Elohim Bijbel

Zacharia 5

1234567891011121314

De vliegende rol en de efa met de vrouw

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De vliegende rol

1Ik sloeg opnieuw mijn ogen op en zag, en zie, een vliegende rol.
וָאָשׁ֕וּב
(vaashuv)
en ik keerde terug
וָאֶשָּׂ֥א
(vaesa)
en ik sloeg op
עֵינַ֖י
(einay)
mijn ogen
וָֽאֶרְאֶ֑ה
(vaere)
en ik zag
וְהִנֵּ֖ה
(vehine)
en zie
מְגִלָּ֥ה
(megila)
een rol
עָפָֽה
(afa)
vliegende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מגלה (megillah), ‘rol’: een geschreven boekrol, zoals in Jer. 36:2.

Dit is het zesde van de acht visioenen.

Het volgende, de efa met de vrouw (vers 5), is het zevende.

עפה (afah), ‘vliegende’: de rol zweeft in de lucht.

2Hij zei tegen mij: „Wat zie je?” Ik zei: „Ik zie een vliegende rol. Haar lengte is twintig el en haar breedte tien el.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
מָ֥ה
(ma)
wat
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
רֹאֶ֑ה
(roe)
ziet
וָאֹמַ֗ר
(vaomar)
en ik zei
אֲנִ֤י
(ani)
ik
רֹאֶה֙
(roe)
zie
מְגִלָּ֣ה
(megila)
een rol
עָפָ֔ה
(afa)
vliegende
אָרְכָּהּ֙
(arkah)
haar lengte
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
בָּֽאַמָּ֔ה
(baama)
in el
וְרָחְבָּ֖הּ
(verachbah)
en haar breedte
עֶ֥שֶׂר
(eser)
tien
בָּאַמָּֽה
(baama)
in el
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

באמה (ba’ammah), ‘in el’: de el (ammah) is een lengtemaat van ongeveer 45 tot 52 cm.

Tien bij twintig el zijn dezelfde maten als van het voorportaal van de tempel van Salomo (1 Kon. 6:3).

Het woord ‘el’ blijft in dit boek zonder omrekening.

3Hij zei tegen mij: „Dit is de vloek die over heel het land uitgaat. Want iedere dief wordt aan deze kant, zoals zij zegt, weggevaagd. En iedere zwerende wordt aan de andere kant, zoals zij zegt, weggevaagd.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
זֹ֚את
(zot)
dit
הָֽאָלָ֔ה
(haala)
de vloek
הַיּוֹצֵ֖את
(hayotset)
die uitgaat
עַל
(al)
over
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
כָל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
כִּ֣י
(ki)
want
כָל
(kal)
ieder
הַגֹּנֵ֗ב
(hagonev)
de dief
מִזֶּה֙
(mize)
van deze kant
כָּמ֣וֹהָ
(kamoha)
zoals zij
נִקָּ֔ה
(niqa)
wordt weggevaagd
וְכָל
(vekhal)
en ieder
הַנִּ֨שְׁבָּ֔ע
(hanishba)
de zwerende
מִזֶּ֖ה
(mize)
van deze kant
כָּמ֥וֹהָ
(kamoha)
zoals zij
נִקָּֽה
(niqa)
wordt weggevaagd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

האלה (ha’alah), ‘de vloek’: het woord kan ook ‘eed’ betekenen, de eed waaraan een vloek verbonden is.

נקה (niqqah), ‘wordt weggevaagd’: het werkwoord betekent meestal ‘vrij uitgaan, ongestraft blijven’ (Exod. 21:19), maar ook ‘leeggemaakt worden’ (Jes. 3:26). In deze zin gaat het om het wegvegen van de schuldige. De betekenis is niet zeker.

מזה (mizzeh), ‘van deze kant’: de rol is waarschijnlijk aan twee kanten beschreven, aan de ene kant over de dief en aan de andere over wie een valse eed zweert. Het Hebreeuws zegt alleen ‘van dit’ en ‘zoals zij’.

