Elohim Bijbel

Jeremia 52

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

De val van Jeruzalem en de vrijlating van Jojachin

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Zedekia, de laatste koning van Juda

1Zedekia was 21 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 11 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Chamutal, de dochter van Jeremia, uit Libna.
בֶּן
(ben)
zoon van
עֶשְׂרִ֨ים
(esrim)
twintig
וְאַחַ֤ת
(veachat)
en een
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
צִדְקִיָּ֣הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
בְמָלְכ֔וֹ
(bemalekho)
bij zijn koning worden
וְאַחַ֤ת
(veachat)
en een
עֶשְׂרֵה֙
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
hij regeerde
בִּירֽוּשָׁלִָ֑ם
(birushalaim)
in Jeruzalem
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en naam van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
חֲמוּטַ֥ל
(chamutal)
Chamutal
בַּֽת
(bat)
dochter van
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
מִלִּבְנָֽה
(milivna)
uit Libna
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Libna (ligging onzeker): Libna lag in de Sefela.

Tel Burna is voorgesteld; dit is niet zeker.

Uitleg

Jeremia 52 is, met kleine verschillen, gelijk aan 2 Kon. 24:18–25:30.

Alleen de verzen 28–30 staan niet in Koningen.

Het vorige hoofdstuk eindigt met ‘Tot hier gaan de woorden van Jeremia’ (51:64).

Dit hoofdstuk is dus een aanhangsel dat het boek afsluit.

De verzen 1–3 komen overeen met 2 Kon. 24:18–20; 2 Kron. 36:11–13 heeft het bericht korter. Chamutal was ook de moeder van Joachaz (2 Kon. 23:31).

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft חמיטל (chamitel); het gelezen woord (qere) is חֲמוּטַל (chamutal).

Wij volgen het qere.

2Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh, helemaal zoals Jojakim had gedaan.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwaad
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
zoals alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשָׂ֖ה
(asa)
deed
יְהוֹיָקִֽים
(yehoyaqim)
Jojakim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Want het gebeurde met Jeruzalem en Juda vanwege de toorn van Yahweh, totdat Hij hen van Zijn aangezicht wegwierp. Zedekia kwam in opstand tegen de koning van Babel.
כִּ֣י
(ki)
want
עַל
(al)
vanwege
אַ֣ף
(af)
toorn van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הָֽיְתָה֙
(hayeta)
het was
בִּירוּשָׁלִַ֣ם
(birushalaim)
met Jeruzalem
וִֽיהוּדָ֔ה
(vihuda)
en met Juda
עַד
(ad)
totdat
הִשְׁלִיכ֥וֹ
(hishlikho)
Hij wegwierp
אוֹתָ֖ם
(otam)
hen
מֵעַ֣ל
(meal)
van
פָּנָ֑יו
(panav)
Zijn aangezicht
וַיִּמְרֹ֥ד
(vayimrod)
en hij kwam in opstand
צִדְקִיָּ֖הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
בְּמֶ֥לֶךְ
(bemelekh)
tegen de koning van
בָּבֶֽל
(bavel)
Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

Het Hebreeuws van dit vers verschilt van 2 Kon. 24:20 alleen in spelling en in een voorzetsel (‘en Juda’ tegenover ‘en in Juda’).

De betekenis is gelijk.

Het beleg van Jeruzalem

4Het was in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand. Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam met heel zijn leger tegen Jeruzalem. Zij sloegen een kamp op tegen haar en bouwden een belegeringswal rondom haar.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
בַשָּׁנָ֨ה
(bashana)
in het jaar
הַתְּשִׁעִ֜ית
(hateshiit)
de negende
לְמָלְכ֗וֹ
(lemalekho)
van zijn regering
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הָעֲשִׂירִי֮
(haasiri)
de tiende
בֶּעָשׂ֣וֹר
(beasor)
op de tiende
לַחֹדֶשׁ֒
(lachodesh)
van de maand
בָּ֠א
(ba)
kwam
נְבוּכַדְרֶאצַּ֨ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֜ל
(bavel)
Babel
ה֤וּא
(hu)
hij
וְכָל
(vekhal)
en heel
חֵילוֹ֙
(cheilo)
zijn leger
עַל
(al)
tegen
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij sloegen een kamp op
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
tegen haar
וַיִּבְנ֥וּ
(vayivnu)
en zij bouwden
עָלֶ֛יהָ
(aleiha)
tegen haar
דָּיֵ֖ק
(dayeq)
belegeringswal
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

נְבוּכַדְרֶאצַּר (Nevuchadre’tsar), ‘Nebukadnezar’: Jeremia schrijft de naam met een r. 2 Kon. 25:1 heeft נְבֻכַדְנֶאצַּר (Nevuchadne’tsar).

Het is dezelfde koning; wij schrijven overal ‘Nebukadnezar’.

דָּיֵק (dayeq), ‘belegeringswal’: zie 2 Kon. 25:1.

In 2 Kon. 25:1 staat de eerste werkwoordsvorm in het enkelvoud (‘hij sloeg een kamp op’). Hier staat het meervoud (‘zij sloegen een kamp op’).

