Sion krijgt een nieuwe naam en de weg wordt vrijgemaakt
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Omwille van Sion zal ik niet zwijgen
1Omwille van Sion zal ik niet zwijgen. Omwille van Jeruzalem zal ik niet rusten, totdat haar gerechtigheid uitgaat als stralend licht en haar redding brandt als een fakkel.
לְמַ֤עַן
(lemaan)
omwille van
צִיּוֹן֙
(tsiyon)
Sion
לֹ֣א
(lo)
niet
אֶחֱשֶׁ֔ה
(echeshe)
zal ik zwijgen
וּלְמַ֥עַן
(ulemaan)
en omwille van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
לֹ֣א
(lo)
niet
אֶשְׁק֑וֹט
(eshqot)
zal ik rusten
עַד
(ad)
totdat
יֵצֵ֤א
(yetse)
uitgaat
כַנֹּ֨גַהּ֙
(kanogah)
als stralend licht
צִדְקָ֔הּ
(tsidqah)
haar gerechtigheid
וִישׁוּעָתָ֖הּ
(vishuatah)
en haar redding
כְּלַפִּ֥יד
(kelapid)
als een fakkel
יִבְעָֽר
(yivar)
brandt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
De tekst noemt de spreker niet.
Wij lezen de profeet, omdat in vers 6–7 over Yahweh in de derde persoon wordt gesproken (‘herinneren’, ‘geef Hem geen rust’).
Daarom staat dit hoofdstuk zwart, behalve de eed van Yahweh in vers 8–9.
כַּנֹּגַהּ (kannogah), ‘als stralend licht’: het licht dat opkomt en helder schijnt. כְּלַפִּיד (kelappid), ‘als een fakkel’: een brandend stuk hout dat in het donker licht geeft.
4Er zal niet meer tegen je gezegd worden: ‘Verlatene’. Tegen je land zal niet meer gezegd worden: ‘Verwoeste’. Maar jou zal men noemen: ‘Mijn welbehagen is in haar’, en je land: ‘Getrouwde’. Want Yahweh heeft welbehagen in jou, en je land zal getrouwd worden.
לֹֽא
(lo)
niet
יֵאָמֵר֩
(yeamer)
zal gezegd worden
לָ֨ךְ
(lakh)
tot jou
ע֜וֹד
(od)
meer
עֲזוּבָ֗ה
(azuva)
Verlatene
וּלְאַרְצֵךְ֙
(uleartsekh)
en tot je land
לֹא
(lo)
niet
יֵאָמֵ֥ר
(yeamer)
zal gezegd worden
עוֹד֙
(od)
meer
שְׁמָמָ֔ה
(shemama)
Verwoeste
כִּ֣י
(ki)
maar
לָ֗ךְ
(lakh)
jou
יִקָּרֵא֙
(yiqare)
zal men noemen
חֶפְצִי
(cheftsi)
Mijn welbehagen
בָ֔הּ
(bah)
is in haar
וּלְאַרְצֵ֖ךְ
(uleartsekh)
en je land
בְּעוּלָ֑ה
(beula)
Getrouwde
כִּֽי
(ki)
want
חָפֵ֤ץ
(chafets)
heeft welbehagen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בָּ֔ךְ
(bakh)
in jou
וְאַרְצֵ֖ךְ
(veartsekh)
en je land
תִּבָּעֵֽל
(tibael)
zal getrouwd worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲזוּבָה (azuvah), ‘Verlatene’, en שְׁמָמָה (shemamah), ‘Verwoeste’: dit zijn namen die Sion en haar land niet meer zullen dragen.
חֶפְצִי־בָהּ (Chefzi-Ba), ‘Mijn welbehagen is in haar’: de naam is het welbehagen van Yahweh; daarom staat ‘Mijn’ met hoofdletter. Het is ook de naam van de moeder van Manasse (2 Kon. 21:1). בְּעוּלָה (Beulah), ‘Getrouwde’: letterlijk ‘in bezit genomen’, een vrouw die een man heeft.
