Elohim Bijbel

Jeremia 21

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

Zedekia vraagt raad; de weg van het leven en de weg van de dood

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Zedekia stuurt naar Jeremia

1Het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam, toen koning Zedekia Pashchur, de zoon van Malkia, en Sefanja, de zoon van Maäseja, de priester, naar hem stuurde met de woorden:
הַדָּבָ֛ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הָיָ֥ה
(haya)
kwam
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּשְׁלֹ֨חַ
(bishloach)
toen stuurde
אֵלָ֜יו
(elav)
naar hem
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
צִדְקִיָּ֗הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
אֶת
(et)
(obj.)
פַּשְׁחוּר֙
(pashchur)
Pashchur
בֶּן
(ben)
zoon van
מַלְכִּיָּ֔ה
(malkiya)
Malkia
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
צְפַנְיָ֧ה
(tsefanya)
Sefanja
בֶן
(ben)
zoon van
מַעֲשֵׂיָ֛ה
(maaseya)
Maäseja
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פַּשְׁחוּר (Pashchur), ‘Pashchur’: de zoon van Malkia.

Hij is een andere man dan Pashchur, de zoon van Immer, in Jer. 20:1.

Hij komt weer voor in Jer. 38:1.

צְפַנְיָה (Tsefanyah), ‘Sefanja’: de priester, de zoon van Maäseja. Hij wordt ook genoemd in Jer. 29:25 en 37:3 en is waarschijnlijk dezelfde man als de tweede priester van 2 Kon. 25:18.

Het verzoek van koning Zedekia valt in de tijd van het beleg van Jeruzalem door Nebukadnezar (2 Kon. 25:1).

2„Raadpleeg toch Yahweh voor ons, want Nebukadnezar, de koning van Babel, voert oorlog tegen ons. Misschien doet Yahweh met ons zoals bij al Zijn wonderen, zodat hij van ons wegtrekt.”
דְּרָשׁ
(derash)
raadpleeg
נָ֤א
(na)
toch
בַעֲדֵ֨נוּ֙
(baadenu)
voor ons
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֛י
(ki)
want
נְבוּכַדְרֶאצַּ֥ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
נִלְחָ֣ם
(nilcham)
voert oorlog
עָלֵ֑ינוּ
(aleinu)
tegen ons
אוּלַי֩
(ulay)
misschien
יַעֲשֶׂ֨ה
(yaase)
zal doen
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אוֹתָ֨נוּ֙
(otanu)
met ons
כְּכָל
(kekhal)
zoals al
נִפְלְאֹתָ֔יו
(nifleotav)
Zijn wonderen
וְיַעֲלֶ֖ה
(veyaale)
en hij zal optrekken
מֵעָלֵֽינוּ
(mealeinu)
van ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

נבוכדראצר (Nevuchadretsar), ‘Nebukadnezar’: zo schrijft het boek Jeremia de naam van de koning van Babel.

Wij gebruiken dezelfde vorm als in 2 Kon. 24–25.

דרשׁ (derosh), ‘raadpleeg’: het werkwoord voor het vragen van een antwoord aan Yahweh, meestal door een profeet.

נפלאתיו (nifleotav), ‘Zijn wonderen’: de grote daden van Yahweh, zoals de redding bij de Schelfzee (Exod. 14) en de redding van Jeruzalem in de tijd van Hizkia (2 Kon. 19:35).