5De stad bleef onder belegering tot het elfde jaar van koning Zedekia.
וַתָּבֹ֥א
(vatavo)
en kwam
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
בַּמָּצ֑וֹר
(bamatsor)
onder belegering
עַ֚ד
(ad)
tot
עַשְׁתֵּ֣י
(ashtei)
een
עֶשְׂרֵ֣ה
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לַמֶּ֖לֶךְ
(lamelekh)
van de koning
צִדְקִיָּֽהוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6In de vierde maand, op de negende van de maand, werd de honger sterk in de stad. Er was geen brood voor het volk van het land.
בַּחֹ֤דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הָֽרְבִיעִי֙
(harevii)
de vierde
בְּתִשְׁעָ֣ה
(betisha)
op de negende
לַחֹ֔דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
וַיֶּחֱזַ֥ק
(vayechezaq)
en werd sterk
הָרָעָ֖ב
(haraav)
de honger
בָּעִ֑יר
(bair)
in de stad
וְלֹא
(velo)
en niet
הָיָ֥ה
(haya)
was
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
לְעַ֥ם
(leam)
voor het volk van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier staat ‘de vierde maand’.

In 2 Kon. 25:3 wordt de maand niet genoemd.

De vlucht en de straf van Zedekia

7De stad werd opengebroken. Alle krijgsmannen vluchtten en gingen ’s nachts de stad uit. Zij namen de weg van de poort tussen de twee muren, bij de tuin van de koning. De Chaldeeën lagen rondom de stad. Zij gingen langs de weg van de Araba.
וַתִּבָּקַ֣ע
(vatibaqa)
en werd opengebroken
הָעִ֗יר
(hair)
de stad
וְכָל
(vekhal)
en alle
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
הַמִּלְחָמָ֡ה
(hamilchama)
de oorlog
יִבְרְחוּ֩
(yivrechu)
zij vluchtten
וַיֵּצְא֨וּ
(vayetseu)
en zij gingen uit
מֵהָעִ֜יר
(mehair)
uit de stad
לַ֗יְלָה
(layla)
's nachts
דֶּ֜רֶךְ
(derekh)
weg van
שַׁ֤עַר
(shaar)
poort
בֵּין
(bein)
tussen
הַחֹמֹתַ֨יִם֙
(hachomotayim)
de twee muren
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
עַל
(al)
bij
גַּ֣ן
(gan)
tuin van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְכַשְׂדִּ֥ים
(vekhasdim)
en Chaldeeën
עַל
(al)
bij
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
סָבִ֑יב
(saviv)
rondom
וַיֵּלְכ֖וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
דֶּ֥רֶךְ
(derekh)
weg van
הָעֲרָבָֽה
(haarava)
de Araba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Poort tussen de twee muren (ligging onzeker): De poort tussen de twee muren lag in de zuidelijke stadsmuur van Jeruzalem, bij de tuin van de koning.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Tuin van de koning (ligging onzeker): De tuin van de koning lag in het zuiden van Jeruzalem, waarschijnlijk bij de vijver van Siloam.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Araba: De Araba is het diepe dal ten zuiden van de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba.

Uitleg

Hier staat dat ‘alle krijgsmannen vluchtten en de stad uitgingen’, en dat ‘zij’ (meervoud) langs de weg van de Araba gingen.

In 2 Kon. 25:4 ontbreken de werkwoorden ‘vluchtten’ en ‘gingen uit’, en gaat ‘hij’ (de koning) langs die weg.

Het is hetzelfde bericht: Zedekia en zijn krijgsmannen ontvluchten de stad.

8Het leger van de Chaldeeën achtervolgde de koning. Zij haalden Zedekia in op de vlakte van Jericho. Heel zijn leger was van hem weg verspreid.
וַיִּרְדְּפ֤וּ
(vayirdefu)
en zij achtervolgden
חֵיל
(cheil)
leger van
כַּשְׂדִּים֙
(kasdim)
Chaldeeën
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיַּשִּׂ֥יגוּ
(vayasigu)
en zij haalden in
אֶת
(et)
(obj.)
צִדְקִיָּ֖הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
בְּעַֽרְבֹ֣ת
(bearvot)
op de vlakte van
יְרֵח֑וֹ
(yerecho)
Jericho
וְכָל
(vekhal)
en heel
חֵיל֔וֹ
(cheilo)
zijn leger
נָפֹ֖צוּ
(nafotsu)
zij werden verspreid
מֵעָלָֽיו
(mealav)
van hem weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

בְּעַרְבֹת יְרֵחוֹ (arvat Yerecho), ‘de vlakte van Jericho’: 2 Kon. 25:5 heeft het meervoud, ‘de vlakten’.

Hier wordt Zedekia bij naam genoemd; in Koningen staat alleen ‘hem’.

9Zij grepen de koning en brachten hem naar de koning van Babel, naar Ribla, in het land Chamat. Daar sprak hij recht over hem uit.
וַֽיִּתְפְּשׂוּ֙
(vayitpesu)
en zij grepen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיַּעֲל֨וּ
(vayaalu)
en zij brachten omhoog
אֹת֜וֹ
(oto)
hem
אֶל
(el)
naar
מֶ֧לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֛ל
(bavel)
Babel
רִבְלָ֖תָה
(rivlata)
naar Ribla
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
חֲמָ֑ת
(chamat)
Chamat
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en hij sprak
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
מִשְׁפָּטִֽים
(mishpatim)
rechtsuitspraken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Ribla (Ribleh): Ribla lag aan de Orontes, in het land Hamat, bij het huidige Ribleh.