5Want zoals een jongeman met een maagd trouwt, zo zullen je zonen met je trouwen. En zoals een bruidegom zich verheugt over de bruid, zo zal je Elohim Zich over jou verheugen.
כִּֽי
(ki)
want
יִבְעַ֤ל
(yival)
trouwt
בָּחוּר֙
(bachur)
een jongeman
בְּתוּלָ֔ה
(betula)
met een maagd
יִבְעָל֖וּךְ
(yivalukh)
zullen met je trouwen
בָּנָ֑יִךְ
(banayikh)
je zonen
וּמְשׂ֤וֹשׂ
(umesos)
en de vreugde van
חָתָן֙
(chatan)
een bruidegom
עַל
(al)
over
כַּלָּ֔ה
(kala)
de bruid
יָשִׂ֥ישׂ
(yasis)
zal zich verheugen
עָלַ֖יִךְ
(alayikh)
over jou
אֱלֹהָֽיִךְ
(elohayikh)
je Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִבְעַל (yiv’al), ‘trouwt’: letterlijk ‘neemt in bezit’, ‘neemt tot vrouw’.
Het is hetzelfde werkwoord als in ‘Getrouwde’ (vers 4).
Dat een stad ‘trouwt’ met haar zonen is een beeld: de zonen nemen de stad in bezit en gaan er wonen.
De medeklinkers van בָּנָיִךְ (banayikh), ‘je zonen’, kunnen met andere klinkers ook ‘je Bouwer’ betekenen. Wij volgen de klinkers van de tekst: ‘je zonen’.
6Op je muren, Jeruzalem, heb ik wachters aangesteld. De hele dag en de hele nacht zullen zij nooit zwijgen. Jullie die Yahweh herinneren, houd je niet stil.
עַל
(al)
op
חוֹמֹתַ֣יִךְ
(chomotayikh)
je muren
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
הִפְקַ֨דְתִּי֙
(hifqadti)
Ik heb aangesteld
שֹֽׁמְרִ֔ים
(shomerim)
wachters
כָּל
(kal)
de hele
הַיּ֧וֹם
(hayom)
dag
וְכָל
(vekhal)
en de hele
הַלַּ֛יְלָה
(halayla)
nacht
תָּמִ֖יד
(tamid)
voortdurend
לֹ֣א
(lo)
niet
יֶחֱשׁ֑וּ
(yecheshu)
zullen zwijgen
הַמַּזְכִּרִים֙
(hamazkirim)
zij die herinneren
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אַל
(al)
niet
דֳּמִ֖י
(domi)
stilte
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
שֹׁמְרִים (shomerim), ‘wachters’: mannen die op de muur de stad bewaken.
הַמַּזְכִּרִים (hamazkirim), ‘zij die herinneren’: wie Yahweh aan Zijn beloften herinnert.
דֳּמִי (domi), ‘stilte’: letterlijk ‘wees niet stil’. In vers 7 staat hetzelfde woord, daar vertaald als ‘rust’.
8Yahweh heeft gezworen bij Zijn rechterhand en bij Zijn sterke arm: „Ik zal je graan nooit meer als voedsel geven aan je vijanden. Vreemdelingen zullen je most nooit meer drinken, waarvoor je hebt gezwoegd.
נִשְׁבַּ֧ע
(nishba)
heeft gezworen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּֽימִינ֖וֹ
(bimino)
bij Zijn rechterhand
וּבִזְר֣וֹעַ
(uvizroa)
en bij de arm van
עֻזּ֑וֹ
(uzo)
Zijn kracht
אִם
(im)
nooit
אֶתֵּן֩
(eten)
zal Ik geven
אֶת
(et)
(obj.)
דְּגָנֵ֨ךְ
(deganekh)
je graan
ע֤וֹד
(od)
nog
מַֽאֲכָל֙
(maakhal)
tot voedsel
לְאֹ֣יְבַ֔יִךְ
(leoyevayikh)
aan je vijanden
וְאִם
(veim)
en nooit
יִשְׁתּ֤וּ
(yishtu)
zullen drinken
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
נֵכָר֙
(nekhar)
de vreemde
תִּֽירוֹשֵׁ֔ךְ
(tiroshekh)
je most
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarvoor
יָגַ֖עַתְּ
(yagaat)
je hebt gezwoegd
בּֽוֹ
(bo)
daarvoor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier spreekt Yahweh in de eed zelf.
