Een klaaglied over Farao en zijn afdaling naar Sjeol bij de onbesnedenen
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
1In het twaalfde jaar, in de twaalfde maand, op de eerste van de maand, kwam het woord van Yahweh tot mij:
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het werd
בִּשְׁתֵּ֣י
(bishtei)
in twee
עֶשְׂרֵ֣ה
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
בִּשְׁנֵי
(bishnei)
in de tweede
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
חֹ֖דֶשׁ
(chodesh)
maand
בְּאֶחָ֣ד
(beechad)
op één
לַחֹ֑דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הָיָ֥ה
(haya)
kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het twaalfde jaar is geteld vanaf de wegvoering van Jojachin (2 Kon. 24:12–15), ongeveer 586–585 v.Chr.
De twaalfde maand is de maand Adar (februari-maart).
2„Mensenkind, hef een klaaglied aan over Farao, de koning van Egypte. Zeg tegen hem:” „Je werd gelijkgesteld aan een jonge leeuw van de volken, maar jij bent als een monster in de zeeën. Je brak los in je stromen, je roerde het water troebel met je voeten en vertrapte hun stromen.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
שָׂ֤א
(sa)
hef aan
קִינָה֙
(qina)
klaaglied
עַל
(al)
over
פַּרְעֹ֣ה
(paro)
Farao
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en zeg
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
כְּפִ֥יר
(kefir)
jonge leeuw van
גּוֹיִ֖ם
(goyim)
volken
נִדְמֵ֑יתָ
(nidmeita)
je werd gelijkgesteld
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
כַּתַּנִּ֣ים
(katanim)
als monster
בַּיַּמִּ֔ים
(bayamim)
in de zeeën
וַתָּ֣גַח
(vatagach)
en je brak los
בְּנַהֲרוֹתֶ֗יךָ
(benaharoteikha)
in je stromen
וַתִּדְלַח
(vatidlach)
en je roerde troebel
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
בְּרַגְלֶ֔יךָ
(beragleikha)
met je voeten
וַתִּרְפֹּ֖ס
(vatirpos)
en je vertrapte
נַהֲרוֹתָֽם
(naharotam)
hun stromen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
קִינָה (qinah), ‘klaaglied’: een lied bij een sterfgeval.
Hier is het een klaaglied over een levende koning, zoals over de vorsten van Israël in Ezech. 19:1.
כְּפִיר (kefir), ‘jonge leeuw’: beeld van kracht en roofzucht. כַּתַּנִּים (kattannim), ‘als een monster’: het woord תַּנִּים (tannim) is een vorm van תַּנִּין (tannin), een groot water- of zeedier; vergelijk Ps. 74:13 (‘zeemonsters’).
נִדְמֵיתָ (nidmeita), ‘je werd gelijkgesteld’: het werkwoord kan ook ‘je zweeg, je werd tot zwijgen gebracht’ betekenen. Wij volgen ‘gelijkgesteld’, zoals in 31:2 en 31:18.
וַתָּגַח (vattagach), ‘je brak los’: een zeldzaam werkwoord; de betekenis is niet helemaal zeker.
Het klaaglied zelf staat zwart. Wat Yahweh zegt binnen het klaaglied (vanaf vers 3) staat rood. Een klaaglied staat verder zwart, zoals in Ezech. 19.
4Ik laat je achter op het land. Over het open veld werp Ik je neer. Ik laat alle vogels van de hemel op je neerstrijken en verzadig van jou de dieren van heel de aarde.
וּנְטַשְׁתִּ֣יךָ
(unetashtikha)
en Ik zal je achterlaten
בָאָ֔רֶץ
(baarets)
op het land
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
oppervlak van
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
אֲטִילֶ֑ךָ
(atilekha)
zal Ik je werpen
וְהִשְׁכַּנְתִּ֤י
(vehishkanti)
en Ik zal laten wonen
עָלֶ֨יךָ֙
(aleikha)
op je
כָּל
(kal)
alle
ע֣וֹף
(of)
vogels van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְהִשְׂבַּעְתִּ֥י
(vehisbati)
en Ik zal verzadigen
מִמְּךָ֖
(mimekha)
van jou
חַיַּ֥ת
(chayat)
dieren van
כָּל
(kal)
heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְטַשְׁתִּיךָ (netashtikha), ‘Ik laat je achter’: letterlijk ‘Ik laat je los’; het monster blijft hulpeloos op het droge liggen.