4‘Ik heb haar uitgezonden, godsspraak van Yahweh van de legermachten. Zij zal komen in het huis van de dief en in het huis van wie bij Mijn naam een valse eed zweert. Zij zal midden in zijn huis overnachten en het verteren, zijn hout en zijn stenen.’”
הוֹצֵאתִ֗יהָ
(hotsetiha)
Ik heb haar uitgezonden
נְאֻם֙
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וּבָ֨אָה֙
(uvaa)
en zij zal komen
אֶל
(el)
naar
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הַגַּנָּ֔ב
(haganav)
de dief
וְאֶל
(veel)
en naar
בֵּ֛ית
(beit)
het huis van
הַנִּשְׁבָּ֥ע
(hanishba)
wie zweert
בִּשְׁמִ֖י
(bishmi)
bij Mijn naam
לַשָּׁ֑קֶר
(lashaqer)
valselijk
וְלָ֨נֶה֙
(velane)
en zij zal overnachten
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden in
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
וְכִלַּ֖תּוּ
(vekhilatu)
en zij zal het verteren
וְאֶת
(veet)
en
עֵצָ֥יו
(etsav)
zijn hout
וְאֶת
(veet)
en
אֲבָנָֽיו
(avanav)
zijn stenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נאם יהוה צבאות (ne’um Yahweh Tsevaot), ‘godsspraak van Yahweh van de legermachten’: zie de Uitleg bij de eerste vermelding van de formule in dit boek (Zach. 1:3).

De woorden staan rood, omdat Yahweh hier in de eerste persoon spreekt.

De engel brengt ze over.

בשׁמי לשׁקר (bishmi lashaqer), ‘bij Mijn naam valselijk’: een eed bij de naam van Yahweh die niet waar is. Zie Lev. 19:12.

וכלתו (vekhaltu), ‘en zij zal het verteren’: de vloek verteert het huis volledig, tot hout en stenen toe.

De efa met de vrouw

5De engel die met mij sprak, kwam naar voren. Hij zei tegen mij: „Sla toch je ogen op en zie wat dit is, dat naar voren komt.”
וַיֵּצֵ֕א
(vayetse)
en kwam naar voren
הַמַּלְאָ֖ךְ
(hamalakh)
de engel
הַדֹּבֵ֣ר
(hadover)
die sprak
בִּ֑י
(bi)
met mij
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
שָׂ֣א
(sa)
sla op
נָ֤א
(na)
toch
עֵינֶ֨יךָ֙
(eineikha)
je ogen
וּרְאֵ֔ה
(uree)
en zie
מָ֖ה
(ma)
wat
הַיּוֹצֵ֥את
(hayotset)
dat naar voren komt
הַזֹּֽאת
(hazot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

המלאך הדבר בי (hamal’akh haddover bi), ‘de engel die met mij sprak’: de uitlegger uit de eerdere visioenen (Zach. 1:9; 2:2).

6Ik zei: „Wat is het?” Hij zei: „Dit is de efa die naar voren komt.” En hij zei: „Dit is hun aanblik in heel het land.”
וָאֹמַ֖ר
(vaomar)
en ik zei
מַה
(ma)
wat
הִ֑יא
(hi)
het is
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
זֹ֤את
(zot)
dit
הָֽאֵיפָה֙
(haeifa)
de efa
הַיּוֹצֵ֔את
(hayotset)
die naar voren komt
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
זֹ֥את
(zot)
dit
עֵינָ֖ם
(einam)
hun oog
בְּכָל
(bekhal)
in heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

האיפה (ha’efah), ‘de efa’: een inhoudsmaat van ongeveer 22 liter (zie Jes. 5:10).

Hier is het een mand of ton met een deksel.

עינם (eynam), ‘hun aanblik’: letterlijk ‘hun oog’. Het kan bedoeld zijn als ‘hun uiterlijk’, hoe zij in heel het land te zien zijn. Sommige oude vertalingen lezen anders.

7En zie, een loden schijf werd opgetild, en zie, daar zat één vrouw midden in de efa.
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
כִּכַּ֥ר
(kikar)
een schijf van
עֹפֶ֖רֶת
(oferet)
lood
נִשֵּׂ֑את
(niset)
werd opgetild
וְזֹאת֙
(vezot)
en dit
אִשָּׁ֣ה
(isha)
een vrouw
אַחַ֔ת
(achat)
één
יוֹשֶׁ֖בֶת
(yoshevet)
zittend
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
midden in
הָאֵיפָֽה
(haeifa)
de efa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ככר עפרת (kikkar oferet), ‘een loden schijf’: kikkar is een rond gewicht of een schijf.

Hier is het het deksel van de efa.

Lood is zwaar en sluit goed af.

