Elohim Bijbel

Richteren 13

123456789101112131415161718192021

De engel van Yahweh en de geboorte van Simson

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Opnieuw in de hand van de Filistijnen

1De zonen van Israël deden opnieuw wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Yahweh gaf hen 40 jaar lang in de hand van de Filistijnen.
וַיֹּסִ֨פוּ֙
(vayosifu)
en zij deden opnieuw
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
הָרַ֖ע
(hara)
wat kwaad is
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּתְּנֵ֧ם
(vayitenem)
en gaf hen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
פְּלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
Filistijnen
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

De engel kondigt een zoon aan

2Er was een man uit Tsora, uit de familie van de Danieten. Zijn naam was Manoach. Zijn vrouw was onvruchtbaar en had geen kinderen gebaard.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en er was
אִ֨ישׁ
(ish)
man
אֶחָ֧ד
(echad)
één
מִצָּרְעָ֛ה
(mitsarea)
uit Tsora
מִמִּשְׁפַּ֥חַת
(mimishpachat)
uit de familie van
הַדָּנִ֖י
(hadani)
de Danieten
וּשְׁמ֣וֹ
(ushemo)
en zijn naam
מָנ֑וֹחַ
(manoach)
Manoach
וְאִשְׁתּ֥וֹ
(veishto)
en zijn vrouw
עֲקָרָ֖ה
(aqara)
onvruchtbaar
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָלָֽדָה
(yalada)
had gebaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tsora (Hebreeuws Tsor’a, soms geschreven als Zora) lag in de Sefela, ongeveer 20 km ten westen van Jeruzalem.

Het ligt waarschijnlijk bij Tel Sar’a, bij Bet-Semes in Israël.

Het gebied hoorde bij de stam Dan.

Uitleg

עֲקָרָה (aqarah), ‘onvruchtbaar’.

Dat waren ook Sara (Gen. 11:30), Rebekka (Gen. 25:21) en Rachel (Gen. 29:31).

3De engel van Yahweh verscheen aan de vrouw en zei tegen haar: „Zie, je bent onvruchtbaar en hebt geen kinderen gebaard. Maar je zult zwanger worden en een zoon baren.
וַיֵּרָ֥א
(vayera)
en verscheen
מַלְאַךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
aan
הָאִשָּׁ֑ה
(haisha)
de vrouw
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלֶ֗יהָ
(eleiha)
tegen haar
הִנֵּה
(hine)
zie
נָ֤א
(na)
toch
אַתְּ
(at)
jij
עֲקָרָה֙
(aqara)
onvruchtbaar
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָלַ֔דְתְּ
(yaladt)
je hebt gebaard
וְהָרִ֖ית
(veharit)
maar je zult zwanger worden
וְיָלַ֥דְתְּ
(veyaladt)
en je zult baren
בֵּֽן
(ben)
een zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַלְאַךְ יְהוָה (mal’akh Yahweh), ‘engel van Yahweh’: מַלְאָךְ betekent ‘gezant’.

In dit hoofdstuk spreekt de engel in de ik-vorm.

Hij zegt ‘Mijn naam’ (vers 18) en Manoach zegt: ‘Wij hebben Elohim gezien’ (vers 22).

Zijn identiteit wordt verschillend uitgelegd (zie de voetnoot bij Gen. 16:7).

Lezing

Wij zetten de woorden van de engel cursief, zoals bij Gen. 16:7–13 en Exod. 3:2–6.

Ook in vers 16, waar hij over Yahweh in de derde persoon spreekt, blijven zijn woorden cursief.

De woorden die de vrouw van hem navertelt (vers 6–7) zijn gewone tekst.