Het antwoord aan Zedekia

3Jeremia zei tegen hen: „Zo moeten jullie tegen Zedekia zeggen:
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
אֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
tegen hen
כֹּ֥ה
(ko)
zo
תֹאמְרֻ֖ן
(tomrun)
moeten jullie zeggen
אֶל
(el)
tot
צִדְקִיָּֽהוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Zo zegt Yahweh, Elohim van Israël: ‘Zie, Ik ga de oorlogswapens omkeren die in jullie handen zijn. Daarmee strijden jullie tegen de koning van Babel en tegen de Chaldeeën, die jullie buiten de muur belegeren. Ik zal ze verzamelen in het midden van deze stad.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֨ר
(amar)
zegt
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie Mij
מֵסֵב֮
(mesev)
Ik keer om
אֶת
(et)
(obj.)
כְּלֵ֣י
(kelei)
wapens van
הַמִּלְחָמָה֮
(hamilchama)
de oorlog
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּיֶדְכֶם֒
(beyedkhem)
in jullie hand
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarmee
אַתֶּ֜ם
(atem)
jullie
נִלְחָמִ֣ים
(nilchamim)
strijdend
בָּ֗ם
(bam)
tegen hen
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֤לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכַּשְׂדִּ֔ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
הַצָּרִ֣ים
(hatsarim)
die belegeren
עֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
jullie
מִח֖וּץ
(michuts)
buiten
לַֽחוֹמָ֑ה
(lachoma)
de muur
וְאָסַפְתִּ֣י
(veasafti)
en Ik zal verzamelen
אוֹתָ֔ם
(otam)
hen
אֶל
(el)
naar
תּ֖וֹךְ
(tokh)
het midden van
הָעִ֥יר
(hair)
de stad
הַזֹּֽאת
(hazot)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

הכשׂדים (haKasdim), ‘de Chaldeeën’: de bewoners van Babel en het leger van de koning van Babel.

Het Hebreeuws zegt hier dat Yahweh de wapens ‘omkeert’: hun eigen wapens werken tegen hen.

5Ik zelf zal tegen jullie strijden met een uitgestrekte hand en een sterke arm, in toorn, in woede en in grote verbolgenheid.
וְנִלְחַמְתִּ֤י
(venilchamti)
en Ik zal strijden
אֲנִי֙
(ani)
Ik zelf
אִתְּכֶ֔ם
(itekhem)
tegen jullie
בְּיָ֥ד
(beyad)
met een hand
נְטוּיָ֖ה
(netuya)
uitgestrekte
וּבִזְר֣וֹעַ
(uvizroa)
en met een arm
חֲזָקָ֑ה
(chazaqa)
sterke
וּבְאַ֥ף
(uveaf)
en in toorn
וּבְחֵמָ֖ה
(uvechema)
en in woede
וּבְקֶ֥צֶף
(uveqetsef)
en in verbolgenheid
גָּדֽוֹל
(gadol)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ביד נטויה ובזרוע חזקה (beyad netuyah uvizroa chazaqah), ‘met een uitgestrekte hand en een sterke arm’: dezelfde woorden als bij de uittocht uit Egypte (Deut. 4:34; 26:8).

Toen streed Yahweh voor Israël.

Nu strijdt Hij tegen Israël.

אַף (af), ‘toorn’; חֵמָה (chemah), ‘woede’; קֶצֶף (qetsef), ‘verbolgenheid’: drie woorden voor Yahweh’s heftige boosheid.

