De aarden kruik in het dal van Ben-Hinnom en de boodschap in de voorhof
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De kruik van de pottenbakker
1Zo zegt Yahweh: „Ga heen en koop een aarden kruik van een pottenbakker. Neem enkele oudsten van het volk en enkele oudsten van de priesters mee.
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הָל֛וֹךְ
(halokh)
ga
וְקָנִ֥יתָ
(veqanita)
en koop
בַקְבֻּ֖ק
(baqbuq)
een kruik van
יוֹצֵ֣ר
(yotser)
een pottenbakker
חָ֑רֶשׂ
(chares)
aarden
וּמִזִּקְנֵ֣י
(umiziqnei)
en van de oudsten van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וּמִזִּקְנֵ֖י
(umiziqnei)
en van de oudsten van
הַכֹּהֲנִֽים
(hakohanim)
de priesters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בַּקְבֻּק (baqbuq), ‘kruik’: een aarden fles met een smalle hals.
Het woord lijkt op het werkwoord בָּקַק (baqaq), ‘leegmaken’, in vers 7.
חָרֶשׂ (cheres), ‘aarden’: gebakken klei. Het is een andere kruik dan de klei van hoofdstuk 18: de kruik is al gebakken en kan niet meer gevormd worden.
Het werkwoord ‘neem mee’ staat niet bij de oudsten: het Hebreeuws zegt alleen ‘en van de oudsten van het volk en van de oudsten van de priesters’. Wij vullen ‘neem mee’ aan.
Vers 1–13 zijn één toespraak van Yahweh aan Jeremia. De formule ‘Zo zegt Yahweh’ in vers 1 staat zwart; in vers 3 en 11 staat ze midden in Zijn woorden en is daarom rood.
3Zeg: ‘Hoor het woord van Yahweh, koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem. Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: Zie, Ik breng onheil over deze plaats. Van ieder die het hoort, zullen beide oren tuiten.
וְאָֽמַרְתָּ֙
(veamarta)
en je zult zeggen
שִׁמְע֣וּ
(shimu)
hoort
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וְיֹשְׁבֵ֖י
(veyoshevei)
en inwoners van
יְרֽוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֩
(amar)
zegt
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֜וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
מֵבִ֤יא
(mevi)
breng
רָעָה֙
(raa)
kwaad
עַל
(al)
over
הַמָּק֣וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarvan
כָּל
(kal)
ieder
שֹׁמְעָ֖הּ
(shomeah)
die het hoort
תִּצַּ֥לְנָה
(titsalna)
zullen tuiten
אָזְנָֽיו
(azenav)
zijn oren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19.
תִּצַּלְנָה אָזְנָיו (titsallenah oznav), ‘zijn oren zullen tuiten’: zoals in 1 Sam. 3:11 en 2 Kon. 21:12. Het nieuws is zo erg dat het schrikken doet.
4Zij hebben Mij verlaten en deze plaats vreemd gemaakt. Zij hebben daar offerrook laten opgaan voor andere goden, die zij niet kenden, zij, hun vaders en de koningen van Juda. Zij hebben deze plaats gevuld met het bloed van onschuldigen.
יַ֣עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עֲזָבֻ֗נִי
(azavuni)
zij hebben Mij verlaten
וַֽיְנַכְּר֞וּ
(vaynakeru)
en zij hebben vreemd gemaakt
אֶת
(et)
(obj.)
הַמָּק֤וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּה֙
(haze)
deze
וַיְקַטְּרוּ
(vayqateru)
en zij hebben offerrook laten opgaan
בוֹ֙
(bo)
daarin
לֵאלֹהִ֣ים
(lElohim)
voor goden
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יְדָע֛וּם
(yedaum)
zij kenden
הֵ֥מָּה
(hema)
zij
וַאֲבֽוֹתֵיהֶ֖ם
(vaavoteihem)
en hun vaders
וּמַלְכֵ֣י
(umalkhei)
en de koningen van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וּמָֽלְא֛וּ
(umaleu)
en zij hebben gevuld
אֶת
(et)
(obj.)