4Neem je nu goed in acht. Drink geen wijn en geen sterke drank. Eet niets wat onrein is.
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
הִשָּׁ֣מְרִי
(hishameri)
neem je in acht
נָ֔א
(na)
toch
וְאַל
(veal)
en niet
תִּשְׁתִּ֖י
(tishti)
je zult drinken
יַ֣יִן
(yayin)
wijn
וְשֵׁכָ֑ר
(veshekhar)
en sterke drank
וְאַל
(veal)
en niet
תֹּאכְלִ֖י
(tokhli)
je zult eten
כָּל
(kal)
iets
טָמֵֽא
(tame)
onreins
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De regels voor een nazireeër staan in Num. 6:1–21.

Hier moet de moeder zich al tijdens de zwangerschap aan de regels voor wijn, sterke drank en onreinheid houden.

5Want zie, je bent zwanger en zult een zoon baren. Er mag geen scheermes op zijn hoofd komen. Want de jongen zal vanaf de moederschoot een nazireeër van Elohim zijn. Hij zal beginnen Israël te redden uit de hand van de Filistijnen.”
כִּי֩
(ki)
want
הִנָּ֨ךְ
(hinakh)
zie jij
הָרָ֜ה
(hara)
zwanger
וְיֹלַ֣דְתְּ
(veyoladt)
en je zult baren
בֵּ֗ן
(ben)
een zoon
וּמוֹרָה֙
(umora)
en scheermes
לֹא
(lo)
niet
יַעֲלֶ֣ה
(yaale)
zal komen
עַל
(al)
op
רֹאשׁ֔וֹ
(rosho)
zijn hoofd
כִּֽי
(ki)
want
נְזִ֧יר
(nezir)
nazireeër van
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
הַנַּ֖עַר
(hanaar)
de jongen
מִן
(min)
vanaf
הַבָּ֑טֶן
(habaten)
de moederschoot
וְה֗וּא
(vehu)
en hij
יָחֵ֛ל
(yachel)
zal beginnen
לְהוֹשִׁ֥יעַ
(lehoshia)
te redden
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

נָזִיר (nazir), ‘nazireeër’: iemand die zich voor Elohim afzondert (Num. 6:2).

Meestal legt iemand zelf een gelofte af voor een bepaalde tijd.

Hier wijst Elohim de jongen aan, vanaf zijn geboorte.

מוֹרָה (morah), ‘scheermes’, is een ander woord dan in Num. 6:5.

Het lange haar is het teken van de wijding.

בֶּטֶן (beten), ‘buik’ of ‘moederschoot’: wij vertalen ‘vanaf de moederschoot’, ook in vers 7 en in Richt. 16:17.

יָחֵל (yachel), ‘hij zal beginnen’: Simson begint de redding en maakt haar niet af (Richt. 16:30–31).

6De vrouw ging naar haar man en zei: „Een man van Elohim is naar mij toe gekomen. Zijn uiterlijk was als het uiterlijk van een engel van Elohim, zeer ontzagwekkend. Ik heb hem niet gevraagd waar hij vandaan kwam. Zijn naam heeft hij mij niet verteld.
וַתָּבֹ֣א
(vatavo)
en kwam
הָאִשָּׁ֗ה
(haisha)
de vrouw
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en zei
לְאִישָׁהּ֮
(leishah)
tegen haar man
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
אִ֤ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִים֙
(haElohim)
Elohim
בָּ֣א
(ba)
is gekomen
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
וּמַרְאֵ֕הוּ
(umarehu)
en zijn uiterlijk
כְּמַרְאֵ֛ה
(kemare)
als het uiterlijk van
מַלְאַ֥ךְ
(malakh)
engel van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
נוֹרָ֣א
(nora)
ontzagwekkend
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
שְׁאִלְתִּ֨יהוּ֙
(sheiltihu)
ik vroeg hem
אֵֽי
(ei)
waar
מִזֶּ֣ה
(mize)
vandaan
ה֔וּא
(hu)
hij
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
לֹֽא
(lo)
niet
הִגִּ֥יד
(higid)
hij vertelde
לִֽי
(li)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish ha’Elohim), ‘man van Elohim’: een titel voor iemand die namens Elohim spreekt (Deut. 33:1).