Farao Necho en later Nebukadnezar hadden daar hun hoofdkwartier.

Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

Uitleg

Hier staat ‘in het land Chamat’ al bij Ribla; in 2 Kon. 25:6 komt dat pas in vers 21.

Ribla lag in het land Chamat.

מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘rechtsuitspraken’: een meervoud, ‘hij sprak vonnissen met hem uit’. 2 Kon. 25:6 heeft het werkwoord in het meervoud (‘zij spraken recht’). Hier is het de koning van Babel zelf.

10De koning van Babel slachtte de zonen van Zedekia voor zijn ogen. Ook alle oversten van Juda slachtte hij in Ribla.
וַיִּשְׁחַ֧ט
(vayishchat)
en hij slachtte
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֛ל
(bavel)
Babel
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
צִדְקִיָּ֖הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
לְעֵינָ֑יו
(leeinav)
voor zijn ogen
וְגַ֛ם
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
שָׂרֵ֥י
(sarei)
oversten van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
שָׁחַ֥ט
(shachat)
hij slachtte
בְּרִבְלָֽתָה
(berivlata)
in Ribla
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Ribla (Ribleh): Ribla lag aan de Orontes, in het land Hamat, bij het huidige Ribleh.

Farao Necho en later Nebukadnezar hadden daar hun hoofdkwartier.

Uitleg

De woorden ‘ook alle oversten van Juda slachtte hij in Ribla’ staan hier, maar niet in 2 Kon. 25:7.

Het bericht over Zedekia gaat in vers 11 verder.

11De ogen van Zedekia maakte hij blind. Hij bond hem met koperen ketenen, en de koning van Babel bracht hem naar Babel. Hij zette hem in de gevangenis tot de dag van zijn dood.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֵינֵ֥י
(einei)
ogen van
צִדְקִיָּ֖הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
עִוֵּ֑ר
(iver)
hij maakte blind
וַיַּאַסְרֵ֣הוּ
(vayaasrehu)
en hij bond hem
בַֽנְחֻשְׁתַּ֗יִם
(banchushtayim)
met koperen ketenen
וַיְבִאֵ֤הוּ
(vayviehu)
en hij bracht hem
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
בָּבֶ֔לָה
(bavela)
naar Babel
וַיִּתְּנֵ֥הוּ
(vayitenehu)
en hij zette hem
בֵֽית
(beit)
huis van
הַפְּקֻדֹּ֖ת
(hapequdot)
de bewaking
עַד
(ad)
tot
י֥וֹם
(yom)
dag van
מוֹתֽוֹ
(moto)
zijn dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

בֵית הַפְּקֻדֹּת (beit happequdot), ‘de gevangenis’: letterlijk ‘huis van de bewakingen’.

Het woord komt alleen hier voor.

De slotwoorden ‘tot de dag van zijn dood’ staan niet in 2 Kon. 25:7.

De verwoesting van de stad en de tempel

12In de vijfde maand, op de tiende van de maand, kwam Nebuzaradan naar Jeruzalem. Hij was de bevelhebber van de lijfwacht en stond voor de koning van Babel. Dat was het negentiende jaar van koning Nebukadnezar, de koning van Babel.
וּבַחֹ֤דֶשׁ
(uvachodesh)
en in de maand
הַֽחֲמִישִׁי֙
(hachamishi)
de vijfde
בֶּעָשׂ֣וֹר
(beasor)
op de tiende
לַחֹ֔דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הִ֗יא
(hi)
dat
שְׁנַת֙
(shenat)
jaar van
תְּשַֽׁע
(tesha)
negen
עֶשְׂרֵ֣ה
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לַמֶּ֖לֶךְ
(lamelekh)
van de koning
נְבוּכַדְרֶאצַּ֣ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֑ל
(bavel)
Babel
בָּ֗א
(ba)
kwam
נְבֽוּזַרְאֲדָן֙
(nevuzaradan)
Nebuzaradan
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִ֔ים
(tabachim)
de lijfwacht
עָמַ֛ד
(amad)
hij stond
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushalaim)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

Hier staat de tiende dag van de vijfde maand; 2 Kon. 25:8 heeft de zevende dag.

Wij laten beide staan zoals ze er staan.

עָמַד לִפְנֵי (amad lifnei), ‘stond voor’: een uitdrukking voor ‘dienen’. In 2 Kon. 25:8 staat עֶבֶד (eved), ‘dienaar’.

רַב טַבָּחִים (rav tabbachim), ‘bevelhebber van de lijfwacht’: letterlijk ‘overste van de slachters’. Zie 2 Kon. 25:8 en Gen. 37:36.

13Hij verbrandde het huis van Yahweh, het huis van de koning en alle huizen van Jeruzalem. Ook elk groot huis verbrandde hij met vuur.
וַיִּשְׂרֹ֥ף
(vayisrof)
en hij verbrandde
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּית
(beit)
huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
בָּתֵּ֧י
(batei)
huizen van
יְרוּשָׁלִַ֛ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
elk
בֵּ֥ית
(beit)
huis
הַגָּד֖וֹל
(hagadol)
het grote
שָׂרַ֥ף
(saraf)
hij verbrandde
בָּאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

כָּל בֵּית הַגָּדוֹל (kol beit haggadol): letterlijk ‘elk huis, het grote’. 2 Kon. 25:9 heeft ‘elk groot huis’.