הַמָּק֥וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
דַּ֥ם
(dam)
met bloed van
נְקִיִּֽם
(neqiyim)
onschuldigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיְנַכְּרוּ (vaynakkeru), ‘zij hebben vreemd gemaakt’: zij hebben van deze plaats iets vreemds voor Yahweh gemaakt.
Het kan ook ‘miskend’ betekenen.
דַּם נְקִיִּם (dam nekiyyim), ‘bloed van onschuldigen’: de kinderen uit vers 5. Zie ook 2 Kon. 21:16.
5Zij hebben de hoogten van de Baäl gebouwd om hun zonen met vuur te verbranden als brandoffers voor de Baäl. Dat heb Ik niet geboden en niet gesproken, en het is niet in Mijn hart opgekomen.
וּבָנ֞וּ
(uvanu)
en zij hebben gebouwd
אֶת
(et)
(obj.)
בָּמ֣וֹת
(bamot)
de hoogten van
הַבַּ֗עַל
(habaal)
de Baäl
לִשְׂרֹ֧ף
(lisrof)
om te verbranden
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵיהֶ֛ם
(beneihem)
hun zonen
בָּאֵ֖שׁ
(baesh)
met vuur
עֹל֣וֹת
(olot)
brandoffers
לַבָּ֑עַל
(labaal)
voor de Baäl
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
wat
לֹֽא
(lo)
niet
צִוִּ֨יתִי֙
(tsiviti)
Ik heb geboden
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
דִבַּ֔רְתִּי
(dibarti)
Ik heb gesproken
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
עָלְתָ֖ה
(aleta)
is opgekomen
עַל
(al)
in
לִבִּֽי
(libi)
Mijn hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בָּמוֹת הַבַּעַל (bamot haBaal), ‘hoogten van de Baäl’: offerplaatsen voor de Baäl.
Kinderen werden op zulke plaatsen verbrand (2 Kon. 21:6).
אֲשֶׁר לֹא־צִוִּיתִי וְלֹא דִבַּרְתִּי וְלֹא עָלְתָה עַל־לִבִּי (asher lo tsivviti velo dibbarti velo alta al libbi), ‘dat heb Ik niet geboden en niet gesproken, en het is niet in Mijn hart opgekomen’: Yahweh wijst het kinderoffer scherp af. Bijna dezelfde woorden staan in Jer. 7:31 en 32:35.
7Ik zal de raad van Juda en Jeruzalem leegmaken op deze plaats. Ik zal hen door het zwaard laten vallen voor hun vijanden en door de hand van wie hun leven zoeken. Hun lijken zal Ik tot voedsel geven aan de vogels van de hemel en aan de dieren van het land.
וּ֠בַקֹּתִי
(uvaqoti)
en Ik zal leegmaken
אֶת
(et)
(obj.)
עֲצַ֨ת
(atsat)
de raad van
יְהוּדָ֤ה
(yehuda)
Juda
וִירוּשָׁלִַ֨ם֙
(virushaliam)
en Jeruzalem
בַּמָּק֣וֹם
(bamaqom)
op de plaats
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וְהִפַּלְתִּ֤ים
(vehipaltim)
en Ik zal hen laten vallen
בַּחֶ֨רֶב֙
(bacherev)
door het zwaard
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
אֹֽיְבֵיהֶ֔ם
(oyeveihem)
hun vijanden
וּבְיַ֖ד
(uveyad)
en door de hand van
מְבַקְשֵׁ֣י
(mevaqshei)
wie zoeken
נַפְשָׁ֑ם
(nafsham)
hun leven
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en Ik zal geven
אֶת
(et)
(obj.)