De vrouw weet niet dat het een engel is.

Zij zegt alleen dat hij eruitzag ‘als’ een engel.

נוֹרָא (nora), ‘ontzagwekkend’.

7Hij zei tegen mij: ‘Zie, je bent zwanger en zult een zoon baren. Drink nu geen wijn en geen sterke drank. Eet niets wat onrein is. Want de jongen zal vanaf de moederschoot tot de dag van zijn dood een nazireeër van Elohim zijn.’”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לִ֔י
(li)
tegen mij
הִנָּ֥ךְ
(hinakh)
zie jij
הָרָ֖ה
(hara)
zwanger
וְיֹלַ֣דְתְּ
(veyoladt)
en je zult baren
בֵּ֑ן
(ben)
een zoon
וְעַתָּ֞ה
(veata)
en nu
אַל
(al)
niet
תִּשְׁתִּ֣י
(tishti)
je zult drinken
יַ֣יִן
(yayin)
wijn
וְשֵׁכָ֗ר
(veshekhar)
en sterke drank
וְאַל
(veal)
en niet
תֹּֽאכְלִי֙
(tokhli)
je zult eten
כָּל
(kal)
iets
טֻמְאָ֔ה
(tuma)
onreins
כִּֽי
(ki)
want
נְזִ֤יר
(nezir)
nazireeër van
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
הַנַּ֔עַר
(hanaar)
de jongen
מִן
(min)
vanaf
הַבֶּ֖טֶן
(habeten)
de moederschoot
עַד
(ad)
tot
י֥וֹם
(yom)
de dag van
מוֹתֽוֹ
(moto)
zijn dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De vrouw voegt aan de woorden van de engel iets toe: ‘tot de dag van zijn dood’.

Dat staat niet in vers 5.

Manoach vraagt om de man van Elohim

8Manoach smeekte Yahweh en zei: „Ach, mijn Heer. Laat de man van Elohim die U gestuurd hebt, alstublieft nog eens naar ons komen. Hij moet ons leren wat wij moeten doen met de jongen die geboren zal worden.”
וַיֶּעְתַּ֥ר
(vayetar)
en smeekte
מָנ֛וֹחַ
(manoach)
Manoach
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
בִּ֣י
(bi)
ach
אֲדוֹנָ֔י
(adonay)
mijn Heer
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֞ים
(haElohim)
Elohim
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שָׁלַ֗חְתָּ
(shalachta)
U hebt gestuurd
יָבוֹא
(yavo)
laat komen
נָ֥א
(na)
toch
עוֹד֙
(od)
opnieuw
אֵלֵ֔ינוּ
(eleinu)
naar ons
וְיוֹרֵ֕נוּ
(veyorenu)
en laat hem ons leren
מַֽה
(ma)
wat
נַּעֲשֶׂ֖ה
(naase)
wij zullen doen
לַנַּ֥עַר
(lanaar)
met de jongen
הַיּוּלָּֽד
(hayulad)
die geboren zal worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: de aanspreking van Yahweh.

Het woord heeft hier de klinkers van de aanspreking van Elohim, niet die van ‘mijn heer’ voor een mens.

Manoach richt zich dus tot Yahweh.

Vergelijk Richt. 16:28.