6Ik zal de bewoners van deze stad slaan, mens en dier. Zij zullen sterven aan een grote pest.
וְהִכֵּיתִ֗י
(vehikeiti)
en Ik zal slaan
אֶת
(et)
(obj.)
יֽוֹשְׁבֵי֙
(yoshevei)
bewoners van
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאָדָ֖ם
(haadam)
de mens
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַבְּהֵמָ֑ה
(habehema)
het dier
בְּדֶ֥בֶר
(bedever)
aan pest
גָּד֖וֹל
(gadol)
grote
יָמֻֽתוּ
(yamutu)
zij zullen sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7En daarna, godsspraak van Yahweh, zal Ik Zedekia, de koning van Juda, zijn dienaren en het volk overleveren. Dat geldt ook voor allen die in deze stad zijn overgebleven na de pest, het zwaard en de honger. Ik lever hen over in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel. Ik lever hen over in de hand van hun vijanden en in de hand van wie hun leven zoeken. Hij zal hen slaan met de scherpte van het zwaard. Hij zal hen niet sparen, niet ontzien en zich niet over hen ontfermen.’
וְאַחֲרֵי
(veacharei)
en na
כֵ֣ן
(ken)
dit
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֡ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶתֵּ֣ן
(eten)
Ik zal geven
אֶת
(et)
(obj.)
צִדְקִיָּ֣הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֣ה
(yehuda)
Juda
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲבָדָ֣יו
(avadav)
zijn dienaren
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעָ֡ם
(haam)
het volk
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנִּשְׁאָרִים֩
(hanisharim)
de overgeblevenen
בָּעִ֨יר
(bair)
in de stad
הַזֹּ֜את
(hazot)
deze
מִן
(min)
na
הַדֶּ֣בֶר
(hadever)
de pest
מִן
(min)
na
הַחֶ֣רֶב
(hacherev)
het zwaard
וּמִן
(umin)
en na
הָרָעָ֗ב
(haraav)
de honger
בְּיַד֙
(beyad)
in de hand van
נְבוּכַדְרֶאצַּ֣ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
וּבְיַד֙
(uveyad)
en in de hand van
אֹֽיְבֵיהֶ֔ם
(oyeveihem)
hun vijanden
וּבְיַ֖ד
(uveyad)
en in de hand van
מְבַקְשֵׁ֣י
(mevaqshei)
zoekers van
נַפְשָׁ֑ם
(nafsham)
hun leven
וְהִכָּ֣ם
(vehikam)
en hij zal hen slaan
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
לֹֽא
(lo)
niet
יָח֣וּס
(yachus)
zal hij sparen
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
hen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יַחְמֹ֖ל
(yachmol)
zal hij ontzien
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יְרַחֵֽם
(yerachem)
zal hij zich ontfermen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

נאם יהוה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: een vaste formule in de profeten.

Zie de Uitleg bij Jer. 1:8.

Midden in de rode woorden staat ze ook rood.

מבקשׁי נפשׁם (mevaqshe nafsham), ‘wie hun leven zoeken’: wie hen willen doden.

לפי חרב (lefi cherev), ‘met de scherpte van het zwaard’: letterlijk ‘naar de mond van het zwaard’.

חוּס (chus), ‘sparen’, חָמַל (chamal), ‘ontzien’ en רִחֵם (richem), ‘zich ontfermen’: drie werkwoorden voor medelijden. De eerste twee staan samen in Deut. 13:9 en Ezech. 9:10.

De weg van het leven en de weg van de dood

8En tegen dit volk moet je zeggen: Zo zegt Yahweh: ‘Zie, Ik leg jullie de weg van het leven voor en de weg van de dood.
וְאֶל
(veel)
en tot
הָעָ֤ם
(haam)
het volk
הַזֶּה֙
(haze)
dit
תֹּאמַ֔ר
(tomar)
moet je zeggen
כֹּ֖ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֤י
(hinni)
zie Mij
נֹתֵן֙
(noten)
geef
לִפְנֵיכֶ֔ם
(lifneikhem)
voor jullie
אֶת
(et)
(obj.)
דֶּ֥רֶךְ
(derekh)
weg van
הַחַיִּ֖ים
(hachayim)
het leven
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
דֶּ֥רֶךְ
(derekh)
weg van
הַמָּֽוֶת
(hamavet)
de dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דרך החיים (derekh hachayyim), ‘de weg van het leven’, en דרך המות (derekh hammavet), ‘de weg van de dood’: Yahweh legt twee wegen voor, zoals in Deut. 30:15 en 30:19.

In vers 9 wordt duidelijk wat de twee wegen zijn.

Het Hebreeuws gebruikt hier ‘je’ in het enkelvoud: ‘tegen dit volk moet je zeggen’. Het is Jeremia zelf die het volk toespreekt. De woorden van Yahweh staan rood, de aanhef ‘Zo zegt Yahweh’ zwart.