8Hij zei: „Dit is de goddeloosheid.” Hij wierp haar in de efa en wierp de loden steen op de opening ervan.
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
זֹ֣את
(zot)
dit
הָרִשְׁעָ֔ה
(harisha)
de goddeloosheid
וַיַּשְׁלֵ֥ךְ
(vayashlekh)
en hij wierp
אֹתָ֖הּ
(otah)
haar
אֶל
(el)
naar
תּ֣וֹךְ
(tokh)
het midden van
הָֽאֵיפָ֑ה
(haeifa)
de efa
וַיַּשְׁלֵ֛ךְ
(vayashlekh)
en hij wierp
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֥בֶן
(even)
de steen van
הָעֹפֶ֖רֶת
(haoferet)
het lood
אֶל
(el)
naar
פִּֽיהָ
(piha)
haar opening
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הרשׁעה (harish’ah), ‘de goddeloosheid’: het woord is vrouwelijk, zoals de efa en de vrouw.

De vrouw verbeeldt de goddeloosheid in het land.

Zij wordt in de efa teruggedrukt en afgesloten.

9Ik sloeg mijn ogen op en zag, en zie, twee vrouwen kwamen naar voren. Wind was in hun vleugels, want zij hadden vleugels als de vleugels van een ooievaar. Zij tilden de efa op tussen de aarde en de hemel.
וָאֶשָּׂ֨א
(vaesa)
en ik sloeg op
עֵינַ֜י
(einay)
mijn ogen
וָאֵ֗רֶא
(vaere)
en ik zag
וְהִנֵּה֩
(vehine)
en zie
שְׁתַּ֨יִם
(shetayim)
twee
נָשִׁ֤ים
(nashim)
vrouwen
יֽוֹצְאוֹת֙
(yotseot)
die naar voren kwamen
וְר֣וּחַ
(veruach)
en wind
בְּכַנְפֵיהֶ֔ם
(bekhanfeihem)
in hun vleugels
וְלָהֵ֥נָּה
(velahena)
en zij hadden
כְנָפַ֖יִם
(kenafayim)
vleugels
כְּכַנְפֵ֣י
(kekhanfei)
als vleugels van
הַחֲסִידָ֑ה
(hachasida)
de ooievaar
וַתִּשֶּׂ֨אנָה֙
(vatisena)
en zij tilden op
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣אֵיפָ֔ה
(haeifa)
de efa
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
הַשָּׁמָֽיִם
(hashamayim)
de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

החסידה (hachasidah), ‘de ooievaar’: zie Lev. 11:19.

De ooievaar is een grote trekvogel met brede vleugels.

De twee vrouwen worden door de wind gedragen.

10Ik zei tegen de engel die met mij sprak: „Waarheen brengen zij de efa?”
וָאֹמַ֕ר
(vaomar)
en ik zei
אֶל
(el)
tot
הַמַּלְאָ֖ךְ
(hamalakh)
de engel
הַדֹּבֵ֣ר
(hadover)
die sprak
בִּ֑י
(bi)
met mij
אָ֛נָה
(ana)
waarheen
הֵ֥מָּה
(hema)
zij
מֽוֹלִכ֖וֹת
(molikhot)
brengen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֵיפָֽה
(haeifa)
de efa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Hij zei tegen mij: „Om voor haar een huis te bouwen in het land Sinear. Wanneer het gereed is, wordt zij daar neergezet op haar voetstuk.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
לִבְנֽוֹת
(livnot)
om te bouwen
לָ֥הֿ
(la)
voor haar
בַ֖יִת
(bayit)
een huis
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
שִׁנְעָ֑ר
(shinar)
Sinear
וְהוּכַ֛ן
(vehukhan)
en het zal gereed zijn
וְהֻנִּ֥יחָה
(vehunicha)
en zij zal worden neergezet
שָּׁ֖ם
(sham)
daar
עַל
(al)
op
מְכֻנָתָֽהּ
(mekhunatah)
haar voetstuk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sinear: Sinear is het land Sumer en Akkad, tussen de Eufraat en de Tigris in het zuiden van Mesopotamië.

Uitleg

שׁנער (Shin’ar), ‘Sinear’: de oude naam van het land rond Babel (Gen. 10:10; 11:2).

In Zach. 5:11 is het de plaats waar de goddeloosheid haar eigen huis krijgt.

מכנתה (mekhunatah), ‘haar voetstuk’: de plaats waar iets op rust. Het woord is verwant met het werkwoord ‘gereedmaken’ (kun) in het vers.