9Elohim luisterde naar de stem van Manoach. De engel van Elohim kwam nog eens naar de vrouw. Zij zat op het veld en haar man Manoach was niet bij haar.
וַיִּשְׁמַ֥ע
(vayishma)
en hoorde
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
מָנ֑וֹחַ
(manoach)
Manoach
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
מַלְאַךְ֩
(malakh)
engel van
הָאֱלֹהִ֨ים
(haElohim)
Elohim
ע֜וֹד
(od)
opnieuw
אֶל
(el)
naar
הָאִשָּׁ֗ה
(haisha)
de vrouw
וְהִיא֙
(vehi)
en zij
יוֹשֶׁ֣בֶת
(yoshevet)
zittend
בַּשָּׂדֶ֔ה
(basade)
in het veld
וּמָנ֥וֹחַ
(umanoach)
en Manoach
אִישָׁ֖הּ
(ishah)
haar man
אֵ֥ין
(ein)
niet
עִמָּֽהּ
(imah)
met haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10De vrouw haastte zich, rende weg en vertelde het aan haar man. Zij zei tegen hem: „Zie, de man die laatst bij mij kwam, is mij verschenen.”
וַתְּמַהֵר֙
(vatemaher)
en zij haastte zich
הָֽאִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
וַתָּ֖רָץ
(vatarats)
en zij rende
וַתַּגֵּ֣ד
(vataged)
en zij vertelde
לְאִישָׁ֑הּ
(leishah)
aan haar man
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en zij zei
אֵלָ֔יו
(elav)
tegen hem
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
נִרְאָ֤ה
(nira)
is verschenen
אֵלַי֙
(elay)
aan mij
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֥א
(ba)
kwam
בַיּ֖וֹם
(bayom)
laatst
אֵלָֽי
(elay)
naar mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Manoach stond op en ging zijn vrouw achterna. Hij kwam bij de man en zei tegen hem: „Bent u de man die met deze vrouw gesproken heeft?” Hij zei: „Ik ben het.”
וַיָּ֛קָם
(vayaqam)
en stond op
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
מָנ֖וֹחַ
(manoach)
Manoach
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
אִשְׁתּ֑וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
אֶל
(el)
naar
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֗וֹ
(lo)
tegen hem
הַאַתָּ֥ה
(haata)
bent u
הָאִ֛ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁר
(asher)
die
דִּבַּ֥רְתָּ
(dibarta)
u hebt gesproken
אֶל
(el)
tot
הָאִשָּׁ֖ה
(haisha)
de vrouw
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אָֽנִי
(ani)
Ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Manoach spreekt de man aan met ‘u’, omdat hij nog niet weet wie hij is.

12Manoach zei: „Wanneer uw woorden uitkomen, welke regel geldt er dan voor de jongen en wat is zijn taak?”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מָנ֔וֹחַ
(manoach)
Manoach
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
יָבֹ֣א
(yavo)
zullen komen
דְבָרֶ֑יךָ
(devareikha)
uw woorden
מַה
(ma)
wat
יִּֽהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
מִשְׁפַּט
(mishpat)
recht van
הַנַּ֖עַר
(hanaar)
de jongen
וּמַעֲשֵֽׂהוּ
(umaasehu)
en zijn werk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁפָּט (mishpat), meestal ‘recht’: hier de regel waarnaar de jongen moet leven.

מַעֲשֶׂה (ma’aseh), ‘werk’ of ‘taak’.

13De engel van Yahweh zei tegen Manoach: „Van alles wat Ik tegen de vrouw gezegd heb, moet zij zich in acht nemen.
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en zei
מַלְאַ֥ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מָנ֑וֹחַ
(manoach)
Manoach
מִכֹּ֛ל
(mikol)
van alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
אָמַ֥רְתִּי
(amarti)
Ik zei
אֶל
(el)
tegen
הָאִשָּׁ֖ה
(haisha)
de vrouw
תִּשָּׁמֵֽר
(tishamer)
zij zal zich in acht nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Van alles wat uit de wijnstok komt, mag zij niet eten. Wijn en sterke drank mag zij niet drinken. Niets wat onrein is, mag zij eten. Alles wat Ik haar geboden heb, moet zij in acht nemen.”
מִכֹּ֣ל
(mikol)
van alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יֵצֵא֩
(yetse)
komt
מִגֶּ֨פֶן
(migefen)
van de wijnstok van
הַיַּ֜יִן
(hayayin)
de wijn
לֹ֣א
(lo)
niet
תֹאכַ֗ל
(tokhal)
zij zal eten
וְיַ֤יִן
(veyayin)
en wijn
וְשֵׁכָר֙
(veshekhar)
en sterke drank
אַל
(al)
niet
תֵּ֔שְׁתְּ
(tesht)
zij zal drinken
וְכָל
(vekhal)
en alles
טֻמְאָ֖ה
(tuma)
onreins
אַל
(al)
niet
תֹּאכַ֑ל
(tokhal)
zij zal eten
כֹּ֥ל
(kol)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
צִוִּיתִ֖יהָ
(tsivitiha)
Ik haar gebood
תִּשְׁמֹֽר
(tishmor)
zij zal in acht nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De naam is wonderbaarlijk