נִבְלָתָם֙
(nivlatam)
hun lijken
לְמַֽאֲכָ֔ל
(lemaakhal)
tot voedsel
לְע֥וֹף
(leof)
aan de vogels van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
וּלְבֶהֱמַ֥ת
(ulevehemat)
en aan de dieren van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
וּבַקֹּתִי (uvaqqoti), ‘Ik zal leegmaken’: het werkwoord בָּקַק (baqaq) betekent ‘leegmaken, uitgieten’.
Het klinkt als בַּקְבֻּק (baqbuq), ‘kruik’, uit vers 1.
Zoals de kruik wordt leeggegoten en gebroken, zo maakt Yahweh de raad van Juda leeg.
9Ik zal hen het vlees van hun zonen en het vlees van hun dochters laten eten. Ieder zal het vlees van zijn naaste eten, in de belegering en in de benauwdheid waarmee hun vijanden en wie hun leven zoeken hen benauwen.’
וְהַֽאֲכַלְתִּ֞ים
(vehaakhaltim)
en Ik zal hen laten eten
אֶת
(et)
(obj.)
בְּשַׂ֣ר
(besar)
het vlees van
בְּנֵיהֶ֗ם
(beneihem)
hun zonen
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
בְּשַׂ֣ר
(besar)
het vlees van
בְּנֹתֵיהֶ֔ם
(benoteihem)
hun dochters
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en ieder
בְּשַׂר
(besar)
het vlees van
רֵעֵ֖הוּ
(reehu)
zijn naaste
יֹאכֵ֑לוּ
(yokhelu)
zal eten
בְּמָצוֹר֙
(bematsor)
in de belegering
וּבְמָצ֔וֹק
(uvematsoq)
en in de benauwdheid
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarmee
יָצִ֧יקוּ
(yatsiqu)
zullen benauwen
לָהֶ֛ם
(lahem)
hen
אֹיְבֵיהֶ֖ם
(oyeveihem)
hun vijanden
וּמְבַקְשֵׁ֥י
(umevaqshei)
en wie zoeken
נַפְשָֽׁם
(nafsham)
hun leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּמָצוֹר וּבְמָצוֹק (bematsor uvematsoq), ‘in de belegering en in de benauwdheid’: zoals in Deut. 28:53.
11En zeg tegen hen: ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten: Zo zal Ik dit volk en deze stad breken, zoals men het vat van de pottenbakker breekt, dat niet meer hersteld kan worden. Men zal in Tofet begraven, omdat er geen plaats meer is om te begraven.
וְאָמַרְתָּ֨
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
tegen hen
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֗וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
כָּ֣כָה
(kakha)
zo
אֶשְׁבֹּ֞ר
(eshbor)
Ik zal breken
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֤ם
(haam)
het volk
הַזֶּה֙
(haze)
dit
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
יִשְׁבֹּר֙
(yishbor)
breekt men
אֶת
(et)
(obj.)
כְּלִ֣י
(keli)
het vat van
הַיּוֹצֵ֔ר
(hayotser)
de pottenbakker
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
יוּכַ֥ל
(yukhal)
kan
לְהֵרָפֵ֖ה
(leherafe)
hersteld worden
ע֑וֹד
(od)
meer
וּבְתֹ֣פֶת
(uvetofet)
en in Tofet
יִקְבְּר֔וּ
(yiqberu)
zal men begraven
מֵאֵ֥ין
(meein)
omdat er niet is
מָק֖וֹם
(maqom)
plaats
לִקְבּֽוֹר
(liqbor)
om te begraven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Tofet (ligging onzeker): Tofet was een offerplaats in het dal van Ben-Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem.
De precieze plaats is niet bekend.
Uitleg
כְּלִי הַיּוֹצֵר (kli hayyotser), ‘het vat van de pottenbakker’: anders dan de klei in hoofdstuk 18 is dit vat gebakken.
Het kan niet meer hersteld worden.
בְּתֹפֶת יִקְבְּרוּ (betofet yiqberu), ‘men zal in Tofet begraven’: er zijn zoveel doden dat Tofet vol raakt.