Bedoeld zijn de huizen van de aanzienlijken.

Wij vertalen ‘elk groot huis’.

14Heel het leger van de Chaldeeën dat bij de bevelhebber van de lijfwacht was, brak alle muren van Jeruzalem rondom af.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
חֹמ֥וֹת
(chomot)
muren van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
סָבִ֑יב
(saviv)
rondom
נָֽתְצוּ֙
(natetsu)
braken af
כָּל
(kal)
heel
חֵ֣יל
(cheil)
leger van
כַּשְׂדִּ֔ים
(kasdim)
Chaldeeën
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
אֶת
(et)
bij
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִֽים
(tabachim)
de lijfwacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

15Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, voerde een deel van de armsten van het volk weg. Hij voerde ook de rest van het volk weg dat in de stad was achtergebleven. Ook voerde hij de overlopers weg die naar de koning van Babel waren overgelopen, en de rest van de menigte.
וּמִדַּלּ֨וֹת
(umidalot)
en van de armsten van
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
יֶ֥תֶר
(yeter)
de rest van
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַנִּשְׁאָרִ֣ים
(hanisharim)
de achterblijvers
בָּעִ֗יר
(bair)
in de stad
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנֹּֽפְלִים֙
(hanofelim)
de overlopers
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
נָֽפְלוּ֙
(nafelu)
liepen over
אֶל
(el)
naar
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
יֶ֣תֶר
(yeter)
de rest van
הָֽאָמ֑וֹן
(haamon)
de menigte
הֶגְלָ֕ה
(hegla)
voerde weg
נְבוּזַרְאֲדָ֖ן
(nevuzaradan)
Nebuzaradan
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִֽים
(tabachim)
de lijfwacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

וּמִדַּלּוֹת (umiddallot), ‘een deel van de armsten’: deze woorden staan niet in 2 Kon. 25:11, en vers 16 zegt dat een deel van de armsten juist werd achtergelaten.

Het Hebreeuws is hier moeilijk.

Sommige oude vertalingen laten het begin van het vers weg.

הָאָמוֹן (ha’amon), ‘de menigte’: 2 Kon. 25:11 heeft הֶהָמוֹן (hehamon). De spelling hier is ongewoon; de betekenis lijkt gelijk. Het woord kan ook ‘ambachtslieden’ betekenen. Wij vertalen ‘de menigte’, zoals in Koningen.

16Van de armsten van het land liet Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, een deel achter, als wijngaardeniers en als akkerbouwers.
וּמִדַּלּ֣וֹת
(umidalot)
en van de armsten van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
הִשְׁאִ֕יר
(hishir)
liet achter
נְבוּזַרְאֲדָ֖ן
(nevuzaradan)
Nebuzaradan
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִ֑ים
(tabachim)
de lijfwacht
לְכֹרְמִ֖ים
(lekhoremim)
als wijngaardeniers
וּלְיֹגְבִֽים
(uleyogevim)
en als akkerbouwers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier wordt Nebuzaradan bij naam genoemd; in 2 Kon. 25:12 staat alleen ‘de bevelhebber van de lijfwacht’.

Zie ook 2 Kon. 25:12 voor ‘wijngaardeniers’ en ‘akkerbouwers’.

De voorwerpen van de tempel

17De Chaldeeën braken de koperen pilaren, die bij het huis van Yahweh stonden, in stukken. Ook de onderstellen en de koperen zee, die in het huis van Yahweh stond, braken zij in stukken. Zij namen al het koper daarvan mee naar Babel.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַמּוּדֵ֨י
(amudei)
pilaren van
הַנְּחֹ֜שֶׁת
(hanechoshet)
het koper
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לְבֵית
(leveit)
van het huis van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמְּכֹנ֞וֹת
(hamekhonot)
de onderstellen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יָ֧ם
(yam)
zee van
הַנְּחֹ֛שֶׁת
(hanechoshet)
het koper
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּבֵית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
שִׁבְּר֣וּ
(shiberu)
braken
כַשְׂדִּ֑ים
(kasdim)
Chaldeeën
וַיִּשְׂא֥וּ
(vayisu)
en zij namen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
נְחֻשְׁתָּ֖ם
(nechushtam)
hun koper
בָּבֶֽלָה
(bavela)
naar Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

De pilaren, de onderstellen en de zee maakte Hiram voor Salomo (1 Kon. 7:15–39).

18Ook de potten, de scheppen, de snuitscharen, de sprengschalen, de schalen en alle koperen voorwerpen waarmee zij dienst deden, namen zij mee.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַ֠סִּרוֹת
(hasirot)
de potten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַיָּעִ֨ים
(hayaim)
de scheppen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַֽמְזַמְּר֜וֹת
(hamzamerot)
de snuitscharen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּזְרָקֹ֣ת
(hamizraqot)
de sprengschalen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכַּפּ֗וֹת
(hakapot)
de schalen
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
כְּלֵ֧י
(kelei)
voorwerpen van
הַנְּחֹ֛שֶׁת
(hanechoshet)
het koper
אֲשֶׁר
(asher)
die
יְשָׁרְת֥וּ
(yesharetu)
zij deden dienst
בָהֶ֖ם
(bahem)
daarmee
לָקָֽחוּ
(laqachu)
zij namen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De ‘sprengschalen’ (מִזְרָקוֹת, mizraqot) staan hier ook in deze reeks; in 2 Kon. 25:14 niet.