פְּנֵי הַשָּׂדֶה (penei hasadeh), ‘het open veld’: letterlijk ‘het oppervlak van het veld’.
10Ik maak vele volken ontzet over je. Hun koningen huiveren van afschuw over je wanneer Ik Mijn zwaard voor hun gezicht zwaai. Zij beven voortdurend, ieder voor zijn leven, op de dag van je val.
וַהֲשִׁמּוֹתִ֨י
(vahashimoti)
en Ik zal ontzet maken
עָלֶ֜יךָ
(aleikha)
over je
עַמִּ֣ים
(amim)
volken
רַבִּ֗ים
(rabim)
vele
וּמַלְכֵיהֶם֙
(umalkheihem)
en hun koningen
יִשְׂעֲר֤וּ
(yisaru)
zullen huiveren
עָלֶ֨יךָ֙
(aleikha)
over je
שַׂ֔עַר
(saar)
huivering
בְּעוֹפְפִ֥י
(beofefi)
wanneer Ik zwaai
חַרְבִּ֖י
(charbi)
Mijn zwaard
עַל
(al)
voor
פְּנֵיהֶ֑ם
(peneihem)
hun gezicht
וְחָרְד֤וּ
(vecharedu)
en zij zullen beven
לִרְגָעִים֙
(lirgaim)
voortdurend
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
לְנַפְשׁ֔וֹ
(lenafsho)
voor zijn leven
בְּי֖וֹם
(beyom)
op de dag van
מַפַּלְתֶּֽךָ
(mapaltekha)
je val
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שַׂעַר (sa’ar), ‘huivering’: een rilling van afschuw.
12Door de zwaarden van helden laat Ik je menigte vallen. Zij zijn allen geweldenaars onder de volken. Zij verwoesten de trots van Egypte, en heel haar menigte wordt vernietigd.
בְּחַרְב֤וֹת
(becharvot)
door zwaarden van
גִּבּוֹרִים֙
(giborim)
helden
אַפִּ֣יל
(apil)
zal Ik doen vallen
הֲמוֹנֶ֔ךָ
(hamonekha)
je menigte
עָרִיצֵ֥י
(aritsei)
geweldenaars van
גוֹיִ֖ם
(goyim)
volken
כֻּלָּ֑ם
(kulam)
zij allen
וְשָֽׁדְדוּ֙
(veshadedu)
en zij zullen verwoesten
אֶת
(et)
(obj.)
גְּא֣וֹן
(geon)
trots van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְנִשְׁמַ֖ד
(venishmad)
en wordt vernietigd
כָּל
(kal)
heel
הֲמוֹנָֽהּ
(hamonah)
haar menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
עָרִיצֵי גּוֹיִם (aritsei goyim), ‘geweldenaars onder de volken’: zoals in Ezech. 30:11 en 31:12.
14Dan laat Ik hun wateren tot rust komen en hun stromen vloeien als olie, godsspraak van Heer Yahweh.
אָ֚ז
(az)
dan
אַשְׁקִ֣יעַ
(ashqia)
zal Ik laten zakken
מֵֽימֵיהֶ֔ם
(meimeihem)
hun wateren
וְנַהֲרוֹתָ֖ם
(venaharotam)
en hun stromen
כַּשֶּׁ֣מֶן
(kashemen)
als olie
אוֹלִ֑יךְ
(olikh)
zal Ik laten vloeien
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַשְׁקִיעַ (ashqia), ‘laat Ik tot rust komen’: letterlijk ‘laat Ik zakken, laat Ik bezinken’.
Het troebele water wordt helder en rustig, zodat het als olie vloeit.
De betekenis van het beeld is niet helemaal zeker: het kan een teken van vrede zijn of van leegte.
15Ik maak het land Egypte tot woestenij. Het land wordt kaal van alles wat het vult, wanneer Ik al zijn bewoners sla. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.