15Manoach zei tegen de engel van Yahweh: „Laat ons u alstublieft ophouden. Dan maken wij een geitenbokje voor u klaar.”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
מָנ֖וֹחַ
(manoach)
Manoach
אֶל
(el)
tot
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
נַעְצְרָה
(natsera)
laat ons ophouden
נָּ֣א
(na)
toch
אוֹתָ֔ךְ
(otakh)
u
וְנַעֲשֶׂ֥ה
(venaase)
en laat ons klaarmaken
לְפָנֶ֖יךָ
(lefaneikha)
voor uw aangezicht
גְּדִ֥י
(gedi)
bokje van
עִזִּֽים
(izim)
geiten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Manoach biedt gastvrijheid aan, zoals Abraham (Gen. 18:5–8) en Gideon (Richt. 6:18–19).

16De engel van Yahweh zei tegen Manoach: „Als je Mij ophoudt, zal Ik je brood niet eten. Maar als je een brandoffer klaarmaakt, moet je het voor Yahweh laten opgaan.” Manoach wist namelijk niet dat het de engel van Yahweh was.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
מַלְאַ֨ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מָנ֗וֹחַ
(manoach)
Manoach
אִם
(im)
als
תַּעְצְרֵ֨נִי֙
(tatsereni)
je Mij ophoudt
לֹא
(lo)
niet
אֹכַ֣ל
(okhal)
Ik zal eten
בְּלַחְמֶ֔ךָ
(belachmekha)
van je brood
וְאִם
(veim)
en als
תַּעֲשֶׂ֣ה
(taase)
je maakt
עֹלָ֔ה
(ola)
brandoffer
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
תַּעֲלֶ֑נָּה
(taalena)
laat het opgaan
כִּ֚י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
יָדַ֣ע
(yada)
wist
מָנ֔וֹחַ
(manoach)
Manoach
כִּֽי
(ki)
dat
מַלְאַ֥ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De engel wil niet van het brood eten.

Het offer is voor Yahweh bestemd.

Wie hij is, ziet Manoach pas in vers 21.

17Manoach zei tegen de engel van Yahweh: „Wat is uw naam? Dan zullen wij u eren wanneer uw woorden uitkomen.”
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
מָנ֛וֹחַ
(manoach)
Manoach
אֶל
(el)
tot
מַלְאַ֥ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מִ֣י
(mi)
wie
שְׁמֶ֑ךָ
(shemekha)
uw naam
כִּֽי
(ki)
want
יָבֹ֥א
(yavo)
zullen komen
דְבָרְךָ֖
(devarekha)
uw woorden
וְכִבַּדְנֽוּךָ
(vekhibadnukha)
en wij zullen u eren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookGen 32:29
18De engel van Yahweh zei tegen hem: „Waarom vraag je naar Mijn naam? Die is wonderbaarlijk.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
לּוֹ֙
(lo)
tot hem
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
זֶּ֖ה
(ze)
dit
תִּשְׁאַ֣ל
(tishal)
vraag je
לִשְׁמִ֑י
(lishmi)
naar Mijn naam
וְהוּא
(vehu)
en hij
פֶ֛לִאי
(peliy)
wonderbaarlijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֶּלִאי (pil’i), ‘wonderbaarlijk’: van dezelfde stam als מַפְלִא (mafli), ‘wonderbaarlijk handelend’, in vers 19.