9Wie in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, de honger en de pest. Maar wie naar buiten gaat en overloopt naar de Chaldeeën die jullie belegeren, zal leven. Zijn leven zal hem tot buit zijn.
הַיֹּשֵׁב֙
(hayoshev)
wie blijft
בָּעִ֣יר
(bair)
in de stad
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
יָמ֕וּת
(yamut)
zal sterven
בַּחֶ֖רֶב
(bacherev)
door het zwaard
וּבָרָעָ֣ב
(uvaraav)
en door de honger
וּבַדָּ֑בֶר
(uvadaver)
en door de pest
וְהַיּוֹצֵא֩
(vehayotse)
en wie naar buiten gaat
וְנָפַ֨ל
(venafal)
en overloopt
עַל
(al)
naar
הַכַּשְׂדִּ֜ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
הַצָּרִ֤ים
(hatsarim)
die belegeren
עֲלֵיכֶם֙
(aleikhem)
jullie
וְחָיָ֔ה
(vechaya)
en hij zal leven
וְהָֽיְתָה
(vehayeta)
en zal zijn
לּ֥וֹ
(lo)
hem
נַפְשׁ֖וֹ
(nafsho)
zijn leven
לְשָׁלָֽל
(leshalal)
tot buit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

והיוצא ונפל על הכשׂדים (hayotse venafal al haKasdim), ‘wie naar buiten gaat en overloopt naar de Chaldeeën’: wie zich overgeeft.

Dezelfde raad geeft Jeremia in Jer. 38:2 en 38:17.

לו נפשׁו לשׁלל (lo nafsho leshalal), ‘zijn leven zal hem tot buit zijn’: hij houdt alleen zijn leven over, zoals iemand die uit een gevecht met alleen een buit weggaat. Zie ook Jer. 38:2, 39:18 en 45:5.

10Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gericht, ten kwade en niet ten goede, godsspraak van Yahweh. Zij wordt overgeleverd in de hand van de koning van Babel, en hij zal haar met vuur verbranden.’
כִּ֣י
(ki)
want
שַׂ֣מְתִּי
(samti)
Ik heb gericht
פָ֠נַי
(panay)
Mijn aangezicht
בָּעִ֨יר
(bair)
tegen de stad
הַזֹּ֧את
(hazot)
deze
לְרָעָ֛ה
(leraa)
ten kwade
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
לְטוֹבָ֖ה
(letova)
ten goede
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
מֶ֤לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
תִּנָּתֵ֔ן
(tinaten)
zal zij worden gegeven
וּשְׂרָפָ֖הּ
(userafah)
en hij zal haar verbranden
בָּאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

שׂמתי פני (samti fanai), ‘Ik heb Mijn aangezicht gericht’: Yahweh richt Zijn blik op de stad, tot straf.

Het tegenovergestelde is de zegen van Num. 6:25–26.

Aan het huis van de koning van Juda

11En tot het huis van de koning van Juda: Hoor het woord van Yahweh.
וּלְבֵית֙
(uleveit)
en tot het huis van
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
שִׁמְע֖וּ
(shimu)
hoor
דְּבַר
(devar)
woord van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Huis van David, zo zegt Yahweh: ‘Spreek elke morgen recht en bevrijd de beroofde uit de hand van de onderdrukker. Anders breekt Mijn woede uit als een vuur en brandt het zonder dat iemand het blust, vanwege het kwaad van jullie daden.
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
דָּוִ֗ד
(david)
David
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּ֤ינוּ
(dinu)
spreek recht
לַבֹּ֨קֶר֙
(laboqer)
elke morgen
מִשְׁפָּ֔ט
(mishpat)
recht
וְהַצִּ֥ילוּ
(vehatsilu)
en bevrijd
גָז֖וּל
(gazul)
beroofde
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
עוֹשֵׁ֑ק
(osheq)
onderdrukker
פֶּן
(pen)
anders
תֵּצֵ֨א
(tetse)
breekt uit
כָאֵ֜שׁ
(kaesh)
als vuur
חֲמָתִ֗י
(chamati)
Mijn woede
וּבָעֲרָה֙
(uvaara)
en brandt
וְאֵ֣ין
(veein)
zonder
מְכַבֶּ֔ה
(mekhabe)
blusser
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
vanwege
רֹ֥עַ
(roa)
het kwaad van
מַעַלְלֵיכֶֽם
(maalleikhem)
jullie daden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דינו לבקר משׁפט (dinu labboqer mishpat), ‘spreek elke morgen recht’: de morgen was in Israël de tijd van de rechtspraak (2 Sam. 15:2; Ps. 101:8).