בְּתִתִּי֩
(betiti)
wanneer Ik maak
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֨רֶץ
(erets)
land van
מִצְרַ֜יִם
(mitsrayim)
Egypte
שְׁמָמָ֣ה
(shemama)
tot woestenij
וּנְשַׁמָּ֗ה
(uneshama)
en wordt verwoest
אֶ֚רֶץ
(erets)
het land
מִמְּלֹאָ֔הּ
(mimeloah)
van wat het vult
בְּהַכּוֹתִ֖י
(behakoti)
wanneer Ik sla
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
י֣וֹשְׁבֵי
(yoshevei)
bewoners van
בָ֑הּ
(bah)
erin
וְיָדְע֖וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
מִמְּלֹאָהּ (mimmelo’ah), ‘van wat het vult’: het land wordt leeggehaald van zijn mensen, vee en rijkdom.
16Dit is een klaaglied, en men zal het aanheffen. De dochters van de volken zullen het aanheffen over Egypte en over heel haar menigte. Zij zullen het aanheffen, godsspraak van Heer Yahweh.’”
קִינָ֥ה
(qina)
klaaglied
הִיא֙
(hi)
het is
וְק֣וֹנְנ֔וּהָ
(veqonenuha)
en zij zullen het aanheffen
בְּנ֥וֹת
(benot)
dochters van
הַגּוֹיִ֖ם
(hagoyim)
de volken
תְּקוֹנֵ֣נָּה
(teqonena)
zullen aanheffen
אוֹתָ֑הּ
(otah)
het
עַל
(al)
over
מִצְרַ֤יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְעַל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
heel
הֲמוֹנָהּ֙
(hamonah)
haar menigte
תְּקוֹנֵ֣נָּה
(teqonena)
zullen aanheffen
אוֹתָ֔הּ
(otah)
het
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
Hier eindigt het klaaglied van vers 2–16.
Het wordt ‘aangeheven’ door de dochters van de volken, zoals bij rouw om een gestorven vorst.
18„Mensenkind, weeklaag over de menigte van Egypte. Breng haar omlaag, haar en de dochters van machtige volken, naar de diepste aarde, bij hen die in de kuil neerdalen.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
נְהֵ֛ה
(nehe)
weeklaag
עַל
(al)
over
הֲמ֥וֹן
(hamon)
menigte van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְהוֹרִדֵ֑הוּ
(vehoridehu)
en breng hem omlaag
א֠וֹתָהּ
(otah)
haar
וּבְנ֨וֹת
(uvenot)
en dochters van
גּוֹיִ֧ם
(goyim)
volken
אַדִּרִ֛ם
(adirim)
machtige
אֶל
(el)
naar
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
תַּחְתִּיּ֖וֹת
(tachtiyot)
de diepten
אֶת
(et)
bij
י֥וֹרְדֵי
(yoredei)
hen die neerdalen naar
בֽוֹר
(bor)
de kuil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
נְהֵה (neheh), ‘weeklaag’: een zeldzaam woord voor een klacht of klaagzang.
בְּנוֹת גּוֹיִם אַדִּרִם (benot goyim addirim), ‘de dochters van machtige volken’: de volken zelf, voorgesteld als dochters.
אֶרֶץ תַּחְתִּיּוֹת (erets tachtiyot), ‘de diepste aarde’: de onderwereld; dezelfde woorden staan in vers 24; zie ook Ezech. 31:14.
בּוֹר (vor), ‘kuil’: een woord voor de onderwereld, zoals in Jes. 14:15.
19Wie overtref je in lieflijkheid? Daal af en word neergelegd bij de onbesnedenen.
מִמִּ֖י
(mimi)
dan wie
נָעָ֑מְתָּ
(naamta)
ben je lieflijker
רְדָ֥ה
(reda)
daal af
וְהָשְׁכְּבָ֖ה
(vehashkeva)
en word neergelegd
אֶת
(et)
bij
עֲרֵלִֽים
(arelim)
onbesnedenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִמִּי נָעָמְתָּ (mimmi na’amta), ‘wie overtref je in lieflijkheid?’: een spottende vraag.