Zijn woorden staan rood, tot en met vers 9.
אִם (im), ‘indien’: een vaste eedformule. ‘Indien Ik … geef’ betekent: ‘Ik zal nooit … geven’. Wij schrijven ‘nooit’.
בְּנֵי נֵכָר (benei nekhar), ‘zonen van de vreemde’: mensen uit een ander volk. Wij vertalen ‘vreemdelingen’.
9Maar wie het binnenhaalt, zal het eten en Yahweh loven. En wie het verzamelt, zal het drinken in de voorhoven van Mijn heiligdom.”
כִּ֤י
(ki)
maar
מְאַסְפָיו֙
(measfav)
wie het binnenhaalt
יֹאכְלֻ֔הוּ
(yokhluhu)
zal het eten
וְהִֽלְל֖וּ
(vehillu)
en zij zullen loven
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וּֽמְקַבְּצָ֥יו
(umeqabetsav)
en wie het verzamelt
יִשְׁתֻּ֖הוּ
(yishtuhu)
zal het drinken
בְּחַצְר֥וֹת
(bechatsrot)
in de voorhoven van
קָדְשִֽׁי
(qadeshi)
Mijn heiligdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַצְרוֹת קָדְשִׁי (chatsrot qodshi), ‘de voorhoven van Mijn heiligdom’: Yahweh spreekt hier over Zijn heiligdom in de eerste persoon; daarom blijft ook vers 9 rood.
Hij noemt Zichzelf in dit vers ook in de derde persoon (‘Yahweh loven’), zoals in Hos. 1:7.
10Trek door, trek door de poorten! Maak de weg vrij voor het volk. Baan de gebaande weg, baan hem! Ruim de stenen weg. Hef een banier op voor de volken.
עִבְר֤וּ
(ivru)
trekt door
עִבְרוּ֙
(ivru)
trekt door
בַּשְּׁעָרִ֔ים
(bashearim)
door de poorten
פַּנּ֖וּ
(panu)
maakt vrij
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
de weg voor
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
סֹ֣לּוּ
(solu)
baant
סֹ֤לּוּ
(solu)
baant
הַֽמְסִלָּה֙
(hamsila)
de gebaande weg
סַקְּל֣וּ
(saqelu)
ruimt de stenen weg
מֵאֶ֔בֶן
(meeven)
van steen
הָרִ֥ימוּ
(harimu)
heft op
נֵ֖ס
(nes)
een banier
עַל
(al)
over
הָעַמִּֽים
(haamim)
de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סֹלּוּ הַמְסִלָּה (sollu hamesillah), ‘baan de gebaande weg’: een opgehoogde weg waar men op loopt.
סַקְּלוּ מֵאֶבֶן (saqqelu me’even), ‘ruim de stenen weg’: letterlijk ‘steen af’ of ‘verwijder de stenen’.
נֵס (nes), ‘banier’: een teken dat de volken zien en waarbij zij samenkomen.
11Zie, Yahweh laat het horen tot aan het einde van de aarde. Zeg tegen Dochter Sion: ‘Zie, je redding komt. Zie, Zijn loon is bij Hem, en Zijn beloning gaat voor Hem uit.’
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הִשְׁמִ֨יעַ֙
(hishmia)
heeft laten horen
אֶל
(el)
tot
קְצֵ֣ה
(qetse)
het einde van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
אִמְרוּ֙
(imru)
zegt
לְבַת
(levat)
aan Dochter van
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
יִשְׁעֵ֖ךְ
(yishekh)
je redding
בָּ֑א
(ba)
komt
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
שְׂכָרוֹ֙
(sekharo)
Zijn loon
אִתּ֔וֹ
(ito)
bij Hem
וּפְעֻלָּת֖וֹ
(ufeulato)
en Zijn beloning
לְפָנָֽיו
(lefanav)
voor Hem uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.