Vergelijk Gen. 32:30 en Jes. 9:5.

Het offer en de vlam

19Manoach nam het geitenbokje en het graanoffer en bracht het op de rots voor Yahweh op. Hij deed iets wonderbaarlijks, terwijl Manoach en zijn vrouw toekeken.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
מָנ֜וֹחַ
(manoach)
Manoach
אֶת
(et)
(obj.)
גְּדִ֤י
(gedi)
bokje van
הָעִזִּים֙
(haizim)
de geiten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּנְחָ֔ה
(hamincha)
het graanoffer
וַיַּ֥עַל
(vayaal)
en liet opgaan
עַל
(al)
op
הַצּ֖וּר
(hatsur)
de rots
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וּמַפְלִ֣א
(umafli)
en wonderbaarlijk
לַעֲשׂ֔וֹת
(laasot)
te doen
וּמָנ֥וֹחַ
(umanoach)
en Manoach
וְאִשְׁתּ֖וֹ
(veishto)
en zijn vrouw
רֹאִֽים
(roim)
kijkend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צוּר (tsur), ‘rots’: de rots dient als altaar.

Vergelijk Richt. 6:20.

Lezing

De tekst noemt niet wie ‘wonderbaarlijk handelt’.

Wij nemen Yahweh, omdat het woord aansluit bij vers 18.

20Toen de vlam van het altaar naar de hemel opsteeg, ging de engel van Yahweh in de vlam van het altaar op. Manoach en zijn vrouw zagen het en vielen met hun gezicht op de grond.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
בַעֲל֨וֹת
(baalot)
bij het opstijgen van
הַלַּ֜הַב
(halahav)
de vlam
מֵעַ֤ל
(meal)
van op
הַמִּזְבֵּ֨חַ֙
(hamizbeach)
het altaar
הַשָּׁמַ֔יְמָה
(hashamayma)
naar de hemel
וַיַּ֥עַל
(vayaal)
en steeg op
מַלְאַךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּלַ֣הַב
(belahav)
in de vlam van
הַמִּזְבֵּ֑חַ
(hamizbeach)
het altaar
וּמָנ֤וֹחַ
(umanoach)
en Manoach
וְאִשְׁתּוֹ֙
(veishto)
en zijn vrouw
רֹאִ֔ים
(roim)
kijkend
וַיִּפְּל֥וּ
(vayipelu)
en zij vielen
עַל
(al)
op
פְּנֵיהֶ֖ם
(peneihem)
hun gezicht
אָֽרְצָה
(aretsa)
naar de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De engel gaat op in de vlam van het offer.

Vergelijk Richt. 6:21.

21De engel van Yahweh verscheen niet meer aan Manoach en zijn vrouw. Toen wist Manoach dat het de engel van Yahweh was.
וְלֹא
(velo)
en niet
יָ֤סַף
(yasaf)
voegde toe
עוֹד֙
(od)
nogmaals
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהֵרָאֹ֖ה
(leherao)
om te verschijnen
אֶל
(el)
aan
מָנ֣וֹחַ
(manoach)
Manoach
וְאֶל
(veel)
en aan
אִשְׁתּ֑וֹ
(ishto)
zijn vrouw
אָ֚ז
(az)
toen
יָדַ֣ע
(yada)
wist
מָנ֔וֹחַ
(manoach)
Manoach
כִּֽי
(ki)
dat
מַלְאַ֥ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Manoach zei tegen zijn vrouw: „Wij zullen zeker sterven, want wij hebben Elohim gezien.”
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
מָנ֛וֹחַ
(manoach)
Manoach
אֶל
(el)
tot
אִשְׁתּ֖וֹ
(ishto)
zijn vrouw
מ֣וֹת
(mot)
sterven
נָמ֑וּת
(namut)
wij zullen sterven
כִּ֥י
(ki)
want
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
רָאִֽינוּ
(rainu)
wij hebben gezien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wie Elohim ziet, zal sterven: zie Exod. 33:20.