Farao, die zo trots was, krijgt geen betere plaats dan de onbesnedenen.
עֲרֵלִים (arelim), ‘onbesnedenen’: mensen die niet besneden zijn, dus vreemden buiten het verbond met Israël (zie Gen. 17:10–14). Hier gaat het om de doden van de volken; zie ook Ezech. 31:18.
21De sterkste helden zullen uit Sjeol tot hem spreken, samen met zijn helpers: ‘Zij zijn neergedaald, zij liggen daar, de onbesnedenen, door het zwaard gesneuveld.’
יְדַבְּרוּ
(yedaberu)
zullen spreken
ל֞וֹ
(lo)
tot hem
אֵלֵ֧י
(elei)
de sterksten van
גִבּוֹרִ֛ים
(giborim)
helden
מִתּ֥וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
שְׁא֖וֹל
(sheol)
Sjeol
אֶת
(et)
met
עֹֽזְרָ֑יו
(ozerav)
zijn helpers
יָֽרְד֛וּ
(yaredu)
zijn neergedaald
שָׁכְב֥וּ
(shakhevu)
zij liggen
הָעֲרֵלִ֖ים
(haarelim)
de onbesnedenen
חַלְלֵי
(challei)
gesneuvelden van
חָֽרֶב
(charev)
zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֵלֵי גִבּוֹרִים (elei gibborim), ‘de sterkste helden’: het woord אַיִל (ayil) betekent letterlijk ‘ram’ en daarna ‘leider, sterke’; zie ook de Uitleg bij Ezech. 31:11.
שְׁאוֹל (She’ol), ‘Sjeol’: het dodenrijk. De doden spreken Farao toe als hij aankomt, zoals in Jes. 14:9–10.
23Zijn graven zijn gelegd in de uithoeken van de kuil, en zijn vergadering ligt rondom zijn graf. Zij zijn allen gesneuveld, door het zwaard gevallen, zij die schrik hebben gebracht in het land van de levenden.
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wier
נִתְּנ֤וּ
(nitenu)
zijn gegeven
קִבְרֹתֶ֨יהָ֙
(qivroteiha)
haar graven
בְּיַרְכְּתֵי
(beyarketei)
in de uithoeken van
ב֔וֹר
(bor)
de kuil
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en is
קְהָלָ֔הּ
(qehalah)
haar vergadering
סְבִיב֖וֹת
(sevivot)
rondom
קְבֻרָתָ֑הּ
(qevuratah)
haar graf
כֻּלָּ֤ם
(kulam)
zij allen
חֲלָלִים֙
(chalalim)
gesneuvelden
נֹפְלִ֣ים
(nofelim)
gevallen
בַּחֶ֔רֶב
(bacherev)
door het zwaard
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתְנ֥וּ
(natenu)
gaven
חִתִּ֖ית
(chitit)
schrik
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
חַיִּֽים
(chayim)
levenden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּיַרְכְּתֵי בוֹר (beyarkhetei vor), ‘in de uithoeken van de kuil’: de diepste, verste plek van de onderwereld, zoals in Jes. 14:15.
חִתִּית (chittit), ‘schrik’: de schrik die zij met hun macht verspreidden. Het woord keert in de verzen 24 tot en met 32 terug.
24Daar is Elam met heel haar menigte rondom haar graf. Zij zijn allen gesneuveld, door het zwaard gevallen, onbesneden neergedaald naar de diepste aarde. Zij hebben hun schrik gebracht in het land van de levenden en dragen hun schande, bij hen die in de kuil neerdalen.