19Ook de bekkens, de vuurpannen, de sprengschalen, de potten, de kandelaars, de schalen en de offerschalen nam de bevelhebber van de lijfwacht mee. Hij nam wat geheel van goud was en wat geheel van zilver was.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַ֠סִּפִּים
(hasipim)
de bekkens
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמַּחְתּ֨וֹת
(hamachtot)
de vuurpannen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּזְרָק֜וֹת
(hamizraqot)
de sprengschalen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַסִּיר֣וֹת
(hasirot)
de potten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמְּנֹר֗וֹת
(hamenorot)
de kandelaars
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכַּפּוֹת֙
(hakapot)
de schalen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמְּנַקִי֔וֹת
(hamenaqiot)
de offerschalen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
זָהָב֙
(zahav)
goud
זָהָ֔ב
(zahav)
geheel
וַאֲשֶׁר
(vaasher)
en die
כֶּ֖סֶף
(kesef)
zilver
כָּ֑סֶף
(kasef)
geheel
לָקַ֖ח
(laqach)
nam
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִֽים
(tabachim)
de lijfwacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers noemt meer voorwerpen dan 2 Kon. 25:15: הַסִּפִּים (sippim), ‘bekkens’, סִירוֹת (sirot), ‘potten’, מְנֹרוֹת (menorot), ‘kandelaars’, כַּפּוֹת (kappot), ‘schalen’ en הַמְּנַקִיוֹת (menaqqiyyot), ‘offerschalen’.

Vergelijk 1 Kon. 7:50.

De herhaling ‘goud, goud’ en ‘zilver, zilver’ betekent ‘geheel van goud’ en ‘geheel van zilver’.

20De twee pilaren, de ene zee en de twaalf koperen runderen onder de onderstellen had koning Salomo voor het huis van Yahweh gemaakt. Het koper van al deze voorwerpen was niet te wegen.
הָעַמּוּדִ֣ים
(haamudim)
de pilaren
שְׁנַ֗יִם
(shenayim)
twee
הַיָּ֤ם
(hayam)
de zee
אֶחָד֙
(echad)
één
וְהַבָּקָ֞ר
(vehabaqar)
en de runderen
שְׁנֵים
(sheneim)
twee
עָשָׂ֤ר
(asar)
tien
נְחֹ֨שֶׁת֙
(nechoshet)
koper
אֲשֶׁר
(asher)
die
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
הַמְּכֹנ֔וֹת
(hamekhonot)
de onderstellen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשָׂ֛ה
(asa)
maakte
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
לְבֵ֣ית
(leveit)
voor het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹא
(lo)
niet
הָיָ֣ה
(haya)
was
מִשְׁקָ֔ל
(mishqal)
gewicht
לִנְחֻשְׁתָּ֖ם
(linchushtam)
voor hun koper
כָּל
(kal)
alle
הַכֵּלִ֥ים
(hakelim)
de voorwerpen
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier staan de twaalf koperen runderen ‘onder de onderstellen’; in 1 Kon. 7:25 staan ze onder de zee.

Wij laten de tekst staan zoals hij is.

Het koper van al deze voorwerpen was niet te wegen: zo ook 2 Kon. 25:16 en 1 Kon. 7:47.

21Wat de pilaren betreft: de ene pilaar was 18 el hoog. Een draad van 12 el omspande hem. Zijn dikte was vier vingers, en hij was hol.
וְהָעַמּוּדִ֗ים
(vehaamudim)
en de pilaren
שְׁמֹנֶ֨ה
(shemone)
acht
עֶשְׂרֵ֤ה
(esre)
tien
אַמָּה֙
(ama)
el
קוֹמַת֙
(qomat)
hoogte van
הָעַמֻּ֣ד
(haamud)
de pilaar
הָאֶחָ֔ד
(haechad)
de ene
וְח֛וּט
(vechut)
en een draad van
שְׁתֵּים
(sheteim)
twee
עֶשְׂרֵ֥ה
(esre)
tien
אַמָּ֖ה
(ama)
el
יְסֻבֶּ֑נּוּ
(yesubenu)
omspande hem
וְעָבְי֛וֹ
(veaveyo)
en zijn dikte
אַרְבַּ֥ע
(arba)
vier
אַצְבָּע֖וֹת
(atsbaot)
vingers
נָבֽוּב
(navuv)
hol
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De verzen 21–23 beschrijven de pilaren uitvoeriger dan 2 Kon. 25:17.

Vergelijk 1 Kon. 7:15–22.

Een el is ongeveer 45 cm: 18 el is ongeveer 8 meter en 12 el ongeveer 5,4 meter.

חוּט (chut), ‘draad’: een meetsnoer dat om de pilaar werd gelegd.