Vergelijk Gen. 32:31 en Richt. 6:22–23.

23Zijn vrouw zei tegen hem: „Als Yahweh ons had willen doden, had Hij het brandoffer en het graanoffer niet uit onze hand aangenomen. Hij had ons dit alles niet laten zien. Hij had ons nu ook niet zoiets laten horen.”
וַתֹּ֧אמֶר
(vatomer)
en zei
ל֣וֹ
(lo)
tot hem
אִשְׁתּ֗וֹ
(ishto)
zijn vrouw
לוּ֩
(lu)
als
חָפֵ֨ץ
(chafets)
had gewild
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
לַהֲמִיתֵ֨נוּ֙
(lahamitenu)
om ons te doden
לֹֽא
(lo)
niet
לָקַ֤ח
(laqach)
had Hij genomen
מִיָּדֵ֨נוּ֙
(miyadenu)
uit onze hand
עֹלָ֣ה
(ola)
brandoffer
וּמִנְחָ֔ה
(umincha)
en graanoffer
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הֶרְאָ֖נוּ
(heranu)
had Hij ons laten zien
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
אֵ֑לֶּה
(ele)
dit
וְכָעֵ֕ת
(vekhaet)
en nu
לֹ֥א
(lo)
niet
הִשְׁמִיעָ֖נוּ
(hishmianu)
had Hij ons laten horen
כָּזֹֽאת
(kazot)
zoiets
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Simson wordt geboren

24De vrouw beviel van een zoon en noemde hem Simson. De jongen groeide op en Yahweh zegende hem.
וַתֵּ֤לֶד
(vateled)
en baarde
הָֽאִשָּׁה֙
(haisha)
de vrouw
בֵּ֔ן
(ben)
een zoon
וַתִּקְרָ֥א
(vatiqra)
en noemde
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
שִׁמְשׁ֑וֹן
(shimshon)
Simson
וַיִּגְדַּ֣ל
(vayigdal)
en groeide op
הַנַּ֔עַר
(hanaar)
de jongen
וַֽיְבָרְכֵ֖הוּ
(vayvarekhehu)
en zegende hem
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁמְשׁוֹן (Shimshon), ‘Simson’, klinkt als שֶׁמֶשׁ (shemesh), ‘zon’.

De betekenis is niet zeker.

25De Geest van Yahweh begon hem te drijven in Machane-Dan, tussen Tsora en Estaol.
וַתָּ֨חֶל֙
(vatachel)
en begon
ר֣וּחַ
(ruach)
Geest van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְפַעֲמ֖וֹ
(lefaamo)
hem te drijven
בְּמַחֲנֵה
(bemachane)
in het kamp van
דָ֑ן
(dan)
Dan
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
צָרְעָ֖ה
(tsarea)
Tsora
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
אֶשְׁתָּאֹֽל
(eshtaol)
Estaol
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Machane-Dan (‘kamp van Dan’) lag tussen Tsora en Estaol in de Sefela, ten westen van Jeruzalem in Israël.

De plek is onzeker.

Volgens Richt. 18:12 ligt het achter Kirjat-Jearim.

Estaol lag waarschijnlijk bij Eshwa, ongeveer 20 km ten westen van Jeruzalem.

Zie Zora (Tsora): Zora (Tsora) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Bet Semes.

Uitleg

לִפְעֹם (lif’om), ‘drijven’ of ‘in beweging brengen’.

Hetzelfde werkwoord staat in Gen. 41:8 voor een onrustige geest.