שָׁ֤ם
(sham)
daar
עֵילָם֙
(eilam)
Elam
וְכָל
(vekhal)
en heel
הֲמוֹנָ֔הּ
(hamonah)
haar menigte
סְבִיב֖וֹת
(sevivot)
rondom
קְבֻרָתָ֑הּ
(qevuratah)
haar graf
כֻּלָּ֣ם
(kulam)
zij allen
חֲלָלִים֩
(chalalim)
gesneuvelden
הַנֹּפְלִ֨ים
(hanofelim)
die vielen
בַּחֶ֜רֶב
(bacherev)
door het zwaard
אֲֽשֶׁר
(asher)
die
יָרְד֥וּ
(yaredu)
zijn neergedaald
עֲרֵלִ֣ים
(arelim)
onbesneden
אֶל
(el)
naar
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
תַּחְתִּיּ֗וֹת
(tachtiyot)
de diepten
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
נָתְנ֤וּ
(natenu)
gaven
חִתִּיתָם֙
(chititam)
hun schrik
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
חַיִּ֔ים
(chayim)
levenden
וַיִּשְׂא֥וּ
(vayisu)
en zij dragen
כְלִמָּתָ֖ם
(kelimatam)
hun schande
אֶת
(et)
met
י֥וֹרְדֵי
(yoredei)
hen die neerdalen naar
בֽוֹר
(bor)
de kuil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֵילָם (Elam): het volk ten oosten van de Tigris, zie Jes. 21:2 en 22:6.
וַיִּשְׂאוּ כְלִמָּתָם (vayis’u khlimmatam), ‘en dragen hun schande’: letterlijk ‘en zij hebben hun schande gedragen’. De uitdrukking keert terug in vers 25 en 30.
25Men heeft haar een ligplaats gegeven te midden van gesneuvelden, met heel haar menigte. Rondom haar zijn haar graven. Zij zijn allen onbesneden, door het zwaard gesneuveld. Want hun schrik is gelegd in het land van de levenden, maar zij dragen hun schande bij hen die in de kuil neerdalen. Te midden van gesneuvelden is zij neergelegd.
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
te midden van
חֲ֠לָלִים
(chalalim)
gesneuvelden
נָתְנ֨וּ
(natenu)
zij hebben gegeven
מִשְׁכָּ֥ב
(mishkav)
ligplaats
לָהּ֙
(lah)
voor haar
בְּכָל
(bekhal)
met heel
הֲמוֹנָ֔הּ
(hamonah)
haar menigte
סְבִֽיבוֹתָ֖יו
(sevivotav)
rondom hem
קִבְרֹתֶ֑הָ
(qivroteha)
haar graven
כֻּלָּ֣ם
(kulam)
zij allen
עֲרֵלִ֣ים
(arelim)
onbesneden
חַלְלֵי
(challei)
gesneuvelden van
חֶ֡רֶב
(cherev)
zwaard
כִּֽי
(ki)
want
נִתַּ֨ן
(nitan)
is gegeven
חִתִּיתָ֜ם
(chititam)
hun schrik
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
חַיִּ֗ים
(chayim)
levenden
וַיִּשְׂא֤וּ
(vayisu)
en zij dragen
כְלִמָּתָם֙
(kelimatam)
hun schande
אֶת
(et)
met
י֣וֹרְדֵי
(yoredei)
hen die neerdalen naar
ב֔וֹר
(bor)
de kuil
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
te midden van
חֲלָלִ֖ים
(chalalim)
gesneuvelden
נִתָּֽן
(nitan)
is zij gegeven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָתְנוּ מִשְׁכָּב לָהּ (natnu mishkav lah), ‘men heeft haar een ligplaats gegeven’: letterlijk ‘zij gaven een ligplaats voor haar’.
De onderwereld geeft Elam een plaats bij de gesneuvelden.
Het slot ‘is neergelegd’ staat in het Hebreeuws (נִתָּן, nittan, ‘is gegeven’) in de mannelijke vorm. Wij schrijven ‘zij’, naar Elam.
26Daar zijn Mesech en Tubal met heel haar menigte. Haar graven liggen rondom haar. Zij zijn allen onbesneden, door het zwaard doorboord, want zij hebben schrik gebracht in het land van de levenden.
שָׁ֣ם
(sham)
daar
מֶ֤שֶׁךְ
(meshekh)
Mesech
תֻּבַל֙
(tuval)
Tubal
וְכָל
(vekhal)
en heel
הֲמוֹנָ֔הּ
(hamonah)
haar menigte
סְבִֽיבוֹתָ֖יו
(sevivotav)
rondom hem
קִבְרוֹתֶ֑יהָ
(qivroteiha)
haar graven
כֻּלָּ֤ם
(kulam)
zij allen
עֲרֵלִים֙
(arelim)
onbesneden
מְחֻ֣לְלֵי
(mechullei)
doorboorden van
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
כִּֽי
(ki)
want
נָתְנ֥וּ
(natenu)
zij hebben gegeven
חִתִּיתָ֖ם
(chititam)
hun schrik
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
חַיִּֽים
(chayim)
levenden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מֶשֶׁךְ תֻּבָל (Meshekh Tuval), ‘Mesech en Tubal’: volken in het noordoosten van Klein-Azië, zie Gen. 10:2.