22Een kapiteel van koper zat erop. Het ene kapiteel was 5 el hoog. Rondom het kapiteel zaten een netwerk en granaatappels. Alles was van koper. Zo was ook de tweede pilaar, met granaatappels.
וְכֹתֶ֨רֶת
(vekhoteret)
en kapiteel van
עָלָ֜יו
(alav)
erop
נְחֹ֗שֶׁת
(nechoshet)
koper
וְקוֹמַ֨ת
(veqomat)
en hoogte van
הַכֹּתֶ֥רֶת
(hakoteret)
het kapiteel
הָאַחַת֮
(haachat)
het ene
חָמֵ֣שׁ
(chamesh)
vijf
אַמּוֹת֒
(amot)
el
וּשְׂבָכָ֨ה
(usevakha)
en netwerk
וְרִמּוֹנִ֧ים
(verimonim)
en granaatappels
עַֽל
(al)
op
הַכּוֹתֶ֛רֶת
(hakoteret)
het kapiteel
סָבִ֖יב
(saviv)
rondom
הַכֹּ֣ל
(hakol)
alles
נְחֹ֑שֶׁת
(nechoshet)
koper
וְכָאֵ֛לֶּה
(vekhaele)
en zoals deze
לַֽעַמּ֥וּד
(laamud)
voor de pilaar
הַשֵּׁנִ֖י
(hasheni)
de tweede
וְרִמּוֹנִֽים
(verimonim)
en granaatappels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het kapiteel is hier 5 el hoog, zoals in 1 Kon. 7:16.

In 2 Kon. 25:17 is het 3 el.

Wij laten beide getallen staan.

23Er waren 96 granaatappels aan de zijkant. Alle granaatappels samen, rondom op het netwerk, waren er 100.
וַיִּֽהְיוּ֙
(vayihyu)
en waren
הָֽרִמֹּנִ֔ים
(harimonim)
de granaatappels
תִּשְׁעִ֥ים
(tishim)
negentig
וְשִׁשָּׁ֖ה
(veshisha)
en zes
ר֑וּחָה
(rucha)
naar de zijkant
כָּל
(kal)
alle
הָרִמּוֹנִ֥ים
(harimonim)
de granaatappels
מֵאָ֛ה
(mea)
honderd
עַל
(al)
op
הַשְּׂבָכָ֖ה
(hasevakha)
het netwerk
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחָה (ruchah), ‘aan de zijkant’: letterlijk ‘naar de wind toe’.

Waarschijnlijk zijn de 96 granaatappels die aan de buitenkant te zien waren; in totaal waren er 100 rondom.

In 1 Kon. 7:20 en 42 staan andere getallen (200 per rij en 400 in totaal).

Wij laten de getallen staan.

Zie ook1 Kon 7:20

De leiders worden naar Ribla gebracht

24De bevelhebber van de lijfwacht nam Seraja gevangen, de hoofdpriester, en Sefanja, de tweede priester, en de drie bewakers van de drempel.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִ֗ים
(tabachim)
de lijfwacht
אֶת
(et)
(obj.)
שְׂרָיָה֙
(seraya)
Seraja
כֹּהֵ֣ן
(kohen)
priester
הָרֹ֔אשׁ
(harosh)
het hoofd
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
צְפַנְיָ֖ה
(tsefanya)
Sefanja
כֹּהֵ֣ן
(kohen)
priester
הַמִּשְׁנֶ֑ה
(hamishne)
de tweede
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׁלֹ֖שֶׁת
(sheloshet)
drie
שֹׁמְרֵ֥י
(shomerei)
bewakers van
הַסַּֽף
(hasaf)
de drempel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Uit de stad nam hij een hofdienaar, die bevelhebber was over de krijgsmannen. Hij nam ook zeven mannen die het gezicht van de koning zagen en die in de stad gevonden werden. Hij nam ook de schrijver van de legeroverste, die het volk van het land voor het leger opriep. Ook nam hij 60 man van het volk van het land die midden in de stad gevonden werden.
וּמִן
(umin)
en uit
הָעִ֡יר
(hair)
de stad
לָקַח֩
(laqach)
hij nam
סָרִ֨יס
(saris)
hofdienaar
אֶחָ֜ד
(echad)
één
אֲֽשֶׁר
(asher)
die
הָיָ֥ה
(haya)
was
פָקִ֣יד
(paqid)
bevelhebber
עַל
(al)
over
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
הַמִּלְחָמָ֗ה
(hamilchama)
de oorlog
וְשִׁבְעָ֨ה
(veshiva)
en zeven
אֲנָשִׁ֜ים
(anashim)
mannen
מֵרֹאֵ֤י
(meroei)
die zien
פְנֵי
(penei)
het gezicht van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נִמְצְא֣וּ
(nimtseu)
werden gevonden
בָעִ֔יר
(bair)
in de stad
וְאֵ֗ת
(veet)
en (obj.)
סֹפֵר֙
(sofer)
schrijver van
שַׂ֣ר
(sar)
overste van
הַצָּבָ֔א
(hatsava)
het leger
הַמַּצְבִּ֖א
(hamatsbi)
die opriep
אֶת
(et)
(obj.)
עַ֣ם
(am)
het volk van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְשִׁשִּׁ֥ים
(veshishim)
en zestig
אִישׁ֙
(ish)
man
מֵעַ֣ם
(meam)
uit het volk van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
הַֽנִּמְצְאִ֖ים
(hanimtseim)
die gevonden werden
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
in het midden van
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier staan ‘zeven mannen’ die het gezicht van de koning zagen; 2 Kon. 25:19 heeft ‘vijf’.

Wij laten beide getallen staan.