13De huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda zullen onrein zijn, zoals de plaats Tofet. Dat geldt voor alle huizen waarop zij voor het hele leger van de hemel offerrook hebben laten opgaan en plengoffers hebben uitgegoten voor andere goden.’”
וְהָי֞וּ
(vehayu)
en zullen zijn
בָּתֵּ֣י
(batei)
de huizen van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וּבָתֵּי֙
(uvatei)
en de huizen van
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
de koningen van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
כִּמְק֥וֹם
(kimqom)
als de plaats van
הַתֹּ֖פֶת
(hatofet)
Tofet
הַטְּמֵאִ֑ים
(hatemeim)
de onreinen
לְכֹ֣ל
(lekhol)
alle
הַבָּתִּ֗ים
(habatim)
de huizen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarop
קִטְּר֜וּ
(qiteru)
zij hebben offerrook laten opgaan
עַל
(al)
op
גַּגֹּֽתֵיהֶם֙
(gagoteihem)
hun daken
לְכֹל֙
(lekhol)
voor het hele
צְבָ֣א
(tseva)
leger van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְהַסֵּ֥ךְ
(vehasekh)
en om uit te gieten
נְסָכִ֖ים
(nesakhim)
plengoffers
לֵאלֹהִ֥ים
(lElohim)
voor goden
אֲחֵרִֽים
(acherim)
andere
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Tofet (ligging onzeker): Tofet was een offerplaats in het dal van Ben-Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem.
De precieze plaats is niet bekend.
Uitleg
צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘leger van de hemel’: de sterren.
Op de daken liet men voor hen offerrook opgaan, zoals in Sef. 1:5.
נְסָכִים (nesakhim), ‘plengoffers’: wijn die men over het altaar of voor een afgod uitgiet.
14Jeremia kwam terug van Tofet, waar Yahweh hem heen had gestuurd om te profeteren. Hij ging staan in de voorhof van het huis van Yahweh en zei tegen heel het volk:
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en kwam
יִרְמְיָ֨הוּ֙
(yirmeyahu)
Jeremia
מֵֽהַתֹּ֔פֶת
(mehatofet)
van Tofet
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarheen
שְׁלָח֧וֹ
(shelacho)
had hem gestuurd
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
שָׁ֖ם
(sham)
daarheen
לְהִנָּבֵ֑א
(lehinave)
om te profeteren
וַֽיַּעֲמֹד֙
(vayaamod)
en ging staan
בַּחֲצַ֣ר
(bachatsar)
in de voorhof van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tegen
כָּל
(kal)
heel
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Tofet (ligging onzeker): Tofet was een offerplaats in het dal van Ben-Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem.
De precieze plaats is niet bekend.
Uitleg
חֲצַר בֵּית־יְהוָה (chatsar beit-Yahweh), ‘voorhof van het huis van Yahweh’: het open gedeelte bij de tempel, waar het volk kwam.
15Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: „Zie, Ik breng over deze stad en over al haar steden al het onheil waarover Ik tegen haar gesproken heb. Want zij hebben hun nek verhard, om Mijn woorden niet te horen.”
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
מֵבִ֜יא
(mevi)
breng
אֶל
(el)
over
הָעִ֤יר
(hair)
de stad
הַזֹּאת֙
(hazot)
deze
וְעַל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
al
עָרֶ֔יהָ
(areiha)
haar steden
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָ֣רָעָ֔ה
(haraa)
het kwaad
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
דִּבַּ֖רְתִּי
(dibarti)
Ik heb gesproken
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
tegen haar
כִּ֤י
(ki)
want
הִקְשׁוּ֙
(hiqshu)
zij hebben verhard
אֶת
(et)
(obj.)
עָרְפָּ֔ם
(arpam)
hun nek
לְבִלְתִּ֖י
(levilti)
om niet
שְׁמ֥וֹעַ
(shemoa)
te horen
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָרָֽי
(devaray)
Mijn woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is een tweede boodschap, nu in de voorhof van de tempel.