekhal)
over alle
בָּשָׂ֑ר
(basar)
vlees
הָרְשָׁעִ֛ים
(hareshaim)
de goddelozen
נְתָנָ֥ם
(netanam)
geeft Hij hen
לַחֶ֖רֶב
(lacherev)
aan het zwaard
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ריב ליהוה (riv laYahweh), ‘Yahweh heeft een rechtszaak’: zoals in Hos. 4:1 en Micha 6:2.
Hier zijn alle volken de partij tegen wie Yahweh de rechtszaak voert.
נשׁפט (nishpat), ‘houdt gericht’: letterlijk ‘wordt geoordeeld’, met Hem als rechter.
33Op die dag zullen de gesneuvelden van Yahweh liggen van het ene einde van de aarde tot het andere einde. Men zal niet om hen rouwen, hen niet verzamelen en hen niet begraven. Ze zullen als mest zijn op de oppervlakte van de grond.”
וְהָי֞וּ
(vehayu)
en zullen zijn
חַֽלְלֵ֤י
(challei)
gesneuvelden van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
מִקְצֵ֥ה
(miqtse)
van het einde van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
וְעַד
(vead)
en tot
קְצֵ֣ה
(qetse)
einde van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
לֹ֣א
(lo)
niet
יִסָּפְד֗וּ
(yisafedu)
zal men rouwen
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יֵאָֽסְפוּ֙
(yeasefu)
zal men verzamelen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִקָּבֵ֔רוּ
(yiqaveru)
zal men begraven
לְדֹ֛מֶן
(ledomen)
tot mest
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het oppervlak van
הָאֲדָמָ֖ה
(haadama)
de grond
יִֽהְיֽוּ
(yihyu)
zullen zij zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חללי יהוה (challei Yahweh), ‘de gesneuvelden van Yahweh’: wie door Yahweh’s oordeel gedood is.
34Jammer, herders, en schreeuw. Rol jullie in het stof, leiders van de kudde. Want de dagen van jullie slachting zijn vol, en jullie verstrooiing. Jullie zullen vallen als een kostbaar vat.
הֵילִ֨ילוּ
(heililu)
jammer
הָרֹעִ֜ים
(haroim)
herders
וְזַעֲק֗וּ
(vezaaqu)
en schreeuw
וְהִֽתְפַּלְּשׁוּ֙
(vehitpaleshu)
en rol jullie
אַדִּירֵ֣י
(adirei)
leiders van
הַצֹּ֔אן
(hatson)
de kudde
כִּֽי
(ki)
want
מָלְא֥וּ
(maleu)
zijn vol
יְמֵיכֶ֖ם
(yemeikhem)
jullie dagen
לִטְב֑וֹחַ
(litvoach)
om te slachten
וּתְפוֹצ֣וֹתִיכֶ֔ם
(utefotsotikhem)
en jullie verstrooiing
וּנְפַלְתֶּ֖ם
(unefaltem)
en jullie zullen vallen
כִּכְלִ֥י
(kikhli)
als een vat
חֶמְדָּֽה
(chemda)
kostbaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf dit vers staan de woorden zwart.
Het is een klaagzang van de profeet over de herders.
Wie hier precies spreekt, Yahweh of de profeet, is niet duidelijk.
Wij kiezen de profeet.
ככלי חמדה (kikhli chemdah), ‘als een kostbaar vat’: wie valt, valt als een kostbaar vat dat breekt. Vergelijk Jer. 22:28.
ותפוצותיכם (utfotsotekhem), ‘en jullie verstrooiing’: de betekenis is niet helemaal zeker; sommige oude vertalingen lezen ‘jullie verbrijzeling’.
38Hij heeft Zijn schuilplaats verlaten als een jonge leeuw. Want hun land is een verwoesting geworden vanwege de gloed van de onderdrukker en vanwege de gloed van Zijn toorn.
עָזַ֥ב
(azav)
Hij heeft verlaten
כַּכְּפִ֖יר
(kakefir)
als een jonge leeuw
סֻכּ֑וֹ
(suko)
Zijn schuilplaats
כִּֽי
(ki)
want
הָיְתָ֤ה
(hayeta)
is geworden
אַרְצָם֙
(artsam)
hun land
לְשַׁמָּ֔ה
(leshama)
tot verwoesting
מִפְּנֵי֙
(mipenei)
vanwege
חֲר֣וֹן
(charon)
gloed van
הַיּוֹנָ֔ה
(hayona)
de onderdrukker
וּמִפְּנֵ֖י
(umipenei)
en vanwege
חֲר֥וֹן
(charon)
gloed van
אַפּֽוֹ
(apo)
Zijn toorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ככפיר סכו (kakkefir suko), ‘als een jonge leeuw Zijn schuilplaats’: Yahweh verlaat Zijn schuilplaats als een leeuw, om te roven.
Zie vers 30.
חרון היונה (charon hayyonah), ‘de gloed van de onderdrukker’: de betekenis is niet helemaal zeker. Het woord kan van het werkwoord יָנָה (yanah), ‘onderdrukken’, komen. Zo staat het ook in Jer. 46:16 en 50:16 (‘het zwaard van de onderdrukker’). Het woord kan ook ‘duif’ betekenen.