סֹפֵר שַׂר הַצָּבָא (sofer sar hatsava), ‘de schrijver van de legeroverste’: zie de toelichting bij 2 Kon. 25:19, waar het Hebreeuws ook ‘de schrijver, de legeroverste’ toelaat.

‘Midden in de stad’ (betokh ha’ir) staat hier tegenover ‘in de stad’ in 2 Kon. 25:19.

26Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, nam hen mee en bracht hen naar de koning van Babel, naar Ribla.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
אוֹתָ֔ם
(otam)
hen
נְבוּזַרְאֲדָ֖ן
(nevuzaradan)
Nebuzaradan
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִ֑ים
(tabachim)
de lijfwacht
וַיֹּ֧לֶךְ
(vayolekh)
en hij leidde
אוֹתָ֛ם
(otam)
hen
אֶל
(el)
naar
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
רִבְלָֽתָה
(rivlata)
naar Ribla
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Ribla (Ribleh): Ribla lag aan de Orontes, in het land Hamat, bij het huidige Ribleh.

Farao Necho en later Nebukadnezar hadden daar hun hoofdkwartier.

27De koning van Babel sloeg hen neer en doodde hen in Ribla, in het land Chamat. En Juda werd van zijn grond weggevoerd.
וַיַּכֶּ֣ה
(vayake)
en hij sloeg
אוֹתָם֩
(otam)
hen
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֧ל
(bavel)
Babel
וַיְמִתֵ֛ם
(vaymitem)
en hij doodde hen
בְּרִבְלָ֖ה
(berivla)
in Ribla
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
חֲמָ֑ת
(chamat)
Chamat
וַיִּ֥גֶל
(vayigel)
en werd weggevoerd
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
מֵעַ֥ל
(meal)
van op
אַדְמָתֽוֹ
(admato)
zijn grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Ribla (Ribleh): Ribla lag aan de Orontes, in het land Hamat, bij het huidige Ribleh.

Farao Necho en later Nebukadnezar hadden daar hun hoofdkwartier.

Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

Uitleg

Dit vers is gelijk aan 2 Kon. 25:21.

‘En Juda werd van zijn grond weggevoerd’ staat ook in 2 Kon. 17:23, over Israël.

Het bericht dat in 2 Kon. 25:22–26 volgt (Gedalja en de moord op hem), staat in Jeremia in de hoofdstukken 40–41.

De getallen van de wegvoeringen

28Dit is het volk dat Nebukadnezar wegvoerde: in het zevende jaar 3023 Judeeërs.
זֶ֣ה
(ze)
dit
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
הֶגְלָ֖ה
(hegla)
wegvoerde
נְבֽוּכַדְרֶאצַּ֑ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
בִּשְׁנַת
(bishnat)
in het jaar
שֶׁ֕בַע
(sheva)
zeven
יְהוּדִ֕ים
(yehudim)
Judeeërs
שְׁלֹ֥שֶׁת
(sheloshet)
drie
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizend
וְעֶשְׂרִ֥ים
(veesrim)
en twintig
וּשְׁלֹשָֽׁה
(ushelosha)
en drie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De verzen 28–30 staan alleen in Jeremia.

Ze noemen drie wegvoeringen met hun aantallen. 2 Kon. 24:12–16 en 25:11 beschrijven wegvoeringen uit dezelfde tijd, met andere jaren en andere getallen (2 Kon. 24:12 noemt het achtste jaar, 24:14 en 24:16 noemen 10.000 en 7000 + 1000).

De jaren in de verzen 28–30 zijn jaren van Nebukadnezar.

Wij laten de getallen staan.

יְהוּדִים (yehudim), ‘Judeeërs’: mensen uit Juda, zoals in 2 Kon. 25:25.

29In het achttiende jaar van Nebukadnezar werden uit Jeruzalem 832 personen weggevoerd.
בִּשְׁנַ֛ת
(bishnat)
in het jaar
שְׁמוֹנֶ֥ה
(shemone)
acht
עֶשְׂרֵ֖ה
(esre)
tien
לִנְבֽוּכַדְרֶאצַּ֑ר
(linvukhadretsar)
van Nebukadnezar
מִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(mirushalaim)
uit Jeruzalem
נֶ֕פֶשׁ
(nefesh)
personen
שְׁמֹנֶ֥ה
(shemone)
acht
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
וּשְׁנָֽיִם
(ushenayim)
en twee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘persoon’: letterlijk ‘ziel’, hier het getal van mensen, zoals in Gen. 46:26.

30In het drieëntwintigste jaar van Nebukadnezar voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, 745 Judeeërs weg. In totaal waren het 4600 personen.
בִּשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar
שָׁלֹ֣שׁ
(shalosh)
drie
וְעֶשְׂרִים֮
(veesrim)
en twintig
לִנְבֽוּכַדְרֶאצַּר֒
(linvukhadretsar)
van Nebukadnezar
הֶגְלָ֗ה
(hegla)
voerde weg
נְבֽוּזַרְאֲדָן֙
(nevuzaradan)
Nebuzaradan
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִ֔ים
(tabachim)
de lijfwacht
יְהוּדִ֕ים
(yehudim)
Judeeërs
נֶ֕פֶשׁ
(nefesh)
personen
שְׁבַ֥ע
(sheva)
zeven
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
וַחֲמִשָּׁ֑ה
(vachamisha)
en vijf
כָּל
(kal)
alle
נֶ֕פֶשׁ
(nefesh)
personen
אַרְבַּ֥עַת
(arbaat)
vier
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizend
וְשֵׁ֥שׁ
(veshesh)
en zes
מֵאֽוֹת
(meot)
honderd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De getallen van de verzen 28–30 samen: 3023 + 832 + 745 = 4600.