Zij worden ook in Ezech. 27:13 en 38:2 genoemd.
מְחֻלְלֵי חֶרֶב (mechullelei cherev), ‘door het zwaard doorboord’: een andere vorm dan חַלְלֵי חֶרֶב (challelei cherev), ‘door het zwaard gesneuvelden’. Het kan ook ‘door het zwaard onteerd’ betekenen.
27Zij liggen niet bij de gevallen helden uit de onbesnedenen, die met hun krijgswapens naar Sjeol zijn neergedaald. Men legde hun zwaarden onder hun hoofden. Hun schuld kwam op hun beenderen, want zij waren een schrik van helden in het land van de levenden.
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יִשְׁכְּבוּ֙
(yishkevu)
zullen zij liggen
אֶת
(et)
bij
גִּבּוֹרִ֔ים
(giborim)
helden
נֹפְלִ֖ים
(nofelim)
gevallen
מֵעֲרֵלִ֑ים
(mearelim)
van onbesnedenen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יָרְדֽוּ
(yaredu)
zijn neergedaald
שְׁא֣וֹל
(sheol)
Sjeol
בִּכְלֵֽי
(bikhlei)
met wapens van
מִלְחַמְתָּם֩
(milchamtam)
hun oorlog
וַיִּתְּנ֨וּ
(vayitenu)
en zij legden
אֶת
(et)
(obj.)
חַרְבוֹתָ֜ם
(charvotam)
hun zwaarden
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
רָאשֵׁיהֶ֗ם
(rasheihem)
hun hoofden
וַתְּהִ֤י
(vatehi)
en kwam
עֲוֺֽנֹתָם֙
(avonotam)
hun schuld
עַל
(al)
op
עַצְמוֹתָ֔ם
(atsmotam)
hun beenderen
כִּֽי
(ki)
want
חִתִּ֥ית
(chitit)
schrik van
גִּבּוֹרִ֖ים
(giborim)
helden
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
חַיִּֽים
(chayim)
levenden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is moeilijk.
Wij volgen de Masoretische tekst: Mesech en Tubal liggen niet bij de helden uit de onbesnedenen, die met hun wapens naar Sjeol gingen.
Die helden kregen een eervolle begrafenis, met hun zwaarden onder hun hoofden.
Mesech en Tubal krijgen die eer niet.
עֲוֺנֹתָם עַל עַצְמוֹתָם (avonotam al atsmotam), ‘hun schuld op hun beenderen’: hun schuld blijft op hen rusten.
Lezing
Sommige oude vertalingen lezen ‘van oudsher’ in plaats van ‘uit de onbesnedenen’.
29Daar is Edom, haar koningen en al haar vorsten, die ondanks hun kracht bij de door het zwaard gesneuvelden zijn gelegd. Zij liggen bij de onbesnedenen en bij hen die in de kuil neerdalen.
שָׁ֣מָּה
(shama)
daar
אֱד֗וֹם
(edom)
Edom
מְלָכֶ֨יהָ֙
(melakheiha)
haar koningen
וְכָל
(vekhal)
en alle
נְשִׂיאֶ֔יהָ
(nesieiha)
haar vorsten
אֲשֶׁר
(asher)
die
נִתְּנ֥וּ
(nitenu)
zijn gelegd
בִגְבוּרָתָ֖ם
(bigvuratam)
in hun kracht
אֶת
(et)
bij
חַלְלֵי
(challei)
gesneuvelden van
חָ֑רֶב
(charev)
zwaard
הֵ֛מָּה
(hema)
zij
אֶת
(et)
bij
עֲרֵלִ֥ים
(arelim)
onbesnedenen
יִשְׁכָּ֖בוּ
(yishkavu)
zullen liggen
וְאֶת
(veet)
en bij
יֹ֥רְדֵי
(yoredei)
hen die neerdalen naar
בֽוֹר
(bor)
de kuil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱדוֹם (Edom): het land ten zuidoosten van de Zoutzee (Dode Zee).