והצילו גזול מיד עושׁק (vehatsilu gazul miyyad oshéq), ‘bevrijd de beroofde uit de hand van de onderdrukker’: dezelfde woorden staan in Jer. 22:3.

חֵמָה (chemah), ‘woede’.

Lezing

Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) מַעַלְלֵיכֶם (ma’allekhem), ‘jullie daden’.

De geschreven tekst (ketiv) heeft מעלליהם (ma’alleihem), ‘hun daden’.

13Zie, Ik ben tegen je, bewoonster van het dal, rots op het vlakke land, godsspraak van Yahweh. Tegen jullie die zeggen: „Wie zal tegen ons afdalen? En wie zal onze woningen binnengaan?”
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Mij
אֵלַ֜יִךְ
(elayikh)
tegen je
יֹשֶׁ֧בֶת
(yoshevet)
bewoonster van
הָעֵ֛מֶק
(haemeq)
het dal
צ֥וּר
(tsur)
rots van
הַמִּישֹׁ֖ר
(hamishor)
het vlakke land
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הָאֹֽמְרִים֙
(haomerim)
die zeggen
מִֽי
(mi)
wie
יֵחַ֣ת
(yechat)
zal afdalen
עָלֵ֔ינוּ
(aleinu)
tegen ons
וּמִ֥י
(umi)
en wie
יָב֖וֹא
(yavo)
zal binnengaan
בִּמְעוֹנוֹתֵֽינוּ
(bimonoteinu)
in onze woningen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ישׁבת העמק צור המישׁר (yoshevet ha’emeq tsur hammishor), ‘bewoonster van het dal, rots op het vlakke land’: een beeld voor Jeruzalem, de stad op de berg.

Zij voelt zich zo veilig als een rots, ver boven het dal.

Wie precies bedoeld is, is niet helemaal zeker.

מי יחת עלינו ומי יבוא במעונותינו (mi yechat aleinu umi yavo bemo’onoteinu), ‘Wie zal tegen ons afdalen? En wie zal onze woningen binnengaan?’: de zelfverzekerde woorden van de bewoners. Het werkwoord nachat betekent ‘afdalen’.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen ‘wie jaagt ons schrik aan’.

Wij volgen de gewone betekenis ‘afdalen’.

14Ik zal jullie straffen naar de vrucht van jullie daden, godsspraak van Yahweh. Ik steek een vuur aan in haar woud, dat alles om haar heen verteert.’”
וּפָקַדְתִּ֧י
(ufaqadti)
en Ik zal straffen
עֲלֵיכֶ֛ם
(aleikhem)
over jullie
כִּפְרִ֥י
(kifri)
de vrucht van
מַעַלְלֵיכֶ֖ם
(maalleikhem)
jullie daden
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהִצַּ֤תִּי
(vehitsati)
en Ik zal aansteken
אֵשׁ֙
(esh)
vuur
בְּיַעְרָ֔הּ
(beyarah)
in haar woud
וְאָכְלָ֖ה
(veakhela)
en het zal verteren
כָּל
(kal)
alles
סְבִיבֶֽיהָ
(seviveiha)
om haar heen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ופקדתי עליכם כפרי מעלליכם (ufaqadti aleikhem kifri ma’alleikhem), ‘Ik zal jullie straffen naar de vrucht van jullie daden’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent hier ‘bezoeken’ met als gevolg straf.

Zie ook Jer. 23:2.

ביערה (be’ye’arah), ‘in haar woud’: de stad is een woud, door de vele huizen van cederhout (vergelijk Jer. 22:14–15 en 22:23).