Dat is het getal aan het slot van dit vers.

Jojachin wordt vrijgelaten

31Het was in het 37e jaar van de ballingschap van Jojachin, de koning van Juda. In de twaalfde maand, op de 25e van de maand, verhief Evil-Merodach, de koning van Babel, het hoofd van Jojachin, de koning van Juda. Dat was in het jaar waarin hij koning werd. Hij haalde hem uit de gevangenis.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
בִשְׁלֹשִׁ֨ים
(bishloshim)
in dertig
וָשֶׁ֜בַע
(vasheva)
en zeven
שָׁנָ֗ה
(shana)
jaar
לְגָלוּת֙
(legalut)
van de ballingschap van
יְהוֹיָכִ֣ן
(yehoyakhin)
Jojachin
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
בִּשְׁנֵ֤ים
(bishneim)
in twee
עָשָׂר֙
(asar)
tien
חֹ֔דֶשׁ
(chodesh)
maand
בְּעֶשְׂרִ֥ים
(beesrim)
op twintig
וַחֲמִשָּׁ֖ה
(vachamisha)
en vijf
לַחֹ֑דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
נָשָׂ֡א
(nasa)
verhief
אֱוִ֣יל
(evil)
Evil
מְרֹדַךְ֩
(merodakh)
Merodach
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֜ל
(bavel)
Babel
בִּשְׁנַ֣ת
(bishnat)
in het jaar van
מַלְכֻת֗וֹ
(malkhuto)
zijn koning worden
אֶת
(et)
(obj.)
רֹאשׁ֙
(rosh)
het hoofd van
יְהוֹיָכִ֣ין
(yehoyakhin)
Jojachin
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וַיֹּצֵ֥א
(vayotse)
en hij haalde uit
אוֹת֖וֹ
(oto)
hem
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
uit het huis van
הַכְּלֽוּא
(hakelu)
de gevangenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

Hier staat de 25e dag van de twaalfde maand; 2 Kon. 25:27 heeft de 27e dag.

Wij laten beide staan.

מִבֵּית הַכְּלוּא (mibbeit hakkelu), ‘uit de gevangenis’: letterlijk ‘uit het huis van de gevangenen’.

32Hij sprak vriendelijk met hem. Hij plaatste zijn troon boven de troon van de koningen die bij hem in Babel waren.
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en hij sprak
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
טֹב֑וֹת
(tovot)
goede dingen
וַיִּתֵּן֙
(vayiten)
en hij plaatste
אֶת
(et)
(obj.)
כִּסְא֔וֹ
(kiso)
zijn troon
מִמַּ֗עַל
(mimaal)
boven
לְכִסֵּ֧א
(lekhise)
de troon van
הַמְּלָכִ֛ים
(hamelakhim)
de koningen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
בְּבָבֶֽל
(bevavel)
in Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

טֹבוֹת (tovot), ‘goede dingen’: vriendelijke woorden, zoals in 2 Kon. 25:28.

33Jojachin verwisselde zijn gevangeniskleren. Hij at voortdurend brood voor het aangezicht van de koning, alle dagen van zijn leven.
וְשִׁנָּ֕ה
(veshina)
en hij verwisselde
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
בִּגְדֵ֣י
(bigdei)
kleren van
כִלְא֑וֹ
(kilo)
zijn gevangenis
וְאָכַ֨ל
(veakhal)
en hij at
לֶ֧חֶם
(lechem)
brood
לְפָנָ֛יו
(lefanav)
voor zijn aangezicht
תָּמִ֖יד
(tamid)
voortdurend
כָּל
(kal)
alle
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
חַיָּֽו
(chayav)
zijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In het Hebreeuws staat alleen ‘hij’.

Wij schrijven ‘Jojachin’ voor de duidelijkheid.

Ook ‘de koning’ bij ‘aangezicht’ is onze verduidelijking: er staat ‘voor zijn aangezicht’.

34Zijn toelage, een voortdurende toelage, werd hem door de koning van Babel gegeven: elke dag het deel van die dag. Dat duurde tot de dag van zijn dood, alle dagen van zijn leven.
וַאֲרֻחָת֗וֹ
(vaaruchato)
en zijn toelage
אֲרֻחַת֩
(aruchat)
toelage van
תָּמִ֨יד
(tamid)
voortdurend
נִתְּנָה
(nitena)
werd gegeven
לּ֜וֹ
(lo)
aan hem
מֵאֵ֧ת
(meet)
van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֛ל
(bavel)
Babel
דְּבַר
(devar)
het deel van
י֥וֹם
(yom)
de dag
בְּיוֹמ֖וֹ
(beyomo)
op zijn dag
עַד
(ad)
tot
י֣וֹם
(yom)
dag van
מוֹת֑וֹ
(moto)
zijn dood
כֹּ֖ל
(kol)
alle
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
חַיָּֽיו
(chayav)
zijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

De woorden ‘tot de dag van zijn dood’ staan niet in 2 Kon. 25:30.

Hiermee sluit het boek Jeremia af.