Elohim Bijbel

Jeremia 45

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

Een woord van Yahweh voor Baruch

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Een woord voor Baruch

1Het woord dat de profeet Jeremia tot Baruch, de zoon van Nerija, sprak, toen die deze woorden uit de mond van Jeremia op een boekrol schreef. Dat was in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda:
הַדָּבָ֗ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
דִּבֶּר֙
(diber)
sprak
יִרְמְיָ֣הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הַנָּבִ֔יא
(hanavi)
de profeet
אֶל
(el)
tot
בָּר֖וּךְ
(barukh)
Baruch
בֶּֽן
(ben)
zoon van
נֵֽרִיָּ֑ה
(neriya)
Nerija
בְּכָתְבוֹ֩
(bekhatevo)
toen hij schreef
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֨ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֤לֶּה
(haele)
deze
עַל
(al)
op
סֵ֨פֶר֙
(sefer)
een boekrol
מִפִּ֣י
(mipi)
uit de mond van
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
בַּשָּׁנָה֙
(bashana)
in het jaar
הָֽרְבִעִ֔ית
(hareviit)
het vierde
לִיהוֹיָקִ֧ים
(lihoyaqim)
van Jojakim
בֶּן
(ben)
zoon van
יֹאשִׁיָּ֛הוּ
(yoshiyahu)
Josia
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het vierde jaar van Jojakim is het jaar van de boekrol (Jer. 36:1–4).

Dit woord aan Baruch is dus ouder dan de val van Jeruzalem in de verhalen van de hoofdstukken 39–44.

Het staat hier aan het einde van de verhalen over Jeremia en Baruch.

סֵפֶר (sefer), ‘boekrol’: een gerolde schrijfrol, zoals in Jer. 36.

בְּכָתְבוֹ (bekhotvo), ‘toen hij schreef’: de schrijver is Baruch, de woorden komen uit Jeremia’s mond (Jer. 36:4, 18, 32).

2Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël, over jou, Baruch:
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
עָלֶ֖יךָ
(aleikha)
over jou
בָּרֽוּךְ
(barukh)
Baruch
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De aanhef ‘Zo zegt Yahweh’ staat zwart; de woorden van Yahweh zelf staan rood.

Het Hebreeuws zegt ‘over jou’; wat volgt is gericht aan Baruch.

3„Jij hebt gezegd: ‘Wee mij toch, want Yahweh heeft verdriet toegevoegd aan mijn pijn. Ik ben moe van mijn zuchten en rust heb ik niet gevonden.’
אָמַ֨רְתָּ֙
(amarta)
jij hebt gezegd
אֽוֹי
(oy)
wee
נָ֣א
(na)
toch
לִ֔י
(li)
mij
כִּֽי
(ki)
want
יָסַ֧ף
(yasaf)
heeft toegevoegd
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
יָג֖וֹן
(yagon)
verdriet
עַל
(al)
aan
מַכְאֹבִ֑י
(makhovi)
mijn pijn
יָגַ֨עְתִּי֙
(yagati)
ik ben moe
בְּאַנְחָתִ֔י
(beanchati)
van mijn zuchten
וּמְנוּחָ֖ה
(umenucha)
en rust
לֹ֥א
(lo)
niet
מָצָֽאתִי
(matsati)
heb ik gevonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit zijn de woorden die Baruch zei.

Yahweh haalt ze aan.

Zij staan binnen Yahweh’s eigen toespraak; daarom staat ook dit vers rood.

יָגוֹן (yagon), ‘verdriet’, מַכְאֹב (makh’ov), ‘pijn’ en אֲנָחָה (anachah), ‘zucht’: drie woorden voor zijn lijden. Zie ook Ps. 31:11 en Jes. 35:10.

4Zo moet je tegen hem zeggen: ‘Zo zegt Yahweh: Zie, wat Ik heb gebouwd, breek Ik af. Wat Ik heb geplant, ruk Ik uit: heel dit land.
כֹּ֣ה
(ko)
zo
תֹּאמַ֣ר
(tomar)
moet je zeggen
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
אֲשֶׁר
(asher)
wat
בָּנִ֨יתִי֙
(baniti)
Ik heb gebouwd
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
הֹרֵ֔ס
(hores)
breek af
וְאֵ֥ת
(veet)
en (obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
נָטַ֖עְתִּי
(natati)
Ik heb geplant
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
נֹתֵ֑שׁ
(notesh)
ruk uit
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
הִֽיא
(hi)
dat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt hier ‘Zo moet je tegen hem zeggen’.

De tekst past de aanspreking aan: eerst wordt Baruch aangesproken (‘jij’), daarna spreekt Yahweh tot Jeremia over Baruch (‘tegen hem’).

Wij laten de wisseling staan.

בָּנִיתִי … נָטַעְתִּי (baniti … nata’ti), ‘gebouwd … geplant’, en הָרֹס (haros), ‘afbreken’, en נָתוֹשׁ (natosh), ‘uitrukken’: dezelfde werkwoorden als in Jer. 1:10 en 42:10.

אֲנִי (ani), ‘Ik’: het voornaamwoord staat er nadrukkelijk bij, bij beide werkwoorden.

וְאֶת כָּל הָאָרֶץ הִיא (ve’et kol ha’arets hi), ‘heel dit land’: de woorden zijn moeilijk. Letterlijk staat er ‘en heel het land, het’. Wij nemen aan dat ‘heel het land’ de uitleg bij het uitrukken is.

5En jij, zoek je grote dingen voor jezelf? Zoek ze niet. Want zie, Ik breng onheil over alle vlees, godsspraak van Yahweh. Maar Ik geef je je leven tot buit, op alle plaatsen waar je naartoe gaat.’”
וְאַתָּ֛ה
(veata)
en jij
תְּבַקֶּשׁ
(tevaqesh)
zoek je
לְךָ֥
(lekha)
voor jezelf
גְדֹל֖וֹת
(gedolot)
grote dingen
אַל
(al)
niet
תְּבַקֵּ֑שׁ
(tevaqesh)
zoek
כִּ֡י
(ki)
want
הִנְנִי֩
(hinni)
zie Mij
מֵבִ֨יא
(mevi)
brengend
רָעָ֤ה
(raa)
onheil
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
alle
בָּשָׂר֙
(basar)
vlees
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנָתַתִּ֨י
(venatati)
en Ik zal geven
לְךָ֤
(lekha)
aan jou
אֶֽת
(et)
(obj.)
נַפְשְׁךָ֙
(nafshekha)
je leven
לְשָׁלָ֔ל
(leshalal)
tot buit
עַ֥ל
(al)
op
כָּל
(kal)
alle
הַמְּקֹמ֖וֹת
(hameqomot)
plaatsen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waar
תֵּֽלֶךְ
(telekh)
je gaat
שָֽׁם
(sham)
daarheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גְּדֹלוֹת (gedolot), ‘grote dingen’: aanzien, rijkdom of een hoge plaats.

Yahweh zegt dat Baruch dat niet moet zoeken.

כָּל בָּשָׂר (kol basar), ‘alle vlees’: alle levende wezens, vooral alle mensen. Zo ook Gen. 6:12.

וְנָתַתִּי לְךָ אֶת נַפְשְׁךָ לְשָׁלָל (venatatti lekha et nafshekha leshalal), ‘Ik geef je je leven tot buit’: je ontkomt met alleen je leven. Zo ook Jer. 21:9, 38:2 en 39:18, de belofte aan Ebed-Melech.