30Daar zijn de heersers van het noorden, zij allen, en alle Sidoniërs, die met de gesneuvelden zijn neergedaald. Beschaamd zijn zij, ondanks de schrik die van hun kracht uitging. Zij liggen onbesneden bij de door het zwaard gesneuvelden en dragen hun schande, bij hen die in de kuil neerdalen.
שָׁ֣מָּה
(shama)
daar
נְסִיכֵ֥י
(nesikhei)
heersers van
צָפ֛וֹן
(tsafon)
het noorden
כֻּלָּ֖ם
(kulam)
zij allen
וְכָל
(vekhal)
en alle
צִֽדֹנִ֑י
(tsidoni)
Sidoniërs
אֲשֶׁר
(asher)
die
יָרְד֣וּ
(yaredu)
zijn neergedaald
אֶת
(et)
met
חֲלָלִ֗ים
(chalalim)
gesneuvelden
בְּחִתִּיתָ֤ם
(bechititam)
in hun schrik
מִגְבֽוּרָתָם֙
(migvuratam)
uit hun kracht
בּוֹשִׁ֔ים
(boshim)
beschaamd
וַיִּשְׁכְּב֤וּ
(vayishkevu)
en zij liggen
עֲרֵלִים֙
(arelim)
onbesneden
אֶת
(et)
bij
חַלְלֵי
(challei)
gesneuvelden van
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
וַיִּשְׂא֥וּ
(vayisu)
en zij dragen
כְלִמָּתָ֖ם
(kelimatam)
hun schande
אֶת
(et)
met
י֥וֹרְדֵי
(yoredei)
hen die neerdalen naar
בֽוֹר
(bor)
de kuil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְסִיכֵי צָפוֹן (nesikhei tsafon), ‘heersers van het noorden’: een ander woord dan נָשִׂיא (nasi), ‘vorst’.
Wie met het noorden bedoeld wordt, is onzeker; het kan om volken ten noorden van Israël gaan.
צִדֹנִי (Tsidoni), ‘Sidoniërs’: de bewoners van Sidon.
בְּחִתִּיתָם מִגְּבוּרָתָם בּוֹשִׁים (bechittatam miggevuratam boshim), ‘beschaamd, ondanks de schrik die van hun kracht uitging’: letterlijk ‘in hun schrik, uit hun kracht, beschaamd’. Het Hebreeuws is kort en moeilijk.
32Want Ik heb Mijn schrik in het land van de levenden gelegd. Farao is te midden van de onbesnedenen neergelegd, bij de door het zwaard gesneuvelden, met heel zijn menigte, godsspraak van Heer Yahweh.”
כִּֽי
(ki)
want
נָתַ֥תִּי
(natati)
heb Ik gegeven
אֶת
(et)
(obj.)
חִתִּיתִ֖י
(chititi)
Mijn schrik
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
חַיִּ֑ים
(chayim)
levenden
וְהֻשְׁכַּב֩
(vehushkav)
en is neergelegd
בְּת֨וֹךְ
(betokh)
te midden van
עֲרֵלִ֜ים
(arelim)
onbesnedenen
אֶת
(et)
bij
חַלְלֵי
(challei)
gesneuvelden van
חֶ֗רֶב
(cherev)
zwaard
פַּרְעֹה֙
(paro)
Farao
וְכָל
(vekhal)
en heel
הֲמוֹנֹ֔ה
(hamono)
zijn menigte
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חִתִּיתִי (chittiti), ‘Mijn schrik’: de schrik die Yahweh in het land van de levenden legde.
Farao zelf had eerder schrik gebracht; nu is het Yahweh die schrik brengt.
Lezing
In de geschreven tekst staat חתיתו (chittito), ‘zijn schrik’; de overlevering leest חִתִּיתִי (chittiti), ‘Mijn schrik’.